Verbluffende (her)ontdekkingen in Columbia-retrospectief

Na de honderdste verjaardagen van de filmstudio’s Disney en Warner Bros is het nu de beurt aan Columbia Pictures. Eye Filmmuseum in Amsterdam viert het jubileum met een retrospectief van bijna twintig films. De studio met het bekende logo van de vrouw met een toorts in haar hand werd in 1924 opgericht door de broers Jack en Harry Cohn. Columbia begon bescheiden en deed het anders dan de andere Hollywoodstudio’s, de zogenaamde big five, waaronder MGM en Warner Bros. Zo bezat Columbia geen eigen studio of bioscopen, wat als voordeel had dat er kosten bespaard werden. Het merendeel wat Columbia in de begindagen maakte, kan gekwalificeerd worden als goedkoop geproduceerde B-films. Dat veranderde met de komst van regisseur Frank Capra naar Columbia, waar hij lang werkte en veel hits scoorde, zoals de befaamde screwball comedy It Happened One Night (1934, winnaar van vijf Oscars). Columbia deed ook niet aan langjarige contracten, maar huurde regisseurs of acteurs voor een aantal films in. Daar zitten grote namen tussen als Howard Hawks, maar ook minder bekende regisseurs als Budd Boetticher en Phil Karlson. Zij worden de laatste jaren herontdekt als heel getalenteerde makers. Van Karlson draait tijdens het retrospectief de western Gunman’s Walk (1958), een van Quentin Tarantino’s favoriete films

Ambitieus

De ambitieuze studiobaas Harry Cohn was een pestkop die het zijn personeel niet makkelijk maakte. Aan de ene kant viel hij vrouwen lastig, aan de andere kant gaf hij Virginia Van Upp een contract als uitvoerend producent – zij was de eerste vrouw in die positie. Ook huurde hij Dorothy Arzner in, die jarenlang te boek stond als een van de weinige vrouwelijke filmmakers in Hollywood. Iets wat correct is als je benadrukt dat dit over de periode van de geluidsfilm gaat, daarvoor waren veel vrouwen in diverse hoedanigheden actief in de Amerikaanse filmindustrie. Arzners Craig’s Wife (1936), over een eenzame en verbitterde vrouw met niet-romantische opvattingen over het huwelijk, schreeuwt om herontdekking.

Het Columbia-retrospectief mengt (relatief) bekende films (The Lady From Shanghai van Orson Welles, met Columbia-ster Rita Hayworth) met wat onbekender werk, zoals None Shall Escape van André de Toth die in 1944 al vooruitloopt op een Neurenberg-achtig tribunaal. Er zitten ook persoonlijke favorieten tussen als In a Lonely Place (Nicholas Ray, 1950) en Fritz Langs The Big Heat (1953). Bij zo’n retrospectief horen ook (her)ontdekkingen die verbluffen, zoals All the King’s Men (Robert Rossen, 1949; winnaar van drie Oscars). Hij gaat over de opkomst en ondergang van Willie Stark (Broderick Crawford), een provinciale politicus die zich ontpopt tot machtswellusteling die niets schuwt om aan de macht te blijven. Eerst is hij nog een „eerlijk mens”, al snel wordt hij een populist pur sang, met dictatoriale trekjes. Als je All the King’s Men nu kijkt, zie je onvermijdelijk parallellen met hedendaagse demagogen als Trump, Orbán en Erdogan. Willie Stark is terug van nooit weggeweest. Er zit zelfs een afzettingsprocedure in de film, waarbij Stark zijn volgelingen oproept naar het gouvernementshuis te komen om te protesteren. Heel lastig om dan niet aan de bestorming van het Capitool in januari 2021 te denken.