Een dag poli is het best uit te leggen als een verfilming van een bundel korte verhalen. Hoofdstukken van een minuut of tien met een scala aan protagonisten, van vierjarigen met gips die weer op de trampoline willen en stoere mannen met bouwvakkersarmen die het verwijderen van hechtingen best eng vinden tot tanige dames met rollators en een teckel met een rood winterjasje. Het leven in een notendop, met alle ellende van dien.
Vandaag word ik vergezeld door een coassistent. Het is leuk om te zien hoe de kennis van de theorie, de röntgenfoto en de mens aan het begin van het spreekuur drie totaal verschillende werelden lijken en aan het einde van het spreekuur ineens onderdeel zijn van hetzelfde verhaal. Haar enthousiasme groeit en aan het einde van de ochtend leidt de koffie vanzelf tot een gesprek over de toekomst.
„Chirurgie lijkt me heel leuk, maar de work-life-balans lijkt me zwaar. Ik wil ook een leven kunnen hebben buiten het ziekenhuis.” Het is niet de eerste keer dat ik dit hoor. Sterker nog, de afgelopen jaren is er binnen de zorg en nu zelfs binnen het artsenvak een dialoog op gang gekomen over wat we bestempelen als enerzijds ‘hoort bij het vak’ en anderzijds ‘ouderwets en achterhaald’.
Olie op het vuur was het verschijnen van de enquête van beroepsvereniging De Jonge Specialist vorige maand waarin de antwoorden volgens diverse media ontluisterend waren. Eén op de vijf artsen zou niet meer voor geneeskunde kiezen en de helft van de jonge artsen wil door de werkdruk niet meer in het ziekenhuis werken. Daarnaast bleek al uit eerdere enquêtes dat een kwart van de jonge artsen kampt met burn-outklachten. In de Verenigde Staten geldt dit onder artsen van alle leeftijden zelfs voor 40 procent.
Terug naar de koffie en de jonge dokter in een kleine spreekkamer zonder ramen. „Wat is dan eigenlijk het leven en wat is dan eigenlijk werk?”, vraag ik haar. Eindigt ons leven als we een witte jas aan doen en begint het weer als we de draaideuren van het ziekenhuis uitlopen? Horen de grote gesprekken met kleine verhalen of juist kleine gesprekken met grote verhalen met patiënten, operatieassistenten, schoonmakers, de koffiedames en oudere artsen dan niet bij het leven? Zijn de eerste keer infuus prikken, een hand vasthouden van een oudere dame die net haar man heeft verloren of een laatste keer op je 67ste een nieuwe heup plaatsen geen gebeurtenissen van het leven? Is werken niet ook gewoon leven?
Roofbouw
„Bevlogenheid mag geen vanzelfsprekendheid zijn”, stelt De Jonge Specialist naar aanleiding van de resultaten. Dat is interessant. Als bevlogenheid voorwaardelijk wordt, is het dan wel bevlogenheid? Het lijkt me dat juist de dingen waar je in het leven door wordt gegrepen vaak groter zijn dan jezelf. Het krijgen van een kind, de cellosonates van Bach, het beslissende doelpunt maken tegen AC Milan, de zorg voor een ander; resultaat bereiken op een hoog niveau eist offers. Het ontstijgt het individu, je gaat er soms voor in het rood en je pleegt af en toe roofbouw op je welbehagen, maar dat is het waard. Niet altijd voor jezelf op dat moment, maar wel op de lange termijn voor je gevoel van zingeving, en juist op dat moment voor die ander, de maatschappij, de groep.
De helft van de jonge artsen wil door de werkdruk niet meer in het ziekenhuis werken
Moet je dan maar gewoon ja en amen zeggen tegen alles wat het vak van je vraagt? Grensoverschrijdend gedrag? Onbetaalde overuren? Diensten doen tijdens je zwangerschap? Nee. De oplossing van het probleem ligt alleen niet uitsluitend bij het verbeteren van de werkomstandigheden van de jongste bedienden. Zij zijn slechts de kanaries in de kolenmijn. Symptomen van een groter maar niet per se complexer probleem in de zorg.
Onlangs verscheen het boek If I Betray These Words van de Amerikaanse psychiater Wendy Dean. In een reeks interviews met Amerikaanse collega’s beschrijft ze hoe zij hun bevlogenheid maar ook het vermogen om een goede dokter te zijn, kwijtraken. Ziekte is een verdienmodel, in de VS nog veel meer dan in Europa. De financiële belangen van partijen die ziekenhuizen bezitten en voor wie dokters niets meer zijn dan poppetjes zijn die ervoor zorgen dat er diagnoses worden gesteld, operaties worden uitgevoerd en medicijnen worden voorgeschreven. De financiële belangen en de medisch inhoudelijke verantwoordelijkheid komen lang niet altijd overeen. Uitwassen zoals de opioïdencrisis waarbij morfineverslaving jaarlijks het leven van tienduizenden Amerikanen kost, zijn hier het gevolg van. ‘If I Betray These Words’ staat voor het feit dat deze artsen het gevoel hebben dat ze de eed van Hippocrates (die ze aflegden toen ze dokter werden), verraden.
Lees ook
Voor een jonge arts is het ziekenhuis niet altijd een veilige plek
Ook in Nederlandse ziekenhuizen zijn artsen, en in het bijzonder jonge artsen, een minuscuul tandrad in een enorme machine. De toegenomen administratielast omwille van de controledrang van de samenleving en de digitalisering (waarbij vooral heel veel taken die voorheen door een secretaresse of assistente gedaan werden, zijn verschoven naar artsen) komt vooral op de schouders van jonge artsen. Als ze overwerken is dat niet omdat ze nog druk op een operatiekamer of een eerste hulp ‘echte’ zorg aan het verlenen zijn, maar omdat ze al hun brieven moeten typen en orders moeten maken voor vervolgafspraken.
Burn-out
De geestdodende saaiheid en zinloosheid van het regelen van inefficiënt processen leidt tot onvrede en zelfs afname van bevlogenheid en de intrede van de burn-out. Als daar dan ook geen riante financiële compensatie tegenover staat (als je één van de ‘gelukkigen’ bent die uiteindelijk specialist wordt), dan denk je: „Ik zou niet nog een keer geneeskunde gaan studeren.” De resultaten van de enquête zijn grotendeels symptomen, geen diagnose.
Jonge artsen zijn een minuscuul tandrad in een enorme machine
Zo’n tien jaar geleden werkte ik een half jaar in een ruraal ziekenhuis in Katete, Zambia. Wijlen hoogleraar Robert Bleichrodt, chirurg in hart en nieren, leidde daar destijds de chirurgische afdeling. Voor hem was chirurg zijn ook zijn leven, zeker in Afrika. ’s Ochtends om zeven uur stond hij al met twee flessen zelfgemaakte sondevoeding bij het bed van een 14-jarige jongen die bij een ernstig auto-ongeluk een groot letsel aan zijn darmen had opgelopen. Hij liet zien hoe ogenschijnlijke details alles uitmaken voor de kwaliteit van zorg (hoe je het plakbandje van de sonde moest bevestigen zodat er genoeg speling was voor de slang om mee te bewegen bij het slikken); hij had om de dag dienst en was nooit te beroerd om zijn eigen slaap te verstoren om met een hoofdlamp op een patiënt te bekijken. Ik snap dat niet iedereen zo’n leven wil, maar toen ik daar werkte (de administratieve last was overigens minimaal) heb ik nooit het gevoel gehad: „Ik mis mijn leven.”
Erkenning
Ruim een halve eeuw geleden was mijn grootvader huisarts in een klein dorp. Voor een congres van de landelijke huisartsenvereniging een paar jaar geleden zocht ik uit hoe de kranten schreven over de werkdruk van artsen toen en nu. In alle uitspraken lees je terug dat je als arts bereid moet zijn om in dienst te staan van je medemens, ongeacht het tijdstip, je motivatie of gemoedstoestand. Daar stond tegenover dat je ook een zekere mate van respect kreeg. Zo werd mijn grootvader nog feestelijk gehuldigd door de burgemeester en was hij samen met de notaris en de dominee iemand met status. Nou denk ik niet dat iedere jonge dokter tegenwoordig per se een medaille wil, maar erkenning zou niet gek zijn. Ook al kan ChatGPT je straks misschien nog beter uitleggen wat er op je CT-scan te zien is en vind je dat het allemaal slecht geregeld is in het ziekenhuis, bedenk dat als er een jonge arts voor je zit, die bevlogenheid ook door jouw bejegening bepaald wordt.
In essentie gaat het niet om de resultaten van de enquête, en ook niet om de bereidheid van jonge artsen om overuren te maken. Het gaat om wat in de korte verhalen van de poli al zo wezenlijk van belang is. Dat wat het belangrijkst is, vaak niet gezegd wordt. Leonardo da Vinci beschreef dat in een verhandeling over het belang van licht en schaduw. De beginnende tekenaar meent dat een figuur of een object in de ruimte bepaald wordt door een harde lijn die het een scheidt van het ander. Maar in wezen is dat onjuist. De overgang tussen alles is geleidelijk. Tussen de lucht en de wolken, de hand en de kandelaar, de ruiter en het paard. Juist in deze tijd is het belangrijk om ervoor te zorgen dat het mogelijk is om werk te doen dat leeft, en dat je leeft als je werkt.
