Of hij eventjes 1 miljoen euro kon lenen. Het geld zou binnen drie maanden weer terugkomen – met 10 procent rente. Zijn eigen vermogen van vele tientallen miljoenen zat ‘vast’, hij kon er zo snel niet bij. Met de kortstondige lening van een bevriende Amsterdamse techondernemer zou Pieter Vos zijn droomhuis in Frankrijk kunnen kopen. Wilde hij misschien helpen?
De ondernemer in kwestie, die niet met zijn naam in de krant wil, zag de 1 miljoen euro die hij in januari 2024 aan Vos uitleende niet terug. Vrijdag troffen de partijen elkaar daarom in de Amsterdamse rechtbank: de ondernemer voelt zich opgelicht en probeert via de rechter zijn uitgeleende geld terug te krijgen.
Pieter Vos was zelf niet komen opdagen. „Vanwege zijn gezondheid is hij daar momenteel niet toe in staat”, aldus zijn advocaten. Vos raakte in opspraak nadat zijn bedrijf Rodeo Software – dat te boek stond als een zakelijk succesverhaal met een snelgroeiende omzet, tientallen medewerkers en grote klanten als Google – in april vorig jaar plotseling failliet was gegaan. Vos, die tientallen miljoenen euro’s bij investeerders had opgehaald, verdween spoorloos.
De zitting gaf een inkijkje in de manier waarop Vos met geldschieters omging. Aanvankelijk verzocht hij de bevriende ondernemer om 350.000 euro uit te lenen zodat hij zijn Franse villa kon kopen, na een gezamenlijke lunch vroeg hij half januari 2024 om een drievoud van dat bedrag. Zijn geld stond tot april vast op een depositorekening, vertelde Vos, en op eerder geld opnemen stond een grote boete.
Om zijn verhaal geloofwaardiger te maken, stuurde Vos op verzoek een screenshot van een bankafschrift. Het vermogen dat op de rekening zou staan: 76 miljoen euro.
„Klip en klare oplichting”, noemde advocaat Mark Elkhuizen van de bevriende ondernemer deze gang van zaken. De Franse droomvilla kwam er nooit, van de 76 miljoen op de privérekening is volgens hem nooit een spoor aangetroffen. Vos gebruikte het geleende geld, dat werd overgemaakt naar zijn privéholding, naar eigen zeggen om financiële tekorten bij Rodeo Software mee te dempen. De rest van zijn vermogen zou zijn verdampt doordat hij in Nederland en Zwitserland belastingschulden moest wegwerken.
„Als hij daar eerlijk over was geweest, dan had mijn cliënt het geld nooit verstrekt”, aldus Elkhuizen. „Vos was kennelijk het ene gat met het andere aan het dichten. Hij wist dat hij het nooit kon terugbetalen.”
Lening doorgestort
Ook Pieter Vos is „van mening dat geleend geld dient te worden terugbetaald”, zeiden zijn advocaten in de rechtszaal. „Dat is een simpel uitgangspunt.” Twee medewerkers van kantoor Houthoff staan hem sinds kort juridisch bij op aanwijzing van de Amsterdamse Deken, omdat Vos kennelijk zelf geen advocaat kon vinden die hem wilde bijstaan.
Volgens zijn advocaten heeft Vos wel degelijk de „intentie” gehad het Franse vakantiehuis aan te kopen. „Dat volgt uit de documentatie.” Ze wezen op een appbericht waarin Vos een paar dagen na ontvangst van de lening meldde dat het geld „bij de notaris” op een derdenrekening stond. De rechter onderbrak het pleidooi met de vraag of daar ook bewijs van was. „Die stukken heb ik niet”, zei een van zijn advocaten.
Vos had het geleende bedrag inderdaad grotendeels „doorgestort” naar Rodeo Software, erkenden zijn advocaten, vanwege de „financiële noodsituatie” bij het bedrijf. Dat de geldschieter zijn 1 miljoen euro volledig zal terugzien, noemden ze „onwaarschijnlijk”. Ook de privéholding van Vos is inmiddels failliet verklaard. „Er is een veelvoud aan schuldeisers, zowel zakelijk als privé. Dat maakt het lastig.”
De echtgenoot van Pieter Vos was wel in de rechtszaal aanwezig. Hij zei niet te weten waar de lening voor is gebruikt. „Ik wilde het ook niet weten, ik weet alleen dat ik het niet heb gekregen.” Vanaf 2021 stonden wel een appartement, vier parkeerplaatsen en vijf luxe auto’s op zijn naam, die betaald waren met inkomsten van Vos.
De rechter refereerde tijdens de zitting aan een mail die Pieter Vos op 2 januari van dit jaar aan de rechtbank stuurde, waarin hij schreef dat het nog steeds „de bedoeling” is dat de voormalig bevriende ondernemer „zijn lening volledig terugbetaald krijgt”.
Zijn nieuwe advocaten durfden die stelling in de rechtszaal niet te herhalen. „Wij waren toen nog niet [bij de zaak] betrokken.”
Na meer dan veertig jaar strijd tegen de Turkse staat riep Abdullah Öcalan, oprichter van de Koerdische Arbeiderspartij (PKK), zijn partijgenoten donderdag op de wapens neer te leggen. Mogelijk is dat de start van een ommekeer in de geschiedenis van de Koerden, Turkije en de rest van de regio. Hoe zit dat met die geschiedenis? En wordt er aan Öcalans aankondiging gehoor gegeven? Vier vragen en antwoorden op een rij.
1Waarom roept Öcalan juist nu op tot het ontbinden van de PKK?
De huidige PKK is niet meer de PKK van de jaren tachtig en negentig, toen het in het zuiden en oosten van Turkije een guerrillaoorlog uitvocht tegen de Turkse staat en door het hele land angst wist te zaaien met het plegen van aanslagen. Ze eisten een onafhankelijke staat voor de Koerden, die een kleine 20 procent van de bevolking vormen.
Hoewel de aanslagen van de PKK nooit helemaal zijn gestopt, is de organisatie vandaag de dag op militair vlak vleugellam. Het lukte het Turkse leger de afgelopen tien jaar om de militanten te verdrijven uit het zuidoosten van het land.
Tegenwoordig verschuilen PKK-leiders zich met een groot deel van hun manschappen in het Qandil-gebergte in Noord-Irak. Maar ook daar zijn ze niet veilig voor de Turkse drone-aanvallen waarmee ze regelmatig worden bestookt.
Zelf zit Öcalan (75) al sinds 1999 vast in de Turkse gevangenis. In die tijd leek zijn retoriek milder te worden, al kon hij als gevangene ook lang niet altijd meer vrijuit spreken. De PKK zou volgens hem niet meer vechten voor een eigen staat, maar voor meer Koerdische autonomie en rechten. „Ik wil vrede zien voordat ik sterf,” zou Öcalan daarbij ook in 2013 hebben gezegd.
Aan de andere kant leek de Turkse regering de afgelopen maanden toenadering te zoeken. Zo hintte de rechtsnationalistische Devlet Bahceli, een politiek bondgenoot van president Recep Tayyip Erdogan, op strafvermindering voor Öcalan als hij de PKK zou oproepen de wapens neer te leggen. Öcalan lijkt daar nu gehoor aan te hebben gegeven.
Niet alleen Turkije heeft een Koerdische bevolking. Met grofweg veertig miljoen mensen – schattingen lopen uiteen – zijn de Koerden in omvang de vierde etnische groep in het Midden-Oosten (na de Arabieren, Perzen en Turken). Het Koerdische volk woont verspreid over de regio, voornamelijk in Irak, Iran, Syrië en Turkije. Ze delen een eigen cultuur en spreken verschillende dialecten van de Koerdische taal. De meeste Koerden zijn soennitische moslims, maar er zijn ook Koerdische sjiieten en christenen.
Na de Eerste Wereldoorlog beloofden de Westerse mogendheden de Koerden een eigen staat. Een belofte die werd verbroken met het Verdrag van Lausanne in 1923, dat de grenzen van het huidige Turkije vastlegde. Met de Koerden werd daarentegen niets afgesproken, en dat bleef zo. De afgelopen honderd jaar vonden er Koerdische opstanden plaats in verschillende landen. Tevergeefs: van een eigen staat kwam het nooit, al verwierven de Iraakse Koerden een grote mate van autonomie. In plaats daarvan werd de Koerdische taal en cultuur vaak als een bedreiging gezien en onderdrukt.
3Wat betekent dit voor de Koerden in Syrië?
De aanwezigheid van de Koerden in de buurlanden van Turkije vormde lang een rode draad in het Turkse buitenlandbeleid. Ankara vreesde dat als Koerden in andere landen aan invloed zouden winnen, dat onrust onder de eigen Koerdische bevolking verder zou kunnen aanwakkeren.
De afgelopen jaren waren vooral de Koerdische strijdgroepen (SDF) in het noordoosten van Syrië een doorn in het oog van Ankara. Die groepen kregen tijdens de Syrische burgeroorlog meer dan een kwart van het land in handen en onderhouden bovendien nauwe banden met de PKK. Turkije greep zijn kans door na de val van het Assad-regime afgelopen december, de strijd met de Syrische Koerden op te voeren met luchtaanvallen en het steunen van vijandige lokale milities.
Ook was er sprake van Turkse troepenopbouw aan de Syrische grens. Turkije „bereidde zich voor om een volledige oorlog te beginnen, maar we vroegen hen te wachten om ruimte te geven voor onderhandelingen,” zei de nieuwe Syrische leider Ahmed al-Sharaa daarover in een interview met The Economist. Al-Sharaa wil dat de Koerdische strijdgroepen de wapens neerleggen en zich voegen bij een nationaal Syrisch leger.
„Als er vrede komt in Turkije, is er geen excuus meer om ons in Syrië te blijven aanvallen”, zei SDF-leider Mazloum Abdi donderdag tegen persbureau Reuters. Het is nog maar de vraag of Ankara het daarmee eens is.
4Is vrede daadwerkelijk op komst?
Dat is niet zeker. Eerdere onderhandelingen tussen de Turkse staat en de PKK liepen spaak in zowel 2011 als 2015. En hoewel Öcalan veel aanzien geniet binnen de PKK, is niet duidelijk of het leiderschap in Noord-Irak het eens is met zijn koerswijziging. Toen Bahceli afgelopen oktober met zijn voorstel kwam voor strafvermindering voor Öcalan in ruil voor zijn oproep aan de PKK om de wapens neer te leggen, volgde de dag erop een grote aanslag van de PKK op het hoofdkwartier van een bedrijf voor militaire technologie nabij Ankara. Vijf mensen kwamen daarbij om.
In haar mooie autobiografie The Inner Voice schreef de Amerikaanse sopraan Renée Fleming (66) twee decennia geleden onder meer over de frustraties die het zangersleven meebrengt. Één daarvan is dat op sommige dagen de stem volmaakt klinkt, „maar je zult zien dat er die avond vaak geen concert in je agenda staat”. Sporters en musici kunnen nog zo hard trainen, „op moment supriem” – zoals satiricus Kees van Kooten het uitdrukte – moeten ze hun prestatie leveren met de dan aanwezige vorm. Wie dat accepteert, kan desondanks grootse daden verrichten.
Donderdagavond beleefde Fleming zo’n moment in de Vier letzte Lieder van Richard Strauss, midden in de weelderige klank van het Concertgebouworkest. Het is een zware opgave om de indrukwekkende gedichten over de cyclus van geboorte en vergankelijkheid verstaanbaar voor het voetlicht te brengen. En de liederen kennen ook nog een grote en fanatieke schare fans: sopranen die zich eraan wagen, liggen op een gevoelige weegschaal. De discussies over de beste voetballer aller tijden zijn er theekransjes bij.
Hier en daar kon Fleming een ogenblik van magie scheppen, maar over het geheel genomen wekte haar stem meer de indruk van een instrument. Van een zekere warme en diepe schoonheid, dat wel, maar toch een echo; de woorden bleven vaag, zelfs voor wie de regels kende of meelas. Zo boetseerde Fleming de Vier letzte Lieder vooral tot klankgedichten. Ik kon me niet bevrijden van vragen die haar optreden opriepen, terwijl je hoopt op te stijgen „nadromend in de schemering” zoals de twee leeuweriken in het slotlied ‘Im Abendrot’.
Manfred Honeck dirigeert het Concertgebouworkest. Foto Milagro Elstak
Ontroering
Rondom Strauss had dirigent Manfred Honeck met het Concertgebouworkest een boeiend programma samengesteld. Met name het Larghetto for Orchestra van de hedendaagse componist James MacMillan kwam binnen. Het is een orkestratie van zijn koorwerk Miserere, een boetepsalm van koning David, die God vraagt om genade voor zijn vervulde begeerte naar de mooie Batseba. Hij stuurt haar echtgenoot, zijn bevelhebber Uria, zelfs een zekere dood tegemoet. Hoe ontroerend was het smeken van de eenzame hoorn, trompet en trombone vanaf verschillende plekken tussen het publiek op de balkons.
Tot slot presenteerde dirigent Honeck nog een eigen stuk kunstnijverheid: met arrangeur Tomás Ille maakte hij een orkestsuite van muziek uit Puccini’s laatste opera Turandot, over de Chinese prinses die de liefde op afstand houdt door de potentiële echtgenoten drie raadsels voor te leggen. Wie het antwoord niet weet, wacht onthoofding. En zo vloeit er heel wat bloed totdat de held van de opera, prins Calaf, haar weet te vermurwen. Een goed plan van Honeck, want Puccini is nu net een componist die zulke mooie orkestpartijen schrijft, dat je jezelf gedurende zijn opera’s vaak betrapt op de gedachte: kunnen die zangers niet even hun mond houden. Honeck en Ille – en het Concertgebouworkest in hun voetsporen – legden de genialiteit van Puccini’s klankwereld bloot. En je hoorde in het voorbijgaan meteen wie de belangrijkste inspiratiebron van filmcomponist Ennio Morricone was.
Op dierengebied bereikten mij de afgelopen jaren twee typen berichten op dagelijkse basis. Aan de ene kant zijn er de onheilstijdingen over het uitsterven van weer een soort. (Volgens de Verenigde Naties zijn dat er dagelijks zo’n 150, maar precieze aantallen zijn moeilijk te verifiëren.) Aan de andere kant zijn er de talloze vertederende memes van kroelende kittens en trouwe honden, de video’s waarin dieren ‘menselijk’ overkomen, als ze met een schijnbaar invoelende blik naar de camera kijken of als ze met een al te menselijke klunzigheid door een pak sneeuw zakken.
Gevoelsmatig staan deze twee typen berichten op gespannen voet met elkaar; de somberte over het door menselijk toedoen uitsterven van wilde diersoorten enerzijds en de liefde voor het ‘menselijke’ dier anderzijds. Nu denk ik: het tegendeel is waar. Volgens mij hangt de populariteit van het tweede type berichten, de memes en de video’s, samen met ons onvermogen om te gaan met het eerste type. Omdat we het verstrekkende en abstracte karakter van de ecologische neergang niet aankunnen, grijpen we naar het kleine, dat we wél kunnen bevatten, dat ons niet lamlegt maar ons vervult met vertedering. Omdat we niet in staat zijn gebleken om de wilde natuur te verdedigen – sterker nog, in meer of mindere mate zijn we allemaal medeplichtig aan de verwoesting ervan – werpen we ons op als liefhebber van het individuele dier, op wie we al onze goedheid kunnen projecteren.
Zodoende vermascottiseren we dieren. En dat op steeds grotere schaal, zo schreef ook The New Yorker onlangs. In 2024 werden sommige dieren wereldsterren, vooral op TikTok. „It’s true enough that every year in recent memory has had its share of famous critters […] but, this year, I sensed a new, fevered desperation in our tendency to cling to the zoological world”, schreef Naomi Fry in het blad. Er komt dagelijks zo veel op ons af op sociale media, betoogde ze, zoveel oorlog en ellende en politiek, dat we ons graag en masse op schattige dierenvideo’s en dierenverhalen richten.
Het beroemdst vorig jaar werd Moo Deng, het mollige dwergnijlpaard dat overal waar het kwam stennis schopte. Er was Crumbs de kat, die in september uit de kelder van een Russisch ziekenhuis werd gered en die zo zwaar was dat hij niet meer kon lopen. Hij ging naar een afvalkliniek, waar hij probeerde te ontsnappen; helaas bleef hij vastzitten in een schoenenrek. Crumbs stierf in oktober. Ook de dood van Flaco, een Euraziatische oehoe die was ontsnapt uit de Central Park Zoo in New York en sindsdien vrij rondzwierf door de stad, totdat hij in februari tegen een gebouw aan vloog, was wereldnieuws. We lachten, we rouwden.
Free Willy? Free Keiko!
Recent blies The New York Times een oud, soortgelijk dierenverhaal nieuw leven in. De podcast The Good Whale gaat over Keiko, de walvis die een hoofdrol speelde in Free Willy (1993), een film over de vriendschap tussen de wees Jesse en de orka Willy, die in een pretpark woont en trucjes opvoert totdat Jesse hem bevrijdt. Een klassiek verhaal over de mens die opkomt voor het dier dus. Free Willy was een wereldwijd succes; hij bracht het achtvoudige op van wat hij had gekost en was het begin van een franchise – twee vervolgfilms, een animatieserie, en heel veel speelgoed. Ik herinner me de hype goed; de knuffels, de rugzakken, de schriften, de pennen. Wie zijn animal awareness wilde bewijzen, kocht in die jaren de bijbehorende merch, spullen die op een dag weer afgedankt zouden worden.
Bijvangst van de film: wereldwijde aandacht voor de orka Keiko, die net als Willy een tragisch leven-in-gevangenschap leidde. Vanaf jonge leeftijd had Keiko in te kleine bassins geleefd. Hij moest jarenlang optreden voor publiek, het grootste gedeelte ervan in een pretpark in Mexico. Door Free Willy groeide Keiko uit tot een symbooldier. Aan het einde van de aftiteling stond een telefoonnummer voor de bescherming van walvissen; het werd honderdduizenden keren gebeld. (Enigszins hypocriet natuurlijk; de filmmakers lieten het dier immers ook allerlei trucjes uitvoeren, en ze zetten hem net zo goed in voor hun eigen gewin.)
Om dichter bij dieren te komen ontdoen we ze van hun dierlijkheid
Net als Willy moest Keiko in staat worden gesteld te ontsnappen aan de mens, luidde de communis opinio, die steeds dwingender werd naarmate meer mensen de film gezien hadden. Maar die vrijlating kon alleen plaatsvinden met hulp van de mens. Keiko mocht niet zomaar worden losgelaten, dat zou zo’n tam dier niet overleven. Het moest stapje voor stapje. Er werden tientallen miljoenen gestoken in zijn herintrede in het wild; ngo’s bemoeiden zich ermee, miljonairs, bedrijven. Er werden reportages geschreven, documentaires gemaakt. Er stond veel op het spel, veel meer dan het lot van een enkele orka.
Van meet af aan school er een zekere wanhoop in de onderneming. Als we dít dier redden, deze uitverkorene, deze pars pro toto, zouden we in symbolische zin alle dieren redden van de manier waarop de mensheid ze behandeld heeft, leek de onderliggende gedachte. Maar als men echt zo geïnteresseerd was geweest in dierenwelzijn, dan hadden de Keiko-dollars veel beter besteed kunnen worden. Aan het beschermen van dieren in bedreigde gebieden bijvoorbeeld, in plaats van aan een mascotte.
Fabeltjes
Vermascottisering is een vorm van antropomorfisme; de neiging om het niet-menselijke te vermenselijken. Antropomorfisme en bekommernis om dieren zijn aan elkaar gelinkt, zij het op een ingewikkelde manier. In beginsel kan antropomorfisme leiden tot sympathie voor een dier waarvan we feitelijk weinig weten. Dit is een complex proces. Door dieren te voorzien van menselijke trekken hebben we hen deel gemaakt van onze narratieve cultuur. Mensen vertellen niet voor niks al duizenden jaren fabels; verhalen over dieren met menselijke trekken – de sluwe vos, de trotse pauw, de trouwe hond – waaruit we een menselijke moraal kunnen trekken. De vroegste verhalen die we onze kinderen vertellen over goed en fout gaan vaak over dieren. En evenmin voor niks zijn die fabels keer op keer hernieuwd, ze vormen de leidraad van menig Disney-film, Jungle Boek, De Leeuwenkoning, 101 Dalmatiërs.
Illustratie Sara-Noor ten Cate
Die menselijke trekken blijven vervolgens deel van het dier zelf; kinderen kijken naar beelden van een wilde beer en denken aan Baloe, naar een jong hert en ze zien Bambi. Zonder die intieme ervaring met fabels zouden dieren maar vreemde, onkenbare wezens blijven, wat het medeleven met hun lot niet ten goede zou komen. Wat we feitelijk doen om dichter bij het dierenrijk te komen, is dieren ontdoen van hun dierlijkheid, van hun onkenbaarheid.
Maar antropomorfisme is niet zonder nadelen of gevaren. Daar zijn talloze voorbeelden van, ook beschreven in vakliteratuur: mensen die een eenzaam hertenjong vinden, aannemen dat het verlaten is door de moeder en het meenemen naar een opvangcentrum, terwijl de moeder in werkelijkheid eten aan het verzamelen was. Of mensen die zich zodanig denken te kunnen verplaatsen in dieren dat ze menen te weten wat er in hen omgaat; ze ‘praten’ met beren en wolven. Wie dit proces van fatale projectie van dichtbij wil zien, moet Grizzly Man van Werner Herzog zien, over wildlife- en berenfanaat Timothy Treadwell, die uiteindelijk samen met zijn geliefde aan flarden wordt gescheurd door de dieren die hem naar eigen zeggen beter begrepen dan mensen.
Grazende koeien, slachtvee
Ook de wolf, een traditionele vijand van de mens, is vaak geantropomorfiseerd, maar in negatieve zin; in talloze sprookjes stond de wolf symbool voor gevaar en valsheid. We kunnen daarom weinig empathie voor hem opbrengen. Tegenwoordig is de wolf in reële zin een bedreigde diersoort en mag hij niet gedood of verwond worden. Maar laten we de wolf ongebreideld zijn gang gaan, dan volgen er incidenten met de bewoonde wereld, met boeren, met fietsers, met huisdieren. De mens zit gevangen tussen twee rollen: die van mogelijke prooi van een roofdier en die van hoeder van bedreigde diersoorten. De wolf plaatst ons voor een probleem omdat we hem niet kunnen vermascottiseren.
Ook bij minder gevaarlijke dieren wringt het soms. Katten en honden halen we in huis, we geven ze mensennamen en sturen graag filmpjes van hun schattige, slimme of anderszins menselijke gedrag rond. Andere dieren, die niet minder intelligent of aandoenlijk zijn, zoals varkens of koeien, stoppen we weg in industriële complexen, geven we een nummer, en slachten we massaal af. Dit discrimineren tussen soorten noemt men speciësisme. Varkens en koeien zien we alleen graag wanneer ze op een lentedag in de wei grazen, als toonbeeld van het oerhollandse boerenlandschap. Slachtvee zien we daarentegen als een anonieme, gezichtsloze dierenmassa, waar we geen emotionele betrokkenheid bij voelen, en waarvoor we dus ook geen verantwoordelijkheid erkennen. Maar het zijn dezelfde dieren.
Hoe werkt empathie voor dieren precies? De feitelijke kennis over de natuurlijke geschiedenis van een dier is helaas vaak gering. En zelfs als we de gedragingen van een diersoort goed kennen, hebben we nog geen besef van hun werkelijke sensorische ervaring van de wereld, laat staan dat we weten hoe ze die ervaring beleven. De Amerikaanse filosoof Thomas Nagel heeft dit probleem uitgewerkt in zijn beroemde paper What Is It Like to Be a Bat?, waarin hij zich – vanuit de vraag of we ooit kunnen weten hoe het is om een vleermuis te zijn – verzet tegen de objectieve grenzen van de wetenschap. Wat we ‘weten’ noemen is een verraderlijke vorm van kennis, betoogt hij. „Wij geloven dat vleermuizen bepaalde versies van pijn, angst, honger en lust voelen, en dat ze naast sonar ook andere, meer bekende soorten waarneming hebben. Maar wij geloven dat deze ervaringen telkens ook een specifiek subjectief karakter hebben, dat ons voorstellingsvermogen te boven gaat.” Hoeveel we ook over een dier weten, de ervaring van hoe het is om dat dier te zíjn is soort-specifiek, alleen kenbaar door het dier zelf. Niettemin projecteerden mensen hun eigen vrijheidsbeleving destijds naar hartenlust op Keiko, die zo snel mogelijk moest worden bevrijd.
Solastalgie
De zomer van 2002 brak aan. Nadat Keiko achter een groep orka’s was aangezwommen, was hij een maandlang onvindbaar. Hij was ‘ontsnapt’, hij was ‘vrij’. Een maand later werd Keiko gespot in een Noorse fjord, waar hij trucjes deed voor toeristen en kinderen aan het lachten maakte.
Niet veel later werd Keiko ziek. Een longontsteking. Hij stierf in 2003.
David Phillips, directeur van de Free Willy-Keiko Foundation, was zeer positief over het project. „Het was een groot succes voor Keiko, voor zijn welzijn, en voor de hele wereld, die het juiste wilde doen.” Maar de eindscore is complexer. We wilden Keiko redden omdat we iets menselijks in hem zagen. Hij redde het niet, omdat hij, na al die jaren van gevangenschap en blootstelling aan mensen, te menselijk was geworden.
Illustratie Sara-Noor ten Cate
De vraag hoe om te gaan met en na te denken over dieren is door de klimaatcrisis en de ecologische rampspoed die daarvan het gevolg is des te prangender geworden. In een recent artikel in Nature definiëren Ashlee Cunsolo en Neville Ellis ‘ecological grief’ als de pijn, het verdriet of het lijden dat mensen ervaren vanwege (een al dan niet in de toekomst liggend) verlies van een soort, ecosysteem of landschap.
Een andere term die in zwang aan het raken is: solastalgia, of solastalgie, een vorm van emotioneel of existentieel onbehagen over ecologische neergang. Hoewel beide vormen van verdriet het meest voorkomen bij mensen die het hardst geraakt zijn, die hun directe leefomgeving hebben zien verkommeren, ben ik ervan overtuigd dat velen van ons een zekere bedroefdheid ervaren als we te lang stilstaan bij het feit dat de wereld die we twintig jaar geleden kenden is opgehouden te bestaan. De ontroering over het individuele dier ontslaat ons eventjes van het doorvoelen van dat verdriet. Dieren zijn deel van de natuurlijke wereld, maar kunnen hun rol daarin niet verbaliseren of doorgronden en bovendien hebben ze geen hand gehad in de ecocide – daarom belichamen dieren in dit opzicht veel meer onschuld dan dat mensen dat doen.
Al die berichten over uitstervende diersoorten. Het is ons te veel, het is ons te abstract. Daarom richten we onze compassie liever op mascotte-geworden dieren; half-mens en half-dier. Hen denken we te begrijpen. Hen kunnen we toejuichen, om hen kunnen we rouwen. Zij bieden ons precies de mentale uitvlucht die we nodig hebben, zodat we, als er weer diersoort teloorgaat, kunnen denken: aan mij heeft het niet gelegen.