Opinie | Mijn kinderen groeien op met een smartphone en dat is geen probleem

Er was een koffiemoment gepland op de basisschool van mijn kinderen, voor geïnteresseerden in smartphonevrij opgroeien. Voor de bezorgde ouders stond ook een informatieavond op het programma. Er was bovendien – o ironie – een WhatsApp-groep waarin ouders tips uitwisselden over smartphonevrij opgroeien.

Blijkbaar doe ik iets fout, want mijn kinderen groeien niet smartphonevrij op en ik zie dat niet als een probleem. De dertienjarige heeft al een jaar of drie een smartphone en de negenjarige krijgt er over enkele maanden eentje. We hebben nooit schermtijdregels gehad of nodig gevonden. Toch meent Smartphonevrij Opgroeien, naar eigen zeggen een community van duizenden ouders, dat smartphones het grote kwaad zijn. Ze willen „druk zetten op overheden en techbedrijven om meer te doen om de kindertijd te beschermen”.

Ga ik me later schamen voor mijn lakse houding, zoals die ouders van de jaren tachtig en eerder, die glaasjes vol sigaretten op tafel hadden staan in een blauw van de rook staande kamer waarin ook kinderen verbleven? Of zoals die ouders die kinderen van veertien gewoon alcohol lieten drinken? Inmiddels weten we hoe schadelijk alcohol en sigaretten zijn. Sommige ouders zijn ervan overtuigd dat dit later ook voor smartphonegebruik gaat gelden. Maar ik twijfel aan de schade. Ook is me onduidelijk waar de ouders bezorgd om zijn: schermtijd of sociale media, kinderen of jongeren?

In de Volkskrant las ik een artikel waarin experts zich zorgen maakten over het effect van schermen op kleine kinderen. In het artikel volgden veel impliciete waarschuwingen van mensen die met kleine kinderen werkten, zoals een logopedist en een consultatiebureau-arts. Na lezing trok ik de conclusie dat de smartphone ervoor zorgde dat kinderen depressief, angstig, sociaal gemankeerd en motorisch slecht ontwikkeld waren, een beperkte woordenschat hadden en kampten met slaapgebrek. Opvallend was dat de experts alleen samenhang – correlatie – hadden gezien. Zo kun je ook samenhang aantreffen tussen kinderen die veel alleen thuis zitten en gebrek aan beweging, overgewicht, veel smartphonegebruik, mentale klachten en minder sociale contacten. Maar wat is de oorzaak?

Welbevinden

Wanneer kinderen problemen hebben en ze ook veel naar een schermpje turen, is de vraag: worden zij zo slachtoffer van de smartphones, of wordt er vaker naar de smartphone gegrepen in gezinnen waarin het ouders ontbreekt aan de tijd, zin of mogelijkheden om meer met hen te doen? Er wordt veel onderzoek gedaan naar tieners, daaruit blijkt dat er geen causaal verband is tussen de smartphone en bovenstaande ellende. Zo las ik over het proefschrift van gedragswetenschapper Niklas Johannes uit 2020, die ontdekte dat mensen die werken met een smartphone waar notificaties op binnenkomen een taak niet slechter volbrengen dan mensen zonder smartphone. Er is het proefschrift uit 2022 van psycholoog en neurowetenschapper Nastasia Griffioen, die geen verband ziet tussen gebruik van de smartphone en het welbevinden van jongeren. En deze maand verscheen in medisch tijdschrift The Lancet de conclusie dat een telefoonverbod op scholen geen invloed heeft op resultaten of mentaal welzijn.

Ga ik me later schamen, zoals die ouders met glaasjes vol sigaretten op tafel in een blauw van de rook staande kamer waarin ook kinderen verbleven?

Waarom weten ouders dan zeker dat de smartphone het grote kwaad is? En waarom is de discussie zo troebel? Een kind van twee is wat anders dan een puber van veertien, een smartphone met alleen WhatsApp is wat anders dan een smartphone vol sociale media. Schermtijd is een ander onderwerp dan de smartphone. Wat als er bij kinderen genoeg aandacht is voor eten, slapen, spelen en knutselen, maar er toch af en toe of vaker op een schermpje naar YouTube wordt gekeken? Wat moet er nu precies voor wie verboden worden? En voor de bezorgde ouders die mij met hun bijbel, Generatie angststoornis van Jonathan Haidt, voor mijn hoofd willen slaan: ja, dat boek ken ik, maar uit bovenstaande blijkt misschien al dat ik weinig heb met wetenschappers die zich als zendelingen gedragen en schreeuwend aan de noodklok hangen.

Zoals we ons vroeger over sigaretten en alcohol te weinig zorgen maakten, maakten we ons over televisie te druk. Toen ik opgroeide, in de jaren tachtig, werden we gewaarschuwd dat je van tv-kijken vierkante ogen kreeg. In de krantenbank Delpher vind je er mooie verhalen over. In 1982 over de samenhang tussen kinderen die veel televisie keken en slechtere eetgewoonten. In Trouw zei een Nederlandse kinderpsychiater in 1987 dat de televisie leesvaardigheid en creatief denken belemmerde, en ook agressief gedrag versterkte. In 1988 wilden Italiaanse parlementariërs televisie op zaterdag verbieden met de bedoeling om kinderen weer te laten spelen en lezen. De Leeuwarder Courant schreef in 1992 over kinderen die doodmoe in de klas zaten omdat ze ’s avonds door de televisie te laat gingen slapen en ’s ochtends al een uur voor de televisie hadden gezeten. Ze waren snel afgeleid. In hetzelfde artikel nuanceerde een orthopedagoog de zorgen van de ouders. Hij zag een groter probleem in gezinnen waarin weinig werd ondernomen. „Het vele televisiekijken heeft te maken met de sfeer binnen het gezin en de persoonlijkheid van het kind.” Misschien geldt dat nu ook voor


Lees ook

‘Nee hoor, jij krijgt (nog) geen smartphone. Wacht maar tot je veertien bent!’

‘Nee hoor,  jij krijgt  (nog) geen smartphone. Wacht maar tot je veertien bent!’

Beperking zelfstandigheid

Schrijver Hanneke Hendrix, met wie ik een podcast over opvoeden maak, schreef ooit Het Telefoonboek over schermverslaving. Ze maakt zich zorgen over haar dochter (8) in combinatie met sociale media. „Ik heb nog wel de boerenklomperige mening, dat het goed is voor een kind als je thuis ook echt uit kunt staan”, zegt ze. „Dat je moet wachten tot half negen ’s ochtends tot je je weer mag verhouden tot andere kinderen. Dat je niet thuis óók nog bezig bent met wie in welk groepje zit, wie er gemute is, en wie welke skins heeft kunnen kopen op Roblox.”

Een smartphone doet ook veel goeds. Wat te denken van die queer jongere in een klein dorpje die enkel online steun kan vinden bij gelijkgestemden?

Op de site van Smartphonevrij Opgroeien staat het principe ‘better safe than sorry’. Dat noemen ze, omdat er weinig bewijs is voor schadelijke gevolgen van smartphones, het ‘voorzorgsprincipe’. Maar het bovenmatig beschermen van kinderen beperkt hun zelfstandigheid. In De Groene Amsterdammer schrijft Tom Grosfeld over ouders die met speciale software hun tieners volgen en meekijken op al hun apps. Het gaat om obsessieve zorgen over de veiligheid van het kind, citeert hij de socioloog Frank Furedi. Het volgen en willen bepalen wat een jongere online doet, heeft invloed op de autonomie van het kind, stelt het artikel. Jongeren gaan zich onbewust voegen naar de wensen van de surveillerende ouders. Hoogleraar ontwikkelingspsychologie Ili Ma stelt in NRC dat we jongeren juist kwetsbaar maken met een socialemediaverbod. En waarom worden jongeren eigenlijk buiten de discussie gehouden, vraag ik me af.

Er zijn genoeg voorbeelden te bedenken waarin het hebben van een smartphone veel goeds doet. Wat te denken van die queer jongere in een klein dorpje die enkel online steun kan vinden bij gelijkgestemden? Wat te denken van de actieve BookTok-gemeenschap? Er zijn jongeren die online met journalistiek oefenen, poëzie delen, fanfictie schrijven. En de volgende activisten à la Malala Yousafzai of Greta Thunberg? Mogen zij niet op sociale media zelf hun boodschap verkondigen?

Per kind bekijken

Komt het doordat ik zelf geen moeite heb met mijn smartphonegebruik, dat ik het probleem bij jongeren minder zie? De zoon van een vriend kreeg zijn eerste iPhone op zijn vierde en nu, dertien jaar later, gaat hij erg laconiek met de smartphone om en staat hij stevig in zijn schoenen, zegt zijn vader. Het komt in veel onderzoeken terug: je moet per kind bekijken wat de effecten van een smartphone zijn. Wat me bij mijn kinderen vooral opvalt, is dat ik op hun leeftijd sociaal veel minder vaardig was.


Lees ook

Kinderen over hun telefoon: ‘Je kan er niet mee stoppen, het is gewoon een levensding’

Imran Daoudi (11)

Nu is mijn oudste zeer gematigd en verstandig. Kwestie van karakter, ik geloof niet dat ik er veel aan bij heb gedragen. Van Dian de Vries, medeauteur van de gids De Schermwijzer, leerde ik dat het goed was om met kinderen te bespreken wat er online gebeurt en wat je zelf normaal vindt. Als ik aan de eettafel voor de tweede keer over dit artikel begin, papegaait de oudste mijn eerdere bevindingen: „Sociale media zijn voor sommige kinderen slecht en anderen hebben er geen last van.” De jongste, een stuk matelozer en gevoeliger voor schermpjes, vindt dat je er gewoon mee moet stoppen als iets slecht voor je is.

De bezorgde ouders winnen het bij mij niet van de onderzoeken. Liever stimuleer ik wat goed is, zoals sociale contacten, bewegen, creativiteit, goed slapen, gezond eten en samen dingen doen, dan te verbieden wat misschien slecht is. De smartphone is volgens mij geen probleem van de jongeren, maar van de ouders. Waarom wordt in de verhalen over de schadelijke smartphone nooit geschreven over de invloed van de scrollende ouder op het kind? Omdat het een kwestie is die we liever niet aangaan? Omdat wij de smartphone nodig hebben voor het werk, het contact met de familie en het nieuws? Omdat het ons minder raakt als we het voor jongeren verbieden?

Wie zonder smartphone is werpe de eerste steen. Maar wat mij betreft is het belangrijker dat we het online voor onszelf beter maken, dat we niet langer onze data inruilen voor een gratis app, dat we privacy beter regelen, dat we techmonopolies ontmantelen, dat we ons kunnen hoeden voor online desinformatie en beïnvloeding. We hebben zelf nog genoeg te doen voor we jongeren zonder goede argumenten telefoons gaan ontzeggen.