Spinoza was allesbehalve een wereldvreemd denker

Aan boeken over Spinoza (1632-1677) geen gebrek. Elke maand verschijnen er wel een paar. Nu heeft ook schrijver en journalist Ian Buruma, onder meer bekend van zijn opiniestukken in deze krant, zich eraan gewaagd met Spinoza. Filosoof van de vrijheid. In de academische Spinoza-literatuur zien we de laatste tijd het klimaat en de opwarming van de aarde opduiken, maar daar horen we Buruma niet over. Hij is zo eerlijk om toe te geven dat hij geen ‘nieuwe inzichten in Spinoza’s denken’ te bieden heeft. Evenmin heeft hij de illusie Steven Nadlers ‘uitstekende’ biografie te kunnen ‘overtreffen’. Waarom dan toch dit (oorspronkelijk in het Engels geschreven) boek? Het is kennelijk op verzoek ontstaan, een verzoek waarop Buruma naar eigen zeggen is ingegaan, omdat tegenwoordig de intellectuele vrijheid opnieuw in gevaar zou verkeren. En met wie valt die vrijheid beter te verdedigen dan met Spinoza, de kampioen bij uitstek van het vrije denken?

Een originele of verrassende benadering kan het moeilijk worden genoemd. Dan was Victor Kals poging om van Spinoza een protofascist te maken prikkelender. Helaas komt Buruma niet met een verdediging van de vrijheid van denken, die imponeert.

Overbekend levensverhaal

Het leeuwendeel van zijn boek bestaat uit een vlot geschreven, maar overbekend levensverhaal, met ruime aandacht voor de mensen in Spinoza’s omgeving en voor de tijd waarin hij leefde. Daarmee vergeleken komt het werk er wat bekaaid af, uitgezonderd Spinoza’s beide politieke geschriften, het Theologisch-politiek traktaat (1670) en de onvoltooid gebleven Politieke verhandeling. Van zijn hoofdwerk, de postuum gepubliceerde Ethica (1677), krijgen we daarentegen slechts een fragmentarische indruk. Misschien omdat de verdediging van de denkvrijheid er geen opvallende rol in speelt? Aan de andere kant is de Ethica het boek waarin Spinoza die vrijheid het spectaculairst demonstreert, door god en de natuur aan elkaar gelijk te stellen. De verdediging van de vrijheid van denken, die in het Theologisch-politieke traktaat centraal staat, was vooral bedoeld om dit destijds volstrekt onorthodoxe godsbeeld en zijn consequenties te beschermen.

Buruma presenteert Spinoza niet als een wereldvreemde theoreticus, integendeel. Spinoza ‘zocht steevast naar manieren waarop de filosofie mensen kon helpen om betere, vrijere, gelukkigere levens te leiden’. In de praktijk kon slechts een minderheid van redelijke mensen worden geholpen, want alleen die achtte Spinoza in staat de verlossende amor intellectualis dei (de verstandelijke liefde tot God) op eigen geestkracht te bereiken. De grote massa moest zich behelpen met de traditionele religie en haar moraal, liefst ontdaan van alle bijgeloof en theologische scherpslijperij.

Toch zou juist dit verlossingsaspect Spinoza zo populair en zelfs geliefd maken, aldus Buruma, nadat hij eerst was gedemoniseerd als ‘atheïst’. Spinoza zelf heeft altijd ontkend dat te zijn. Waarschijnlijk terecht. Zijn onpersoonlijke, niet transcendente maar immanente godsbeeld week alleen zozeer af van wat in de joods-christelijke traditie gangbaar was, dat men het aan atheïsme gelijkstelde.

Eigen werkelijkheid

Pas in het laatste hoofdstuk komt Buruma eindelijk tot zijn thema: de verdediging van de vrijheid van denken tegen de hedendaagse vijanden, die zich zowel ter rechter als ter linkerzijde blijken op te houden. Totalitarisme, extreemrechts, extreemlinks – alle gaan ze ervan uit dat ze een ‘eigen’ werkelijkheid en waarheid kunnen creëren. Dat gaat ten koste van de ‘objectieve waarheid’ die Buruma lief is, een waarheid onafhankelijk van klasse, sekse, gender, ras of een verabsoluteerde vorm van rechtvaardigheid. Wie desondanks zijn of haar eigen waarheid dwingend aan anderen oplegt, maakt zich schuldig aan dezelfde intolerantie en hetzelfde dogmatisme als de rabbijnen en de theologen met wie Spinoza het aan de stok kreeg.

Het kost mij geen moeite om Buruma’s zorgen hierover te delen. Maar het is ook een beetje een schot voor open doel, en wat blijft het allemaal aan de oppervlakte. Hoeveel interessanter zou het niet zijn geweest om te onderzoeken wat een notie als ‘objectieve waarheid’ nog kan betekenen in het licht van de moderne fysica, waar bijvoorbeeld de kwantumtheorie het onderscheid tussen waarnemer (subject) en waargenomene (object) in verregaande mate heeft gerelativeerd. Nu speelt dit laatste zich af op het niveau van de elementaire deeltjes, dus elke fanaat die zijn of haar eigen waarheid in elkaar knutselt krijgt niet automatisch gelijk. Maar aangezien Spinoza zijn denken baseerde op het destijds nieuwe mechanistische wereldbeeld, is het bij hem – meer dan bij wie ook – de moeite waard om de filosofische consequenties na te gaan van de moderne implosie van dat wereldbeeld. Het had dit boek de diepgang kunnen geven die er nu aan ontbreekt.