De evolutionaire stamboom van vogels zit anders in elkaar dan wetenschappers altijd dachten. Dat komt door een stukje vogel-dna dat in het verleden anders is overgeërfd dan normaal – precies ten tijde van de grote meteorietinslag die bijna al het leven op aarde wegvaagde, zo’n 66 miljoen jaar geleden. En de huidige, enorme vogelsoortenrijkdom ontstond juist in de paar miljoen jaar daarna. Dat schrijft een groot onderzoeksteam in twee publicaties in Nature en PNAS.
Al honderden jaren puzzelen wetenschappers aan de evolutionaire stamboom van de vogels. Dat struisvogels, emoes, kiwi’s en kasuarissen samen een groep buitenbeentjes vormen, als niet-vliegers, is duidelijk. Maar waar plaats je andere rare snuiters, zoals renkoekoeken en stelt-rallen? De laatste decennia brachten nieuwe genetische technieken veel opheldering. Maar sommige groepen bleven een hoofdpijndossier.
Neem nu de duiven en de zandhoenders, samen in één groep. Hoorden die nu bij de flamingo’s en de futen, óók een groep apart? Of pasten ze beter bij de koekoeken, trappen en loeries? Het laatste, staat nu in PNAS. De vliegende vogels vallen uiteen in niet twee, maar vier groepen, en de duiven en zandhoenders horen heel ergens anders dan gedacht.
Stuivertje wisselen
Het klinkt misschien triviaal, maar genetici mag je hiervoor wakker maken. En dan niet voor het stuivertje wisselen, maar wel voor de onderliggende ontdekking. Want hoe kómt het nu dat die vogelstamboom zo lastig en veranderlijk is?
De meest recente vogelstamboom was gemaakt in 2014, op basis van genoomonderzoek. Hetzelfde team dat nu in Nature en PNAS schreef, publiceerde die toen in Science, na onderzoek aan 48 vogelgenomen. Duiven en flamingo’s vormden samen één groep; alle andere vliegers een tweede.
Nu, met snellere en goedkopere technieken, analyseerde het team maar liefst 363 genomen. Dat was het eerste stukje van het internationale Bird 10,000 Genomes (B10K) Project, dat uiteindelijk ruim tienduizend vogelsoorten wil sequensen.
Over het geheel genomen klopte de oude stamboom. Eén groep genen, samen zo’n 2 procent van het dna, gaf echter een heel ander plaatje. Het opvallende: al die eigenwijze genen lagen in hetzelfde stukje dna, op chromosoom nummer 4.
„Wij vermoeden dat dit dna-fragment zich een tijdlang heeft onttrokken aan recombinatie”, vertelt Edward Braun van de University of Florida, hoofdauteur van het PNAS-artikel. Recombinatie gebeurt tijdens het husselen van de genen van je vader en je moeder vlak voordat je eicellen of zaadcellen maakt. Daarbij ligt elk chromosoom dat je van je vader hebt gekregen, tijdelijk vlak naast zijn moederlijke evenknie. Op dat moment wisselen ze vaak hele genenregio’s met elkaar uit.
Onveranderlijk segmentje
Maar om onduidelijke redenen deed dit ene stukje dna op chromosoom 4, zo’n 21 miljoen basenparen groot, daar nooit aan mee. „Dat gebeurt vaker”, vertelt Braun, „bijvoorbeeld bij de geslachtschromosomen. We zien nooit recombinatie tussen het X- en het Y-chromosoom.”
Van dit onveranderlijke segmentje bestonden twee varianten, vervolgt Braun. „Laten we ze A en B noemen. Toen de meteoriet insloeg, hadden de voorouders van moderne vogels allemaal ofwel zowel A als B (dus afkomstig van hun beide ouders) ofwel twee kopieën van A, of twee kopieën van B. Maar zo’n 2,5 tot 3 miljoen jaar later begonnen de vogels een van beide varianten te verliezen.”
Twee groepen, waaronder duiven en zandhoenders én futen en flamingo’s, behielden de ene vorm. Alle andere vogels behielden de andere. Braun: „In 2014 hadden we dat gemist, doordat we naar te weinig soorten hadden gekeken.”
Maar wat heeft die meteorietinslag ermee maken? Dat staat in Nature. Nauwkeurige analyse van zo’n stamboom laat zien wanneer bepaalde afsplitsingen precies plaatsvonden. Vlak na de meteorietinslag, zo bleek, trad er opeens een enorme diversificatie op: relatief snel ontstonden heel veel nieuwe soortgroepen. „We denken dat dit komt doordat er in die periode allerlei nieuwe ecologische kansen ontstonden.” Namelijk door het wegvallen van de almachtige dinosauriërs – en door de make-over van het plantaardige landschap.
En ergens tijdens die snelle diversificatie ontstonden die twee vormen van chromosoom 4, suggereert Braun – twee vormen die dus niet met elkaar mengden. Hoe dat precies zit, laat hij in het midden. „Het coole met die onderdrukte recombinatie is dat we de sporen daarvan nu nog terugvinden, meer dan 60 miljoen jaar na dato!” En dat die vondst te danken is aan fouten in de eerdere analyses.
De Raad voor de Kinderbescherming komt vanaf 1 mei in alle zaken weer voorbereid naar de rechtbank Den Haag. Dat hebben de Raad en de rechtbank besloten nadat NRC vorige week had onthuld dat de Raad al jarenlang in een groot aantal zaken voorafgaand aan de zitting het dossier niet bestudeerde. Dat vond die „ondoenlijk” en ook „niet nodig”.
Op die praktijk klonk in het Haagse arrondissement felle kritiek van familierechtexperts. Ze wezen erop dat cruciale informatie verloren gaat als raadsmedewerkers zich slechts baseren op wat tijdens de zitting wordt besproken en niet het onderliggende dossier lezen. Naar aanleiding van de NRC-berichtgeving vroegen Faith Bruyning (NSC), Don Ceder (ChristenUnie) en staatssecretaris voor Rechtsbescherming Teun Struycken via Kamervragen om opheldering.
De Raad voor de Kinderbescherming heeft een belangrijke wettelijke adviesfunctie. Hij adviseert als officiële deskundige tijdens rechtszaken over het belang van het kind – bijvoorbeeld in zaken over ouderlijk gezag en omgangsregelingen. In tegenstelling tot de rest van Nederland komen raadsmedewerkers in Den Haag alleen in zwaardere zaken voorbereid naar de rechtbank.
Lees ook
De Raad voor de Kinderbescherming komt al jaren onvoorbereid naar de rechter in Den Haag
Kinderen
Volgens de Raad voor de Kinderbescherming en de rechtbank komt de huidige werkwijze voort uit de invoering van het Uniforme Hulpaanbod in 2019 in Den Haag. Dat is een samenwerking tussen rechtbanken en gemeenten met als doel bij conflictueuze echtscheidingen en omgangsregelingen passende hulp aan ouders en kinderen te bieden, om verdere escalatie en slepende rechtszaken te voorkomen.
Het Uniforme Hulpaanbod is landelijk ingevoerd, maar verschilt lokaal vanwege de decentralisering van de jeugdzorg. In Den Haag vond de Raad volgens de rechtbank dat het ondoenlijk en onnodig is het dossier te lezen. In jaarlijks honderden zittingen komt de Raad daarom ongeïnformeerd naar de rechtbank.
Familierechtadvocaten uitten daarover in NRC en op sociale media kritiek. In een bericht noemt de rechtbank Den Haag die bezwaren woensdag „een belangrijk signaal dat wij serieus oppakken”. In overleg met de Raad is besloten de werkwijze per 1 mei te herzien. „Voortaan heeft de raadsvertegenwoordiger alle stukken gelezen voordat hij naar de zitting komt”.
Ook de Raad bevestigt de nieuwe werkwijze op de eigen website. „De afspraak is dat wij voortaan in iedere zitting alle relevante stukken ontvangen en bestuderen, net als in de rest van het land.”
De zorgpremie stijgt per 2027 met bijna 200 euro dankzij de halvering van het eigen risico. Dat blijkt uit berekeningen van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS), door Haagse bronnen bevestigd aan NRC. Het kabinet praat vrijdag in de ministerraad over het wetsvoorstel van minister Fleur Agema (Zorg, PVV) om het eigen risico te halveren. Dat voorstel wordt daarna eerst nog voor advies naar de Raad van State gestuurd.
In het regeerakkoord spraken de coalitiepartijen af het eigen risico vanaf 2027 structureel met de helft te verlagen, een langgekoesterde wens van de PVV. Het plan kost zo’n 4,3 miljard euro.
Wie gaan er op voor- en achteruit?
Mensen die hun eigen risico opgebruiken en recht hebben op zorgtoeslag zullen er naar verwachting 115 euro op vooruitgaan in 2027, zo meldde De Telegraaf donderdag. Dat is ongeveer zestig procent van alle verzekerden. Wie de zorgtoeslag opmaakt zonder recht op zorgtoeslag gaat er 51 euro op vooruit. In Nederland ontvang je zorgtoeslag bij een inkomen tot ongeveer 40.000 euro per jaar.
Gezonde Nederlanders die zorgtoeslag krijgen, zullen in 2027 volgens De Telegraaf onder aan de streep 135 euro meer betalen dan zij nu doen. Die groep bestaat uit zo’n zes miljoen Nederlanders, veertig procent van alle verzekerden. De hardste klappen vallen bij gezonde mensen die wél de premieverhoging van 199 euro per jaar – zo’n zestien euro per maand – moeten betalen, maar te veel verdienen voor recht op zorgtoeslag. Zij profiteren dus niet van de halvering van het eigen risico, én niet van de stijging van de zorgtoeslag. Om de stijging van de zorgpremie te compenseren, wil het kabinet de eerste schijf van de inkomstenbelasting verlagen.
De exacte prijsstijging in 2027 is nog niet bekend. Verzekeraars stellen zelf de tarieven van hun premies in november het jaar ervoor vast. Die prijs kan soms nog gedrukt worden door reserves in te zetten. Experts berekenden eerder al dat, door het verlagen van het eigen risico, de zorgpremie flink hoger zal worden omdat mensen waarschijnlijk meer zorg zullen gebruiken. Ook is de verwachting dat een lager eigen risico tot langere wachtlijsten zal leiden.
Lees ook
Halvering eigen risico leidt vooral tot hogere zorgpremies
Gemiddeld overlijden in Nederland vijf mensen per dag door zelfdoding. Het is de belangrijkste doodsoorzaak onder jongeren tot dertig jaar en het aantal zelfdodingen in die groep stijgt nog steeds. Overlijden door zelfdoding komt het meest voor bij mannen van middelbare leeftijd: bij vier op de tien suïcides gaat het om een man van veertig tot zeventig jaar. „En we weten eigenlijk heel weinig over al deze mensen”, zegt gezondheidswetenschapper Elias Balt, onderzoeker bij 113 Zelfmoordpreventie. „Wel wat het CBS bijhoudt, zoals opleidingsniveau en samenstelling van het huishouden, maar niet wat hen heeft bewogen.”
Met de studies waarop hij eind maart promoveerde aan de Vrije Universiteit Amsterdam, brengt hij daar verandering in. Balt (33) onderzocht en verfijnde een methode die ‘psychosociale autopsie’ heet, waarbij nabestaanden na een zelfdoding worden geïnterviewd om te proberen te begrijpen waarom het slachtoffer tot de suïcide kwam.
„In elk onderzoek kwamen groepen mensen naar voren met eigen kenmerken, thema’s en zorgbehoeften”, vertelt Balt. Zo zag hij dat jonge mensen met een autismespectrum- of andere ontwikkelingsstoornis tegen vergelijkbare problemen aanlopen. „Op jonge leeftijd hebben ze al het gevoel nergens thuis te horen, ze voelen weinig steun en zijn niet erg weerbaar. Ze hebben het vooral moeilijk bij overgangen, zoals van school naar een vervolgopleiding en van die opleiding naar zelfstandig leven. Dat zijn kernmomenten die kunt aangrijpen voor preventie, waar je meer ondersteuning zou kunnen bieden.”
Een andere groep bestond uit jonge vrouwen die al sinds de puberteit met psychische problemen kampten, en met suïcidale gedachten en suïcidaal gedrag. „Ze hadden soms wel vier of vijf diagnoses gekregen maar waren ondanks intensieve zorg nooit opgeknapt. De ‘handen in het haar’-cases.” Deze vrouwen gingen vaak online op zoek naar lotgenoten of ontmoetten die in een kliniek. „Om vervolgens – verstrikt is een groot woord – geïntegreerd te raken in een netwerk met andere jonge vrouwen met suïcidale gedachten en gedrag. Daardoor kwamen ze in een soort parallelle werkelijkheid terecht waarbij hun identiteit zich steeds meer ging vormen rondom suïcidaliteit. Het is heel moeilijk daar weer uit te komen, want je identiteit hangt ervan af. Zestig procent van die vrouwen kende iemand die ook was overleden door zelfdoding.”
Dat doet denken aan wat je ook bij anorexia wel ziet, dat jonge vrouwen elkaar in de ziekte versterken en in feite aanmoedigen. „Inderdaad. Bij eetstoornissen en verslaving is daar al wel onderzoek naar, maar bij suïcidaliteit nog vrijwel niet. Het is voor clinici ontzettend belangrijk om dit te weten.”
Binnen de mannen van middelbare leeftijd zag Balt ook een groep met specifieke kenmerken: „Die hadden een terugkerende episodische depressie, een constant gevoel van tekortschieten, en de laatste maanden voor de zelfdoding kwamen daar bijvoorbeeld relatieproblemen bij, of het verlies van een baan. Vaak waren deze mannen al in beeld bij de huisarts, bijvoorbeeld omdat ze antidepressiva slikten, maar niet meer onder behandeling bij een psycholoog. We weten dat jezelf heel snel tot last voelen een reden is om niet over suïcidale gedachten te praten, én een risicofactor voor zelfdoding. Bij deze groep zouden we de huisarts kunnen vragen: hou ze een beetje in de gaten.”
Mannen spreken over het algemeen veel minder over suïcidale gedachten dan vrouwen. Mannen van middelbare leeftijd spraken er vaak alleen met hun partner over, jonge mannen soms helemaal niet, of op zo’n grappige toon dat familie en vrienden hen niet serieus namen. „Bij meer dan een op de vijf jonge mannen die overleden door zelfdoding in ons onderzoek was het out of the blue, ruim drie keer zo vaak als bij jonge vrouwen. Dat zijn vaak de aangrijpendste verhalen, waarbij nabestaanden zich afvragen: wat heb ik gemist? Maar misschien was er niets te zien.”
Het waren altijd mooie gesprekken. Wanneer heb je het nou drie uur over iemand?
Wat lastig is bij deze psychosociale autopsie: er is geen controlegroep. „Dat is een beperking. Je kunt op basis van ons onderzoek niet zeggen dat de patronen die we vinden uniek zijn voor zelfdoding. Maar vaak vinden we een bevestiging van risicofactoren die al bekend zijn, zoals autisme, en zit de kracht van ons onderzoek hem erin dat we een heel breed beeld van deze mensen krijgen en een diep begrip van hun kwetsbaarheden.”
De methodologische afweging is: als je ook nog een controlegroep interviewt, kun je minder nabestaanden van zelfdoding interviewen, en dat is waar het hier om gaat. De gesprekken duurden zo’n drie uur, dus dat is heel arbeidsintensief. En zwaar? „Ik zou zeggen: indrukwekkend. Ook wel zwaar, ja, maar vooral bijzonder, en verrijkend. Het waren altijd mooie gesprekken. Wanneer heb je het nou drie uur over iemand? Het grijpt je wel aan – soms belde ik erna iemand op om even over iets anders te praten.”
De methode die Balt onderzocht is trouwens niet gloednieuw. In de jaren vijftig gebruikten Amerikaanse psychologen voor het eerst de term psychologische autopsie, toen vooral in een forensische context, om te onderzoeken of een overlijden wel zelfdoding was (de psychologen waren toen ook al geïnteresseerd in het waarom, maar de politie minder). Balt heeft het liever over psychosociale autopsie, omdat het gaat om wat de nabestaanden vertellen en hij niet post-mortem psychiatrische diagnoses probeert te stellen.
Geautomatiseerd verwerken
Tijdens zijn promotietraject heeft Balt de interviewmethode steeds een beetje aangepast. In een eerste studie, onder nabestaanden van jongeren, sprak hij (of een collega) bijvoorbeeld meerdere nabestaanden per jongere, gemiddeld ruim twee. In een vervolgonderzoek onder nabestaanden van zelfdodingen op het spoor spraken ze meestal maar één nabestaande per overledene. „Dat hebben we vervolgens aangehouden, want meer informanten spreken leverde wel wát nieuwe informatie op, maar er was zelden conflicterende informatie. Dan verzamelen we liever informatie over een grotere groep overledenen, zodat we zoveel mogelijk informatie hebben om van te leren.”
Om die reden heeft hij ook een zeer uitgebreide online vragenlijst toegevoegd die nabestaanden invullen, waarna een deel van hen nog geïnterviewd wordt. En hij heeft onderzocht of niet alleen de vragenlijsten maar ook de transcripten deels geautomatiseerd kunnen worden verwerkt. „Dat bleek verrassend goed te werken”, zegt hij. „Je kunt thema’s coderen die je sowieso verwacht te vinden, en dan hoef je de tekst daarna alleen nog door te lopen op wat niet in je codelijst zit.”
En hoe kom je nou van die thema’s naar preventie? Dat is natuurlijk de hamvraag, en daar heeft 113 een vijftienkoppige expertraad voor in het leven geroepen, met psychologen en psychiaters erin, ervaringsdeskundigen en mensen van onder meer het SCP, het ministerie van VWS, nabestaandenorganisatie Aurora en 113 zelf. „Dat geeft een breder perspectief, en als aanbevelingen alleen vanuit 113 komen landen ze minder goed in het veld”, zegt Balt. Ook dat heeft hij onderzocht.
Enkele aanbevelingen staan al in het rapport Samen leren, minder suïcide, dat 113 enkele dagen voor de promotie uitbracht, met Balt als co-auteur. Bijvoorbeeld: doorbreek het taboe op zelfdoding, leer jongeren mentale veerkracht aan, zet ervaringsdeskundigen in en vooral: stem preventie af op de persoon. In interviews die Balts proefschrift niet meer hebben gehaald, maar wel het rapport, zijn alweer enkele nieuwe patronen geïdentificeerd, zoals vrouwen van middelbare leeftijd met onder meer hormonale problemen (zwangerschap, overgang) en dertigers met financiële problemen (studieschuld, hypotheek, verslaving).
Ik zou graag willen dat huisartsen in de toekomst ook onze brochure zouden uitdelen
Balts proefschrift is inmiddels afgerond, maar de psychosociale autopsies gaan door. Alle respondenten de vragenlijst laten invullen en een deel van hen interviewen: dat is nog steeds de procedure. Tussen de zelfdoding en de interviews met de nabestaanden zit steeds minstens vier maanden, dat is met de medisch-ethische commissie zo afgesproken en in buitenlands onderzoek gebeurt het ook. Dat zou beter zijn voor het welzijn van de nabestaanden, maar Balt vraagt zich inmiddels af of het niet te betuttelend is. „Ze vullen de vragenlijst soms al na een paar dagen in; het is opvallend hoe snel ze denken: ik moet hier iets mee. Misschien moeten we de nabestaanden dus zelf vragen wanneer ze aan een interview toe zijn.”
Nabestaanden worden geworven via nabestaandenorganisaties, sociale media en de brochure Als je iemand verliest door zelfdoding, die uitgedeeld wordt door de politie en Slachtofferhulp en die verwijst naar informatie over het onderzoek bij 113. „En in het jongerenonderzoek benaderden we de nabestaanden via forensisch artsen en huisartsen. Ik zou graag willen dat huisartsen in de toekomst ook onze brochure zouden uitdelen.”
Omdat vooral de interviews erg arbeidsintensief zijn, is de volgende stap: kijken hoeveel interviews je minimaal moet blijven doen en wanneer méér interviews niet genoeg extra informatie meer opleveren. „Tenzij we kunnen bewijzen”, zegt Balt, „dat de interviews ook heel goed zijn voor de nabestaanden. Dan moeten we erop inzetten het bij iedereen te doen.”
Daar is al wel anekdotisch bewijs voor. In de ongeveer 250 interviews waar Balt zelf bij is geweest (waarvan hij er zo’n 50 afnam als hoofdinterviewer) merkte hij dat zij het heel fijn vonden om hun verhaal te kunnen doen. Een luisterend oor te krijgen. En: een bijdrage te leveren aan onderzoek. „Het zou interessant zijn om nog verder te onderzoeken of geïnterviewd worden invloed heeft op hulpzoekend gedrag en rouw bij de nabestaanden.”