Het Vlaamse Patser kwam uit in 2018, het jaar dat in Nederland de serie Mocro Maffia zijn zegetocht begon. Onderwerp waren de overwegend Marokkaanse bendes die de coke-import via de havens van Rotterdam en Antwerpen hadden overgenomen; Taghi zat toen nog in Dubai.
Mocro Maffia was een misdaad-melodrama, Patser een uitzinnige actiekomedie. De flair van het regisseurduo Adil en Bilall bleef in Hollywood niet onopgemerkt: ze mochten twee zeer succesvolle actiekomedies regisseren met de overjarige ‘bad boys’ Will Smith en Martin Lawrence. Dat Warner Bros. in 2022 hun superheldenfilm Batgirl als afschrijfpost gebruikte, doet weinig aan dat succes af.
In Patsers maakt het duo opnieuw een actiekomedie met de trukendoos wijd open: flashback en -forward, slowmo en versnelling, animatie en droneshot. Een onbetrouwbare verteller legt uit, personages zijn stripfiguren, er is sadisme en lompe seksuele exploitatie. Alles oogt digitaal en vies, buldert en davert, zoomt en zwiept. Het is Guy Ritchie aan de crystal meth. Bij mindere talenten leidt dat tot hoofdpijn, maar Adil en Bilall zijn meesters van de chaos. Zie een volstrekt onoverzichtelijke schietpartij in een hotel voor criminelen, gerund door Evita (Yolanthe Cabau). Men schiet zich een weg omhoog en dan weer omlaag, lichamen stuiteren van trappen, de zwaartekracht is tijdelijk opgeheven. Het is zo opwindend dat je zelfs even denkt dat Yolanthe Cabau kan acteren.
In Patsers keren we terug bij de vier jeugdvrienden uit de Antwerpse wijk het Kiel. In deel één willen ze ‘patsers’ worden, echte gangsters: ze overleefden op het nippertje. In deel twee is de hoofdrol – en vertelstem – opnieuw voor de half Italiaans-half Marokkaanse bluffer Adamo (Matteo Simoni) die nu „100 procent legaal” is: „Ik ben een ondernemer, gij weet”. Dat blijkt al snel 85 procent of minder te zijn. Met zijn neus voor criminele hightech en slimme uithaalmethodes voor cokecontainers willen twee rivaliserende bendes Adamo inlijven: een Vlaamse van Tante Mounja en een Nederlandse van Dzjengis Khan, een toffe Jordanees die een terreurcampagne begint als Adamo zich niet direct laat ronselen.
Die bendes dienen tegen elkaar te worden uitgespeeld, maar eerst belandt Adamo’s familie in „fokking next-level kankershit”, alsmede zijn oude vriendengroep Junes (Junes Lazaar), nu straatdansend tieneridool, Badia (Norah Gharib), die een sportschool voor vrouwen beheert, en Volt (Saïd Boumazoughe), een straatcoach met een cokeverslaving. Running gag zijn een engel en een cokeduiveltje die Volt in Suske en Wiske-stijl van advies dienen. Soms loont het om gewoon een snuif te nemen, zo blijkt.
Het recept is bekend. Maar Patsers brengt het met aanstekelijk enthousiasme: dit is hyperkinetische cinema zonder controleverlies. Best knap.
Op een winderig hotelterras, tijdens het filmfestival van Cannes, citeert acteur Gary Oldman (1958) uit het werk van John Cheever (1912-1982), de melancholische, alcoholistische schrijver die hij speelt in Parthenope. „Ik zoek het nummer van Anonieme Alcoholisten op. Dan beginnen mijn handen te beven, open ik de bar en drink ik de resten whisky, gin en vermout op – alles wat mijn bevende handen maar kunnen vinden.”
De Britse acteur weet als ex-alcoholist hoe treffend het beeld is dat Cheever schetst; toen hij zelf nog excessief dronk was stoppen altijd iets wat hij de volgende dag zou doen. „Iemand gaf me ooit een boek waarop ‘Nuchter nú!’ stond”, zegt de opmerkelijk spraakzame Oldman, „Ik keek ernaar en dacht: ‘Dat lees ik láter.’”
De gelauwerde Brit speelde gedurende zijn carrière de meest uiteenlopende rollen; hij werd meerdere keren genomineerd voor een Oscar en won in 2018 voor zijn Winston Churchill-incarnatie in Darkest Hour. Daarnaast speelde hij rollen in populaire franchises zoals Harry Potter en Christopher Nolans Batman-trilogie.
In Parthenope, de nieuwe speelfilm van de Italiaanse regisseur Paolo Sorrentino (La grande bellezza), die zojuist in Cannes in première is gegaan, heeft Oldman slechts een bijrol. De Amerikaanse auteur Cheever is in de film een van de vele mannen in het leven van de bloedmooie en door iedereen aanbeden Parthenope. Een personage dat ook een reflectie is van de stad Napels en al zijn tegenstrijdigheden. Cheever, weleens de ‘Tsjechov van de Amerikaanse buitenwijk’ genoemd, is een van de passanten in Parthenopes zoektocht naar zichzelf. Hij is een van de weinigen die niet met haar naar bed wil, omdat hij niet op vrouwen valt.
Ondanks zijn kleine rol in de film, hangt het groepje journalisten dat Oldman te woord staat aan zijn lippen. Het personage blijkt een aanleiding om het te hebben over Oldmans voormalige verslaving, hij is nu 28 jaar nuchter. Dat blijkt al snel interessanter dan de film van Sorrentino.
Innerlijke criticus
Cheever was een „wat gekwelde ziel”, licht Oldman toe. Hij leidde een dubbelleven. „Hij had een familie, was getrouwd, maar leefde hoofdzakelijk als homoseksueel, in een tijd dat je nog niet uit de kast kon komen.” Oldman begreep instinctief waarom zijn personage een alcoholverslaving had. „Schuldgevoel, schaamte en geheimen knagen aan iemand.” En daar komt nog bij dat je als „maker” of kunstenaar gekweld wordt door „onrust, twijfel en zelfhaat – een criticus die altijd op je schouder zit. Ik denk dat hij daarom dronk. Althans, dat waren de redenen dat ik dronk.”
Oldman wijst erop dat de film geen poging is Cheever historisch correct neer te zetten. „Toen ik het script las, besefte ik meteen dat het geen biografie is, maar een romantische, melancholische constructie van een geïsoleerde, drinkende schrijver met writer’s block. De woorden die ik uitspreek in de film zijn van Paolo, niet van Cheever.”
Hoe overwon Oldman zijn eigen innerlijke criticus? „Hij is er nog steeds. Maar ik heb heel bewust besloten om zaken niet langer te overanalyseren en te accepteren dat dingen en mensen zijn zoals ze zijn. Ik reageer niet meer overal op. En als ik dan toch reageer, probeer ik niet meer overal een drama van te maken. Dat is een neiging die je hebt als je drinkt. En om niet meer ieder excuus aan te grijpen om te drinken: ‘O, het is een mooie dag, laten we een drankje doen. O, het regent, laten we een drankje doen. O, het is Kerstmis, laten we een drankje doen.’”
Cruciaal is dat Oldman niet alleen privé, maar ook op werkvlak leerde loslaten. „Dat als de opnames van een film zijn afgelopen, hij is gemonteerd en het geluid toegevoegd, ik er geen controle meer over heb. Ik liep soms zes maanden later nog op straat met de gedachte: ‘Dát is hoe ik die zin had moeten uitspreken!’ Dat at me dan op.” Ouder worden hielp hierbij. „Zoals in de film wordt gezegd: ik zie dingen nu een beetje helderder.”
Voordat Oldman nuchter werd, dronk hij zo’n twee flessen wodka per dag. Stoort het hem niet dat zulk excessief alcoholgebruik in films vaak wordt geromantiseerd? „Dat gebeurt inderdaad en ik heb dat ook gedaan. Al mijn helden als kind waren dronkaards, mensen als de Ierse dichter Brendan Behan en schrijvers als Hemingway.”
Zelf heeft hij de afgelopen tijd ook de ene na de andere geniale alcoholist gespeeld, voegt hij schuldbewust toe. Behalve als Cheever in Parthenope, was hij te zien in de veelgeprezen serie Slow Horses (Apple TV+) als de misantropische meesterspion Jackson Lamb, die rookt, drinkt en leeft op afhaalmaaltijden. En dan was er natuurlijk ook nog zijn Oscar-genomineerde hoofdrol in Mank (2020), over de drankverslaafde schrijver Herman Mankiewicz en de totstandkoming van Citizen Kane. Er was een tijd dat hij vooral snoodaards speelde, vertelt Oldman, maar nu zijn het voornamelijk dronkaards, „net zoals Picasso een blauwe periode had”.
Oldmans leven is nu beter dan ooit tevoren, zegt hij. Hij doet alles samen met zijn familie. Zijn echtgenote Gisele Schmidt, die foto’s maakte op de sets van Darkest Hour, Mank en Slow Horses, kwam mee naar Cannes, samen met Oldmans stiefzoon. Wroeging over dingen die hij heeft gedaan of gezegd in de tijd dat hij dronk, heeft hij niet. „Er zijn periodes geweest waarin ik creatiever had kunnen zijn, maar liever dronken werd. Maar het pad waar ik toen op zat, is deel van wie ik nu ben. Misschien moest ik dat bewandelen om te komen waar ik nu ben.”
Het spelen van al die dronkaards brengt bij de acteur ook geen vervelende herinneringen naar boven. „Ik was sowieso niet het type dat naar clubs ging, gekke dingen deed of begon te vechten. Er bestaan geen paparazzi-foto’s waarop ik uit een nachtclub strompel en in een taxi val. Ik was meer een Cheever-achtig figuur. Iemand die na een werkdag naar mijn hotelkamer ging, daar de whisky uit de mini-bar opdronk, vervolgens overschakelde op de gin, de wijn opentrok en eindigde met de champagne.” Met een kwinkslag: „Ik trok de grens altijd bij Tia Maria. Dan belde ik naar de receptie en vroeg ik om mijn mini-bar aan te vullen.
Het grote AA-boek
„Er zijn wel kleine dingen die soms terugkomen tijdens het spelen, waarbij ik even met mijn ogen rol. Ik woonde in die tijd in New York en ik hield ervan om in te checken in een hotel en voor drie dagen te verdwijnen, terwijl ik gewoon een appartement had. Ik begon dan telefoontjes te plegen naar de Westkust en had achteraf geen idee meer met wie ik had gesproken, tot ik de rekening kreeg. Dit is in de tijd voor mobieltjes: drie uur van New York naar LA bellen kostte een fortuin. Maar dat is nou niet het soort herinneringen dat ervoor zorgt dat ik een glas achterover wil slaan.”
Bijna alle antwoorden van de acteur over hoe je stopt met drinken, komen neer op acceptatie: „zoals ze dat noemen in het grote AA-boek.
„Als je het doet om je familie te redden of je baan, dan blijf je nooit nuchter. Al die mensen die ‘interventies’ doen en iemand richting een ontwenningskliniek duwen, moeten begrijpen dat de kans dat het dan lukt één op negenhonderdmiljoen is ofzo. Dat mag je aan iedereen vragen die in de verslavingszorg werkt. Het moet uit jezelf komen. Ik was gewoon moe van altijd ziek en moe te zijn. Een Oscar helpt er niet bij. Al is de erkenning uiteindelijk wel erg fijn.”
Parthenope. Regie: Paolo Sorrentino. Met: Celeste Dalla Porta, Gary Oldman. Lengte: 136 min.
Het Vlaamse Patser kwam uit in 2018, het jaar dat in Nederland de serie Mocro Maffia zijn zegetocht begon. Onderwerp waren de overwegend Marokkaanse bendes die de coke-import via de havens van Rotterdam en Antwerpen hadden overgenomen; Taghi zat toen nog in Dubai.
Mocro Maffia was een misdaad-melodrama, Patser een uitzinnige actiekomedie. De flair van het regisseurduo Adil en Bilall bleef in Hollywood niet onopgemerkt: ze mochten twee zeer succesvolle actiekomedies regisseren met de overjarige ‘bad boys’ Will Smith en Martin Lawrence. Dat Warner Bros. in 2022 hun superheldenfilm Batgirl als afschrijfpost gebruikte, doet weinig aan dat succes af.
In Patsers maakt het duo opnieuw een actiekomedie met de trukendoos wijd open: flashback en -forward, slowmo en versnelling, animatie en droneshot. Een onbetrouwbare verteller legt uit, personages zijn stripfiguren, er is sadisme en lompe seksuele exploitatie. Alles oogt digitaal en vies, buldert en davert, zoomt en zwiept. Het is Guy Ritchie aan de crystal meth. Bij mindere talenten leidt dat tot hoofdpijn, maar Adil en Bilall zijn meesters van de chaos. Zie een volstrekt onoverzichtelijke schietpartij in een hotel voor criminelen, gerund door Evita (Yolanthe Cabau). Men schiet zich een weg omhoog en dan weer omlaag, lichamen stuiteren van trappen, de zwaartekracht is tijdelijk opgeheven. Het is zo opwindend dat je zelfs even denkt dat Yolanthe Cabau kan acteren.
In Patsers keren we terug bij de vier jeugdvrienden uit de Antwerpse wijk het Kiel. In deel één willen ze ‘patsers’ worden, echte gangsters: ze overleefden op het nippertje. In deel twee is de hoofdrol – en vertelstem – opnieuw voor de half Italiaans-half Marokkaanse bluffer Adamo (Matteo Simoni) die nu „100 procent legaal” is: „Ik ben een ondernemer, gij weet”. Dat blijkt al snel 85 procent of minder te zijn. Met zijn neus voor criminele hightech en slimme uithaalmethodes voor cokecontainers willen twee rivaliserende bendes Adamo inlijven: een Vlaamse van Tante Mounja en een Nederlandse van Dzjengis Khan, een toffe Jordanees die een terreurcampagne begint als Adamo zich niet direct laat ronselen.
Die bendes dienen tegen elkaar te worden uitgespeeld, maar eerst belandt Adamo’s familie in „fokking next-level kankershit”, alsmede zijn oude vriendengroep Junes (Junes Lazaar), nu straatdansend tieneridool, Badia (Norah Gharib), die een sportschool voor vrouwen beheert, en Volt (Saïd Boumazoughe), een straatcoach met een cokeverslaving. Running gag zijn een engel en een cokeduiveltje die Volt in Suske en Wiske-stijl van advies dienen. Soms loont het om gewoon een snuif te nemen, zo blijkt.
Het recept is bekend. Maar Patsers brengt het met aanstekelijk enthousiasme: dit is hyperkinetische cinema zonder controleverlies. Best knap.
Payal Kapadia (39) belandde met haar poëtische afstudeerfilm All We Imagine as Light afgelopen jaar in de hoofdcompetitie van het filmfestival van Cannes. Als eerste Indiase filmmaker in dertig jaar. Haar relaas over de vriendschap tussen drie vrouwen die werken in een ziekenhuis in Mumbai sleepte de Grand Prix, of tweede prijs van het festival, binnen.
Enkele dagen voor ze wordt bekroond, is er een extra interviewdag ingelast: iedereen wil haar spreken. Op een terras van het Palais des Festivals legt een vermoeide, maar vrolijke Kapadia uit waarom Indiase films de afgelopen decennia ontbraken in de hoofdcompetitie. Worden ze artistiek onderschat? „Veel Indiase regisseurs sturen hun werk niet in voor Europese festivals, omdat het simpelweg niet nodig is. India is een enorm filmminnend land. Het heeft verschillende staten en iedere staat heeft een geheel eigen filmcultuur; er is Tamil-cinema, Marathi-cinema, Kannada-cinema. En binnen iedere staat bestaat er een eigen ecosysteem, met eigen festivals, andersoortige films en geweldige filmmakers.”
Bovendien zegt het begrip Cannes veel mensen weinig. „Slechts een klein percentage van de bevolking dat Engelse media leest, weet dat er jaarlijks een festival wordt georganiseerd in een land dat Frankrijk heet.” Waarom stuurde zij haar film wel in? „Ik studeerde aan een filmschool waar we veel Europese films bekeken [Film and Television Institute of India]. Veel van mijn referenties zijn dus westers, van stroming New Wave tot filmpionier Eisenstein. Ik dacht dat ik wel een film kon maken die in het Westen gezien kan worden.”
Geen ‘Sex and the City’
Het uitgangspunt van All We Imagine as Light klinkt misschien bekend in de oren voor een westers publiek, maar de film is allerminst een Sex and The City-achtig relaas over wereldwijze vrouwen die hun eigen pad bepalen. De echtgenoot van de serieuze verpleegster Prabha is naar Duitsland vertrokken en heeft al een jaar niets van zich laten horen, waardoor ze in een impasse zit. Haar schijnbaar zorgeloze huisgenoot Anu, eveneens verpleegster, heeft een relatie met een moslim terwijl haar ouders willen dat ze trouwt met een hindoe. De oudere Parvaty, een kok in het ziekenhuis, wordt uit de woning gezet waar ze al 22 jaar woont, omdat haar overleden echtgenoot haar nooit het eigendomsbewijs heeft gegeven.
Dat financiële onafhankelijkheid niet overal in de wereld automatisch vrijheid betekent, was iets wat Kapadia wilde aankaarten. „Het westerse feminisme spiegelt ons voor dat het een stap richting meer vrijheid is, als je als vrouw financieel onafhankelijk bent. Maar in India en veel Aziatische landen zijn er allerlei familiebanden die je tegenhouden en vastketenen aan bepaalde waarden, waardoor je niet echt de vrijheid hebt die je zou verwachten.”
Kapadia werkte zes jaar aan All We Imagine as Light. De film begon als een korte afstudeerfilm, over „vrouwen die werken in publieke ruimtes in Mumbai”. Ze raakte in het laatste jaar van haar opleiding gefascineerd door de microkosmos van het ziekenhuis nadat haar vader in een kliniek was beland en haar vijfennegentigjarige grootmoeder door een val dagelijks verpleging nodig had. Kapadia: „Als je in het laatste jaar van je opleiding zit en je een afstudeerproject moet maken, begin je plots alles interessant te vinden.”
Het verhaal ontwikkelde zich tot iets wat niet te vatten is in de twintig minuten van een afstudeerfilm. Vooral omdat zij zelf ouder werd en met andere ogen naar het materiaal keek. Kapadia: „Naarmate je ouder wordt, verhuis je naar andere plekken, laat je familie achter en worden vriendschappen steeds belangrijker. Ik had om uiteenlopende redenen het gevoel dat ik vrienden teleurstelde. Die gevoelens kropen in de film.” Het werd ook steeds meer een film over de band tussen de vrouwen en de steun die Prabha, Anu en Parvaty elkaar geven. Kapadia vertelt dat ze heeft gemerkt dat vrouwenvriendschappen in India vaak zeer precair zijn „door het patriarchaat”, volgens haar worden vrouwen vaak tegen elkaar opgezet. „Maar in cinema kun je alles doen, dus dit is mijn utopie, waarin we aardiger zijn tegen elkaar.”
Moesson
All We Imagine as Light draait misschien nog wel meer om de sfeer dan om het verhaal. Prachtige stadsbeelden tonen de chaos, de hitte, de diversiteit van de inwoners van Mumbai. Tegelijkertijd voelt de film intiem voor een relaas dat speelt in een miljoenenstad. Volgens Kapadia komt dat mede door haar bewuste gebruik van de moesson. De regen vormt soms een soort cocon, als het water rondom het appartement van Prabha en Anu naar beneden klettert. „In Mumbai, waar ik ben geboren, heb je eigenlijk twee seizoenen: moesson of geen moesson. Het eerste is een zeer specifieke periode waar het heel benauwd is met bijvoorbeeld ’s avonds prachtig blauw licht. Zelf heb ik er gemengde gevoelens bij. In oudere Indiase films zie je weleens mensen dartelen in de regen terwijl er liefdesliedjes weerklinken. De regen wordt daar liefelijk voorgesteld als een soort bries. Maar in realiteit is Mumbai zodra het begint te regenen een shit show; het wordt onmogelijk om door de stad te navigeren omdat alles overstroomt.” Kapadia wilde de contradicties van de moessonperiode in de film.
Ook details in Kapadia’s weergave van het ziekenhuisleven zorgen voor sfeer in de film. Zo zie je een vermoeid uitziende moeder van drie besmuikt aan Anu vragen hoe het zit met de ‘prijs’ die ze krijgt als ze haar man overtuigt een vasectomie te nemen. Het antwoord: duizend roepies en een emmer. Is dat echt zo? Kapadia: „In India hebben mensen geen morele problemen met contraceptie, maar er is een gebrek aan informatie. Veel vrouwen weten niet wat hun opties zijn als het gaat om geboortebeperking. Eerder probeerde de regering vasectomieën te stimuleren met beloningen.” Maar waarom een emmer? Kapadia lacht: „Tegenwoordig zijn het eerder financiële beloningen. Ik hoorde over die emmer tijdens mijn research in een gesprek met een oudere verpleegster en vond het zo schattig dat ik hem erin heb gehouden. Soms was het ook een maand aan boodschappen plus geld.”