Er valt iets op als je rondloopt op de wekelijkse markt in de Belgische stad Geel. Het kan zijn dat er iemand opeens hard roept. Of dat iemand je hand vastpakt om samen een rondje over de markt te lopen. Toch kijkt niemand op of om als zoiets gebeurt. Want hier maken zo’n honderd psychisch kwetsbare mensen onderdeel uit van een pleeggezin, niet voor een paar maanden of enkele jaren, maar decennialang.
De oorsprong van deze vorm van zorg ligt in de dertiende eeuw, toen in Geel een kerk werd gebouwd voor Sint Dimpna, beschermheilige van de geesteszieken. Bedevaarders trokken naar Geel op zoek naar genezing, zij vonden onderdak bij de plaatselijke bevolking. Nu, zeven eeuwen later, zit deze vorm van psychiatrische zorg verankerd in het dna van Geel. VN-organisatie Unesco heeft het psychiatrische zorgmodel erkend als immaterieel werelderfgoed.
De wekelijkse markt in Geel. Foto lvy Njiokiktjien
Josef (64, r) met zijn gastgezin: Liliane Peeters (63, m) en haar man Josef Vleugels (66, l). Foto llvy Njiokiktjien
Josef, Liliane Peeters en Josef Vleugels in de woonkamer nadat ze samen hebben gegeten in de keuken. Peeters kende het systeem van haar ouders en grootouders, die hun huis openstelden. Vleugels groeide op in een gezin waar kostgangers ook onderdeel van uitmaakten.Foto Ilvy Njiokiktjien
Fotograaf Ilvy Njiokiktjien bezocht in Geel gezinnen die hun deuren openden voor een extra familielid. Ze zag hoe vanzelfsprekend deze zorg voor hen is. OPZGeel is het psychiatrisch zorgcentrum dat de kostgangers begeleidt, dagbesteding biedt en de gezinnen aan iemand koppelt. „Wat me opviel: de pleeggezinnen krijgen, vanwege privacywetgeving, de diagnose van hun nieuwe gezinslid niet te horen. Dat vond ik heel bijzonder”, zegt Njiokiktjien. „De gastgezinnen zijn wel benieuwd naar de karaktertrekken of medicatie waar ze rekening mee moeten houden. Maar wat precies de diagnose is, daar zijn ze helemaal niet in geïnteresseerd.”
Heidi (71) woont bij Maria Dierckx. Ze wacht op de bus die haar naar de dagbesteding zal brengen. Foto Ilvy NjiokiktjienNjiokiktjien: „De bus was te laat en ik zag hoe Heidi steeds nerveuzer werd. Maria kwam naast haar zitten en Heidi werd meteen rustig. Toen de bus er eindelijk was stormde Heidi naar buiten, maar gaf Maria nog wel eerst een kus op haar wang.”Foto Ilvy Njiokiktjien
Uitzicht vanuit het OPZ (Openbaar Psychisch Zorgcentrum).Foto Ilvy NjiokiktjienKostganger Janina (64) is aan het tekenen in haar pleeggezin. Ze woont al sinds 2007 bij Ingrid Daems (53) en Hugo Vanopstal (69).Foto Ilvy Njiokiktjien
Maria Dierckx (l) en Heidi (r) in de keuken. Maria vertelde aan Njiokiktjien: „Toen mijn man nog leefde hadden we een eenvoudige taakverdeling. Zo deed ik bijvoorbeeld de afwas en hij droogde af. Nu wast Heidi af en laat mij drogen.”Foto lvy NjiokiktjienDe bewoners maken echt deel uit van het huishouden. Ze verdelen huishoudelijke taken en eten elke dag samen. Njiokiktjien: „Als je psychische zorg echt integreert in je dorp kan het op een hele laagdrempelige manier. Wat die mensen nodig hebben zijn eigenlijk maar drie dingen: aandacht, liefde en routine.”Foto Ilvy Njiokiktjien
„De gezinnen die ik bezocht waren allemaal verschillend. Sommigen hadden kinderen, anderen waren gepensioneerd, maar één ding hadden ze gemeen: deze mensen worden echt helemaal opgenomen in het gezin. Ze gaan mee naar verjaardagen, familiebezoek, soms zelfs op vakantie. Ooit werden er in Geel drieduizend mensen opgevangen. Toen was het heel gebruikelijk dat een pasgetrouwd stel nog voordat het kinderen had een psychisch kwetsbaar persoon opnam.” Inmiddels is het steeds lastiger om gastgezinnen te vinden en zijn het vaak mensen die net zijn gepensioneerd of van wie de kinderen onlangs zijn uitgevlogen.
Maar deze vorm van gezinsverpleging blijft vanzelfsprekend in Geel. „Ik sprak iemand in het museum en die zei: er wordt hier weinig verschil gemaakt tussen mensen met psychische bagage en zonder. We zijn inclusief zonder dat we het doorhebben.”
Luc (75) vertelde Ilvy Njiokiktjien dat hij net als iedereen geniet van vrijheid en „een geweldig leven” heeft in zijn pleeggezin. Foto Ilvy NjiokiktjienJanina (65, l) samen met Ingrid Daems (63, r). Janina woont al sinds 2007 bij het gezin. Ze hebben drie kinderen waarvan er nog een thuis woont. In het gezin woont nog een kostganger, Henri. Hij woont in een huisje in de tuin. Janina woont in het huis van haar pleeggezin.Foto Ilvy Njiokiktjien
Luc (75) in de deuropening van een schuur naast het huis van zijn pleeggezin.Foto Ilvy Njiokiktjien
Ann Peetermans (47) en kostganger Iosif (53) voeren de ezel in de achtertuin.Foto Ilvy Njiokiktjien
Janina (64, m) met Jana Vanopstal, de volwassen dochter en kleinkinderen van gastmoeder Ingrid Daems (63). Janina woont al sinds 2007 bij het gezin.Foto Ilvy Njiokiktjien
Hilda (65, l) kijkt hoe Maggy Vleugels (58, r) het avondeten opdient. Hilda woont in een kamer die speciaal aan het huis werd gebouwd.Foto lvy Njiokiktjien
Ann Peetermans (47, boven l) zit aan tafel met Iosif (53, boven r), Etty (71, onder l) en Luc (75, onder r) voor het avondeten. Peetermans neemt sinds 7 jaar psychisch zwakke mensen op in haar gezin. Peetermans vertelde Njiokiktjien: „Iedereen die hier woont voelt als een zoon of dochter voor me.”Foto Ilvy Njiokiktjien
Op 13 januari brak er een grote ijsschots (A84) af van de George VI ijsplaat, die aan de zijkant ligt van het schiereiland dat richting het noorden naar het puntje van Zuid-Amerika reikt. De onderzoekers van de Falkor, die toevallig in de buurt waren voor ander onderzoek, volgden hun nieuwsgierigheid. Op 25 januari bereikten ze de plek waar kort daarvoor nog een honderdvijftig meter dik pak ijs had gelegen.
Met een robotonderzeeër, de SuBastian, zochten ze acht dagen lang de ongerepte zeebodem af naar bijzonderheden.
Op jonge leeftijd verhuisde Xiaoxiao Xu (40) binnen China naar een andere stad met een nieuw dialect. Zeven jaar later reisde ze haar moeder achterna naar Nederland, waar ze weer een nieuwe taal moest leren. Xu worstelde er lange tijd mee hoe ze zichzelf moest uiten maar vond een manier in de fotografie. In 2009 studeerde ze af aan de Fotoacademie in Amsterdam, sindsdien werkt ze aan eigen projecten.
Door de verhuizing in China had Xu zich geïsoleerd gevoeld en een toevlucht gezocht in de wereld van Japanse manga. Toen ze in Nederland in 2022 voor de eerste keer een cosplay-conventie bezocht, zag ze, naast figuren uit bijvoorbeeld Star Wars en Breaking Bad, personages uit Japanse anime en manga. „Ik had gelijk een band met de bezoekers. Ik voelde me als een kind in een snoepwinkel”, vertelt ze. Voor haar nieuwe fotoboek This looks better irl: Exploring cosplay cons bezocht Xu in tweeënhalf jaar tijd meer dan dertig cosplay-bijeenkomsten in Nederland, België, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk. Ze werd er betoverd, zoals ze het zelf formuleert, door het gemeenschapsgevoel en de creatieve aandacht voor kleding, make-up en accessoires waarmee personages uit films, strips en games tot in detail worden uitgebeeld.
Op sociale media delen cosplayers geregeld het maakproces van hun outfit, waar ze soms maandenlang aan werken. Xu besloot naast eigen foto’s ook hun Instagram-screenshots in haar boek op te nemen.
Online laten deze cosplayers niet alleen hun creaties zien, maar ook hun onzekerheden en kwetsbaarheden, zegt ze. In het voorwoord schrijft ze: „Een groot deel van de cosplaygemeenschap is neurodivergent. […] Op sociale media delen ze hun gevoelens.” Zo vertelt een cosplayer op Instagram dat de therapie voor een angststoornis haar zwaar valt. Een ander geeft aan liever niet spontaan aangesproken te willen worden op een conventie, omdat dat te veel onverwachte prikkels geeft.
Xu: „Ik denk dat veel mensen moeite hebben om hun gevoel te uiten in taal. Met mijn fotoserie wil ik de eigenheid van cosplayers laten zien. Vaak worden ze weggezet als kinderlijk. Ze omarmen juist de vrijheid om zichzelf te zijn.”
Niet voor iedereen is cosplay overigens een toevluchtsoord, zegt ze. „Een groot deel vindt het gewoon leuk om te knutselen en creatief bezig te zijn. Om iets moois aan te trekken en naar een conventie te gaan.”
Vroeger was Willy Kling (73) timmerman en trainde hij de plaatselijke voetbaljeugd. Nu is hij met pensioen en traint hij waterslagers. Dat is een kanarieras dat speciaal voor de zang wordt gefokt, waar dan weer wedstrijden voor worden georganiseerd. Vanzelf gaat dat zingen niet: alleen de mannetjes doen het, en ook die brengen hun krachtige, gevarieerde, als klokkend en borrelend water klinkende lied alleen na een zorgvuldig uitgedacht trainingsregime.
Er is een jaarlijkse cyclus, die rond deze tijd van het jaar begint. De zang van de waterslager is deels erfelijk bepaald, dus de in het Gelderse Wijchen wonende Willy Kling en zijn vrouw (die „voor 200 procent” achter zijn hobby staat) koppelen een melodieus mannetje aan een vrouwtje, een ‘pop’, en dan hopen ze „dat daar weer toppers uitkomen”. Als ze vijf dagen oud zijn krijgen de jonge vogeltjes een voetring met daarop het kweeknummer dat Kling van de bond toebedeeld kreeg en een uniek nummer per dier.
In november, als ze een klein half jaar oud zijn, begint de zangles. In de volière laten de mannetjes zich dan al horen, maar nu gaan Kling en zijn vrouw ze ‘opkooien’, zoals dat heet: vier boven elkaar, elk in een eigen kooitje. Waterslagers beginnen te zingen als het licht wordt, dus hij zet ze in een volledig verduisterde ruimte waar hij met een lamp meerdere keren per dag een zonsopkomst veinst. En dan luisteren. Twaalf verschillende geluiden (‘toeren’) onderscheiden de experts: de klokkende, bollende en rollende waterslag moeten ze in het repertoire hebben, net als bijvoorbeeld het knorren, woeten, bellen en tjokken. Belangrijk is dat de onderste van de vier een brutaal knaapje is, niet bang het voortouw te nemen: waterslagers beginnen doorgaans te zingen zodra ze onder hen een soortgenoot horen.
Kling zit erbij en noteert. „Het mooiste”, zegt hij, „is als ze alle vier hetzelfde lied inzetten, dat het een zuiver in het gehoor liggend geheel is. Als er een met de knor begint en een ander met de klok, dan klinkt het niet.”
Hoe krijg je dat voor elkaar? Lachend: „Ja, dat is het uitzoeken van de liefhebber.” Het samenstellen van goed op elkaar ingespeelde kanarieteams helpt natuurlijk. En voedsel is belangrijk. Kling experimenteert met soorten voer, weegt het op de gram nauwkeurig. Anijszaad, bijvoorbeeld, is wat nootachtig, dat is heel goed voor de keeltjes. „Maar welk voer precies, en in welke hoeveelheden: dat is geheim. Daar ben ik járen mee bezig geweest.” Wat ook helpt is een strak ritme: niet de ene dag voeren om vijf uur en de volgende pas om zes uur. „Een mens moet regelmaat hebben, maar een vogel ook.”
Zo werkt hij toe naar de wedstrijden. Het Nederlands kampioenschap was de afgelopen jaren in Urk. Kling neemt altijd een wedstrijdselectie van 24 waterslagers mee; zes teams van vier, in houten koffers. De bedoeling is dat je ze daar aflevert, je mag er niet bij zijn als de keurmeesters naar het gezang van de deelnemende vogels luisteren en scores toekennen. Wel geeft Kling zijn eigen voer mee, en zelfs zijn eigen water. „Dat is gewoon kraanwater, maar wel van hier. In Wijchen is het water anders dan in Katwijk of Urk. Elke plaats heeft z’n eigen hardheid.” De kleinste verandering van spijs, zo gelooft hij, zou de zang van z’n vogels kunnen aantasten. Zo werd hij al meerdere keren Nederlands kampioen – en zelfs een keer wereldkampioen.
Foto’s Eveline van Elk
Op het laatste NK, afgelopen januari, heeft hij „wel goed gedraaid, laat ik het zo zeggen”. Er zijn meerdere categorieën: een voor het kwartet vogels boven elkaar, een voor duo’s, een voor enkelingen. Hij kwam thuis met respectievelijk de tweede, derde en tweede plaats. Tevreden? „Jah, ik ben ergens wel blij, maar toch, toch.” Bij meerdere andere zangwedstrijden ging hij dit jaar naar huis met de prijs voor ‘meesterzanger’: die is voor de vogel die van alle 250 tot 300 die meededen het mooist zong. Van prijzengeld is overigens geen sprake; Kling en andere deelnemers doen het voor de eer.
Foto Eveline van Elk
De vogels gaan na de wedstrijd weer naar de volière; sowieso zitten ze nooit langer dan twee, drie dagen achtereen in het kleinere kooitje, zegt hij. Na zo’n cyclus gaan ze naar een opkoper, die ze naar onder meer het Midden-Oosten en Vietnam vervoert. „Schijnbaar willen die mensen daar ze in huis hebben.”
Er zijn steeds minder mensen die dit doen, zangkanaries kweken en leren zingen. Met duizenden waren ze in de jaren vijftig, nu is Willy Kling een van de weinigen die er nog elke dag mee bezig is.
Ja, elke dag, benadrukt hij, maar niet de héle dag. „Je kunt wel eindeloos bij die kooien gaan liggen hangen, maar dat vinden die vogels ook niet leuk.”