Goedemorgen! Het is dinsdag 18 februari. De vingers zijn hier nog koud van de buitenwereld, maar toch gaan we zo goed en zo kwaad als dat kan van start met het belangrijkste economische nieuws vanochtend. Dat komt met name uit Nederland.
Nederland heeft in 2024 voor 7 procent meer geëxporteerd naar China, meldt het CBS vanochtend. Het gaat vooral om machines, waarbij het bureau nog even specifiek chipmachines aanstipt. Lees: ASML. Het CBS contrasteert de Nederlandse gegevens met Duitsland, waar de export naar China afneemt. Het wegvallen van exportmarkt China geldt als één van de redenen voor de huidige recessie in Duitsland. (Een positief verhaal over de Duitse economie lees je vanochtend hier).
Ongeveer zes op de tien werkgevers hebben nog altijd last van krapte op de arbeidsmarkt,meldt het UWV vanochtend. Dat was een jaar geleden ongeveer hetzelfde. Ongeveer de helft van de werkgevers past het werk aan om met de krapte om te kunnen gaan, door bijvoorbeeld werknemers bij te scholen zodat ze meerdere functies kunnen vervullen.
Tot slot zijn er nog goede cijfers van zuivelcoöperatie FrieslandCampina: draaide het in 2023 nog verlies, in 2024 werd een winst van 321 miljoen euro genoteerd. Reden daarvoor is onder meer een hogere vraag van kindervoeding uit China, oftewel melkpoeder. En ook dat draagt dus weer bij aan die hogere export naar het land.
Lees hier het blog van gisteren terug:
Lees ook
Defensiebedrijven profiteren van ongekende onmin tussen VS en Europa
Een productielocatie van FrieslandCampina. Foto Lex van Lieshout/ANP
Op de werf van technisch dienstverlener Equans in Hoboken, een district van Antwerpen, staat een ‘stekkerdoos’ van bijzonder formaat: het apparaat is bijna 25 meter hoog, meer dan vijftig meter lang en weegt 3.900 ton. En hij kost een paar honderd miljoen euro.
Het gaat hier dan ook om een zogenoemd ‘transformatorplatform’ dat netbeheerder Tennet heeft laten bouwen om stroom van windparken op zee naar land te brengen. Aan de onderkant van het enorme gevaarte, dat over een paar maanden op een kilometer of vijftig voor de kust van Egmond aan Zee komt te staan, worden de kabels van tientallen windmolens erin ‘geprikt’.
Vandaar de vergelijking met een stekkerdoos, die de Tennet-top zelf vaak gebruikt. Al vinden de vaklieden die het platform hebben gebouwd dat dan weer wat oneerbiedig geformuleerd. „Er gaat een hoop techniek in zo’n ding, hoor”, zegt een van hen. Op het transformatorplatform wordt alle verzamelde windstroom naar een hoger spanningsniveau gebracht, zodat het vervolgens snel en efficiënt naar het vasteland kan worden getransporteerd.
Het platform ziet eruit als een nieuwe auto die op een vrachtwagen staat op weg naar de dealer. Alles zit nog in de folie, zelfs de brandblussers, en overal zijn relingen afgeplakt om ervoor te zorgen dat er geen krasjes op de nieuwe lak komen.
„Het schilderwerk alleen al kost een miljoen euro”, vertelt Annemarie Taris, die bij Tennet over de aansluiting van windparken op zee op nieuwe transformatorplatforms gaat. „Dus je wilt niet dat er op het laatste moment nog veel beschadigd raakt. Al het schilderwerk dat je buitengaats moet bijwerken, kost drie keer zo veel. Want je moet alles, de schilders en de spullen, daar met schepen naartoe brengen.”
Taris leidt, in gele overall en met witte veiligheidshelm op, enthousiast rond langs alle bijzondere plekken van het platform. Inclusief de controlekamer, de ruimte van waaruit de stroomkabels weer het platform uitgaan richting het vasteland („de verlengsnoeren naar de wal”) en het ‘verbrandingstoilet’ – vanwege de natuur mag je geen ontlasting lozen op zee. De transformatorruimte noemt ze het „hart” van het platform. „Het is magisch wat hier gebeurt.”
Ze is trots. Dit transformatorplatform is het laatste in een serie van zeven die Tennet heeft laten bouwen. De platforms moeten een bijdrage leveren aan een duurzamere energievoorziening van Nederland. Tweeënhalf jaar heeft ze er samen met 100 tot 150 collega’s met ziel en zaligheid aan gewerkt. En nu is het nagenoeg af. Op tijd en binnen budget.
Het is ook een belofte voor de toekomst, zeggen ze bij Tennet. Want als het aan de netbeheerder ligt, komen er nog veel meer van dit soort megastekkerdozen bij. Sterker, ze zijn al gereserveerd, zegt een woordvoerder. Veertien in totaal dit keer. En ook nog eens veel grotere. De volgende platforms kunnen 2 gigawatt (2.000 megawatt) aan windstroom verwerken, drie keer zoveel als de huidige. „Ze zijn net zo groot als een voetbalstadion”, illustreert de woordvoerder. Het is een project waar enkele tientallen miljarden euro’s mee gemoeid zijn.
Bij Tennet geloven ze dat windenergie de toekomst heeft. Het zou de beste manier zijn om de stroomvoorziening te vergroenen, en om tegelijkertijd onafhankelijk te worden van andere landen op energiegebied. Windenergie is, dankzij de Noordzee, uitbundig voorradig. En je kunt het daar ook nog eens gemakkelijk ‘oogsten’. De Noordzee is relatief ondiep en rustig, dus je kunt er goed bouwen. En het waait er veel. Bij Tennet voorspellen ze dat windstroom over vijf jaar goed is voor driekwart van het stroomverbruik.
Donkere wolken
Maar uitgerekend nu pakken donkere wolken zich samen boven de windenergiesector. Veel bouwers van windparken, zoals Eneco, Vattenfall, Orsted, Shell en Engie, zijn de laatste maanden huiverig geworden om nog meer geld te steken in nieuwe projecten. Een belangrijke aanbestedingsronde later dit jaar dreigt daardoor te mislukken. In Denemarken, het walhalla van de windsector, is recent zelfs een aanbesteding afgeblazen vanwege gebrek aan animo.
De windmolenbouwers wijzen op hun beurt op een ‘verslechterd verdienmodel’. Het bouwen van windparken is in korte tijd veel duurder geworden, vanwege schaarste aan van alles en nog wat (materialen en mensen) en hoge rentes.
Tegelijkertijd willen de klanten geen hogere prijzen betalen – als ze al stroom willen hebben. Het is de zware industrie waar veel van de windmolenbouwers op mikken, maar daar aarzelt men weer met de verduurzaming van de productieprocessen (elektrificeren in dit geval). Mede omdat dit miljarden aan investeringen vergt.
Het is een nogal dramatische ommekeer ten opzichte van hoe het er nog maar een paar jaar geleden aan toeging. Toen was wind een van de grote succesverhalen van de energietransitie. Het ging zelfs zo goed dat er op een gegeven moment geen subsidies meer aan te pas hoefden te komen.
Demonstratie van een robothond die op afstand inspecties uit gaat voeren.
Maar nu is de klad er toch weer ingekomen. Je zou kunnen zeggen dat de sector slachtoffer is geworden van zijn eigen succes. Er wordt dankzij al die nieuwe windparken op zee nu soms zoveel windstroom tegelijk geproduceerd, dat er een overschot ontstaat en stroomprijzen negatief worden. In dat geval moeten producenten bijbetalen.
Het zijn wolken die óók de plannen van Tennet bedreigen – en uiteindelijk de verdere verduurzaming van Nederland, als je Tennet mag geloven.
Zonder nieuwe windparken hebben de stekkerdozen van Tennet weinig zin. De veertien gereserveerde exemplaren zijn nu nog niet allemaal ‘afgedekt’ met windparken, erkent een woordvoerder. Tot de definitieve bouw daarvan moet nog besloten worden. Om te beginnen bij die aanbestedingsrondes.
Pijnlijk detail: de reden dat Tennet nu in één keer veertien platforms tegelijk heeft gereserveerd, en niet eerst een paar en later nog een aantal, is omdat het bij de bouw van de afgelopen serie wel ‘in stapjes’ was gedaan, maar de laatste platforms vervolgens veel duurder bleken dan de eerste. Omdat de prijzen in de tussentijd fiks waren gestegen.
Onafhankelijkheid
Voor Tennet zijn de ontwikkelingen reden alarm te slaan. Topvrouw Manon van Beek, die ook aanwezig was in Hoboken, waarschuwde daar dat Nederland „het momentum niet moet verliezen” als het gaat om de overgang naar een schonere energievoorziening.
Volgens haar zit de windsector in „een impasse”. Niet alleen doordat de vraag uit de industrie achterblijft, maar ook doordat de elektrificatie van de transportsector stokt. Overal in Europa worden subsidies op elektrische auto’s nu weer ingetrokken. Ook in Nederland. De transportsector is een grote stroomafnemer.
Het momentum vasthouden is volgens haar juist nu ongelooflijk belangrijk. Van Beek refereerde, in aanwezigheid van door Tennet uitgenodigde Europarlementariërs, expliciet aan de geopolitieke turbulentie van de afgelopen weken, waarbij de nieuwe Amerikaanse regering van president Trump in feite tegen Europa zegt: zoeken jullie het zelf maar uit.
De politieke discussie is daardoor in sneltreintempo gekanteld naar: is de EU wel in staat voor zichzelf te zorgen? De Tennet-baas meent dat het veiligstellen van een eigen energievoorziening – met zeewind in dit geval – een cruciale pijler is onder onafhankelijkheid. „Het gaat nu veel over meer investeren in een eigen, Europese defensie”, aldus Van Beek. „Maar eigenlijk zijn transformatorplatforms ook defensieprojecten.”
Van Beek pleit er daarom voor dat de overheid alles uit de kast haalt om de windsector te helpen. Ze vraagt onder andere om meer financiële steun voor de windmolenparkbouwers, en voor de industrie die de stroom uiteindelijk moet afnemen.
Concreet wil Van Beek dat de overheid garanties afgeeft dat als de stroomprijs onder een bepaald, niet meer rendabel niveau komt, zij het verschil ‘bijpast’. Zodat exploitanten toch voldoende geld kunnen verdienen. (En als de stroomprijs juist heel hoog wordt, moet de overheid weer geld terugkrijgen.)
Topvrouw van Tennet, Manon van Beek, was ook aanwezig in Hoboken.
Daarnaast wil ze dat de overheid alles op alles zet om tot meer ‘maatwerkafspraken’ te komen met grote industriebedrijven. De maatwerkafspraak is het beleidsinstrument waarmee de overheid die bedrijven wil stimuleren om sneller te verduurzamen. De overheid belooft daarbij financiële steun in ruil voor extra vergroeningsinspanningen.
Maar tot nu toe komen die afspraken nauwelijks van de grond. Er is vooralsnog slechts met één bedrijf een harde afspraak gemaakt. De industriebedrijven zeggen dat de regelingen niet aantrekkelijk genoeg zijn.
Nieuwe subsidies voor de zeewindsector zouden een ommekeer zijn. Eentje die de economische logica in zekere zin ook tart. De sector begon ooit met subsidies, net zoals veel nieuwe, innovatieve sectoren. Maar hij werd daarna al snel zo succesvol dat die subsidies niet meer nodig waren. Zoals het ‘hoort’ dus. Nu is er volgens Tennet echter opnieuw noodzaak toe.
Het is ook een politiek gevoelig verzoek. Coalitiepartijen BBB en PVV hebben grote moeite met windmolens. Volgens de BBB zitten ze vissers en boeren (bij molens op land) in de weg en de PVV vindt klimaatverandering onzin.
De VVD is nu de grootste voorstander van windenergie. Bij sommige groepen in de samenleving roepen windmolens ronduit haat op. De bijpas-steun waar Van Beek voor pleit kan op papier ook heel duur worden voor de overheid.
Korting op het nettarief
Dat Tennet zelf een rol speelt in de problematiek, beseffen ze bij Tennet ook. De investeringen die de netbeheerder in het stroomnet doet, onder andere dus in stekkerdozen, moeten worden terugverdiend via de ‘nettarieven’: de tarieven die klanten betalen voor gebruik van het net. Met die investeringen zijn tientallen miljarden euro’s gemoeid.
Dat betekent dat de nettarieven de komende jaren flink zullen stijgen, zegt Tennet – tot wel 5 procent per jaar. De ‘gewone’ stroomkosten zijn in Nederland nu al veel hoger dan in België, Duitsland, China en de VS, klagen industriebedrijven. Hogere nettarieven helpen daarbij niet.
Maar Tennet zegt dat het daar niets aan kan veranderen. Dit is nu eenmaal de manier waarop netuitbreidingen al jaren worden bekostigd, en die manier werkt goed, vindt Tennet. Financiering door de staat, een optie waarover sommige politici praten, vindt Tennet „minder voorspelbaar”, aldus de woordvoerder. Tennet heeft overigens recent nog wel een nieuwe contractvorm ingevoerd, waarbij klanten korting op het nettarief kunnen krijgen in ruil voor minder leveringszekerheid.
De beste route is volgens Tennet de totale stroomkosten meer ‘in lijn’ met andere landen te brengen, door bijvoorbeeld grootverbruikers opnieuw en nog meer te compenseren voor bepaalde ‘indirecte’ stroomkosten. Emissierechten die stroomproducten moeten kopen en doorberekenen aan klanten, in dit geval.
Deze compensatie (IKC-ETS) is omstreden, omdat critici er een ‘fossiele subsidie’ in zien. Stroom wordt immers ook met gascentrales geproduceerd. In 2023 werd ze tijdelijk niet uitgekeerd. Afgelopen jaar gebeurde dat wel weer, maar voor komende tijd is er nog geen duidelijkheid. Minister Sophie Hermans (Klimaat en Groene Groei, VVD) zal bij de Voorjaarsnota duidelijk maken wat zij wil. In de sector wordt reikhalzend naar dit moment uitgekeken.
De Europese Commissie lijkt open te staan voor de ‘bijpas’-maatregelen die Van Beek wil, alhoewel dat in principe een vorm van staatssteun is. Het ‘onafhankelijkheidsvraagstuk’ leeft op dit moment ook sterk in Brussel. Maar tegelijk groeit daar de politieke weerstand tegen extra verduurzamingsinspanningen, waardoor het afwachten is.
Voor de windsector zijn het dus spannende tijden. ‘Aansluitingsmanager’ Annemarie Taris blijft hoopvol in Hoboken. De ‘politiek’, daar moeten de bazen maar over beslissen. Maar kijkend naar de megastekkerdoos waar ze de afgelopen jaren mee bezig is geweest, is er volgens haar maar één logische uitkomst: met wind moet Nederland verder.
„Het is schoon, oneindig en als de infrastructuur eenmaal gebouwd is, kost het vrijwel niks om stroom op te wekken.” Nederland moet deze kans niet laten liggen, wil ze maar zeggen.
Het duurt nog twee maanden tot het Pasen is, maar nu al worden de eieren duur betaald. Amerikaanse toestanden liggen op de loer.
De eierprijzen blijven maar stijgen, je moet je best doen om in de supermarkt een ei onder de 30 cent per stuk te vinden. Wat is er aan de hand?
In het kort: van alles tegelijk. Vogelgriep in Europa, vogelgriep in de Verenigde staten, Pasen in aantocht – het drijft allemaal de prijs op. En je zou het misschien niet verwachten, maar zelfs ruimingen in de VS hebben invloed op de eierprijzen in Europa.
„Er is wereldwijd een systematisch tekort aan eieren”, zegt eierexpert Peter van Horne van Wageningen University & Research. „Normaal kun je bij een tekort in het ene land nog wel terecht in een ander land, maar de markt is nu totaal verstoord, overal zijn tekorten.” Als er in de VS of in Polen bedrijven geruimd worden, merkt de hele markt dat, omdat het soms om miljoenen kippen tegelijk gaat. Van Horne heeft in veertig jaar eierketenonderzoek nog nooit zoiets gezien. Overigens is het nergens zo’n gekkenhuis als in de VS. Een doosje met twaalf scharreleieren kost de klant daar al zo’n acht euro. Er worden zelfs eieren gestolen.
Eten we zoveel eieren met Pasen dat daardoor de prijs stijgt?
Kennelijk. Jumbo heeft weleens gemeld dat ze in de week voor Pasen de helft meer eieren dan normaal verkopen. De piek in de eierhandel ligt altijd zo’n twee weken voor Pasen, want supermarkten kopen ruim van tevoren in. Sinds januari is de prijs die de boer krijgt voor scharreleieren de lucht in gegaan: van minder dan 13 euro voor 100 stuks naar nu al 15 euro of meer. Dat is minder dan de winkelprijs, want handelaren, verpakkers en supermarkten vragen ook hun marge. En de prijzen zullen de komende weken vast niet dalen.
Het ei is trouwens ideaal lesmateriaal voor economiedocenten. Een prijs van eieren is inelastisch. „Als je de kipfilet te duur vindt, koop je gehakt. Maar voor een ei is geen alternatief.” Dat maakt, zegt Van Horne, dat de vraag nauwelijks afneemt als de prijzen stijgen. Mensen blijven eieren kopen. Van Horne zou zelfs niet gek opkijken als we straks tegen lege schappen aankijken, zo krap is de markt.
Maar sorry hoor. 50 cent voor een biologisch ei? De paashaas gaat failliet!
Ja, dus consumenten kopen niet minder eieren, maar wel goedkopere. Dat is dan weer ongunstig voor biologische pluimveehouders. Consumenten gaan van bio naar scharrel. En zelfs de kooi-eieren beginnen nu prijzig te worden – al vind je kooi-eieren in Nederland alleen terug in koekjes, beschuit en mayonaise. Voor doosjes in de supermarkt is het scharrelei nu de ondergrens.
Zijn witte eieren goedkoper dan bruine?
Van oudsher krijgen boeren iets meer geld voor bruine eieren. Bruine eieren hebben in Nederland een ‘natuurlijk’ imago, dat willen veel consumenten. Maar de kostprijs is ook hoger: kippen die bruine eieren leggen, hebben meer voer nodig. Nu het besef doordringt dat witte eieren iets duurzamer zijn – en niet minder gezond – groeit de vraag naar wit. Dat maakt ook dat het prijsverschil kleiner wordt, zegt Van Horne. „En als je met Pasen eieren wilt verven, kies je waarschijnlijk ook voor wit.”
De politieke stemming in Europa mag bedrukt, somber of zelfs ontgoocheld zijn sinds Donald Trump is begonnen aan zijn tweede termijn als president. Maar op de Europese beurzen is dat niet te merken.
Sterker nog: terwijl Trump onder het motto ‘America First!’ een wervelwind aan beleidswijzigingen en dreigementen heeft ontketend, presteren de Europese beurzen beter dan de Amerikaanse. De pan-Europese Stoxx 600-index is sinds 17 januari (de laatste handelsdag voor de inauguratie van Trump) gestegen met 5,5 procent. Op Wall Street kwam de S&P 500 in diezelfde periode niet verder dan een stijging met 1,35 procent.
De beleggers op de Europese beurzen lijken zich niets aan te trekken van de onzekerheid op het oude continent, die Trumps vicepresident JD Vance afgelopen weekend in München nog eens verder aanblies. In een veelbesproken toespraak las Vance Europa niet alleen hard de les, hij zaaide zelfs uitdrukkelijk twijfel over de vraag of Europa en VS nog wel gedeelde waarden hebben. Grote ontsteltenis in de Europese politiek. Maar beleggers in Europa keken liever naar de lichtpuntjes.
In Amsterdam had de AEX vorige week net de recordhoogte van 946,58 punten bereikt. Alsof er op het Europese continent niet nog altijd een bloedige oorlog woedt. Alsof de politieke toekomst in Nederlands grote buurland en handelspartner Duitsland aan de vooravond van verkiezingen niet ongewis is. En alsof het Amerikaanse dreigement om hoge importtarieven voor Europese producten te gaan heffen definitief van tafel is.
Goedkope Europese aandelen
Toch zijn er wel verklaringen voor de koersstijgingen in Europa. Een eerste: Europese fondsen kosten inmiddels zo weinig, dat beleggers erop duiken. „Eind 2024 was het punt bereikt dat Europese aandelen zó goedkoop waren, dat het verschil met de VS in koers-winstverhouding 40 procent was”, zegt Roelof Salomons, bijzonder hoogleraar beleggingstheorie in Groningen en hoofdstrateeg bij vermogensbeheerder BlackRock in Amsterdam. „Europese aandelen waren dus gemiddeld 40 procent goedkoper dan Amerikaanse – terwijl dat sinds de jaren negentig steeds zo’n 10 procent was geweest. Beleggers waren er eigenlijk al van overtuigd dat het niet meer goed zou komen in Europa. Alleen banken deden het nog goed.”
De banken doen het nu nog steeds goed, zegt Salomons, maar nu doet heel Europa het goed op de beurs. Veel van de negatieve sentimenten waren vorig jaar al in de koersen verdisconteerd. Dus stonden beleggers begin dit jaar open voor positieve signalen.
De negatieve factoren kunnen zo weer oppoppen
„Bedrijven maken goede winsten en de verwachting heerst dat er in Duitsland meer stimulerende maatregelen komen. Mogelijk gaat men daar ook de rem op nieuwe overheidsschulden loslaten, de zogenoemde Schuldenbremse. En met de mogelijkheid van een wapenstilstand in Oekraïne komt de verwachting dat de energieprijzen mogelijk gaan dalen. En dat zou meer groei betekenen, en minder inflatie.”
Dit wil allemaal nog niet zeggen dat het structureel heel veel beter gaat in Europa, waarschuwt Salomons. „Je ziet vooral een verandering in de verwachtingen.’’
Martine Hafkamp, directeur van vermogensbeheerder Fintessa, stelt dat er op Europese beurzen een positieve kentering is opgetreden. „Maar de negatieve factoren kunnen zo weer oppoppen. De inflatie is nog steeds niet op 2 procent teruggebracht. Duitsland is in afwachting van verkiezingen, Frankrijk is politiek onzeker en Nederland loopt ook niet over van besluitvaardigheid.” Ze wijst erop dat de dreiging van een handelsoorlog bovendien nog „als een zwaard van Damocles” boven de markten hangt. „Maar beleggers zien dat misschien vooral als middel van de Amerikanen om betere onderhandelingsresultaten te bereiken.”
In Amerika, zegt Joost Schmets van de Vereniging van Effectenbezitters, zijn de koersen „zo nose bleeding hoog, zoals ze daar zeggen, dat veel beleggers het daar niet meer vertrouwen”. Europese beurzen, met hun lagere waarderingen, zijn daardoor aantrekkelijk. „En er is nog heel veel geld dat niet ‘actief’ is. Ook particulier geld, van mensen die in de coronaperiode veel gespaard hebben. Omdat de rentes op spaargeld zo laag zijn, vindt ook dat geld nu zijn weg naar de beurs.”
Schmets ontwaart een nieuw elan in de Europese economie. Het rapport waarin oud-ECB-president Mario Draghi in september de Europese landen waarschuwde dat „enorme investeringen” nodig zijn om te innoveren en om een „langzame doodsstrijd” van de economie te voorkomen, heeft volgens Schmets „de urgentie laten zien dat we nu moeten doorpakken”. En ook al zijn beursgenoteerde bedrijven geen gemiddelde afspiegeling van de reële economie, beleggers lijken toch tevreden met deze ontwikkelingen.
De stijging op de Europese beurzen karakteriseert Koen Bender, van Mercurius vermogensbeheer, als „een ‘yoyo-rally’.” Oftewel: „You’re On Your Own. Europa, je moet zelf voor je eigen defensie zorgen, Azië, je moet zelf voor je eigen kunstmatige intelligentie zorgen.” Zowel in Europa als in Azië, met name China, is het besef doorgedrongen dat nieuwe investeringen nodig zijn. Dat betekent meer geld voor – sommige – beursgenoteerde bedrijven, waardoor beleggers erop springen, en de koersen stijgen.
Bender: „In China heeft president Xi Jinping een ontmoeting gehad met grote technologie-ondernemers, onder wie Jack Ma [van internetbedrijf Alibaba]. Dat was een signaal van de communistische partij dat ze de techbedrijven nodig heeft, en daar profiteren de techaandelen in China van. Op de Amsterdamse beurs werkt dat door, in de koersstijging van investeringsmaatschappij Prosus.” (Prosus is grootaandeelhouder van het Chinese Tencent).
Beleggingsdeskundige Nico Inberg, van beursplatform deaandeelhouder.nl, vat de situatie voor Europa samen met de bekende stelregel, afkomstig van de Amerikaanse econoom Paul Romer: „A crisis is a terrible thing to waste.” Laat een crisis nooit onbenut.
Dat geldt voor heel Europa, dat door Trump, de tarieven waarmee hij dreigt, en de oorlog in Oekraïne genoeg aan crisissituaties heeft om in actie te komen. Om te beginnen het buurland met zijn haperende economie dat deze zondag naar de stembus gaat. „De Duitsers hebben het grootste probleem. Ze móeten nu hun portemonnee wel gaan trekken om te investeren.”