Wat vindt NRC | De junta in Myanmar is goed te doorzien, maar wie kijkt er nog?

Myanmar, welke Nederlander heeft er iets te zoeken? Een enkele kledingfabrikant die lage lonen zoekt misschien. Of een importeur die in tropisch hardhout handelt. Verder interesseert het weinigen. Het land is ver weg, deelt weinig cultuur met Europa en vraagt nauwelijks om aandacht.

Zelfs bij een ramp als die van vrijdag, een aardbeving vlak naast een stad van anderhalf miljoen inwoners, blijft de aandacht dan ook beperkt. Dat is een rechtstreeks gevolg van de geslotenheid van de militaire regering, een regime dat inderdaad veel te verbergen heeft. Al vóór de aardbeving waren 3,5 miljoen inwoners ontheemd, door de nietsontziende strijd die het leger tegen verzetsgroepen voert. Zelfs nu alle middelen naar het rampgebied zouden moeten gaan, zijn de strijdkrachten nog dagen doorgegaan met het bombarderen van de eigen bevolking.

Informatie over de omvang van de ramp komt slechts druppelsgewijs naar buiten. Deels omdat de verwoesting van de infrastructuur het moeilijk maakt om de schade op te nemen, maar ook omdat de generaals de buitenwereld van oudsher wantrouwen en daarom geen zwakte willen tonen.

Het door hen gepubliceerde dodental loopt onrealistisch langzaam op, van 150 op vrijdag tot 2.900 op woensdag. Dit terwijl de Amerikaanse geologische dienst USGS, wereldwijd gezaghebbend op het gebied van aardbevingen, op basis van modellen schat dat de kans op een dodental boven de 10.000 bijna 70 procent is. Volgens de Wereldgezondheidsorganisatie zijn meer dan 10.000 gebouwen ingestort of zwaar beschadigd.

De gebrekkige informatie heeft grote gevolgen. Sommige naburige Aziatische landen beslissen te laat om een reddingsteam te sturen, ná de cruciale eerste 72 uur. Financiële donaties blijven achter. En in veel internationale media heeft de ramp onterecht de status van just another aardbeving.

Geen ramp is echter hetzelfde en deze heeft als extra wrange kant dat de regering zich niet serieus wil inspannen om het lijden te verlichten. Direct na de aardbeving vroeg zij om internationale hulp, een verzoek dat kenners met scepsis ontvingen. Later werd duidelijk dat de autoriteiten hulpverleners juist belemmeren in hun toegang tot het rampgebied.

Deze dynamiek is niet nieuw. In 2008, toen cycloon Nargis tienduizenden slachtoffers maakte, waren internationale hulpverleners ook grotendeels onwelkom. Ondanks enkele jaren van gedeeltelijke democratie nadien is er in grote lijnen weinig verschil tussen het militaire regime van toen en het huidige: het bestaat vooral voor zichzelf en poeiert de buitenwereld af met vaagheid en censuur.

Hier valt makkelijk doorheen te kijken. Alleen: wie in Europa wil het nog zien? Sinds de Russische inval in Oekraïne is de blik van Europeanen vooral naar binnen gericht. En nu Donald Trump de westerse wereld zodanig op zijn kop zet dat je je kunt afvragen of het Westen nog wel bestaat, raakt die blik verder vernauwd, tot importheffingen en noodpakketten. Dat is niet vreemd, maar wel een verlies.

In de eerste plaats voor Myanmar, waar de beperkte belangstelling onbedoeld uitpakt als een beloning voor de junta. Maar ook voor Europeanen zelf. De bevolking van Myanmar heeft een buitengewone weerbaarheid en veerkracht, noodgedwongen getraind in het doorstaan van tegenslagen. Het loont om daar naar te kijken. Van een brede blik op de wereld is nog nooit iemand slechter geworden.


Lees ook

In Mandalay graven burgers met blote handen naar slachtoffers

Een monnik tussen beschadigde huizen in Mandalay, de tweede stad van Myanmar, die bij de aardbeving van vrijdag zwaar is getroffen.