In Fêu bewegen de vrouwen vrij, blij en ongeremd als hedendaagse Isadora’s

Choreograaf Fouad Boussouf heeft zijn moeder als kind nooit slapend gezien. Op het platteland van Marokko, waar hij zijn vroege jeugd doorbracht, was hij omringd door vrouwen die altijd bezig waren, onophoudelijk in beweging, van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat, elke dag en elk seizoen. Fêu, de openingsvoorstelling van festival Feeling Curious?, begint en eindigt dan ook in het donker, net als de dagen van zijn jeugd en de eeuwen daarvoor begonnen en eindigden, met slechts een enkel gloeiend ‘kooltje’ als verlichting.

Fêu is de eerste creatie die Boussouf als co-artistiek leider maakte voor Le Phare, CCN du Havre Normandie. Het stuk is een ode aan die vrouwelijke energie die hij verbeeldt in een eindeloze stroom van activiteit die wordt aangedreven door een innerlijk vuur. Gekleed in kostuums die een hele waaier aardkleuren tonen, bewegen tien vrouwen zich een uur lang in een kring, symbool voor eeuwigheid, rond een denkbeeldig vuur.

Na het rustige begin stookt de geweldige elektronische soundscape van François Caffenne dat op tot een wervelende dans, waarin Boussouf sprongetjes, pasjes, huppeltjes en drafjes (achteruit) aan elkaar rijgt. Soms is de beweging vrij, blij en ongeremd als hedendaagse Isadora’s, dan weer minimaal een repetitief en telkens stappen een of meerdere vrouwen uit de groep voor een expressieve solo waarin hun verschillende technische achtergronden herkenbaar zijn zonder dat ze uit de toon vallen. De een is soepel en subtiel, de ander scherp en schokkerig als een hiphopper. En altijd worden ze weer opgenomen in de draaikolk van beweging die nooit ophoudt.

Soms krijgt Fêu daardoor de ritualistische trance-kwaliteit die Boussouf beoogt, maar als geheel is de choreografie te fragmentarisch, het is vooral de ritmische stuwing van de muziek die een bedwelmend effect heeft. En hoewel ook qua structuur weinig verrassend, is Fêu toch een mooie voorstelling die uiteenlopende associaties oproept. Met de reeks ‘uitputtings- en trancevoorstellingen’ die de afgelopen tien, vijftien jaar de revue zijn gepasseerd (van Jan Martens, Christian Rizzo, Arno Schuitmaker en vele anderen) en – verder terug in de tijd – Krisztina de Châtels Föld met zijn ronde aarden wal, of Pina Bausch’ Frühlingsopfer.

Fêu is een soort spiegelbeeld van die laatste choreografie: de vaak repetitief voorover klappende bovenlichamen zijn dezelfde, maar de emoties tegengesteld. Waar de vrouwen bij Bausch doodsbang en gepijnigd leken, vertegenwoordigen ze bij Boussouf vreugde en vrijheid. Hun lange, losse haren die ze – in cirkels – laten rondzwieren, mogen gerust als bevrijding, en dus als politiek statement worden geïnterpreteerd.