Elke koffer vertelt het unieke verhaal van een migrantenleven

Het mooiste verhaal in Kofferverhalen is misschien wel dat van de Surinaamse Eleonora Flemming. Het is 1963, ze vertelt hoe het ene na het andere kind van haar de koffers pakt en emigreert. En nu vertrekt ook nog haar kleindochter, haar oogappel. Eleonora Flemming: „Niet alleen hun moeder verlaten ze. Ook Mama Sranan, de grond van hun voormoeders. Er is geen andere grond die ze even liefdevol zal verwelkomen, geen andere grond waarop ze meer thuis zullen zijn dan deze.”

Een andere kandidaat voor het mooiste verhaal zou ook dat van van Maryann Mackay kunnen zijn. De jonge Canadese wordt onverwacht verliefd op Leo, wanneer ze in 1948 op familiebezoek is in Nederland. Na haar terugkeer schrijven ze elkaar twee jaar lang brieven: „With the passing of time things fade and it’s so easy to forget. But what we have is real love that will never be lost.” Wanneer ze haar koffer pakt om te emigreren, is het allerlaatste wat ze toevoegt haar bruidsjapon. Ze trouwen en krijgen zes kinderen.

Of neem het verhaal van Willemiene Boerrigter, ‘met de handschoen’ getrouwd met Thomas. Die werkt in het Chinese Tianjin, waar zij ook naar toe emigreert. Ze krijgen vier kinderen, maar haar man stelt haar teleur. Hij heeft vriendinnen, de ene na de andere. „Hoe langer ze met hem was, hoe vaker hij van haar wegging. Het scheen haar toe dat liefde een vorm van macht was.” In 1911, dertien jaar na haar aankomst, keert Willemiene Boerrigter met haar kinderen, maar zonder haar man, terug naar Nederland. Daar sluit ze zich aan bij de vrouwenrechtenbeweging, ze wordt één van de actiefste leden.

‘Het Kofferdoolhof’

Kofferverhalen verschijnt op 21 maart. Die datum is geen toeval: het betekent dat het boek ruim vóór de opening, op 16 mei, van Kunstmuseum Fenix in Rotterdam in de boekhandels ligt – en het museum alvast aandacht krijgt. Fenix – „het eerste kunstmuseum ter wereld over migratie”, zoals het zelf op de website schrijft – is opdrachtgever van Kofferverhalen.

Die verhalen komen voort uit een onderdeel van het nieuwe museum: ‘Het Kofferdoolhof’, een installatie van ruim tweeduizend verzamelde koffers. „Elke koffer vertelt een uniek verhaal en markeert een belangrijk moment of grote verandering in iemands leven”, aldus het museum, bezoekers kunnen (delen van) die verhalen straks via een audiotour tot zich nemen.

Voor Kofferverhalen heeft Fenix drie gerenommeerde auteurs gevraagd een bijdrage te leveren: Adriaan van Dis, Karin Amatmoekrim en Abdelkader Benali. Die laatste twee hebben elk vijf koffers uitgezocht waarvan zij graag het verhaal wilden vertellen. Dit konden ze doen doordat bij het afstaan van koffers de donateurs brieven, oude foto’s, vervoersbewijzen of krantenknipsels meegaven. Ook werden donateurs geïnterviewd, soms wist een broer, zus of kind meer details over het verhaal. Een enkele keer kon de donateur het zelf vertellen, zoals in het laatste verhaal van het boek: Larysa Rusina vluchtte in februari 2022 met haar dochtertje uit Oekraïne.

Karin Amatmoekrim en Abdelkader Benali kregen de vraag – en dus ook de vrijheid – om zich zo goed mogelijk in te leven in het verhaal van de koffereigenaar: wat zouden hun gedachten hebben kunnen zijn, wat voor dialogen zouden zij hebben gevoerd. Alle tien verhalen zijn vervolgens voorgelegd aan de kofferdonateurs: zij moesten zich erin kunnen vinden.

Licht poëtische inslag

Dat project is wonderwel gelukt, de verhalen brengen mensen tot leven die je ontroeren, aan het denken zetten, met wie je meeleeft. De verhalen van Karin Amatmoekrin hebben bovendien een licht poëtische inslag, met observaties als „het andere land lonkt naar onze kinderen met een toekomst die ze van ons hebben afgepakt”. Of, in het verhaal over de Italiaanse gastarbeider Momò Profita: „Hij was dan ook, in elk opzicht, een nederige man. En nederige mensen weten dat ze moeten doen wat er gedaan moet worden. En dat hun gevoelens van gemis, heimwee, weemoed (allemaal zaken waaruit het verdriet van Momò bestond) onbelangrijk waren.”

De bijdrage van Adriaan van Dis bestaat uit een inleidende beschouwing over de betekenis van de koffer en het fenomeen migratie. Die inleiding beslaat meer dan vijftig pagina’s, bijna een derde van het boek, en is daarmee nogal langdradig. Was de inleiding korter geweest, dan was er plaats geweest voor meer kofferverhalen.