De werking van een windmolen is een prachtig, complex samenspel van fysische en mechanische factoren. De ontwerper maakt daarom een zorgvuldige afweging van zaken als aerodynamica, balans, materiaal- en bouwkosten, gewicht, stevigheid, duurzaamheid, geluidsproductie en esthetica. Het is een kwestie van eindeloos rekenen, testen en aanpassen.
Het oudst bekende windmolenontwerp stamt uit het eerste-eeuwse Griekenland. Heron van Alexandrië bedacht daar een molen met zestien wieken. Vanaf de 7de eeuw maakten Perziërs de eerste windgedreven graanmolens. Hun ontwerp, de klassieke vierwieker, kwam rond de 12de eeuw met de kruisvaarders mee naar West-Europa. Die molens zorgden voor een ware mechanische revolutie. Ze konden vrijwel alles wat kracht kostte, van graan malen en olie persen tot wol vilten en hout zagen. Plus natuurlijk, in ons laaglandmoeras: eindeloos veel water wegpompen.
Rond 1880 verrezen in Oostenrijk, Schotland en de VS de eerste windmolens die stroom opwekten. Die van Charles Brush in Ohio had maar liefst 144 wieken. De Oudhollandse molen is qua ontwerp veel praktischer – en trouwens ook veel makkelijker te timmeren dan een driebladig ontwerp. De vier wieken zijn namelijk niets anders dan twee gekruiste roeden die in het midden bijeen worden geklemd.
Remmende werking
Maar die 144 wieken van Charles Brush vangen wel heel veel wind, en zetten dus veel windkracht om in rotatie van de molenas. Toch is dat niet heel efficiënt, want diezelfde 144 wieken ondervinden elk ook luchtweerstand tijdens het ronddraaien. Dat werkt remmend.
Al met al blijkt de efficiëntie van de windmolen (welk percentage van de windenergie wordt omgezet in mechanische of elektrische energie) samen te hangen met de rotatiesnelheid van de wieken. Hoe sneller een molen draait, hoe efficiënter hij is. (Hoewel daar wel een theoretisch maximum aan blijkt te zitten, de zogeheten Betzlimiet: een molen kan maximaal 59,3 procent van de windenergie invangen.) En hoe minder wieken, hoe sneller de molen kan draaien, simpelweg omdat er dan minder luchtweerstand is. Aan de andere kant betekent minder wieken ook minder krachtomzetting.
Er is dus een optimum: een draaisnelheid waarbij de molen maximaal efficiënt is. Het leuke is nu dat dit optimum bij elk molenontwerp anders ligt. Dat ligt weer aan de combinatie van de aerodynamica van de wieken en de mechanische beperkingen van het ontwerp: als een molen te snel draait, gaat hij kapot. De Oudhollandse molen met zijn vier wieken blijkt bij zijn optimale draaisnelheid iets minder dan 30 procent van de windenergie te benutten. De veelbladige poldermolens met zo’n tien tot twintig bladen draaien langzamer, maar halen wel net iets méér dan 30 procent efficiëntie.
Moderne twee- en driebladige windturbines halen rond de 50 procent, met hun hoge draaisnelheden. De driebladige winnen het nét van de tweebladige, maar vergen wel meer materiaal. Daar staat tegenover dat ze minder wiebelen dan de tweebladige.
De toekomst brengt wellicht windmolens die helemáál geen wieken hebben. Het Spaanse bedrijf Vortex Bladeless werkt aan een turbine die eruitziet als een gigantisch potlood. De turbulentie die achter de schacht ontstaat, laat het bouwsel heen en weer zwiepen. Die energie wordt ingevangen met dynamo’s. Het geheel is veel efficiënter dan een molen met wieken, volgens de Spanjaarden, en ook nog eens mooier en materiaalzuiniger.
De Raad voor de Kinderbescherming komt vanaf 1 mei in alle zaken weer voorbereid naar de rechtbank Den Haag. Dat hebben de Raad en de rechtbank besloten nadat NRC vorige week had onthuld dat de Raad al jarenlang in een groot aantal zaken voorafgaand aan de zitting het dossier niet bestudeerde. Dat vond die „ondoenlijk” en ook „niet nodig”.
Op die praktijk klonk in het Haagse arrondissement felle kritiek van familierechtexperts. Ze wezen erop dat cruciale informatie verloren gaat als raadsmedewerkers zich slechts baseren op wat tijdens de zitting wordt besproken en niet het onderliggende dossier lezen. Naar aanleiding van de NRC-berichtgeving vroegen Faith Bruyning (NSC), Don Ceder (ChristenUnie) en staatssecretaris voor Rechtsbescherming Teun Struycken via Kamervragen om opheldering.
De Raad voor de Kinderbescherming heeft een belangrijke wettelijke adviesfunctie. Hij adviseert als officiële deskundige tijdens rechtszaken over het belang van het kind – bijvoorbeeld in zaken over ouderlijk gezag en omgangsregelingen. In tegenstelling tot de rest van Nederland komen raadsmedewerkers in Den Haag alleen in zwaardere zaken voorbereid naar de rechtbank.
Lees ook
De Raad voor de Kinderbescherming komt al jaren onvoorbereid naar de rechter in Den Haag
Kinderen
Volgens de Raad voor de Kinderbescherming en de rechtbank komt de huidige werkwijze voort uit de invoering van het Uniforme Hulpaanbod in 2019 in Den Haag. Dat is een samenwerking tussen rechtbanken en gemeenten met als doel bij conflictueuze echtscheidingen en omgangsregelingen passende hulp aan ouders en kinderen te bieden, om verdere escalatie en slepende rechtszaken te voorkomen.
Het Uniforme Hulpaanbod is landelijk ingevoerd, maar verschilt lokaal vanwege de decentralisering van de jeugdzorg. In Den Haag vond de Raad volgens de rechtbank dat het ondoenlijk en onnodig is het dossier te lezen. In jaarlijks honderden zittingen komt de Raad daarom ongeïnformeerd naar de rechtbank.
Familierechtadvocaten uitten daarover in NRC en op sociale media kritiek. In een bericht noemt de rechtbank Den Haag die bezwaren woensdag „een belangrijk signaal dat wij serieus oppakken”. In overleg met de Raad is besloten de werkwijze per 1 mei te herzien. „Voortaan heeft de raadsvertegenwoordiger alle stukken gelezen voordat hij naar de zitting komt”.
Ook de Raad bevestigt de nieuwe werkwijze op de eigen website. „De afspraak is dat wij voortaan in iedere zitting alle relevante stukken ontvangen en bestuderen, net als in de rest van het land.”
De zorgpremie stijgt per 2027 met bijna 200 euro dankzij de halvering van het eigen risico. Dat blijkt uit berekeningen van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS), door Haagse bronnen bevestigd aan NRC. Het kabinet praat vrijdag in de ministerraad over het wetsvoorstel van minister Fleur Agema (Zorg, PVV) om het eigen risico te halveren. Dat voorstel wordt daarna eerst nog voor advies naar de Raad van State gestuurd.
In het regeerakkoord spraken de coalitiepartijen af het eigen risico vanaf 2027 structureel met de helft te verlagen, een langgekoesterde wens van de PVV. Het plan kost zo’n 4,3 miljard euro.
Wie gaan er op voor- en achteruit?
Mensen die hun eigen risico opgebruiken en recht hebben op zorgtoeslag zullen er naar verwachting 115 euro op vooruitgaan in 2027, zo meldde De Telegraaf donderdag. Dat is ongeveer zestig procent van alle verzekerden. Wie de zorgtoeslag opmaakt zonder recht op zorgtoeslag gaat er 51 euro op vooruit. In Nederland ontvang je zorgtoeslag bij een inkomen tot ongeveer 40.000 euro per jaar.
Gezonde Nederlanders die zorgtoeslag krijgen, zullen in 2027 volgens De Telegraaf onder aan de streep 135 euro meer betalen dan zij nu doen. Die groep bestaat uit zo’n zes miljoen Nederlanders, veertig procent van alle verzekerden. De hardste klappen vallen bij gezonde mensen die wél de premieverhoging van 199 euro per jaar – zo’n zestien euro per maand – moeten betalen, maar te veel verdienen voor recht op zorgtoeslag. Zij profiteren dus niet van de halvering van het eigen risico, én niet van de stijging van de zorgtoeslag. Om de stijging van de zorgpremie te compenseren, wil het kabinet de eerste schijf van de inkomstenbelasting verlagen.
De exacte prijsstijging in 2027 is nog niet bekend. Verzekeraars stellen zelf de tarieven van hun premies in november het jaar ervoor vast. Die prijs kan soms nog gedrukt worden door reserves in te zetten. Experts berekenden eerder al dat, door het verlagen van het eigen risico, de zorgpremie flink hoger zal worden omdat mensen waarschijnlijk meer zorg zullen gebruiken. Ook is de verwachting dat een lager eigen risico tot langere wachtlijsten zal leiden.
Lees ook
Halvering eigen risico leidt vooral tot hogere zorgpremies
Gemiddeld overlijden in Nederland vijf mensen per dag door zelfdoding. Het is de belangrijkste doodsoorzaak onder jongeren tot dertig jaar en het aantal zelfdodingen in die groep stijgt nog steeds. Overlijden door zelfdoding komt het meest voor bij mannen van middelbare leeftijd: bij vier op de tien suïcides gaat het om een man van veertig tot zeventig jaar. „En we weten eigenlijk heel weinig over al deze mensen”, zegt gezondheidswetenschapper Elias Balt, onderzoeker bij 113 Zelfmoordpreventie. „Wel wat het CBS bijhoudt, zoals opleidingsniveau en samenstelling van het huishouden, maar niet wat hen heeft bewogen.”
Met de studies waarop hij eind maart promoveerde aan de Vrije Universiteit Amsterdam, brengt hij daar verandering in. Balt (33) onderzocht en verfijnde een methode die ‘psychosociale autopsie’ heet, waarbij nabestaanden na een zelfdoding worden geïnterviewd om te proberen te begrijpen waarom het slachtoffer tot de suïcide kwam.
„In elk onderzoek kwamen groepen mensen naar voren met eigen kenmerken, thema’s en zorgbehoeften”, vertelt Balt. Zo zag hij dat jonge mensen met een autismespectrum- of andere ontwikkelingsstoornis tegen vergelijkbare problemen aanlopen. „Op jonge leeftijd hebben ze al het gevoel nergens thuis te horen, ze voelen weinig steun en zijn niet erg weerbaar. Ze hebben het vooral moeilijk bij overgangen, zoals van school naar een vervolgopleiding en van die opleiding naar zelfstandig leven. Dat zijn kernmomenten die kunt aangrijpen voor preventie, waar je meer ondersteuning zou kunnen bieden.”
Een andere groep bestond uit jonge vrouwen die al sinds de puberteit met psychische problemen kampten, en met suïcidale gedachten en suïcidaal gedrag. „Ze hadden soms wel vier of vijf diagnoses gekregen maar waren ondanks intensieve zorg nooit opgeknapt. De ‘handen in het haar’-cases.” Deze vrouwen gingen vaak online op zoek naar lotgenoten of ontmoetten die in een kliniek. „Om vervolgens – verstrikt is een groot woord – geïntegreerd te raken in een netwerk met andere jonge vrouwen met suïcidale gedachten en gedrag. Daardoor kwamen ze in een soort parallelle werkelijkheid terecht waarbij hun identiteit zich steeds meer ging vormen rondom suïcidaliteit. Het is heel moeilijk daar weer uit te komen, want je identiteit hangt ervan af. Zestig procent van die vrouwen kende iemand die ook was overleden door zelfdoding.”
Dat doet denken aan wat je ook bij anorexia wel ziet, dat jonge vrouwen elkaar in de ziekte versterken en in feite aanmoedigen. „Inderdaad. Bij eetstoornissen en verslaving is daar al wel onderzoek naar, maar bij suïcidaliteit nog vrijwel niet. Het is voor clinici ontzettend belangrijk om dit te weten.”
Binnen de mannen van middelbare leeftijd zag Balt ook een groep met specifieke kenmerken: „Die hadden een terugkerende episodische depressie, een constant gevoel van tekortschieten, en de laatste maanden voor de zelfdoding kwamen daar bijvoorbeeld relatieproblemen bij, of het verlies van een baan. Vaak waren deze mannen al in beeld bij de huisarts, bijvoorbeeld omdat ze antidepressiva slikten, maar niet meer onder behandeling bij een psycholoog. We weten dat jezelf heel snel tot last voelen een reden is om niet over suïcidale gedachten te praten, én een risicofactor voor zelfdoding. Bij deze groep zouden we de huisarts kunnen vragen: hou ze een beetje in de gaten.”
Mannen spreken over het algemeen veel minder over suïcidale gedachten dan vrouwen. Mannen van middelbare leeftijd spraken er vaak alleen met hun partner over, jonge mannen soms helemaal niet, of op zo’n grappige toon dat familie en vrienden hen niet serieus namen. „Bij meer dan een op de vijf jonge mannen die overleden door zelfdoding in ons onderzoek was het out of the blue, ruim drie keer zo vaak als bij jonge vrouwen. Dat zijn vaak de aangrijpendste verhalen, waarbij nabestaanden zich afvragen: wat heb ik gemist? Maar misschien was er niets te zien.”
Het waren altijd mooie gesprekken. Wanneer heb je het nou drie uur over iemand?
Wat lastig is bij deze psychosociale autopsie: er is geen controlegroep. „Dat is een beperking. Je kunt op basis van ons onderzoek niet zeggen dat de patronen die we vinden uniek zijn voor zelfdoding. Maar vaak vinden we een bevestiging van risicofactoren die al bekend zijn, zoals autisme, en zit de kracht van ons onderzoek hem erin dat we een heel breed beeld van deze mensen krijgen en een diep begrip van hun kwetsbaarheden.”
De methodologische afweging is: als je ook nog een controlegroep interviewt, kun je minder nabestaanden van zelfdoding interviewen, en dat is waar het hier om gaat. De gesprekken duurden zo’n drie uur, dus dat is heel arbeidsintensief. En zwaar? „Ik zou zeggen: indrukwekkend. Ook wel zwaar, ja, maar vooral bijzonder, en verrijkend. Het waren altijd mooie gesprekken. Wanneer heb je het nou drie uur over iemand? Het grijpt je wel aan – soms belde ik erna iemand op om even over iets anders te praten.”
De methode die Balt onderzocht is trouwens niet gloednieuw. In de jaren vijftig gebruikten Amerikaanse psychologen voor het eerst de term psychologische autopsie, toen vooral in een forensische context, om te onderzoeken of een overlijden wel zelfdoding was (de psychologen waren toen ook al geïnteresseerd in het waarom, maar de politie minder). Balt heeft het liever over psychosociale autopsie, omdat het gaat om wat de nabestaanden vertellen en hij niet post-mortem psychiatrische diagnoses probeert te stellen.
Geautomatiseerd verwerken
Tijdens zijn promotietraject heeft Balt de interviewmethode steeds een beetje aangepast. In een eerste studie, onder nabestaanden van jongeren, sprak hij (of een collega) bijvoorbeeld meerdere nabestaanden per jongere, gemiddeld ruim twee. In een vervolgonderzoek onder nabestaanden van zelfdodingen op het spoor spraken ze meestal maar één nabestaande per overledene. „Dat hebben we vervolgens aangehouden, want meer informanten spreken leverde wel wát nieuwe informatie op, maar er was zelden conflicterende informatie. Dan verzamelen we liever informatie over een grotere groep overledenen, zodat we zoveel mogelijk informatie hebben om van te leren.”
Om die reden heeft hij ook een zeer uitgebreide online vragenlijst toegevoegd die nabestaanden invullen, waarna een deel van hen nog geïnterviewd wordt. En hij heeft onderzocht of niet alleen de vragenlijsten maar ook de transcripten deels geautomatiseerd kunnen worden verwerkt. „Dat bleek verrassend goed te werken”, zegt hij. „Je kunt thema’s coderen die je sowieso verwacht te vinden, en dan hoef je de tekst daarna alleen nog door te lopen op wat niet in je codelijst zit.”
En hoe kom je nou van die thema’s naar preventie? Dat is natuurlijk de hamvraag, en daar heeft 113 een vijftienkoppige expertraad voor in het leven geroepen, met psychologen en psychiaters erin, ervaringsdeskundigen en mensen van onder meer het SCP, het ministerie van VWS, nabestaandenorganisatie Aurora en 113 zelf. „Dat geeft een breder perspectief, en als aanbevelingen alleen vanuit 113 komen landen ze minder goed in het veld”, zegt Balt. Ook dat heeft hij onderzocht.
Enkele aanbevelingen staan al in het rapport Samen leren, minder suïcide, dat 113 enkele dagen voor de promotie uitbracht, met Balt als co-auteur. Bijvoorbeeld: doorbreek het taboe op zelfdoding, leer jongeren mentale veerkracht aan, zet ervaringsdeskundigen in en vooral: stem preventie af op de persoon. In interviews die Balts proefschrift niet meer hebben gehaald, maar wel het rapport, zijn alweer enkele nieuwe patronen geïdentificeerd, zoals vrouwen van middelbare leeftijd met onder meer hormonale problemen (zwangerschap, overgang) en dertigers met financiële problemen (studieschuld, hypotheek, verslaving).
Ik zou graag willen dat huisartsen in de toekomst ook onze brochure zouden uitdelen
Balts proefschrift is inmiddels afgerond, maar de psychosociale autopsies gaan door. Alle respondenten de vragenlijst laten invullen en een deel van hen interviewen: dat is nog steeds de procedure. Tussen de zelfdoding en de interviews met de nabestaanden zit steeds minstens vier maanden, dat is met de medisch-ethische commissie zo afgesproken en in buitenlands onderzoek gebeurt het ook. Dat zou beter zijn voor het welzijn van de nabestaanden, maar Balt vraagt zich inmiddels af of het niet te betuttelend is. „Ze vullen de vragenlijst soms al na een paar dagen in; het is opvallend hoe snel ze denken: ik moet hier iets mee. Misschien moeten we de nabestaanden dus zelf vragen wanneer ze aan een interview toe zijn.”
Nabestaanden worden geworven via nabestaandenorganisaties, sociale media en de brochure Als je iemand verliest door zelfdoding, die uitgedeeld wordt door de politie en Slachtofferhulp en die verwijst naar informatie over het onderzoek bij 113. „En in het jongerenonderzoek benaderden we de nabestaanden via forensisch artsen en huisartsen. Ik zou graag willen dat huisartsen in de toekomst ook onze brochure zouden uitdelen.”
Omdat vooral de interviews erg arbeidsintensief zijn, is de volgende stap: kijken hoeveel interviews je minimaal moet blijven doen en wanneer méér interviews niet genoeg extra informatie meer opleveren. „Tenzij we kunnen bewijzen”, zegt Balt, „dat de interviews ook heel goed zijn voor de nabestaanden. Dan moeten we erop inzetten het bij iedereen te doen.”
Daar is al wel anekdotisch bewijs voor. In de ongeveer 250 interviews waar Balt zelf bij is geweest (waarvan hij er zo’n 50 afnam als hoofdinterviewer) merkte hij dat zij het heel fijn vonden om hun verhaal te kunnen doen. Een luisterend oor te krijgen. En: een bijdrage te leveren aan onderzoek. „Het zou interessant zijn om nog verder te onderzoeken of geïnterviewd worden invloed heeft op hulpzoekend gedrag en rouw bij de nabestaanden.”