Nee, was het antwoord op de vraag of het Rijksmuseum had overwogen de groot opgezette expositie van American Photography te annuleren nu de democratie in de Verenigde Staten aan het verdwijnen is. Taco Dibbits, de directeur van het Rijksmuseum, antwoordde: „We gaan ons beleid niet afstemmen op een vierjarige politieke regering. We zijn onafhankelijk.” De timing van de expositie was toeval, legde hij tijdens een gesprek bij de persbijeenkomst uit, omdat het museum al jaren geleden was begonnen met het voorbereiden van deze tentoonstelling: „We gaan in de media veel beelden uit Amerika krijgen, deze expositie geeft handvatten die ons kunnen laten omgaan met dat beeldmateriaal en historische context geven aan de Verenigde Staten in al haar complexiteit.”
Hoewel je als recensent altijd op zoek gaat naar de schoonheid in iets – of het nu beeldende kunst, fotografie, muziek of literatuur is – lukt dat bij de expositie American Photography niet. Niet omdat er geen mooie foto’s hangen. Integendeel, er zijn schitterende portretten van bijvoorbeeld James Van Der Zee, Nan Goldin, Diane Arbus, Andres Serrano of Amanda López. Werken van Saul Steinberg, Saul Leiter, Robert Frank en Paul Strand mogen er ook zijn. Maar met een dagelijkse portie destructieve berichten uit de Verenigde Staten is het moeilijk daarvan te genieten. Het is de tentoonstelling er zelf trouwens ook niet om te doen.
American Photography is tweeledig: enerzijds wordt de geschiedenis van de Amerikaanse fotografie geschetst vanaf halverwege de 19de eeuw, anderzijds wordt getoond hoe de (ver)vorming van de Amerikaanse geschiedenis vast werd gelegd op beeld. Dan krijg je zowel het Amerika van Tupperware en stralend witte gebitten, als dat van bijvoorbeeld de fotografen McPherson & Oliver, die in 1860 ‘The Scourged Back’ vastlegden: het beeld van dikke littekens op het lichaam van een ontsnapte tot slaafgemaakte, of het werk van Walker Evans die met zijn boek American Photographs in 1938 de armoede liet zien in plaats van tandpasta en cola.

Kentering
Het zijn foto’s die een kentering in het denken teweeg brachten. Dat gold ook voor de beroemde foto van Jack Jenkins, die in 1957 de vijftienjarige Elizabeth Eckford fotografeerde toen ze als een van de ‘Little Rock Nine’ – een groep Afro-Amerikaanse studenten die in september 1957 als eerste zwarte studenten lessen bijwoonden op de geheel witte Little Rock Central High School – onderweg werd uitgescholden door een groep witte vrouwen.
De foto van Jenkins fascineert. Niet zozeer omdat de witte vrouwen schreeuwend voor een witgeverfde achtergrond geplaatst worden, maar vooral door de ene vrouw die bijna naast Eckford staat. Ze zegt niks en haar rechterarm hangt erbij alsof ze dagelijks kilometers door het leven marcheert. Het is haar blik en dunne mond die de foto stuurt: zo veel haat is niet vaak vastgelegd. Ze maakt meer indruk dan de schreeuwlelijken achter haar, dat zijn meelopers, dat zie je zo, maar deze vrouw die een map of etui stevig omknelt, is ronduit eng. Wat de foto belangrijk maakt, is dat veel Amerikanen schrokken van de foto die het gezicht van segregatie zo pijnlijk vastlegde. Net als bij het zien van de rug van de ontsnapte man die in 1860 was vastgelegd, was wegkijken geen optie.
Vanaf het begin was fotografie in de VS een universele beeldtaal die via kranten, tijdschriften en reclame werd verspreid, en er was aanvankelijk minder dan in Europa oog voor de ‘kunstfotografie’. Aan dat laatste genre wordt wel een zaal gewijd bij de tentoonstelling, maar die haalt het niet echt bij Europese fotografen, en boeit dan ook minder dan de andere zalen.

Individualisme
De Amerikaanse fotografie moet het hebben van de verhalen en het individualisme die werden vastgelegd. Daarmee werd een ideaalbeeld van het land geschapen, maar ook het tegenovergestelde. Hier kennen we de foto’s van Cas Oorthuys die Nederland tijdens de wederopbouw vastlegde en die ook de gruwelijke kant van de oorlog in Indonesië liet zien. Bij Robert Frank is het fotograferen van het land er niet een van wederopbouw, maar krijg je een duister beeld van een samenleving. Van hem verscheen het fotoboek The Americans (1960) waarin hij 83 foto’s opnam die hij tussen 1955 en 1956 in dertig verschillende staten had gemaakt die geen beeld gaven van het optimistische ‘Great America’ en de schoonheid van het land, maar juist de desolaatheid en naar binnen gekeerde of eenzame mensen. Toen het verscheen, waren de kritieken niet mals. Dit waren foto’s die samen „een triest gedicht voor zieke mensen” toonde en de foto’s waren gemaakt door een „vreugdeloze man die het land dat hem geadopteerd heeft haat”, oordeelden recensenten.
Niet alleen door de reclame lieten mensen zich meeslepen, maar ook door de foto’s die de keerzijde lieten zien
Franks beeld strookte niet met het idee van een land dat de rest van de wereld meenam in haar dromen, waarden en rijkdom. De expositie toont als tegenhanger vrolijk gekleurde tijdschriften vol Cadillacs, lachende (witte) Amerikanen en de gelukkige huisvrouw. ‘This is America… Keep it Free!’ staat in grote letters op een reclameposter uit 1942. De tekst erbij luidt: „Where, through free enterprise, a free people have carved a great nation out of your wilderness * This is your America”. Plaats die naast de foto ‘Parade’ van Frank en je krijgt een heel ander beeld: de Amerikaanse vlag hangt voor een gevel, deels voor de ramen. Hier ontneemt de vlag de mensen het zicht.
Amerikaanse vlag
De vlaggen op de verschillende foto’s zijn een perfecte rode draad door de (foto)geschiedenis van het land, en geven wat van de beloofde historische context. De foto America Seen through Stars and Stripes (1976) van Ming Smith heeft een vlag waar je niet omheen kan. Op de voorgrond staat een man die met zijn zonnebril met spiegelglas een schitterende reflectie geeft op wat Amerika wil uitstralen: de bevestiging dat niet alleen het land er mag zijn, maar ook deze man zelf. Ming Smith trad in 1972 als eerste vrouw toe tot het collectief Kamoinge, dat was opgericht door zwarte fotografen die bij gebrek aan opleidingsmogelijkheden gezamenlijk werk gingen ontwikkelen. Deze groep portretteerde de zwarte gemeenschap van New York niet zo negatief als in de media doorgaans het geval was, maar zoals zij die gemeenschap zagen.
Bij Smith krijgt de vlag een enigszins positieve connotatie, anders is dat op de foto’s met kisten van gedode soldaten. Een foto uit de Vietnamoorlog met kisten waarover Amerikaanse vlaggen zijn gedrapeerd heeft in 1972 de tekst „Is this what you’d call ‘phased withdrawal’?” Een vergelijkbare setting met kisten heeft in 1991 de tekst „Mom, We’re Home!” Schrikbarend is ook de foto die Nina Berman maakte in 2006 van Tyler Ziegel en Renée Kline op de ochtend van hun bruiloft. Ziegel was uitgezonden naar Irak en raakte in 2004 zwaar gewond. Zijn gezicht was grotendeels verdwenen, er zijn geen oren meer, geen haren, de ogen zijn klein en de neus ligt er goeddeels af. In zijn uniform vol medailles en lintjes staat hij naast de bruid, het hoofd gebogen. Zijn jeugdliefde Renée straalt een mengeling van wanhoop en gelatenheid uit, van de man van wie ze ooit hield is letterlijk en figuurlijk niets meer over. Het huwelijk hield een jaar stand, vijf jaar later overleed Ziegel aan een overdosis heroïne en alcohol.

Het opvallende van deze foto, maar in feite van alle foto’s, is de impact. Niet alleen door de reclame lieten mensen zich meeslepen, maar ook door de foto’s die de keerzijde lieten zien vanuit het idee dat er aan de misstand of ellende iets gedaan kon worden. Dat idee is niet veranderd, alleen het effect is omgedraaid: de foto van de bijna-president met een bloedend oor en een vuist omhoog voor een Amerikaanse vlag, is er niet meer om een misstand aan de kaak te stellen, maar om van het land een misverstand te maken.
Die ontwikkeling wordt nog het beste samengevat in een collage van Louis Lo Monaco, waarop een deel van de vlag is verwerkt in een kruis, waar aan de zijkant een verkreukeld vlaggetje hangt. De collage en de titel vatten het Amerika van 2025 voortreffelijk samen: „When Religious and Patriotic symbols are Used as a Shield by Hate-Makers, our Democracy and All it Stands for Becomes a Mockerey”.



Foto’s: Opnamedatum: 2020-11-10
Black Lives Matter-teksten, overgeschilderd
Tegelijkertijd met American Photography is in het Rijksmuseum een kleine expositie te zien met werk van de Amerikaanse kunstenaar Carrie Mae Weems (1953). In deze eerste tentoonstelling van Weems in Nederland worden zeven foto’s getoond uit haar serie Painting The Town (2021); enorme prints die in eerste instantie doen denken aan abstracte schilderijen. We zien grote vlakken met brede verfstreken in voornamelijk sober zwart, wit en beige, hier en daar wat frivoler geel en oranje.
Maar waar het beeld abstract oogt is het verhaal erachter dat allerminst. De verf werd aangebracht op de dichtgetimmerde winkelpuien in Portland (Oregon) in de nasleep van de Black Live Matter-protesten. Tijdens de protesten werden op die houten panelen leuzen geschreven door BLM-activisten. De autoriteiten maakten die berichten vervolgens onleesbaar door er grote vlakken verf overheen te rollen. Censuur, vond Weems, die het vastlegde in haar fotografie – rechttoe rechtaan, soms van een afstandje zodat er nog een gebouw herkenbaar is, vaker zo sterk ingezoomd dat je als kijker niet gelijk weet wat je ziet.
Weems is een succesvolle en invloedrijke Amerikaanse kunstenaar. Ze ontving meerdere belangrijke kunstprijzen en was de eerste zwarte vrouw die in 2014 een solotentoonstelling kreeg in het Guggenheim Museum in New York. Recenter had ze in 2023 in Europa grote overzichtstentoonstellingen in Arles, Londen, Würtemberg en Basel. In oktober 2024 ontving ze in Washington de National Medal of Arts uit handen van de toenmalige president Joe Biden.
In het werk van Weems staan maatschappelijke thema’s zoals racisme, seksisme en discriminatie centraal, regelmatig is haar werk een commentaar op de (kunst)geschiedenis en de rol van zwarte vrouwen daarin. Ze maakt gebruik van meerdere media: fotografie, video, installaties, performances, waarbij ze ook de samenwerking zoekt met muzikanten, spokenwordartiesten en dansers. Weems plaatst zichzelf met regelmaat in haar werk, dat daarmee vaak persoonlijk is, maar altijd haar individuele verhaal overstijgt. Alhoewel er in Painting the Town geen mens te zien is, is ook dit werk persoonlijk – Weems werd hier geboren en groeide hier op. Maar ook is het – veel belangrijker – een uitspraak over de stand van het land, het achtergesteld zijn van een groep mensen en de pogingen van de autoriteiten om deze groep – letterlijk, door hun woorden te laten verdwijnen – het zwijgen op te leggen.
Het Rijksmuseum en het Stedelijk Museum Amsterdam maakten eind januari de aankoop bekend van drie werken van Weems. Het Rijks verwierf Painting the Town #3 en #4, het Stedelijk kocht #2.

Rianne van Dijck
