Met zijn opgeschroefd absurdisme toont Martijn Crins zijn talent als cabaretier

Are you ready?”, vraagt Martijn Crins het publiek. Die clichématige opening van zijn cabaretprogramma ondermijnt hij meteen door na een paar ‘yeahs’ van het publiek rustig uit te leggen dat we eigenlijk niet weten waarvoor we ready zijn. En dat we dat niet toegeven omdat „Ik weet het niet” zo moeilijk is om uit te spreken. Terwijl het zo mooi is, en het enige dat we met zekerheid weten, stelt hij. Daarom is het zijn mantra: „Ik weet het niet, ik snap het niet, ik kan het niet.”

Hij legt zelf het verband niet, maar die twijfel kun je plakken op het opvallende carrièreverloop van Crins (1984). Hij kwam net van school, de Academie voor Drama in Eindhoven, toen hij in 2009 de cabarettalentenwedstrijd Cameretten won. Hij achtte zichzelf nog niet rijp genoeg, en in plaats van een praktijk als cabaretier op te zetten, maakte hij jarenlange omzwervingen als muzikant en acteur. Pas twee jaar geleden debuteerde hij als cabaretier, met de voorstelling Mesthoop.

Nu is er een tweede show, Hè Fijn, en etaleert hij het vak onder de knie te hebben. Grotendeels, want evengoed kan hij als veertiger nog wel stappen in zijn ontwikkeling maken.

Lef

Interessant is de lef waarmee hij lange verhalen durft op te zetten, waarbij je je lang afvraagt waar het heen gaat, voordat de clou komt. Zo begint hij een absurde fantasie over wat er zit achter een opmerking die hij hoort in de trein: „Daar moet je Anja niet op zetten.” Door de uitgebreide opsomming van mogelijkheden komt het antwoord alsnog als een geestige verrassing.

De keren dat de clou minder sterk is, levert een tussentijdse grap of een zijpad een mooi stukje op. Zoals bij een verhaal over een gift aan de voedselbank, waarbij zijn onbaatzuchtigheid naar zijn zin onvoldoende wordt gewaardeerd. Halverwege slaat hij af naar de lol van het staan popelen: waarom „popelen” we niet vaker, waarom is het geen sport, een teamsport, en zo verder, alsmaar gekker.

In dat opgeschroefde absurdisme ligt zijn kracht. Ook als hij dat fysiek uitspeelt, zoals in een memorabele imitatie van het vertrokken gezicht van zijn vader als die klaarkomt. Maar als hij probeert veel grapjes achter elkaar te plakken, zoals in een lang verhaal over het kopen van een auto, dan worden die geforceerd en flauw. Terwijl het wel prachtig is hoe hij bij de autodealer met zijn dochter verzeild raakt in de speelhoek en helemaal opgaat in zijn legokunstwerk, en haar daarbij afblaft.

Wat strakker kan, zijn pogingen een thematisch verband te leggen tussen alle anekdotes. Het „Ik weet niet” uit het begin, dat de mens als falend wezen kenschetst, hangt er verder wat bij, net als passages waarbij hij zich afvraagt hoe hij zijn driften en frustraties moet bedwingen.

Daar staat tegenover dat hij een verdwaald verhaal over een Amazone-documentaire knap weet te verknopen aan een poëtisch einde, over opmerkzaam kijken naar wat echt belangrijk is in het leven. Zo rijst uit deze bonte avond al met al het beeld van een laatbloeier, die zijn plek op het podium heeft gevonden.