Aanhoudend noodweer in Spanje veroorzaakt maandag opnieuw overstromingen, dit keer onder meer in Barcelona en de omliggende kuststreek. De lokale overheid waarschuwt maandagmiddag voor „extreem gevaar” en heeft code rood afgegeven voor de stad in Catalonië. Aanhoudende stortregens bereiken Barcelona ongeveer een week nadat hevige overstromingen in de regio Valencia al ruim 214 mensen het leven kostte.
De straten in Barcelona zijn veranderd in rivieren, tonen beelden op sociale media. In de binnenstad staan auto’s tot aan de koplampen onder water. Snelwegen zijn afgesloten en het treinverkeer is stilgelegd. Ook is de belangrijkste luchthaven van de stad, El Prat, ondergelopen. De rest van de dag wordt nog veel regen verwacht in de kustgebieden van Catalonië.
In de regio Valencia wordt nog steeds gezocht naar vermisten na de overstromingen van vorige week. Autoriteiten vrezen voor een oplopend dodental. De regionale overheid van Valencia waarschuwde vorige week te laat, het hoge water had de bewoonde gebieden toen al bereikt. Veel mensen waren daarom onvoorbereid en konden niet op tijd evacueren.
Lees ook
Valencia is verworden tot een plek met twee werelden
Om Nederland „weerbaar” te houden in tijden van oorlogsdreiging moet een volgend kabinet tientallen miljarden in de samenleving investeren middels een speciaal op te richten Toekomstfonds. Daarvoor pleit GroenLinks-PvdA-leider Frans Timmermans in ‘Een nieuw hoofdstuk voor Nederland’, een visiedocument waarin hij zijn verhaal voor „een nieuwe linkse volkspartij” neerlegt en dat hij zondag op een partijbijeenkomst in Utrecht presenteert.
Het kabinet moet de komende weken in de Voorjaarsnota miljarden extra zien te vinden voor het verhogen van de defensie-uitgaven. Timmermans waarschuwt echter dat een „harde bezuinigingspolitiek” alleen maar destabiliserend zal uitwerken. De politiek leider van GroenLinks-PvdA wil juist extra investeren in infrastructuur, duurzaamheid en innovatie.
Het visiestuk van oppositieleider Frans Timmermans komt ruim twee maanden voordat de leden van de PvdA en GroenLinks op een partijcongres in juni zeer waarschijnlijk voor het samengaan van de twee partijen zullen stemmen. Timmermans grijpt de onzekere situatie in de wereld en de verrechtsing van Nederland aan om zijn pleidooi voor een snelle fusie kracht bij te zetten. „Poetin en Trump hebben de aanval geopend op onze vrijheid en onze manier van leven. […] Als er ooit een moment was om onze krachten te bundelen, dan is het nu, omdat we zien dat onze idealen steeds verder uit zicht raken.” Timmermans vindt het „tijd voor een nieuwe doorbraak”.
Middenklasse
Timmermans lijkt met zijn nieuwe verhaal tegemoet te willen komen aan interne critici. Binnen de PvdA heeft het initiatief Rood Vooruit, gesteund door partijprominenten als Ad Melkert en Gerdi Verbeet, zich tegen een fusie gekeerd omdat door het samengaan met GroenLinks de sociaal-democratische waarden van de partij zouden worden bedreigd. In zijn visiedocument schrijft Timmermans dat de nieuwe partij „een politiek thuis met ruimte voor verschillende kamers” moet zijn. Ook pleit hij nadrukkelijk voor het opbouwen van ‘een nieuwe verzorgingsstaat’, waarmee hij sociale en klassieke PvdA-thema’s weer nadrukkelijk agendeert.
In het document valt ook op dat Timmermans meer kiest voor het eigen verhaal dan voor de aanval op rechtse politici. De GroenLinks-PvdA-leider constateert wel dat rechtse politiek de solidariteit en het vooruitgangsgeloof in de maatschappij hebben aangetast en dat daarom „ongekende investeringen” in bijvoorbeeld onderwijs en woningen nodig zijn. Maar Timmermans is ook kritisch op de economische houding van links zelf. Hij schrijft dat GroenLinks-PvdA weer „een beweging van en voor de middenklasse moet durven zijn” en dat links de afgelopen jaren „onvoldoende oog heeft gehad voor de meeste ondernemers die graag een goede werkgever willen zijn en hun werknemers fatsoenlijk betalen. Een goed bestaan voor iedereen is een illusie zonder sterke economie.”
Snelle treinen
Delen van het visiestuk lezen als een voorzet voor het volgende verkiezingsprogramma van GroenLinks-PvdA, mocht het kabinet-Schoof snel ten val komen. Voor de volgende kabinetsperiode wil Timmermans investeringen doen via een Toekomstfonds van 25 miljard euro. Dat geld kan gebruikt worden voor „moderne spoorwegen, snelle treinen, wetenschappelijk onderzoek en innovatie, de verduurzaming van onze industrie en de ontwikkeling van nieuwe hoogwaardige bedrijvigheid”. Volgens een woordvoerder van Timmermans moet een volgende regering „de precieze structuur van het fonds uitwerken”, maar moeten de miljarden bestemd zijn voor „grote projecten financieren die een eenmalige investering vragen”.
Met het pleidooi voor een Toekomstfonds geeft Timmermans alvast een boodschap aan rechtse partijen. Hij keert zich tegen „een schadelijke bezuinigingspolitiek gericht op verkleining van onze verzorgingsstaat”. „Wij kiezen niet voor extra tanks ten koste van leraren voor de klas. Niet voor grootschalige bezuinigingen op de zorg voor extra vliegtuigen of militairen. Goede sociale voorzieningen zijn voor onze weerbaarheid even belangrijk, zo niet nog belangrijker dan een sterkere defensie.”
Onvermijdelijke leider
Over meeregeren schrijft Timmermans dat hij dat de nieuwe linkse partij de volgende keer graag weer ziet doen. Timmermans wil qua koers geen verschuiving naar links of rechts. „We weten heel goed waar we staan: links van het midden, met ideologische wortels in twee politieke families; de rode en groene.” En de linkse partijleider is ook bereid om met rechts te regeren, schrijft hij, wetende dat de peilingen suggereren dat alleen een middenkabinet inclusief de VVD mogelijk een meerderheid geeft. „We zijn een vooruitgangspartij, geen getuigenispartij. Dat betekent dat we bereid zijn om de hand uit te steken naar partijen in het brede midden, om zo het midden naar links te trekken.”
Over gevoelige kwesties in de fusiediscussie, zoals de naam van een nieuwe linkse partij, laat Timmermans zich nog niet uit. Uit het visiestuk is wel heel duidelijk dat hij zichzelf nog altijd ziet als de onvermijdelijke leider en lijsttrekker. In een oproep aan de leden, met wie hij de komende maanden verder in gesprek wil, schrijft hij: „De komende jaren wil ik met jullie bouwen aan een nieuw politiek thuis. […] Beschouw dit stuk als bouwstenen voor de fundering van dat nieuwe thuis.”
Bijna zeven miljard kilometer. Zoveel verplaatsten Nederlanders zich te voet buitenshuis in 2023, het meest recente meetjaar van het Centraal Bureau voor Statistiek. Daarmee liepen ze bijna een derde meer dan in ‘pre-coronajaar’ 2019. Iets meer dan 35 procent daarvan had als doel om „te toeren of te wandelen”. Lopen als op zichzelf staande activiteit kortom, in plaats van als middel om van A naar B te komen. Ook uit allerhande wetenschappelijk onderzoek blijkt dat wandelen de laatste jaren populair is geworden.
Maar niet alléén in de laatste jaren. Ruim een eeuw geleden was er in Nederland eveneens sprake van een wandelhype, ontdekte socioloog Jaco Berveling. Geen ommetjes over de hei of stedelijke flaneersessies, maar verder, de grens over, Europa door. Honderden, zo niet duizenden jongemannen (en een enkele vrouw) vertrokken uit Nederland om te ‘wereldwandelen’.
„Het waren vaak jongens van simpele komaf, zonder rijke familieleden. Om in hun levensonderhoud te voorzien verkochten de wandelende mannen kaarten met hun eigen foto erop”, vertelt Berveling thuis in Rotterdam. „De brutaalsten stapten bij een krantenredactie binnen om hun verhaal te verkopen, maar er zijn er ongetwijfeld ook een heleboel geweest van wie de avonturen niet zijn vastgelegd.”
Drieëneenhalf jaar doorzocht hij krantenarchieven en bladerde door talloze bakken met ansichtkaarten. Afgelopen najaar verscheen zijn boek: Wereldwandelen! De Nederlandse globetrottermanie, 1905-1935. In de map voor hem op tafel liggen honderden zwart-witte ansichtkaarten van de wandelaars. Sommigen in Volendammer kostuum, op klompen. Anderen met attributen (stelten, een ton om voort te rollen, een blok dat aan een been wordt meegesleept). „Alles om maar op te vallen, om zich te onderscheiden van de rest.”
Hoe beter het verhaal, des te meer ansichtkaarten ze konden verkopen
Wat drijft de wereldwandelaar?
„Eén drijfveer hebben ze met elkaar gemeen: nieuwsgierigheid. Maar er zijn ook andere motieven. Zo heb je de idealisten die hun boodschap willen uitdragen. Geheelonthouder Jan de Groot, een 35-jarige ‘vroolijke, levenslustige jongeman’, geeft in 1913 een kroeg in Deventer een rondje melk in plaats van bier. En vegetariër Jacobus Kortrijk begint in 1923, op zijn 28ste verjaardag, aan een vijfjarige wandelreis waarbij hij ‘hoofdzakelijk van vruchten’ zal leven.
„Maar daarnaast heb je ook nog de amateur-antropologen, de avonturiers, de klaplopers die de wereld intrekken om maar geen serieuze baan te hoeven zoeken en de probleemontlopers die uit handen van justitie willen blijven. Niet iedereen wandelde overigens echt de hele wereld over. In mijn onderzoek ben ik in die zin coulant geweest: ook wie een maandenlange voettocht door Nederland of Europa maakte, heb ik meegeteld.”
Ansichtkaarten van wereldwandelaars. Foto Hedayatullah Amid
Hoe was die wandelhype ontstaan?
„In 1873 was De reis om de wereld in tachtig dagen van Jules Verne verschenen. Dat was zó succesvol dat het concept niet alleen navolging kreeg in andere boeken, maar ook in het echt. Zo raakten de Amerikaanse journalistes Nellie Bly en Elizabeth Bisland in 1889 met elkaar in een race rond de wereld verwikkeld, waarbij Bly het record brak met 72 dagen, 6 uur en 11 minuten.
„Maar lang niet iedereen kon zo’n dure reis per trein en stoomschip betalen. Lopen was aan het begin van de 20ste eeuw de meest vanzelfsprekende manier om je voort te bewegen. Vrijwel niemand had een auto en ook de fiets was een luxebezit. Dus lag globetrotten in de meest letterlijke zin – de aarde bewandelen – voor de hand voor wie toch op avontuur wilde. Je ziet trouwens ook dat de wereldwandelaars zich door Verne lieten inspireren. Ze vertelden bijvoorbeeld vaak dat ze meededen aan een weddenschap, al was dat lang niet altijd waar. Maar ja, hoe beter het verhaal, des te meer ansichtkaarten ze konden verkopen.”
Overigens was ook Nescio, schrijver én fervent wandelaar, begaan met wereldwandelaars
Konden ze goed rondkomen van de kaartverkoop?
„Zeker in steden was het geen slechte inkomstenbron. Twee Rotterdammers, Bertus Thijs en Simon Bosman, verkochten tijdens een zeven maanden lange voettocht door Nederland duizenden kaarten. Alleen al in Enschede deden ze in één dag vijfhonderd kaarten van de hand, voor 15 cent per stuk. Die twee waren ook zakelijk ingesteld. In de Nieuwe Rotterdamsche Courant hadden ze een advertentie gezet als ‘twee energieke jongelui’ op zoek naar ‘meerdere groote Firma’s voor welke zij reclame Wenschen te verspreiden’. Zo adverteerden ze uiteindelijk voor wandelschoenen van hun sponsor Bata, inclusief lofdicht: ‘Bata-schoenen zijn de beste / Bata-schoenen up-to-date / ’k Wed, dat iedereen ten leste / ’t Merk van onze schoenen weet!’
„Overigens was ook Nescio, schrijver én fervent wandelaar, begaan met wereldwandelaars. In 1904 ontmoette hij er een uit Parijs, Fernand Consigny. Voor een halve mark kocht hij Consigny’s kaart en stuurde die naar zijn verloofde.
„Maar niet iedereen kon leven van de kaartverkoop. Een van de weinige vrouwelijke wandelaars, de Britse Lizzie Humphries, moest rondkomen van het geven van lezingen nadat haar man er met hun gezamenlijk bijeengewandelde geld vandoor was gegaan.”
Wie is je favoriete wereldwandelaar?
„Ik heb wel een zwak voor Roode Karel, de Amsterdammer ‘met een fellen roode kop’ en een stem ‘die het behangsel van een kamer doet schudden’ die voor een weddenschap naar Parijs loopt, met een 12 kilo zwaar houten blok aan zijn been.
„Maar mijn favoriet is toch Charles Takkenberg, de ‘duikelaar’. Een acrobaat die in 1923 al koppeltjeduikelend in vijftien maanden 1.500 kilometer naar Marseille aflegde, in een dikke leren jas met gevoerde capuchon en kniebeschermers. In elke gemeente liet hij zijn vorderingen vastleggen in een controleboek.”
Waarom eindigde de trend?
„Aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog werd het natuurlijk steeds moeizamer om door Europa te reizen. Bovendien was de nieuwigheid er wel een beetje vanaf. Al is wereldwandelen natuurlijk nooit meer écht verdwenen. Kijk maar naar langeafstandswandelaars die bijvoorbeeld naar Santiago de Compostela lopen.”
‘We zijn van plan om bij Jezus te gaan waken, maar we vallen nu al in slaap,” grapt fluitist Rogier de Pijper (42). Voor hem zitten 95 amateurfluitisten die even daarvoor de eerste noot speelden van de tenor-aria ‘Ich will bei meiem Jesu wachen’ uit Bachs Matthäus-Passion. Een duidelijke ‘Whaaam!’ wil De Pijper horen, geen voorzichtige ‘Wwwaahm.’ Tientallen fluiten laten de melodie, oorspronkelijk voor hobo, omhoog kringelen, terwijl anderen het kuierende fagotloopje spelen. De klank van het fluitorkest heeft iets weg van een licht, vriendelijk orgelregister. Bachs muziek krijgt er een omhullend, breekbaar sfeertje van, alsof je naar glas-in-lood luistert. „Fluit 4, kunnen jullie iets meer ruimte tussen je kiezen maken?” roept De Pijper even later voor een zuiverder toon.
Ede is dit weekend even het epicentrum van fluitspelend Nederland. Amateurfluitorganisatie Flutopia, dat zijn tienjarig bestaan viert, organiseert er zijn grootste project tot nu toe: Bachs Matthäus-Passion voor fluitorkest. Vier keer per jaar brengt Flutopia amateurfluitisten samen met orkestprojecten, maar niet eerder waren er zoveel deelnemers – Flutopianen geheten – als vandaag. De afgelopen weken is er in Noord-, Midden- en Zuid-Nederland al samen geoefend. Vandaag komt in een grote evenementenhal van Hotel ReeHorst alles samen: orkest, koor, vier vocale solisten en een verteller.
Foto Dieuwertje Bravenboer
Rogier de Pijper en Mirna Ackers (29), het tweetal fluitisten achter Flutopia, hebben de normaal drie uur durende Matthäus-Passion voor de gelegenheid ingekort tot anderhalf uur aan koralen, aria’s en koorhoogtepunten als ‘Kommt, ihr Töchter’, ‘Sind Blitze, sind Donner’ en ‘Wir setzen uns mit Tränen nieder’. De vertelling van het lijdensverhaal is in handen van niemand minder dan Berdien Stenberg (67), de fluitiste die in de jaren ’80 wereldwijd bekend werd met haar nummer één-hit ‘Rondo Russo’. Haar populariteit bracht destijds een hele generatie amateurfluitisten op de been, van wie er vandaag veel naar Ede zijn gekomen. Organisator De Pijper is haar voormalige leerling.
Ademsteun
Tijdens de orkestrepetitie proberen de fluitisten de juiste ademsteun te vinden. „Maak de ademhaling diep, terwijl je met je mond een Ô vormt,” zegt De Pijper. „Alsof je het meent. Geen slappe hap.” „Ô!” klinkt er uit 95 kelen. „Nu mogen jullie je buikspieren meer aanspannen,” zegt De Pijper even later. Ook een uitdaging: met z’n vijfennegentigen zacht genoeg spelen zodat je straks ook het koor kan horen. „Wel de spanning erin houden.” En daar zijn de kiezen weer: „Een millimetertje ruimte erbij graag.” In de pauze legt De Pijper uit waar die aanwijzing voor dient: „Soms is een toon net te hoog. Je kiezen iets van elkaar houden helpt om de toon wat lager te richten. De balans tussen de luchtsnelheid en de richting wordt dan beter en daardoor klinkt de toon beter. Je verzint natuurlijk allerlei trucjes zodat iedereen meteen snapt wat je moet doen. Als ik tegen ze zeg ‘richt je toon naar beneden’, dan gebeuren er verkeerde dingen.”
Lees ook
Tilburg was even een Walhalla voor anderhalf duizend klarinettisten. ‘Ik voel me hier zó gesterkt’
De kans dat je als amateurfluitist kan meespelen in een Matthäus-Passion is niet zo groot. Bach vraagt in zijn orkestbezetting om slechts vier fluitisten. En hoewel veel amateurkoren de Matthäus uitvoeren, huren die vaak een professioneel begeleidingsorkest in. Voor veel deelnemers is het vandaag dan ook de eerste keer dat ze de Matthäus spelen. Ook voor Marco (67): „De rillingen lopen over je rug als dat koor opeens begint te zingen. Ik krijg er tranen van in mijn ogen.” Hij is een van de vijf contrabasfluitisten, wiens joekels van instrumenten midden op de achterste rij staan te blinken. Ze hebben de vorm van het cijfer 4 en komen tot boven je hoofd als je ze staat te bespelen. Met z’n vijven klinken ze een beetje als een fanfare die een paar straten verderop komt aanwandelen: vriendelijk gonzend in de diepte. Ze leggen een prettige bodem onder de hogere, luchtigere klank van de ‘gewone’ dwarsfluit en altfluit, die door het gros van de deelnemers worden bespeelt. „In een van de koralen zit de allerlaagste B, en die speel ik,” glundert contrabasfluitist Frank (55) na de generale repetitie. „Ja, heerlijk is dat,” vallen basfluitisten en doorgewinterde Flutopianen Annelie (68) en Dini (66) hem bij.
Lees ook
Oudste Nederlandse dwarsfluit speelt ‘als kus uit de zestiende eeuw’
Vijf technische niveaus
De Pijper en Ackers maakten het arrangement op vijf verschillende technische niveaus. De verschillen zitten hem onder meer in de registers (hoge noten spelen is moeilijker dan lage noten), ritmiek (makkelijkere partijen hebben meer kwartnoten) en rustmomenten (deelnemers met minder ervaring hoeven minder lang op één adem door te spelen). Daar rekening mee te houden en tegelijkertijd dicht bij Bachs partituur blijven bleek nog een complexe exercitie. De Pijper: „We hadden op een gegeven moment geloof ik 26 partijen en iets van 58 verschillende combinaties. Dat we dachten, waar zijn we aan begónnen?”
Foto Dieuwertje Bravenboer
Frank is blij met het arrangement: „De basfluiten spelen op een gegeven moment een snel loopje. Wij als contrabassen kunnen dat wel mee gaan spelen, maar dan klinkt hetzelfde gewoon een octaaf lager. Het is juist net wat anders geschreven zodat dat wij het draagvlak geven waar de basfluiten de snelle noten overheen kunnen spelen. Die gelaagdheid is heel prettig.” Dini: „En ze [De Pijper en Ackers, red.] weten precies wat elk instrument kan, omdat ze zelf fluitist zijn. Als je in een gewoon orkest speelt dan kan de dirigent waarschijnlijk geen fluit spelen. Hier krijgen we ook fluittechnische tips, dat maakt hier samenspelen ook zo leuk.”
Op zondag doen er nog meer fluitisten, waaronder ook jongeren, mee en klinkt de Matthäus nog een keer met 140 fluiten. Dini lacht: „Dan moeten we als er gezongen wordt nóg zachter spelen.”