‘Ze hadden al snel een eigen woonwagen en reisden door het land’

‘Mijn ouders hebben elkaar leren kennen op de kermis in Delft. Het was 1941, kermissen waren nog toegestaan door de bezetter.

De vader van mijn vader had een variététent en alle tien de kinderen werkten mee. Mijn vader was clown en ‘bonisseur’, hij lokte bezoekers. En hij stond net voor de tent parade te maken, toen mijn moeder aankwam.

Het was liefde op het eerste gezicht. Bij het naar binnen gaan fluisterde hij ‘hoe heet je?’ in haar oor. Ter plekke verzon ze ‘Kitty’ – Catharina vond ze niet passen bij zo’n vlotte jongen. Na afloop van de voorstelling vroeg hij haar adres.

De vader van mijn moeder had een mandenmakerij, hij leverde manden aan fabrieken. Ook zij hadden tien kinderen. Meteen de volgende dag al wist mijn vader het huis te vinden.

Opa deed open: ‘Dag meneer, is Kitty thuis?’ ‘Nee jongen, ik heb vijf meiden, maar daar is geen Kitty bij.’ Toen mijn moeder dat ’s avonds hoorde, haastte ze zich naar de markt waar de kermis was om het uit te leggen.

Na een korte verlovingstijd trouwden ze. Ze hadden al snel een eigen woonwagen en reisden samen door het land. Tot er niet meer gereisd mocht worden. Veel woonwagens gingen in Den Haag op het Malieveld staan. Daar ben ik in 1944 geboren: Kitty.

Mijn ouders kwamen goed de oorlog door. Mijn moeder verongelukte in 1947. Mijn vader buffelde alleen verder. En ik werd gelukkig in het gezin van m’n tante.”