In 1959 begon de voorloper als Pasar Tong Tong in de Haagse dierentuin. In de jaren 70 verhuisde het als Pasar Malam Besar naar de Houtrusthallen. Daarna naar het Malieveld en vanaf 2009 veranderde de naam in Tong Tong Fair. Omdat inmiddels de kennis van het Maleis niet meer algemeen is verspreid: een pasar malam is een avondmarkt, besar betekent groot en een tong tong is hangend blok hout of gong waarop de uren of seinen geslagen worden.
Uit de vele reacties die online volgden op het faillissement blijkt hoe belangrijk dit event wordt gevonden. Ondanks jarenlang teruglopende bezoekersaantallen – van circa honderduizend tot vijftigduizend in laatste zestien jaar – haalde dit nieuws zelfs de landelijke media.
Het ontstaan van het festival hangt samen met de grootste immigratiegolf ooit in Nederland, die tussen 1945-1962 plaatsvond. Zo’n 350.000 mensen vluchtten, vaak uit lijfsbehoud, uit de voormalige kolonie Nederlands-Indië , waar de meesten van hen werden geboren.
Beladenheid
Mijn Chinees-Indonesische moeder kwam bijvoorbeeld vanuit Jakarta, en vestigde zich in 1950 definitief in Nederland. Als vrouw van een Nederlandse soldaat was ze niet meer welkom in haar eigen land. Afgesneden van land, familie en de eigen (eet-)cultuur was de jaarlijkse Pasar Tong Tong haar enige lichtpuntje. Voor even weer in haar moederland dat niet meer bestond. Een verlangen naar tempo doeloe (de verleden tijd), zonder de beladenheid die deze term nu heeft.
Mijn schoonmoeder moest zeven jaar later zelfs voor haar leven vluchten naar Nederland. Ook voor haar was het festival – naast thuis – de enige plek waar zij haar Indische identiteit kon omarmen.
Het festival functioneerde als denkbeeldige ‘lieu de mémoire’, naar de baanbrekende reeks Les lieux de mémoire van de Franse historicus Pierre Nora: „een herinneringsplaats, waar de mens in verbinding staat met het verleden”.
Waarom bleven VWS en Den Haag geld pompen in dat verliesgevend event?
Voor mensen die later vrijwillig uit het onafhankelijk geworden Indonesië naar Nederland verhuisden, lag de beleving anders. Voor hen waren de banden met hun geboorteland intact. Mensen uit deze groep latere immigranten én sommige (klein-)kinderen van de eerste generatie, zagen het ‘tempo doeloe’-karakter van de Pasar Malam als een verheerlijking van de koloniale tijd. Deze groep identificeert zich meer met de Indonesische diaspora dan met de Indische.
Het festival worstelde hiermee. Bovendien ontstonden in veel steden soortgelijke festivals. Als reactie hierop positioneerde de Haagse Pasar Malam zich vanaf 2009 als Indonesisch en Aziatisch. De ANBI-stichting Tong Tong werd opgericht om donateurs en subsidies te werven, die vervolgens werden doorgegeven aan de organiserende bv: Pasar Malam Besar. De stichting richtte zich alleen op de culturele programmering van het festival dat nu Tong Tong Fair ging heten.
Ondanks deze veranderingen daalden de bezoekcijfers in korte tijd van 100.000 naar 78.000 bezoekers. En de schulden liepen op van driehonderdduizend tot zeshonderdduizend euro. De organisatie maakte zich echter geen zorgen; nieuwe mede-directeur Siem Boon, kleindochter van mede-oprichter Jan Boon, als schrijver bekend onder het pseudoniem Tjalie Robinson, zei bij haar aantreden dat zij „een ziekelijk soort optimisme” deelde met haar grootvader. Ze noemde het „een gevoel van ‘misschien is het niet mogelijk, maar je weet nooit’”.
Subsidies
Siem Boon bleek succesvol in het verkrijgen van subsidies. Zo ontving de Pasar Malam bv alleen al in 2019 een bedrag van vierhonderdduizend euro van de gemeente Den Haag. En in 2020 óók nog een subsidie van VWS van enkele tonnen.
Vier weken geleden ging plotseling het licht uit: de editie-2024 van het festival werd afgelast, nadat alle standhouders hun standhuur (soms tot dertigduizend euro) al hadden betaald en de kaartverkoop was gestart. Standhouders, inclusief kleine ondernemers, zijn nu boos omdat ze kosten hebben gemaakt en voorraden hebben ingekocht.
Maxime Sen van Indo’s Be Like, een platform met negentigduizend volgers, stelt vragen over de onduidelijke relatie tussen een non-profit stichting en een commerciële bv die subsidies aanvraagt, en over de niet-transparante geldstromen tussen het ministerie van VWS en die bv.
Omroep West komt tot de conclusie dat het dit jaar fout ging omdat enkele niet genoemde partijen vooraf betaald wilden worden. Het is niet duidelijk waar de ontvangen gelden van standhouders en kaartverkopen zijn terechtgekomen.
Uit de jaarverslagen blijkt dat het eigen vermogen van de bv tussen 2019 en 2021 terugliep van -665.000 euro (negatief dus) naar -1.099.000 euro, ook omdat er door corona twee keer geen festival kon plaatsvinden. In 2022 werd er wel een Tong Tong Fair gehouden en liep het tekort weer terug naar 792.000 euro. Maar een negatief eigen vermogen betekent technisch faillissement en nieuwe verplichtingen aangaan in deze situatie kan strafbaar zijn.
Jaarrekeningen van de stichting ontbreken, alleen die van 2022 staat op haar website. Daaruit blijkt onder meer dat de stichting 545.000 euro tegoed heeft van de bv.
Doorstart
De vraag is of die schuld van de bv aan de stichting betaald is voordat de bv failliet ging. Zo niet, dan is de stichting ook technisch failliet. Zo ja, dan heeft de stichting veel geld in kas. En waarom bleven het ministerie van VWS en de gemeente Den Haag ondanks de verlieslatende bedrijfsvoering elk jaar geld pompen in de organisatie? Meer dan een miljoen euro zonder dat hierdoor de schulden noemenswaardig afnamen.
De bv is failliet, het lek is nog niet boven. Toch willen de stichting en Haagse gemeenteraad een doorstart van het festival. Maar dat kan niet als onduidelijk blijft waar de ontvangen gelden van de standhouders en de subsidies van de afgelopen jaren zijn gebleven. Standhouders die het schip in zijn gegaan verdienen compensatie. Zonder hen geen nieuw festival.
Bovendien; een doorstart zonder professionalisering van de organisatie is nutteloos omdat dit weer zal leiden tot een vicieuze cirkel van stijgende kosten en afnemende bezoekersaantallen. Er is behoefte aan realistische plannen, niet aan Boons „ziekelijk optimisme”.
Er zijn in Nederland naar schatting twee miljoen mensen met Indische wortels. De Tong Tong Fair is een essentieel deel van het cultureel geheugen van Nederland. Ik hoop op een doorstart; anders dreigt dit belangrijke stuk Nederlands erfgoed te verdwijnen.
Het was een aardig bord dat Donald Trump woensdag deze week omhooghield toen hij een drastische verhoging van Amerikaanse invoerheffingen bekend maakte. Maar de cijfers die erop stonden sloegen nergens op. Economen hoefden zich maar kort het hoofd te breken over de vraag waar de importheffingen die de Amerikaanse president bekendmaakte vandaan kwamen. Het bleek al snel een ruwe, amateuristische calculatie te zijn die, op basis van het handelsoverschot van elk land met de VS, moest aantonen welke heffingen en beperkingen er kennelijk werden losgelaten op in te voeren Amerikaanse goederen. En dáár stonden nu, op het bord, ‘wederkerige’ cijfers, door te voeren door de VS, tegenover.
Het resultaat: torenhoge heffingen voor goederen uit China van 34 procent, bovenop wat al van kracht was, Vietnam (46 procent), Thailand (36 procent), de EU (20 procent) of Japan (24 procent). Rusland werd niet genoemd. Wél een goeddeels onbewoonde eilandengroep bij Australië waar zich vooral pinguïns ophouden.
De gang van zaken zou lachwekkend zijn, als er niet zulke forse consequenties waren: duurdere goederen zorgen voor hoge inflatie, met name in de VS. Als andere landen met eigen heffingen terugslaan, verhogen ze ook de invoerprijzen in eigen gebied. De economie zal onder de maatregelen leiden, de rente wordt hoger dan voorzien en een wereldwijde recessie is niet langer ondenkbaar.
Amerikaanse aandelen verloren donderdag in totaal 5,1 procent aan waarde. Dat staat gelijk aan 2.800 miljard dollar, of ruim 2.500 miljard euro – zo’n anderhalf maal het Nederlandse pensioenvermogen. Ook in de rest van de wereld waren de verliezen omvangrijk. Op vrijdag bleven de beurzen in mineur. Niet alleen techbedrijven zakken weg. Ook, en gevaarlijker, de banken en verzekeraars.
Niets blijkt daadwerkelijk te zijn onderzocht door de regering-Trump. De meest gangbare diagnose voor het Amerikaanse handelstekort – het land geeft meer uit dan het spaart – is terzijde geschoven ten faveure van een bedacht slachtofferschap van vals spel door het buitenland. Ruimte voor snelle onderhandelingen is er nauwelijks: op deze schaal hebben de Amerikaanse autoriteiten daar simpelweg de capaciteit niet voor. Tenzij de maatregelen, wederom zonder oog voor detail, weer even makkelijk worden ingetrokken als ze zijn doorgevoerd.
Wat rest is de indruk van een bijna kwaadaardige lichtzinnigheid waarmee de VS onder Trump in luttele maanden de internationale economische orde afbreken die zij zelf na de Tweede Wereldoorlog hebben geschapen. De roekeloosheid betreft ook de internationale politieke en militai+ verhoudingen. En binnenlands is de sloop van de rechtsorde in Amerika ook in volle gang.
Wat moet, en kan, het antwoord van de rest van de wereld daarop zijn? Een afweging maken tussen incasseren, terugslaan en het zoeken naar alternatieven. Negeren zou economisch gezien de verstandigste oplossing zijn. Volgens veel economen zullen landen die erin slagen hun handel buiten de VS om in stand houden, het best af zijn.
Dat alles blijkt voor veel getroffen landen te veel gevraagd. Vrijdag kondigde China aan de Amerikaanse strafheffing van 34 procent te beantwoorden met exact datzelfde tarief voor Amerikaans producten. Canada deed donderdag hetzelfde: Amerikaanse importen worden met 25 procent extra belast. Europa en veel andere landen beraden zich nog op tegenmaatregelen. Economisch misschien niet de verstandigste route, vanuit een onderhandelingsperspectief wel te begrijpen.
Helemaal negeren is daarbij ook onmogelijk: sinds de Tweede Wereldoorlog zijn de VS, en dan met name hun munt, de dollar, het epicentrum van de wereld geworden. Maar het had ook risico’s: de Amerikaanse mondiale dominantie – die via de dollar ook diplomatiek en militair werd – werd te gemakzuchtig als vanzelfsprekend en zelfs gewenst beschouwd. Dat lijkt een misvatting. De wereld heeft te lang geleund op het idee dat de VS zich te allen tijde een betrouwbare partner zouden tonen. Waarschuwingen dat het mondiale betalingsverkeer te zeer afhankelijk was van de VS zijn genegeerd, zoals ook nu de mondiale afhankelijkheid van Amerikaanse tech-bedrijven (van Meta tot Microsoft) tegenacties nauwelijks mogelijk maakt.
Het is een harde les die Trump met zijn egopolitiek nu afdwingt, maar wellicht een die op langere termijn een evenwichtiger wereld oplevert. Te veel macht in handen van één partij is altijd verkeerd. De politieke situatie binnen de VS laat dat dagelijks zien, maar het geldt evengoed voor de rol die de VS in de wereld hebben gespeeld. Een vriend kan altijd een vijand worden. De prijs die nu voor deze naïviteit betaald wordt is hoog.
‘De haat is terug.” Julia Ebner constateert het schijnbaar onaangedaan. De aanwezigheid van de grote Tech-bazen bij de inauguratie van Donald Trump, zegt de expert op het gebied van online radicalisering en desinformatie, had meteen effect. „We zagen hoe veel van de extremisten die eerder van de platforms waren gegooid terugkeerden, zelfs de grootste haatzaaiers. Ze waren na hun verbanning uitgeweken naar kleinere, alternatieve platforms. Die bestaan nog steeds, maar op de grote platforms zien we nu een massale toename van haat tegen minderheden, de lhbt-gemeenschap en Joodse organisaties.”
Een ander effect is volgens haar dat steeds meer mensen aarzelen om zich uit te spreken, omdat ze bang zijn doelwit te worden van georkestreerde online haatcampagnes. „Dat de Tech-bazen dit laten gebeuren uit naam van de vrijheid van meningsuiting, is volkomen inconsequent. We zijn juist voortdurend getuige van pogingen mensen het zwijgen op te leggen. Het is voor onderzoekers een stuk moeilijker geworden om uitingen op sociale media in kaart te brengen, omdat meteen gedreigd wordt met kostbare rechtszaken.”
De van oorsprong Oostenrijkse Julia Ebner (Wenen, 1991) is als onderzoeker werkzaam bij het Institute for Strategic Dialogue in Londen, waar ik haar spreek op een zonnige lentedag. Aan de Universiteit van Oxford analyseert ze de psychologie van radicalisering, „in het bijzonder de gevallen waarbij dat tot geweld leidt”.
Bij een breder publiek is ze bekend als schrijver van twee bestsellers, Going Dark (2019) en Going Mainstream (2023), waarin ze beschrijft hoe ze undercover infiltreerde in verschillende extremistische groeperingen. Lijkt de brede discussie over online-radicalisering pas goed losgekomen door het recente succes van het Netflix-drama Adolescence, over een tiener die door online indoctrinatie tot geweld overgaat, Ebner ontwikkelde al veel eerder een scherp oog voor de valstrikken van de digitale onderwereld. Voor haar onderzoek deed Ebner zich voor als geestverwant van neonazi’s, jihad-bruiden, incels, QAnon-aanhangers, anti-feministen, tradwives, antivaxxers, klimaatontkenners, transfoben, Russische propagandisten. Daardoor drong ze al vroeg door in afgesloten netwerken die voor een algemeen publiek lang schimmig en vaak ook onbegrijpelijk, bleven.
Wat bewoog u, om zich als twintiger tussen de extremisten te begeven?
„Dat ging geleidelijk. Ik volgde online al hun activiteiten. Gaandeweg kreeg ik het gevoel dat ik aan de oppervlakte bleef, niet echt begreep hoe die massale aanvallen op mensen die ze als de vijand zagen, overwegend journalisten en politici, in zijn werk gingen. In 2016 werd ik zelf doelwit, nadat de radicaal-rechtse activist Tommy Robinson met een draaiende camera op mijn werk verscheen om wraak te nemen voor een stuk van mij over hem. Dit leidde tot een haatcampagne van zijn volgers, met onder meer doodsbedreigingen en bedreiging met seksueel geweld. Mijn werkgever weigerde mijn kant te kiezen, uiteindelijk kostte het me mijn baan. Ik wilde te weten komen hoe zulke acties georganiseerd werden, wat de strategieën erachter waren. Maar ik wilde vooral ook weten wat de mensen bewoog die erbij betrokken raakten.”
Afgezien van hun hatelijke overtuigingen waren het mensen met wie ik in andere omstandigheden bevriend zou kunnen raken
Wat viel u het meest op?
„Dat ze volkomen normaal leken. Of ik nu een bijeenkomst van zogenaamde Identitairen hier in Londen bijwoonde, of een neonazi-festival in Duitsland, de meeste mensen die ik tegenkwam leken totaal niet op wat je je gewoonlijk bij een rechtsextremist voorstelt. Afgezien van hun diepgevoelde hatelijke overtuigingen, waren het mensen met wie ik in andere omstandigheden bevriend zou kunnen raken. Wat me schokte was hoeveel geradicaliseerde jongeren ik tegenkwam, veel van hen nog geen achttien. Dat zijn er de afgelopen jaren alleen maar meer geworden, geven de cijfers aan.”
Bent u erachter gekomen wat hen bewoog?
„De meesten zochten een thuis, wilden ergens bijhoren. Ze bevonden zich in een identiteitscrisis, waren op zoek naar gelijkgestemden. Vooral jongeren zijn gevoelig voor radicalisering, weten we, maar ik trof genoeg mensen die zich in een midlife-crisis bevonden. Ik kwam mensen tegen uit verschillende sociale lagen van de maatschappij. Wat ze gemeen hadden, was dat ze de wereld zoals die zich aan hen voordeed radicaal in twijfel trokken en ook de rol die ze daarin te spelen hadden. Sommigen van hen hadden ook geestelijke gezondheidsproblemen, en dan vooral degenen die uiteindelijk verder radicaliseerden naar geweldpleging.”
Aanvankelijk was er weinig aandacht voor de dreiging van extreemrechste radicalisering.
„Tijdens mijn digitale omzwervingen, zo’n tien jaar geleden, vielen me de razendsnelle veranderingen op. Enkele extremistische groeperingen bleken enorm bedreven in het mobiliseren van hun aanhang. Zij waren er als eersten bij de nieuwe technologieën naar hun hand te zetten. Ze ontwikkelden opvallend geraffineerde sociale mediacampagnes, waarmee ze veel mensen, en dan vooral jongeren, manipuleerden en lieten radicaliseren. Dat werd niet opgepikt door de traditionele media, het was echt een blinde vlek.
„Toen ik begon met mijn onderzoek beleefde [terreurbeweging] IS zijn hoogtepunt, daar ging de meeste aandacht naartoe. Dat bleef zo, ook toen IS zijn gebied kwijt was, het aantal aanslagen terugliep en de radicaliseringscijfers afnamen. Maar ik merkte dat er een enorme reactie van extreemrechts volgde, die inspeelde op de angsten voor islamitisch extremisme. Dat bracht mij ertoe mijn aandacht te verleggen.
„Extreemrechtse groeperingen werden door beleidsmakers die ik sprak niet erg serieus genomen, domweg omdat ze zichzélf niet heel serieus leken te nemen, met hun gebruik van memes, populaire cultuur en ironische humor. Dat was tactiek natuurlijk, een manier om jongeren te bereiken. Maar men wist aanvankelijk gewoon niet hoe dit fenomeen ingeschat moest worden. Die houding veranderde na de aanslagen op twee moskeeën in Christchurch, Nieuw-Zeeland, voorjaar 2019, die door de dader live gestreamd werden, in diezelfde geest van games en grapjes. Daarna werd ik ineens uitgenodigd door overheden. Ze beseften dat de scheidslijn tussen trollen en terrorisme vaag was geworden. Veel aanslagen sindsdien volgden hetzelfde game-achtige patroon.”
In Going Mainstream laat u zien hoe veel van de radicale bewegingen en groeperingen vanuit de marge naar het centrum van samenleving en politiek zijn opgeschoven. Hoe heeft dat kunnen gebeuren?
„Natuurlijk spelen versnelde globalisering en digitalisering een belangrijke rol in dat proces. Mensen krijgen het gevoel dat ze het slachtoffer zijn van die ontwikkelingen, achterop zijn geraakt, niet gehoord worden. Dat raakt aan hun gevoel van eigenwaarde, van identiteit. Ze gaan op zoek naar een nieuwe plek voor zichzelf in die snel veranderde wereld. Daarbij kwam de ene crisis na de andere. Eerst had je de vluchtelingencrisis, die veel losmaakte in verschillende landen, in het bijzonder Duitsland. Daarop volgde de pandemie. Daarna de hoge inflatie die het leven duurder maakte. Tegelijk kwam de bestaande wereldorde gevaarlijk onder druk te staan door de Russische invasie van Oekraïne en het Gaza-conflict. Dat alles veroorzaakt een algemeen gevoel van onveiligheid, onzekerheid en ook frustratie. Extremistische groeperingen en landen als Rusland exploiteren die emoties gretig.’’
Tijdens de pandemie kreeg online-extremisme een enorme boost.
„Door nieuwe technologie kunnen crisisgevoelens enorm snel worden verspreid en versterkt. Studies laten ook zien dat als mensen een gevoel van crisis ervaren, ze minder goed in staat zijn om te gaan met complexe situaties, wat extremistische organisaties helpt hun om zwart-witbeeld van de wereld te verspreiden, het wij tegen zij.
„Van oudsher is er een toename van samenzweringstheorieën en haat tegen minderheden in tijden van maatschappelijke onrust. Maar wat we nu zien is van een heel andere orde, omdat op de sociale-mediaplatforms de meest radicale uitingen en de ongeloofwaardigste, apocalyptische en ronduit krankjorume content de meeste aandacht genereren. Die worden dus algoritmisch gestimuleerd.”
Veel mensen vervangen vrijwel hun gehele sociale omgeving door online-gemeenschappen, dat is echt zorgelijk
Een effect van radicalisering, schrijft u, is de zogenaamde identity fusion, waarbij mensen volledig één worden met de groep waaraan ze zich gecommitteerd hebben. Is dat ook een wijdverspreid verschijnsel aan het worden?
„Dat is waar ik me in Oxford mee bezighoud. Als mensen radicaliseren, zie je dat hun persoonlijke identiteit voor een groot deel gelijk wordt aan hun groepsidentiteit. Men voelt zich verbonden met de eigen groep als in een familie, maar die sterke emotionele band met de eigen groep gaat gepaard met haat jegens andere groepen. Of men ziet die als een existentiële bedreiging. Traditioneel zie je dat het duidelijkst tijdens oorlogen. Maar doordat mensen nu zoveel tijd online doorbrengen ontstaat de neiging geestverwanten steeds meer als een soort vervangende familie te zien. Je persoonlijke situatie of gevoel van frustratie wordt gekanaliseerd naar een krachtige band met lotgenoten. Veel mensen vervangen vrijwel hun gehele sociale omgeving door online-gemeenschappen, dat is echt heel zorgelijk.”
Veel van de woede en frustratie in die gemeenschappen richt zich tegen minderheden, maar vooral ook tegen elites die hun progressieve ideeën aan burgers zouden willen opleggen.
„Donald Trump is er bij de laatste Amerikaanse presidentsverkiezingen in geslaagd verschillende groepen aan zich te binden die eerder buiten zijn bereik lagen. Door in zee te gaan met Elon Musk en ook met iemand als JD Vance bedient hij allerlei soorten mensen die ontevreden zijn met de status quo en radicale verandering eisen. Zijn kiezers wisten ook heel goed dat zijn radicale beloften geen loze praat waren; het is ook wat men van hem verlangt. Nu zie je hoe hij allerlei instituten van de rechtsstaat ondermijnt of sloopt. De manier waarop veel mensen in hem geloven heeft zeker ook sekteachtige aspecten, ze zien hem als de oplossing voor alle problemen. Je zag die religieuze bevlogenheid al bij de door Trump aangewakkerde bestorming van het Capitool.’’
Veel van de extremistische groepen waarin u bent doorgedrongen delen eenzelfde quasi-religieus narratief: we leven in een wereld die bestaat uit leugens, de waarheid wordt ons door de machthebbers onthouden, wij moeten zelf het heft in handen nemen. Het grote ontwaken zal ons bevrijden.
„Ja, dat begrip kom je vaak tegen. Er worden diepe verlangens aangesproken en de behoefte aan religiositeit en gemeenschap wordt door radicalen uitgebuit. Tegelijk zijn hun redeneringen vaak volkomen tegenstrijdig. Ze zeggen op te komen voor vrijheid en democratie terwijl ze de democratische instituties keihard aanvallen. Hetzelfde geldt voor hun gedweep met vrijheid van meningsuiting, terwijl ze voortdurend bezig zijn anderen te intimideren en het zwijgen op te leggen. Alles wordt verdraaid.
„Charismatische leiders als Trump en extremistische voormannen die ik heb ontmoet zijn uiterst bedreven in het herscheppen van de werkelijkheid, zodat die zich voegt naar jouw wereldbeeld. Als je eenmaal in dat systeem zit, lijkt zelfs de meest krankzinnige samenzweringstheorie logisch. Toen ik me voor het eerst in die kringen begaf, zeiden mensen tegen me, dit soort extremisme gaat nooit veel mensen overtuigen, het is domweg te absurd. Maar inmiddels zijn er miljoenen mensen die de idiote complottheorieën van QAnon en verwante stromingen hebben omarmd, onder wie de huidige Amerikaanse minister van Volksgezondheid Robert F. Kennedy Jr. en anderen in Trumps regering.”
Veel progressieve stemmen bedienen zich van een werkwijze die achterhaald is. Men heeft zich onvoldoende nieuwe technologieën eigen gemaakt
Was het zelfgenoegzaam om te denken dat dit soort extremisme vanzelf zou verdwijnen? Domweg omdat men de aantrekkingskracht ervan niet begreep?
„Ik denk dat we onderschat hebben in hoeverre veel van onze zogenaamde zekerheden op zand gebouwd zijn. Dat geldt zowel voor de vooruitgang die we hebben geboekt op het gebied van de mensenrechten, vrouwenrechten en rechten voor minderheden, als voor de pijlers waarop onze democratie rust. We hebben echt te lang gedacht dat het allemaal vanzelf sprak. Veel progressieve stemmen bedienen zich van een werkwijze die achterhaald is, men heeft zich onvoldoende nieuwe technologieën eigen gemaakt. Ook is men veel minder bedreven in het contact maken met en het aanspreken van een breed publiek dan radicaalrechts. Ironisch genoeg heeft radicaal rechts zich de tactieken van de burgerrechtenbeweging van de jaren zestig en zeventig eigengemaakt. In de radicale kringen die ik bezocht werden die beproefde tactieken om mensen te bereiken en te overtuigen uitgebreid besproken. Alleen dit keer om te vernietigen waar die bewegingen voor gestreden hadden. Wat natuurlijk ook meespeelt, is dat brave verdedigers van de status quo nu eenmaal weinig hartstocht losmaken.”
In Going Mainstream doet u een aantal aanbevelingen om online radicalisering tegen te gaan. Een ervan is regulering door de grote Tech-bedrijven zelf. Die hoop lijkt vervlogen.
„Ik had niet voorzien hoe snel de grote Tech-bedrijven zouden meebuigen. Waar Elon Musk ideologisch staat wisten we, maar bij de anderen is sprake van een ommezwaai. Maar laten we eerlijk zijn, het is nooit in hun belang geweest radicale content te verwijderen, want juist dat houdt onze aandacht vast. Kijk hoe YouTube mensen met steeds extremistischer clips verleidt om in het konijnenhol te verdwijnen. Nu in de zogenaamde cultuuroorlogen de radicaal-rechtse kant aan de winnende hand is, kiest men gewoon eieren voor zijn geld. Men schaart zich aan de kant van Trump en de zijnen, die een extreem sociaal conservatisme combineren met een extreem soort economisch libertarisme. Dat is een nieuwe radicale ideologie. Maar anders dan bij zijn eerste verkiezing, heeft Trump nu wel degelijk een uitgewerkt plan, en hij is vastbesloten het uit te voeren. Zijn ontmanteling van instellingen past helemaal in het draaiboek van Poetin, Orbán en anderen. Dat is uitermate zorgwekkend.”
‘Doe jij mee met het internet”, vraagt de man die naast me op een bankje zit. Hij was net nog bezig met het in elkaar trappen van fietswielen en andere metalen objecten, zodat ze beter op zijn kar passen. Straks gaat hij ze wegbrengen naar een recyclepunt, maar nu wil hij even kletsen.
Hijzelf doet niet mee met het internet, zegt de man: nergens voor nodig. „Als ik mijn meterstanden wil doorgeven, fiets ik gewoon naar Waternet. Ze willen dat we allemaal zo’n telefoon met internet nemen, maar dat is hartstikke duur. Van dat geld kun je ook broodjes eten op het strand met je vrienden. Of aardappelen poffen in het vuur. Twintig minuten, in aluminiumfolie. In het vuur. Na twintig minuten zijn ze gaar.” Ik ben ineens in een kookprogramma beland.
Het leven van deze man lijkt me onpraktisch en ongezellig (stel je voor dat je niet kunt appen!), en tegelijkertijd ben ik jaloers. Ik heb een haat-liefdeverhouding met het internet. Liefde: al dat appen dus, en hoe makkelijk je er interessante ideeën vindt. Haat: hoe de telefoon je verleidt tot frictieloos vermaak, ook als je liever iets anders zou doen, zoals die interessante ideeën daadwerkelijk van A tot Z doorlezen.
Alice Evans, een van de mensen die ik dankzij het internet volg, zei vorige week iets interessants op het online magazine Vox. Zij onderzoekt aan King’s College de dalende geboortecijfers die je over de hele wereld ziet. In januari al schreef Financial Times-redacteur John Burn-Murdoch dat die daling niet komt doordat stellen minder kinderen krijgen, maar simpelweg doordat er minder stellen zijn. Wereldwijd stijgt het aantal alleenstaanden: de „relatierecessie” is „het centrale demografische verhaal van de moderne tijd”, aldus Burn-Murdoch. Hij koppelde dat aan de opkomst van de smartphone en sociale media: volgens onderzoek hangt die samen met de verspreiding van liberale waarden en vrouwenemancipatie.
Hijzelf doet niet mee met het internet, zegt de man: nergens voor nodig
Evans voegt daar in Vox iets aan toe. Het is ook de technologie zélf die mensen ervan weerhoudt om een partner te zoeken, zegt ze. Er is zo veel online vermaak, van TikTok en Netflix tot games en porno, dat er minder reden is om überhaupt de deur uit te gaan. „Al deze technologische ontwikkelingen geven onmiddellijke toegang tot de meest charismatische, charmante content die er bestaat.” Het gevolg: jonge mensen besteden meer tijd alleen. Evans verwijst naar een rapport van Equimundo, een organisatie die onderzoek doet naar jonge mannen, waaruit blijkt dat 65 procent van de Amerikaanse mannen van 18 tot 23 zegt dat „niemand me echt goed kent”. In datzelfde onderzoek lees ik dat 48 procent van de mannen van 18 tot 45 hun online leven onderhoudender vindt dan hun offline leven.
Het internet heeft zoveel te bieden, dat de echte wereld minder trekt. De smartphone is in die zin vergelijkbaar met een sigaret. Ze bevredigen een verlangen, en staan een ander, minder urgent beleefd verlangen in de weg: naar echt contact of naar gezond zijn.
Deze week zag ik in de bioscoop On Falling, over Aurora, een orderpicker in een Schots magazijn. De film gaat over de slechte arbeidsomstandigheden van het distributieproletariaat: tegen een schamel salaris besteedt Aurora tien uur per dag aan het scannen en inladen van dildo’s, poppen en, grimmig genoeg, stukken touw. Maar het is haar vrije tijd die op mij het meeste indruk maakte. Aurora scrolt altijd door TikTok, of ze nu aan haar keukentafel zit of in de werkkantine. Haar collega’s praten in de pauze alleen over series, niet over het echte leven. Het emotionele hoogte- of eigenlijk dieptepunt van de film is het moment dat Aurora’s telefoon stukgaat, waarop ze liever 99 pond betaalt voor een snelle reparatie dan de rest van de maand te eten te hebben. Om toch te kunnen werken doet ze vier zakjes suiker in haar kantinekoffie.
Als de schadelijke effecten van smartphones en sociale media ter sprake komen, gaat het vaak over de inhoud: hoe ze meisjes onzeker maken en jongens haatdragend. Maar het probleem is niet alleen het wat, maar ook het dat: het feit dat we er de hele tijd mee bezig zijn. Niet zo lang geleden leefden we allemaal als de man die mij uitlegde hoe je aardappelen poft, inmiddels lijkt hij een andere diersoort. In korte tijd heeft de halve mensheid een verslaving opgelopen. Voor mensen die een eenzaam beroep hebben, zoals Aurora, is dat extra schadelijk. Wanneer spreekt zij nog iemand? Niet tijdens haar werk en niet daarbuiten.
On Falling eindigt met een nogal cheesy scène. Door een stroomstoring kunnen de orderpickers eventjes niet werken en niet scrollen. Wat nu? Er ontstaat een balspel, dat een voorzichtige lach op Aurora’s gezicht tovert. Nu heb ik zelf een diepe hekel aan balspellen, dus het feit dat dit het meest vreugdevolle moment van de film vormde vond ik nogal deprimerend. Maar de boodschap was duidelijk: eeuwig online zijn staat onze menselijkheid in de weg. Het is al een cliché, maar we kunnen het niet vaak genoeg horen.