Niemand kan een gitaar zó overstuurd laten jengelen als garagerocker Jack White

PANG! Daar gaat een snaar.

Jack White is de spanning aan het opbouwen voor wat de grote apotheose moet worden van de eerste van zijn twee uitverkochte shows in de Utrechtse concertzaal TivoliVredenburg. Vlak voordat hij – uiteraard als allerlaatste nummer van de toegift – de wereldberoemde riff inzet waarvan iedereen weet dat hij die gaat inzetten, raspt hij ritmisch met zijn plectrum over de snaren van zijn semi-akoestische gitaar, bij wijze van lekkermakertje.

Dat doet hij alleen iets enthousiaster dan zijn instrument kan verdragen. Er zit dus niets anders op dan ‘Seven Nation Army’ niet met zes maar met slechts vijf snaren te voltooien.

Maar het mooie is: dat boeit helemaal niets. Want na de PANG! klinkt gewoon het iconische strijdlied waarvan de melodie zich in talloze miljoenen hersenpannen heeft genesteld: ‘TAAA-TAA-TA-TA-TA-TAAAAA-DAAAA!’ En terwijl White zijn bottleneck over de nek laat gieren, probeert hij zo goed en zo kwaad als dat gaat tussendoor de vals geworden gitaar een beetje bij te stemmen.

Perfectie wordt overschat, en Jack White is daarvan het levende bewijs. „Wie zegt er dat je een gitaar moet kopen?” vroeg hij zich ooit hardop af in de documentaire It Might Get Loud (2008): aan een plankje, een stukje ijzerdraad, wat spijkers en een hamer had hij genoeg om een elementair scheurhout in elkaar te knutselen.

Dankzij die houding wist hij met zijn kinderlijk eenvoudige maar bruut scheurende garagerockduo The White Stripes de massa te veroveren. Het was (samen met de doorbraak van Nirvana) een van de schamele momenten dat er héél even gerechtigheid heerste in de mainstream: doorbreken met eerlijke en rauwe rock-’n-roll kon gewoon! Extra bevredigend: behalve wereldster werd White ook een zendeling die oude (underground)helden op het schild hees, aan platendeals hield of met ze ging opnemen.

Een wonder

Zijn gave voor het basale heeft White altijd behouden. Na The White Stripes kreeg zijn muziek in vervolgbands The Raconteurs en The Dead Weather weliswaar meer vlees op de botten, maar het fundament van eenvoud bleef leidend. En hoewel hij zich op sommige soloplaten vergaloppeerde aan een overdaad aan elektronica, beats en vergezochte concepten, op het vorig jaar verschenen No Name doet hij weer waarvoor de duivel hem ooit op de wereld zette: volle bak scheuren.

Dat doet hij dinsdagavond ook. Huppelend en vol overgave beukt White er in anderhalf uur lang twintig nummers uit zijn gehele oeuvre doorheen, zonder enige adempauze. Het is heerlijk om te horen hoeveel ‘Hypnotize’ van The White Stripes lijkt op de nieuweling ‘That’s How I’m Feeling’: in de kern zijn het allebei aftelversjes van vier akkoorden. En het is extra fijn om White van dichtbij te zien zweten in plaats van als dwerg in de verte op het podium van een grote rockarena of immens festival.

Hij is niet gekomen om te praten: na het eerste spervuur van vijftien nummers zegt hij één keer bedankt. Na een toegift van vijf liedjes en de slotbuiging stelt hij nog snel zijn drummer, bassist en toetsenist voor. Verder klinkt alleen zijn karakteristieke knarsende en wanhopige zangstem. Even radeloos zijn de panisch vonkende gitaarsolo’s: niemand kan een gitaar zó overstuurd laten jengelen als een op hol geslagen sirene als Jack White. Het is eigenlijk een wonder dat hij maar één snaar breekt.

Jack White in TivoliVredenburg Utrecht. Foto David James Swanson