Dat waren ze dan. Het Concertgebouworkest voerde de afgelopen twee jaar in een langgerekte cyclus alle symfonieën van Anton Bruckner uit om te vieren dat hij tweehonderd jaar oud is geworden. Deze week klinkt de laatste, de Negende. Dirigent emeritus Riccardo Chailly (KCO-chef van 1988 tot 2004) zou de grote finale leiden, maar helaas, om gezondheidsredenen moest hij afzeggen. Op het laatste moment viel Manfred Honeck in, die vorig jaar al met veel succes de Achtste dirigeerde.
De Negende is de laatste symfonie die Bruckner voor zijn dood schreef. In het oppermachtige hoofdthema in het eerste deel hoor je makkelijk een groot angstbeeld, als je weet dat de gelovige Bruckner bang was voor het einde. Na een traag en spits begin kijkt Honeck die angst recht in de ogen: de lage tonen houdt hij, ondanks acht contrabassen, zacht. Daardoor ontstaat een optimale transparantie: onder het geklater van fenomenaal koper is werkelijk elke laag te horen.
Lees ook
‘Het is de heavy metal van de klassieke muziek’ – drie musici over Anton Bruckner
Toch werd donderdag nog niet helemaal de gedroomde, ultieme afsluiter van twee jaar Bruckner. Ken je het verschil tussen een boomkruiper en een boomklever? Het zijn allebei mooie vogeltjes die langs de stam van een boom kunnen lopen, maar de boomkruiper kan alleen omhoog. Is-ie boven, dan vliegt-ie in een flits weer naar de onderkant van de stam. Een boomklever kan zowel doeltreffend omhoog als omlaag lopen. Het liefst wil je dat een orkest een boomklever is, maar in zijn crescendo’s en decrescrendo’s doet het KCO donderdag een beetje denken aan een boomkruiper: geweldig betekenisvol, majestueus in de opbouw, maar daarna? Flits! Terug bij het beginpunt. Natuurlijk, Bruckner geeft soms maar een splitsecond tussen het luidste en het zachtste, maar toch; zo’n splitsecond kan juist zo veel betekenen bij een componist die de tijd met lange lijnen en grote akkoorden graag zo lang mogelijk oprekt; om de dood maar zo lang mogelijk uit te stellen.
Exposé van Bruckner-ideeën
Soms dreigen groepen even uit elkaar te lopen, maar dat is te hebben. Het eerste en tweede deel blijven bevredigend. Minder makkelijk te verwerken is dat het derde deel, het mooie maar complexe ‘Adagio’ – waarin allerlei tegenstrijdige binnenwereldgevoelens om elkaar heen wentelen, als van iemand die een beginnende paniekaanval te lijf gaat met rationeel relativeren – wezenlijk minder interessant klinkt; accenten, bogen, lijnen en aandacht zijn als sneeuw voor de zon verdwenen, behalve soms bij de celli. Misschien komt het omdat er daarna iets ongebruikelijks op het programma staat.
Meestal worden alleen de eerste drie delen van Bruckners Negende uitgevoerd. Dat zijn de delen die Bruckner zelf voltooide. Hij stierf voor hij het vierde deel, de ‘Finale’, af kon maken. Alleen een boel schetsen bleven over. Velen hebben al geprobeerd daaruit een Bruckner-waardige Finale te construeren. Het musicologencollectief Samale, Phillips, Cohrs en Mazzuca probeert het al sinds 1983. Hun versie uit 2012 hoor je nog het vaakst. In 2022 maakten ze een revisie, die Riccardo Chailly graag op het programma wilde. Honecks keus was het niet.
Toch probeert hij er moedig net zo veel van te maken als van de eerste drie delen; hij zit zelfs strakker op de dynamische aanwijzingen. Maar ook deze versie van de finale overtuigt niet. Ja, het heeft onmiskenbaar een Bruckner-sfeer, en ja Bruckner had flinke delen al goed in de verf staan, toch blijft het klinken als een exposé van fijne Bruckner-ideeën. Zou AI dit inmiddels niet ook kunnen? Het is alsof een dichter voor diens dood nog een paar woorden heeft opgeschreven, en een fan daar een gedicht van construeert – dat gedicht bevat dan misschien wel de woorden van de dichter, maar niet de boodschap.
Wat is er nou mis met eindigen met dat mooie ‘Adagio’? De Finale heeft Bruckner meegenomen. Laat die muziek nou toch lekker aan het hiernamaals.
