Het is, zegt deltacommissaris Co Verdaas, „een taboe” om te zeggen dat we ook in een goed beschermd land als Nederland te maken kunnen krijgen met een grote overstroming. Verdaas: „Ik probeer naast het verhaal over hoe we overstromingen kunnen voorkomen, ook het verhaal te vertellen over acceptatie, leren leven met water, en dat het ook wel eens een keer mis kan gaan. Daarbij krijg ik wel eens het verwijt, met name van mensen die al lang bezig zijn met het beveiligen van ons land, dat ik suggereer dat we de strijd tegen het water opgeven. Of er wordt gevraagd: gaat die ramp dan echt een keer gebeuren?”
Deltacommissaris Co Verdaas in Dordrecht, met Noor Pruijn (links) en Ellen Kelder. Foto Merlin Daleman
Daarom is de deltacommissaris, die het kabinet adviseert over watervraagstukken, vandaag in Dordrecht. Want hier doen ze wat elders in Nederland nauwelijks gebeurt: praten over wat te doen in geval van een ramp. „Jullie zitten in de kopgroep”, zegt Verdaas tijdens een wandeling door de binnenstad met gemeentelijke en regionale waterbeheerders. „Krijgen jullie van de bevolking niet vaak de reactie dat die niet elke dag herinnerd wil worden aan de kans dat het fout kan gaan?”
Winkelstraat is ook een dijk
Dat valt mee, zegt Ellen Kelder, programmamanager water van de gemeente Dordrecht. Want de geschiedenis van het Eiland van Dordrecht is getekend door overstromingen en door lichtere vormen van wateroverlast waarmee bewoners vertrouwd zijn. Vooral in de historische binnenstad. Een gedeelte van het centrum ligt buitendijks en een ander gedeelte wordt beschermd door de Voorstraat, die bekendstaat als de langste winkelstraat van Nederland en tevens fungeert als dijk. Een unicum. Als het water flink stijgt, loopt dit via openingen aan de achterkant van de panden naar de voorkant, om daar te worden tegengehouden door vloedschotten – ongeveer dertig centimeter hoge planken die in de gevel worden gehangen om erger te voorkomen. Een enkele middenstander heeft daarnaast de vloer van zijn winkel verhoogd. „Maar dat zijn er niet veel”, vertelt Kelder.
Foto Merlin Daleman
De ‘waterkerende functie’ van de winkelstraat wordt regelmatig gecontroleerd door waterschap Hollandse Delta, zodat de kans dat het water achter de straat belandt nooit hoger is dan één op tienduizend. „De hoogte van de vloedschotten is nu nog voldoende”, vertelt Noor Pruijn, adviseur waterveiligheid bij het waterschap. „Maar er komt een moment waarop dat niet meer hoog genoeg is.” Dat hangt vooral af van de mate waarin de zeespiegel blijft stijgen. Voor de bescherming van onder meer Dordrecht dient de Maeslantkering in de Nieuwe Waterweg. Maar wat als die aan het einde van haar levensduur komt? Pruijn: „Dan ontstaat een complexe situatie. Je kunt de schotten niet nog hoger maken. Dus moet je met elkaar bespreken of er andere manieren zijn om de binnenstad te beschermen.” Er bestaan wel ideeën voor, zoals de bouw van een twee kilometer lange ‘boulevardkering’, om de binnenstad heen.
Lees ook
Een reis langs het hoogwater: ‘De grenzen van het waterbeheer komen in zicht’
Vluchten kan nog wel
Een van de belangrijkste boodschappen die waterbeheerders aan de Dordtenaren overbrengen over het scenario van een eventuele ramp: dat ze kunnen vluchten. Die boodschap verspreiden ze tijdens trainingen op scholen en op een jaarlijks festival, en met filmpjes over het gebruik van zandzakken. Niettemin blijft het lastig om in geval van een watersnoodramp weg te komen van het eiland dat Dordrecht is. Je moet maar afwachten of in dat geval in zuidelijke richting de Moerdijkbrug nog beschikbaar is, en of de wegen ten noorden van de stad niet overvol staan met mensen die Rotterdam zijn ontvlucht. Maar vluchten bínnen de gemeente kan wel. Dordrecht is bezig shelters te ontwikkelen; vluchtplaatsen waar evacués naartoe kunnen, voor enkele dagen, tot het water weer is gezakt en zij kunnen terugkeren naar hun woningen.
Foto Merlin Daleman
Bijvoorbeeld in De Staart, een buitendijks gelegen wijk die hoog genoeg ligt om bescherming te bieden tegen overstromingen als dijken die lager gelegen delen van Dordrecht moeten beschermen, zijn bezweken. Daar, in De Staart, is in zo’n geval nog drinkwater en elektriciteit, en zijn de wegen nog begaanbaar. Ook een nieuw te bouwen wijk, het Maasterras naast het Centraal Station, vier meter hoog, moet voor tienduizenden watervluchtelingen zo’n plaats worden. In die hoger gelegen vluchtwijken wonen bovendien mensen die in geval van calamiteit de watervluchtelingen kunnen helpen opvangen. „Dat is een groot voordeel”, aldus Kelder. Overigens ligt Dordrecht precies op de plaats waar zee en rivier bij elkaar komen. „Dus hier stroomt het water niet snel. Het water gaat op en neer, dat maakt het veilig, buitendijks. Bij elke overstroming die je op het televisiejournaal ziet, wordt alles meegesleurd. Dat kan hier niet gebeuren.” En toch, als een beschermende dijk doorbreekt, kan dit tot een catastrofale overstroming leiden. „Maar door een goede voorbereiding kan het aantal slachtoffers beperkt blijven.”
Gevoel van onveiligheid
Foto Merlin Daleman
De Tweede Kamer bespreekt woensdag, onder anderen met deltacommissaris Verdaas, de kosten en de impact van klimaatverandering in Nederland. De „paradox” van het Nederlandse waterbeheer, stelt Verdaas tijdens zijn bezoek aan Dordrecht, is dat je enerzijds alles doet om de veiligheid tegen overstromingen te vergroten, maar dat als je gaat spreken over mogelijke overstromingen, er een gevoel van onveiligheid ontstaat. Verdaas: „Je bent in Dordrecht niet onveiliger dan waar ook in Nederland. Maar anders dan in de rest van Nederland weten ze hier wel wat ze moeten doen als het onverhoopt een keer mis gaat.”
Lees ook
Hoge waterstanden en hoge golven, ook deze mini-Oosterscheldekering moet alles kunnen weerstaan
Aantrekkelijk kun je de omgeving van Schiphol niet noemen. Als ergens de verrommeling van het landschap heeft toegeslagen, dan is dat direct ten zuiden en oosten van de luchthaven. Hier verstoffen verwaarloosde woningen, staan kassen te verpieteren en lijken weilanden te wachten tot ze ooit worden omgevormd tot park. Een rit door het gebied illustreert wat het vorig jaar verschenen boek Leven onder het Luchtruim van Tijs van den Boomen en Theo Baart betoogde: dat Schiphol, hoe je verder ook over het economisch belang van de luchthaven denkt, een desastreuze invloed heeft gehad op de ruimtelijke ontwikkeling van de regio Amsterdam.
Wie hier enkele uren rondbanjert, merkt „hoe achteloos de wijde omgeving van Schiphol al decennia wordt behandeld, alsof er toch geen eer aan te behalen zou zijn”, aldus het boek. De omgeving zucht onder de regels die woningbouw verbieden, schrijven de auteurs. „Onder de Kaagbaan is de afgelopen decennia een landschap van reusachtige dozen ontstaan, hier heersen de distributiehallen, datacenters en kassen. Als de haven de machinekamer van de Amsterdamse metropoolregio is, dan is de ruimte onder de Kaagbaan een gecombineerde voorraadkast en serverruimte.”
Datacenters en verwaarloosde kassen rond Schiphol.
Foto’s Olivier Middendorp
Verrassend eenvoudig plan
Het boek was een van de aanleidingen voor het College van Rijksbouwmeester en Rijksadviseurs, dat de rijksoverheid adviseert over ruimtelijke kwaliteit, om onderzoek te doen naar de mogelijkheden zowel de geluidsoverlast te verminderen als meer ruimte „vrij te spelen” voor het bouwen van huizen, ja steden zelfs. Zonder dat dit onmiddellijk hoeft te leiden tot krimp van Schiphol.
De uitkomst is „verrassend eenvoudig”, stelt Rijksadviseur voor de fysieke leefomgeving Wouter Veldhuis maandag in een open brief aan het kabinet: „Door de felheid van het maatschappelijk debat, de technische complexiteit van het luchtvaartdossier en de grote internationale druk wordt een voor de hand liggende oplossing over het hoofd gezien: het verminderen van het aantal uitvliegroutes.”
Het aanpassen van twee routes van vertrekkende vliegtuigen, over Amsterdam Nieuw-West en over het gebied tussen Hoofddorp en Nieuw-Vennep, levert een „enorme geluidsreductie op voor tienduizenden bewoners”, aldus de brief. Door het wegvallen van regels voor geluidhinder ontstaat „ruimte voor minimaal zestigduizend woningen op twee zeer gewilde en goed bereikbare locaties”. Het college wil de ministers Mona Keijzer (Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, BBB) en Barry Madlener (Infrastructuur, PVV) helpen met de „verdere uitwerking tot concrete maatregelen”.
Als een vliegroute verlegd wordt, kan het gebied tussen Hoofddorp en Nieuw Vennep bebouwd worden. Foto Olivier Middendorp
Omgeving lijkt op origami
Er liggen „enorme kansen”, zegt Wouter Veldhuis in een toelichting. De Rijksadviseurs stellen vast dat de stedelijke ontwikkeling van Amsterdam de afgelopen vijftig jaar als het ware om Schiphol heen is gevouwen, „als een origamikunstwerk”. Toch kunnen de geluidscontouren, dat wil zeggen de grenzen waarbinnen beperkingen voor het bouwen van woningen gelden, worden verlegd zonder te morrelen aan wat „cruciaal is voor een goed functionerende luchthaven”. Veldhuis: „Er zijn vliegroutes met geluidscontouren die cruciaal zijn voor de luchthaven. Je kunt bijvoorbeeld wel zeggen dat er bij Halfweg, fantastisch mooi gelegen tussen Haarlem en Amsterdam, een voorstad kan worden gebouwd. Maar als je de vliegroutes over dat gebied ter discussie stelt, stort de functie van Schiphol in.”
Anders is dat voor twee andere uitvliegroutes, een tussen Hoofddorp en Nieuw-Vennep en een boven Amsterdam Nieuw-West. „De urgentie van de ruimtelijke ordening in deze gebieden is groter dan het belang van het kleine stukje omvliegen.” In het voorstel vliegen vertrekkende toestellen twintig kilometer verder in zuidelijke richting om pas daar een westelijke bocht te maken, zodat Hoofddorp en Nieuw-Vennep worden ontzien. En in noordelijke richting maken ze de oostelijke bocht twintig kilometer verderop, boven het Amsterdamse Havengebied in plaats van boven het drukbevolkte Nieuw-West. „Die afstand is voor intercontinentale vluchten verwaarloosbaar.”
Een stad, zo groot als Tilburg
Het belang van een aantrekkelijke omgeving op de grond is groot, stelt Veldhuis. „De regio Amsterdam is de snelst groeiende regio van Nederland. Er zijn al veel voorzieningen. Er zijn afslagen van snelwegen. Er is openbaar vervoer. Er is werk. Er zijn scholen en supermarkten en huisartsenpraktijken. Je kunt gerust woningen in Almere bouwen, maar veel mensen willen dichter bij de voorzieningen en werkgelegenheid in de Amsterdamse regio wonen. Die kansen worden nu onvoldoende benut.” Het plan kan ertoe leiden dat Hoofddorp en Nieuw-Vennep naar elkaar toe groeien door het gebied ertussen met naar schatting 45.000 woningen te bebouwen, „in een grote variatie aan woonmilieus”, zodat de twee kernen uitgroeien tot het formaat van een stad als Tilburg.
Ook voor de wijken van Amsterdam Nieuw-West, met in totaal 160.000 inwoners, is een impuls hard nodig. Veldhuis: „Dit stadsdeel scoort binnen de regio op alle indicatoren ondermaats. De wijken kampen met sociaal-maatschappelijke problemen. Het gemiddelde opleidingsniveau is laag.” Er wordt al jaren aan stadsvernieuwing gedaan. „Maar daar zit een rem op, met name in buurten als Osdorp en Geuzenveld, die binnen de geluidscontour van Schiphol vallen. Daar kunnen nu geen woningen bij worden gebouwd. Terwijl dat hard nodig is om die wijken vitaal te houden. Bittere noodzaak.” De Rijksadviseurs mikken op ongeveer vijftienduizend extra woningen aldaar.
In het gebied onder de Kaagbaan staan vooral distributiehallen, datacenters en kassen. Foto Olivier Middendorp
Nieuwe tijd, oude contouren
De vraag is of dit voorstel niet veel eerder had kunnen worden verzonnen. Is het verlengen van twee vliegroutes misschien minder simpel dan de Rijksadviseurs suggereren? Veldhuis: „We leven in een andere tijd dan toen de bochten in deze vliegroutes werden ontworpen. Destijds was de Haarlemmermeer nagenoeg leeg. En dat geldt eigenlijk ook voor Nieuw-West. Bovendien dateren die contouren uit een tijd met een veel lagere intensiteit in het luchtruim. We leven in een nieuwe tijd met oude contouren, en het is heel legitiem om daar weer eens aan te schudden.” Daar komt nog iets bij: we zijn anders gaan denken over vlieglawaai. Veldhuis: „De twee bogen die we eruit willen halen, horen bij het idee dat je geluid moet spreiden.” En dat is onverstandig.
„We hebben Schiphol niet geconsulteerd. Maar we hebben wel verschillende luchtvaartexperts bij dit onderzoek betrokken. En meerderen zeggen dat we af moeten van het spreiden. We hebben in Nederland altijd gedacht dat voor het maatschappelijk draagvlak van de luchtvaart we de overlast moesten spreiden over meerdere plekken. Maar als het om maatschappelijk draagvlak gaat, is het beter de overlast te concentreren op enkele plekken.” Logisch eigenlijk, legt Veldhuis uit: „Je kunt beter duidelijk maken waar de geluidsoverlast echt pijn doet, dan beloven dat de hinder vermindert door het te spreiden. Als er voortaan vijftig in plaats van zeventig vliegtuigen vertrekken, dan tikt dat in de rekenmodellen enorm aan. Maar als je in je tuin staat te barbecuen heb je daar nog steeds last van. Als er anderzijds bij storm ineens een toestel laag over het Vondelpark in de binnenstad van Amsterdam vliegt, dan staat de klachtenlijn roodgloeiend.”
Bouw een mooie basisschool
Het is vervolgens wel zaak, stelt Veldhuis, om de ernstig gehinderde gebieden fiks te compenseren. Veldhuis: „Je kunt het geluid zelf niet compenseren. Je kunt wel zorgen dat jouw woonplaats op veel andere vlakken een betere plaats wordt om te wonen. Met meer groen. Een betere bereikbaarheid. Maak afspraken dat de trein er vaker stopt. Bouw een basisschool die de mooiste van de gehele regio is.” Een mooie omgeving leidt tot minder overlast, blijkt volgens Veldhuis uit onderzoek. „Het is flauw om te zeggen dat je nooit moet zeuren. Maar het is nu eenmaal zo dat ook niet-akoestische factoren bijdragen aan geluidhinder. Als je ongelukkig bent, komen tegenvallers veel harder binnen.”
Heeft de Rijksadviseur ook onderzocht of door zijn voorstel andere gebieden wellicht juist méér geluid te verduren krijgen? Het zuidelijker gelegen Sassenheim bijvoorbeeld? „Kernen als Sassenheim en Lisse krijgen meer overlast. Maar vertrekkende toestellen zitten daar al op zo’n grote hoogte dat ze minder overlast veroorzaken dan bij Hoofddorp. Hoeveel dat scheelt, is voer voor nader onderzoek.”
De een is leerkracht op een basisschool in Rotterdam-Zuid, de ander advocaat en partner op een kantoor in Eindhoven. Bij beiden „begon het na verloop van tijd te kriebelen”. Ze wilden „iets terugdoen” voor hun land dat hen „in vrijheid deed opgroeien” en ze zijn „dankbaar” voor goede opleidingen in een veilige en welvarende leefomgeving. Bovendien hadden ze allebei militairen in de familie en houden ze van avontuur.
Johanneke van Vliet (37) uit Rotterdam en No Mauer (44) uit Helmond combineren sinds enkele jaren hun banen met werk binnen de krijgsmacht. Van Vliet, leerkracht, is twee dagen per week als soldaat der eerste klasse beveiliger bij evenementen, zoals de NAVO-top in juni in Den Haag. Mauer, specialist arbeidsrecht, is gemiddeld een dag per week medewerker van een afdeling van Defensie die het contact met het bedrijfsleven onderhoudt. Hij heeft de rang van majoor.
Mauer waardeert de afwisseling. „Als advocaat en partner heb ik op mijn kantoor veel eigen verantwoordelijkheid”, zegt hij. „Bij defensie ben ik een radertje in een groter geheel, heb ik een baas en krijg ik een heus kerstpakket.”
Van Vliet kan in de combinatie van banen haar religieuze motivatie kwijt: „In beide probeer ik de toekomst volgens Gods plan gestalte te geven. In de klas doe ik dat voor kinderen, bij defensie voor ons land.”
Lees ook
Extra gevechtseenheden voor leger om te voldoen aan NAVO-norm: ‘Grootste groei sinds Koude Oorlog’
Toespelingen
Van Vliet en Mauer zijn reservisten: deeltijdmilitairen die eerst fulltime in de ‘burgersamenleving’ werkten of studeerden en na een basisopleiding (variërend van enkele weken tot een paar maanden, afhankelijk van de functie) hun werk combineren met bijvoorbeeld een dag per week dienen in de krijgsmacht.
Beiden vinden reservist geen goede term, zeggen ze in een telefoongesprek met NRC. „Alsof je op de reservebank zit, terwijl we actief meedoen”, zegt Mauer. Van Vliet ziet soms termen als „weekendkrijger” voorbijkomen of hoort toespelingen op ongeoefendheid van reservisten, maar „daar kan ik inmiddels om lachen”.
Militairen als Van Vliet en Mauer worden nog belangrijker dan ze al waren. Als het aan staatssecretaris Gijs Tuinman (Defensie, BBB) ligt, verdubbelt hun aandeel komende vijf jaar, zo schreef hij vorige week maandag in een Kamerbrief. Nu vormen reservisten zo’n 10 procent van de totale krijgsmacht: ongeveer 7.500 reservisten binnen een geheel van circa 76.000 mannen en vrouwen. Over vijf jaar moet dat 20 procent bedragen; twintigduizend deeltijdmilitairen in een krijgsmacht van ongeveer honderdduizend militairen.
Op symposia hoor ik werkgevers pleiten dat elk bedrijf een quotum aan reservisten moet halen. Vijf jaar geleden was dat ondenkbaar
Voor een onverhoopte oorlogstijd gelden nog ambitieuzere aantallen. Dan moet de krijgsmacht doorgroeien naar tweehonderdduizend militairen, aldus Tuinman. Dan zal ook het aantal reservisten veel verder omhoog moeten, aldus de staatssecretaris. Hoe ver is nog onduidelijk. Hetzelfde geldt voor de kosten voor bijvoorbeeld de intensievere trainingen van reservisten die met de beoogde groei gemoeid zijn.
Er staat veel op het spel, zo stelde Tuinman. De reservist moet een veel krachtiger stempel op de krijgsmacht drukken.
Als de beoogde personeelsgroei toch tegenvalt, komt het door velen gevreesde thema dichterbij dat in elke discussie over het leger terugkeert: herintroductie van de opkomstplicht voor alle mannen en vrouwen vanaf zeventien tot vijfenveertig 17 jaar.
Hoe reëel is dat aantal van twintigduizend? En heeft Defensie geen fulltime vechtersbazen nodig in plaats van parttimers met een ‘burgerleven’?
Johanneke van Vliet, reservist en leerkracht in het basisonderwijs.Foto privéarchief
Vizier
Het is niet voor het eerst dat het ministerie van Defensie reservisten in het vizier heeft als bron van personeelsgroei. „Defensie zet in op reservisten,” luidde de kop van een persbericht in april 2023. In april 2022 zei Tuinmans voorganger, Christophe van der Maat (VVD), bij de openbare beëdiging van zestig reservisten op het Spuiplein, hartje Den Haag: „Uw bijdrage is hard nodig. Want u staat met een been in de samenleving en met het andere in de krijgsmacht. Daardoor bent u als geen ander in staat een brug te slaan tussen de maatschappij en defensie. Om te laten zien hoe mooi én waardevol het is om voor de Nederlandse krijgsmacht te werken.”
Het aantal reservisten groeide afgelopen jaren, maar hard ging het niet: in 2023 had Nederland 6.500 reservisten, ongeveer 1.000 minder dan nu. Deze trage groei is niet uitzonderlijk: De Belgische krijgsmacht wierf vorig jaar iets meer dan 600 reservisten, terwijl ze streefde naar 1.050. In totaal kent België ongeveer 6.500 reservisten.
Mijlpaal
In vakbondskringen is het een open vraag of de gedroomde mijlpaal van twintigduizend reservisten in 2030 wordt gehaald. „De reservisten zijn hard nodig voor het behalen van de doelstellingen”, zegt Jean Debie, voorzitter van de grootste militaire vakbond (Vakbond voor Burger en Militair defensiepersoneel), waarbij ook de belangenorganisatie voor Nederlandse reservisten is aangesloten. „En gelukkig hebben we een paar jaar. Maar het moet nog blijken of dat getal van twintigduizend realistisch is. Het gaat vooral om goede afspraken met het bedrijfsleven. Reservisten heb je ook binnen de overheid, maar die worden nu al veel ingezet.”
Zo bezien heeft het bedrijfsleven de sleutel in handen voor een gestage groei van de krijgsmacht. Ook hier is traagheid troef. De aanhoudende tekorten op de arbeidsmarkt, waardoor defensie en bedrijfsleven met elkaar concurreren om personeel, helpen niet. Hetzelfde geldt voor de hogere eisen die defensie aan de geoefendheid van reservisten wil stellen, hetgeen ten koste kan gaan van de beschikbaarheid voor de ‘burger-baan’.
Het gaat vooral om goede afspraken met het bedrijfsleven. Reservisten heb je ook binnen de overheid, maar die worden al veel ingezet
De laatste zeven jaar is Defensie met bedrijven in gesprek over onder meer het ‘leveren’ van reservisten. Defensie werkt hiervoor samen „met 75 bedrijven en er zijn gesprekken met vierhonderd mogelijke nieuwe partners”, aldus de website van het ministerie. Bekende namen: Shell, VDL Groep (transport), Capgemini en Thales. Ze pasten hun arbeidsbeleid aan (of gaan dat doen) om het werknemers gemakkelijker te maken zich ook in te zetten voor defensie. Jan de Rijk Logistics stelde chauffeurs beschikbaar met bevoegdheden voor speciale transporten.
In januari van dit jaar deden het ministerie en het bedrijfsleven een schepje bovenop hun pogingen om het combineren van banen te vergemakkelijken. VNO-NCW-voorzitter Ingrid Thijssen, FNV-voorzitter Tuur Elzinga en staatssecretaris Tuinman riepen cao-onderhandelaars op ruimte te maken voor ‘reservistenverloven’ in collectieve arbeidsovereenkomsten. „In de praktijk lijkt het soms lastig om de inzet van werknemers als reservist te organiseren”, aldus de bijlage van de brief, „omdat in de civiele omgeving deadlines spelen en werkzaamheden tijdig opgeleverd of afgerond moeten worden.”
Daarnaast spelen ingewikkelde kwesties als verzekering en aansprakelijkheid (wie betaalt als de werknemer letsel oploopt tijdens een oefening?), pensioenrechten en de gevolgen van het reservistenverlof voor de reguliere vakantiedagen.
No Mauer, reservist en advocaat.Foto privéarchief
Looptijd
Het tempo bij het opruimen van de ‘cao-mijnen’ ligt niet hoog. „Veel cao’s lopen nog en hebben een looptijd van twee jaar”, zegt een woordvoerder van de Algemene Werkgevers Vereniging Nederland, de zusterorganisatie van VNO-NCW. „Dus voordat wat verandert, ben je wel een tijdje verder.” De organisatie kondigde in haar laatste nieuwsbrief aan een enquête onder leden af te nemen over onder meer een ‘reservistenverlof’.
Zowel basisschool-leerkracht Van Vliet als advocaat Mauer gingen betrekkelijk soepel over van werkplek naar kazerne, vertellen ze. „Cruciaal is of je werkgever het ziet zitten en wil meewerken”, zegt Van Vliet. Haar school deed dat wel, „al was het soms wel passen en meten. Je moet als reservist in je eigen tijd je conditie op peil houden. Beroepsmilitairen kunnen dat in werktijd doen.”
Advocaat Mauer zag afgelopen jaren één duidelijk obstakel: „De noodzakelijke keuringen voor kandidaat-reservisten. Die duren bij Defensie nu soms anderhalf jaar. Veel te lang, natuurlijk. Je wilt voorkomen dat iemands motivatie tijdens zo’n keuring wegzakt.”
Vorige week kondigde Defensie aan meer ‘zorgreservisten’ te willen inschakelen voor de keuringen. Het gaat om mensen die ooit werkten in de zorg. Ook hun aantal moet groeien, van vier- naar vijfduizend.
Oekraïne
Defensie voert de komende tijd nieuwe publiekscampagnes. Die moeten zowel de voordelen van het reservist-zijn onder de aandacht brengen als de bekendheid vergroten. Waarom zouden deze campagnes nu succes oogsten, terwijl ze in het verleden niet echt aansloegen?
Andere tijden, zegt een woordvoerder van het ministerie. „Het is duidelijk dat er momenteel veel in de wereld gebeurt, en dat de veiligheid van Nederland en van Europa onder druk staat.” Mauer ziet dat ook: „Ik kom op symposia waar werkgevers ervoor pleiten dat elk bedrijf een quotum aan reservisten moet kunnen laten zien. Vijf jaar geleden was dat ondenkbaar.”
Niet alleen de oorlogsdreiging speelt een rol, zoals na de Russische inval in Oekraïne. De woordvoerder: „Veel meer factoren kunnen de interesse van met name jongeren in de krijgsmacht verklaren: de uitdaging, innerlijke groei, kameraadschap, avontuur, leiding kunnen geven.”
Gezien de aantrekkingskracht van deze persoonlijke factoren is een hogere financiële beloning niet nodig als lokmiddel, aldus Defensie. „Salaris is nooit de belangrijkste reden waarom mensen militair willen worden.”
Zowel Van Vliet als Mauer beamen dit. „Ik doe dit niet voor het geld”, zegt de leerkracht. Ze krijgt meer betaald in het basisonderwijs dan voor haar functie in de krijgsmacht. Ook advocaat Mauer zou als fulltimer in zijn kantoor mogelijk meer verdienen, maar is met de honorering als parttime majoor (fulltime zou het salaris maandelijks circa 6.500 euro exclusief toeslagen bedragen) „meer dan tevreden”.
Doorvoerland
Veel nieuwe reservisten zullen worden ingezet voor de zogeheten Host Nation Support, blijkt uit de brief van staatssecretaris Tuinman. Dat is de taak die Nederland binnen de NAVO heeft om militair materieel zo snel en veilig mogelijk door te voeren naar met name Duitsland. Nederland heeft met havens in Rotterdam, Vlissingen en Delfzijl en weg- en spoorverbindingen naar het oosten een belangrijke functie. De militaire taken die daarvoor vereist zijn, liggen dicht bij het werk dat veel reservisten in hun reguliere werk doen: planning, bewaking, onderhoud, logistiek, transport. Bedrijven die met Defensie samenwerken, zoals Shell en VDL Transport, houden zich hiermee bezig.
Het streven: over vijf jaar 20 procent reservisten, oftewel: 20.000 deeltijdmilitairen binnen een krijgsmacht van circa 100.000 militairen
Dat roept wel de vraag op of het groeiend aandeel reservisten de krijgsmacht de goede kant op duwt. Pete Hegseth, minister van Defensie van de VS, zei onlangs dat de NAVO, waarvan Nederland deel uitmaakt, meer vechtersbazen nodig heeft. Het bondgenootschap moet „dodelijker en meer gevechtsbereid worden”, beklemtoonde de bewindsman tijdens zijn eerste optreden in Brussel in februari. „Dat is nodig om de geloofwaardigheid van afschrikking waar te maken.”
Lukt dat met een Nederlandse krijgsmacht die sterker bepaald wordt door deeltijders die veel kunnen behalve vechten? Vakbondsleider Debie ziet het probleem niet zo. „Ook voor grootschalige conflicten heb je al die functies nodig die door deeltijdmilitairen vervuld gaan worden. Veel van die ondersteuning is afgelopen decennia wegbezuinigd, maar hebben we hard nodig.”
Ook advocaat Mauer ziet geen tegenstelling. Een parate krijgsmacht vergt nu eenmaal zeer veel ondersteuning. Mauer somt op: „Transport, logistiek, planning, onderhoud, cyber, communicatie, juridische hulp, bewaking, medische verzorging. Aan belangrijk werk voor deeltijdmilitairen geen gebrek, kortom.”
Lees ook
Eerste contouren van een NAVO zonder of met minder VS zichtbaar
„Dit is de kleinste brand die ik ooit heb bezocht”, zegt natuurbrandexpert Sander Veraverbeke terwijl zijn blik over het verbrande stukje van de Sallandse Heuvelrug glijdt. Enkele tientallen bomen zijn gekapt, de omgewoelde grond is vermengd met witte as, verkoold hout en losse takken. De ravage is bewust gecreëerd, om het vuur dat hier afgelopen zondag zijn gang dacht te kunnen gaan te doven en nieuwe brandstof te ontnemen.
In totaal gaat het om 2.500 vierkante meter, minder dan een half voetbalveld. Een kleintje dus, in het boekje van Veraverbeke, die als klimaatsysteemwetenschapper verbonden is aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Voor zijn veldonderzoeken bezocht hij veel grotere natuurbrandgebieden in Siberië, Alaska, Canada, Californië, Griekenland en recentelijk Groenland. „Je moet hier een soort detective zijn om de gevolgen te zien”, zegt hij, terwijl hij met zijn schoen wat as laat opstuiven. De bomen hebben zelfs geen littekens, merkt hij op.
De natuurbranden die in Nederland voorkomen maken op hem dan ook niet echt indruk, en de kans dat ze dat zullen gaan doen is niet groot. „Hier kan zo’n grote brand gewoonweg niet ontstaan, Nederland heeft niet zoveel aaneengeschakelde natuur.”
De grootste natuurbrand in Nederland was bij de Peel in Noord-Brabant in 2020. Daarbij werd 800 hectare in de as gelegd. In andere landen zijn branden ter grootte van een Nederlandse provincie „geen uitzondering”. „De impact van natuurbranden zal hier dus altijd relatief beperkt blijven.”
Toch wordt er veel aan natuurbrandpreventie gedaan, voor de veiligheid enom de natuur te beschermen. „Dat lukt goed, daarom zijn er maar weinig branden die het nieuws halen”, zegt Marc Brosschot, coördinator natuurbrandpreventie bij Staatsbosbeheer.
Bermbranden
Afgelopen week was er veel aandacht voor branden, niet zozeer vanwege hun grootte, maar vanwege het hoge aantal. Deze maand werden er naar schatting maar liefst tachtig natuurbranden gemeld, waaronder die op de Sallandse Heuvelrug.
Het zijn er „best veel ja”, zegt Brosschot. „In heel 2024 hebben er in totaal 88 natuurbranden gewoed”, zegt hij. Dat zijn er in vergelijking extreem weinig, maar er zijn dat jaar sowieso heel weinig branden. Zelfs inclusief berm-, akker- en defensiebranden (op oefenterreinen) waren het er maar 170.
Hoe anders is het deze maand. Een stuk bos van 4.500 vierkante meter in Hulst is door een brand verwoest, net als een gebied van zeker 20.000 vierkante meter in de Laurabossen in Weert. Ook een stuk akker van 10.000 vierkante meter met daarop drie meter hoog olifantsgras, bij Biervliet in Zeeland, ging in vlammen op – het was de derde brand in Zeeuws-Vlaanderen in één middag.
De oorzaak: droogte. De afgelopen twee jaren waren twee „hele natte”, zegt Edwin Kok, coördinator taskforce natuurbranden van Brandweer Nederland. Er viel toen gemiddeld 986 millimeter, bijna 200 millimeter meer dan normaal. „Dat verklaart waarom het er in 2024 zo weinig waren.”
Dit jaar is op veel plekken in Nederland de afgelopen twee maanden geen druppel regen gevallen en zijn ook nog eens diverse warmterecords verbroken. „Hoewel droogte een grotere impact heeft dan warmte”, zegt Kok. Het verschil moet dus niet alleen afgezet worden tegen afgelopen jaar. „Als je verder terugkijkt, zie je dat er in 2018, 2020 en 2022 ook veel natuurbranden waren. Tussen de 700 en 1000 per jaar.”
Nu wreken de afgelopen twee natte jaren zich in zekere zin, zegt Kok. „De natuur heeft door al die regen kunnen floreren. Alles was groen. Maar doordat het nu juist droog is, betekent dat ook heel veel potentiële brandstof.” Daar komt bij dat de lage vegetatie, gras en varens, nog niet actief is en de „sapstromen nog niet op gang zijn gekomen”. Als het proces van fotosynthese eenmaal loopt, is in elk geval de Nederlandse natuur van zichzelf veel vochthoudender – en remt dan zelf branden af.
Savannes
„Elke plaats op aarde heeft zijn eigen regime, zijn eigen soort branden”, zegt Veraverbeke. Er zijn grote verschillen, afhankelijk van de regio en de begroeiing. Afhankelijk daarvan, en eventuele gevaren, wordt er ook anders omgegaan met de bestrijding ervan.
Door klimaatverandering komen natuurbranden steeds vaker en steeds noordelijker voor, in bosrijke gebieden. „Doordat er nu meer bossen verbranden dan graslanden, zoals de savanne, wordt er door minder branden méér CO2 uitgestoten.” Daarnaast komen ook in natte gebieden zoals de in Brazilië gelegen Pantanal, het grootste draslandgebied ter wereld, vaker meer branden voor.
En branden worden intenser, groter, verwoestender, zoals begin dit jaar in Los Angeles. Veraverbeke heeft daar vijf jaar lang gewoond en onderzoek gedaan naar de branden. „Elke zomer was het daar raak, maar zo heftig als dit jaar, dat is nieuw.” Met zijn handen maakt hij klauwende bewegingen in de lucht, het vuur bleef maar om zich heen grijpen. Hij verwacht niet dat zoiets in Nederland snel zal gebeuren. „Ik hoop dat het de juiste inschatting is.”
Over de aandacht die er was voor de branden in Los Angeles moet hem wel iets van het hart. „We hebben in Europa heel veel aandacht voor de branden hier en in Amerika.” Dat is deels begrijpelijk. Zeker de aandacht voor Zuid-Europese branden, die vakanties beïnvloeden, is logisch. Maar waarom zoveel aandacht voor de Verenigde Staten? En niet voor andere gebieden in de wereld? Er woeden meer grote natuurbranden. Hij noemt Indonesië als hotspot. Waarom is daar nauwelijks aandacht voor? „Bedenk je dat van het totaal afgebrande gebied wereldwijd per jaar minder dan één procent in Europa is.”
Natuurbrandbriefing
In Nederland komt elke week, op donderdagmiddag, „een groep experts bij elkaar die zich bezighoudt met natuurbranden, voor de natuurbrandbriefing”, zegt Brosschot. Dat is een briefing op initiatief van Brandweer Nederland, waar onder andere ook Staatsbosbeheer en het Landelijk Operationeel Coördinatiecentrum bij aanwezig zijn. Samen bekijken ze de verwachtingen voor de komende week. Daarbij kijken ze naar luchtvochtigheid, droogte en wind. „Dan kunnen we snel tot eventuele verbeteringen komen, als er een verhoogd risico is.”
Door die groep worden ook plannen uitgedacht voor de langere termijn. Brosschot zegt, grappend: „De brandweer wil zo graag natuurbranden voorkomen dat het soms lijkt alsof ze liever het hele land asfalteren. Maar branden kún je niet helemaal voorkomen, dus er moet een middenweg gezocht worden, die werkt voor de veiligheid en de natuur.”
Op veel plekken wordt nu gekozen om de natuur de natuur te laten helpen. Er worden in uitgestrekte dennengebieden bijvoorbeeld stroken loofbomen geplant, en lage bladhoudende vegetatie. Doordat loofbomen meer vocht vasthouden dan dennen, remmen ze brand dusdanig af dat deze makkelijker onder controle gehouden kan worden. Een andere optie is een brandcorridor, waardoor een brand doodloopt. „We noemen dat ook wel hooplijnen”, zegt Brosschot. „We hopen in elk geval dat het een brand zo snel mogelijk stopt.”
Negatief imago
Veraverbeke publiceerde vorige week een artikel over de grenzen van branden in Oost-Siberië, waar branden nagenoeg „ongestoord” kunnen woeden. Met zijn team onderzocht hij wanneer en waardoor die branden stoppen. „Ongeveer de helft van de keren was dat een omslag van het weer, de andere helft omdat er een barrière in het landschap was, zoals een rivier of een weg.” Een weersomslag kan je niet afdwingen, maar een buffer is in Nederland wél te verwezenlijken.
Veraverbeke staat even stil. „Natuurbranden zijn niet per definitie slecht, hè.” Ze hebben wat hem betreft onterecht „een eenzijdig negatief imago”. Branden zijn soms nodig voor de opschoning van de natuur. „Zoals de hei hier, als die niet af en toe verstoord wordt, groeit het op een zeker moment dicht. Dan is het geen hei meer, maar bos.”
Nederlanders worden vooral geconfronteerd met branden in de vakantieperiode. „Dan vertellen ze bij RTL teleurgesteld dat de plek waar ze al jaren op vakantie gaan nu zwartgeblakerd door een natuurbrand. ‘Het is afschuwelijk’, zeggen ze dan.” En de jaren die daarop volgen zal het er niet zo uitzien als ze gewend waren.
„Als je het vanuit die tijdschaal bekijkt is het inderdaad abrupt en ziet het er ernstig uit”, zegt hij. „Maar de natuur is veerkrachtig, de natuur komt echt weer terug.” Ook op dit kleine stukje van de Sallandse Heuvelrug.