Long covid bepaalde de poëzie van Eva Meijer, die toont dat ziekte gevangenschap is

Ik las Variaties op aanwezigheid toen ik ziek was. Ik was meer snot dan mens en grenzen tussen mijzelf en de buitenwereld begonnen te vervloeien. Snuitend zag ik mezelf in bergen zakdoekjes uiteenvallen, bang om mijn omgeving te besmetten. De bundel, geschreven vanuit een lijden aan long covid, bood houvast in hoe ik me kon verhouden tot mijzelf en mijn omgeving. Passiviteit blijkt een eigen ritme, toon en kracht te hebben, als er een stem aan wordt gegeven.

Na herlezing zie ik dat de tweede dichtbundel van filosoof, kunstenaar en schrijver Eva Meijer (1980) bovendien een aanklacht is tegen de maatschappij die zieken wegmoffelt en niet wil kijken naar de oorzaak van ziekte. Meijer toont met deze poëzie het belang van een hechte verbinding tussen mens en natuur.

De bundel is te lezen als één lang prozagedicht en is opgebouwd uit 45 variaties op een situatie waarin de ik-figuur ziek op de bank zit en naar buiten kijkt. Dat deze gedichten op geen enkele manier eentonig worden, is te danken aan de aftastende taal die woord voor woord een beeld geeft van hoe de ik-figuur waarneemt:

Ik zit op de bank en
Ik zit op de bank en kijk uit het raam. In de top van de wilg
spelen vier eksters. Ik zie ze elke dag.

Elke dag neemt de ik-figuur kleine variaties waar, die steeds groter lijken en des te meer val je als lezer samen met dit leven op de vierkante centimeter. Regels worden letterlijk herhaald, wat soms een nieuwe betekenis oplevert en vaker de indruk versterkt dat de zieke geen kant op kan. De eksters gaan opzij of omhoog, het licht valt net anders:

Ik zoek een ander woord voor moe. Ik wou dat ik de eksters was, maar ik zit op de bank en kijk.
De eksters komen mijn ogen niet in. Ze zijn mijn helpers.

Wanneer de ik-figuur stelt dat de eksters de ogen niet in komen, blijft onduidelijk of dat een verlangen is of een angst. De eksters zijn helpers: helpen ze kijken, of zijn ze zorgzaam op een manier die niet wordt geëxpliciteerd?

Het licht komt, in andere gedichten, de ogen van de ik-figuur wél binnen „en richt daar schade aan”. Het uitzicht wordt meermaals een „antwoord” genoemd, waardoor de indruk ontstaat dat de ik-figuur zich tot het – door het licht soms agressieve – uitzicht richt, als in een gesprek.

Elk moment, elke woordkeuze, is een overwinning op het wegkwijnen. Maar soms is er geen woord meer beschikbaar. Dan vallen de regels die door de lengte herkenbaar zijn als die over de bank, uiteen in woorden die alleen nog met de letter x worden geschreven.

Oefenen in loslaten

Terwijl de ik-figuur op de bank zich oefent in loslaten, trekken er langzame ijsschotsen uit een innerlijk leven voorbij. De ik-figuur voelt zich eenzaam, stelt zich voor een einde aan het leven te maken, belt vriendin M. en voelt zich kortstondig geborgen. Kat Doris biedt troost en ontlokt de ontroerende regels: „Ze verstaat alle woorden die ik tegen haar zeg. Ik aai de zachte woorden in haar vacht.”

De woorden hebben een lichamelijkheid, je kunt ze aaien als iets zachts. Daarbij lijkt de ik-figuur de zachte woorden in de vacht te willen doen versmelten. De grens tussen de ik en het dier wordt hierdoor opgeheven, iets wat op een andere manier gebeurt in ‘Variatie 5’, waarin de ik-figuur een boom wordt:

Ik sta hier in de wind, mijn bladeren bewegen. Mijn wortels groeien langzaam door. De aarde trilt, er is geluid, een worm. De aarde trilt opnieuw. Ik ben een blad verloren.
Ik sta hier zonder wind. De zon vraagt om een antwoord.
Ik spreek al terug, dat weet ze wel, antwoordt de ik-figuur op de zon die een antwoord vraagt. Iemand zoemt en zwijgt en wacht.

Het worden van een boom sluit aan bij Meijers eerste bundel Het witste woord (2023), waarin de ik-figuur onder meer een zwaan en een zwerm spreeuwen werd. Hoewel het motief van dier of plant worden bekend is uit de oudste mythen, heeft de hechtende relatie met de natuur een hedendaagse urgentie gekregen, zoals de Amerikaanse Elvia Wilk beschrijft in Death by Landscape (2022). Door mensen in planten te laten veranderen, werd er door auteurs als Margaret Atwood en Han Kang al in de jaren negentig empathie gevraagd voor de natuur waar de mens zich maar al te vaak buiten plaatst. Bovendien blijkt de plantwording een emancipatoire lading te hebben, door agency te geven aan wie of wat doorgaans een passieve rol krijgt toebedeeld.

In Nederland experimenteerden ecologisch bewuste auteurs als Mariken Heitman (De mierenkaravaan) en Nikki Dekker (Graafdier) recent met het verweven van het eigen perspectief en dat van de natuur. „Ze tonen de lezer hoe het moet: je oefenen in loslaten en in ontvankelijkheid”, schreef Yra van Dijk in NRC over hun personages. „Een nederige houding in de relatie tot de planeet ontwikkelen we niet alleen door kennis van de feiten of door wetgeving over klimaat en milieu.”


Lees ook

Hoe literatuur over de natuur ons kan leren om onszelf te relativeren

Henri Rousseau: ‘Le Rêve’ (De Droom), 1910.

Gevangenschap

Ook het werk van Eva Meijer laat zien dat we als mens niet gescheiden zijn van onze omgeving. In Variaties op aanwezigheid is het ziektebeeld van long covid – een levensvorm op zich – leidend voor de structuur en inhoud van de bundel.

De stem van de dichter klinkt in deze bundel niettemin voornamelijk direct als die van Eva Meijer – en dat is bruikbaar wanneer de eigen situatie in een grotere, prangende context wordt geplaatst en het persoonlijke politiek blijkt te zijn: „Mijn ziekte is ook verbonden met het land en met de andere dieren. Ik lig hier omdat een vleermuizenziekte oversprong naar een mens. Zoönosen zullen in de komende jaren toenemen, omdat mensen de levende wereld om zich heen uitbuiten. En omdat ze andere dieren als bezit beschouwen en verhandelen, in te grote groepen bij elkaar houden, beroven van manieren om zichzelf te genezen. Net als de kalfjes met bloedarmoede, varkens met luchtwegproblemen, plofkippen die niet kunnen staan, en alle anderen in de stallen en laboratoria leef ik nu in gevangenschap, en daardoor begrijp ik iets van hun lijden. In dit ronddraaiende nu zonder uitweg. Net als zij kan ik niet meer voor mezelf opkomen.”

Deze dwingende passage valt uit de toon bij het zorgvuldig aftastende karakter van de bundel, maar is een welkome ontlading en leest bovendien als een miniatuuressay van de filosoof die Meijer ook is. Meijer laat er geen misverstand over bestaan: wij zijn zelf verantwoordelijk voor onze ondergang. Elk dier dat we mishandelen, is een mishandeling van onszelf.

Eva Meijer laat met deze bundel zien dat ziek zijn meer dan een tijdelijke wantoestand of nieuwe situatie is waaraan we zullen moeten wennen. Onze natuurlijke omgeving is door onszelf ziek gemaakt. Omdat wij niet losstaan van onze omgeving, betekent dat dat ook wij ziek zijn. We zullen net als de ik-figuur een balans moeten vinden tussen zorg nodig hebben en geen zorg kunnen verdragen, tussen zorg bieden en afscheid nemen. We zullen nieuwe verhoudingen nodig hebben, met nieuwe manieren van spreken en loslaten – als het even kan met de toewijding van deze bedachtzame dichter.


Lees ook

In Eva Meijers roman over de zee gaan inhoud en stijl op een unieke manier samen

In Eva Meijers roman over de zee gaan inhoud en stijl op een unieke manier samen (●●●●)