Februari 2024
‘Ik wil laten zien hoe grooming eruitziet”, zegt Ankie van Kasteren (28). Ze pakt een map uit haar tas en haalt daar een stapeltje papieren kaartjes uit. Een voor een legt ze de kaartjes op de lange gele tafel. Aan die tafel zitten zes andere kunstenaars.
Op elk kaartje heeft Van Kasteren een meisje getekend. Eentje met een jurk aan en een hand in de zij, eentje met een rokje die haar twee staartjes vasthoudt. Wat steeds niet te zien is: huid. De blote delen heeft ze uit de tekening geknipt.
„Hier ben ik nog volledig gekleed”, op de eerste kaart heeft ze alleen haar gezicht en handen uitgeknipt, „en hier ben ik in m’n ondergoed”, bijna het hele lichaam is eruit geknipt, behalve het onderbroekje.
„Je hebt eerst niet door wat je ziet”, zegt Van Kasteren, die geblondeerd haar heeft en een sjaal met panterprint heeft omgeslagen. „Precies dus zoals bij grooming.” Ze vertelt het droogjes, maar heeft rode wangen.
Een familievriend begon foto’s van haar te maken toen ze net elf was. Die foto’s heeft ze overigens gewoon: de familievriend brandde ze op een cd en gaf die aan haar ouders. Die herkenden niet direct wat er speelde. Ze hadden ook geen idee dat hij tijdens de shoots aan haar zat.
„Waarom heb je niet de echte foto’s gebruikt?”, vraagt Mieke Hessels (67), van wie het atelier is waar de kunstenaars zitten. „Te confronterend?”
„Ik ben bang dat we perverts aantrekken op de tentoonstelling”, zegt Van Kasteren.
„De foto’s kunnen ook te expliciet zijn”, zegt Alma Mathijsen (40). „Ik vind deze tekeningen al intens.”
Jan Hoek (41) pakt een van de tekeningen op en houdt hem omhoog. „Ik vind ze zó goed”, zegt hij. „Misschien moet je ze voor de tentoonstelling zo groot opblazen dat ze van de vloer tot het plafond reiken.”

Sweet Little Baby Bird (2024) Ankie van Kasteren was elf toen een familievriend expliciete foto’s van haar maakte.
Sexually Abused Artists Collective, heten ze. SAAC. Een groep van zo’n twintig kunstenaars die op minderjarige leeftijd seksueel misbruik hebben meegemaakt of daar getuige van zijn geweest. Over die ervaringen maken ze kunst. Ze fotograferen, schilderen, schrijven, borduren, maken keramiek. Sommigen zijn net afgestudeerd, anderen hebben al een hele carrière achter de rug.
Sinds 2021 komen ze maandelijks bij elkaar. Ze laten zien wat ze hebben gemaakt en geven feedback op elkaars werk. Soms vertelt iemand erbij wat-ie vroeger heeft meegemaakt, maar vaak niet, en niet in detail. Nooit is iedereen aanwezig. Altijd heeft iemand wel traumatherapie of kan iemand de bijeenkomsten even niet aan.
Drie jaar lang opereerden ze in veilige stilte, maar die tijd is voorbij. Met museum Het Nieuwe Domein in Sittard hebben ze een datum geprikt voor een tentoonstelling. Vanaf februari 2024 kijkt NRC mee tijdens de bijeenkomsten.
Mieke Hessels heeft daarnaast nog een sterke wens, zegt ze bij die bijeenkomst in februari: „Bel alsjeblieft geen expert in seksueel misbruik voor je artikel. Laat de academische wereld niet over ons praten. Het gaat om de kunst.”
„We willen ons narratief terugclaimen”, zegt Jan Hoek naast haar aan tafel.
„Wij zijn het eerste kunstenaarscollectief rond dit onderwerp”, zegt Alma Mathijsen.
„Bizar, hè”, zegt Fiona Broese van Groenou (63). „Nu pas!”
Mathijsen: „Maar we kunnen uitgroeien tot een hele beweging.”
Kinderhemdjes
„Laten we over spermalampen praten!” Mieke Hessels staat op van de lange tafel en wijst naar de stellingkasten in haar atelier, tevens woonkamer, en in de ruimte ernaast, haar slaapkamer. „Ik heb er 97.” Ze loopt naar een van de kasten en pakt een spermalamp op, gemaakt van lange slierten lijm die zijn gestold in de vorm van een lampenkap. Het lijkt niks te wegen.
„Ik ben ook maagdenvliezen aan het maken”, zegt Hessels, en ze pakt een plastic vormpje van de werktafel. „Maar deze lijken een beetje op meringues, niet?” Dan, ineens ongemakkelijk: „Beetje voor de hand liggend ook. Misschien gooi ik ze wel weg. Oké, volgende!”
„Neeeee!”, roept de groep, die even sprakeloos was.
„Jij vindt het misschien voor de hand liggend, omdat jij weet wat het voorstelt”, zegt Jan Hoek.
„We moeten hiermee een hele kamer vol zetten!”, roept Alma Mathijsen uit.
„Wat ik er zo leuk aan vindt”, zegt Hessels, „is dat ze me geen drol kosten. Ik kan er nog driehonderd van maken. Ze gaan ook niet kapot. En ze ademen materialiteit, net als al dat geneuk.”
Hessels heeft ook nog witte kinderhemdjes in lijm gedoopt en een beetje gekreukt laten opdrogen. Niet zoals aan een waslijn, „want kinderen die zijn verkracht worden als vuile was op de vloer achtergelaten”. Als ze een verlijmd hemdje voor een lamp houdt, worden de kanten randjes en geborduurde bloemetjes goed zichtbaar. „Voor als we mensen willen wegjagen”, zegt Hessels snel. „Oké, volgende!”
„Neeeee”, zegt de groep weer.
„Sorry, ik haal mezelf altijd naar beneden”, zegt ze. Er staan tranen in haar ogen. „Ik vind het zo fijn om het te kunnen laten zien, omdat we nu in mijn huis zijn.” Dan steekt ze haar kin in de lucht en veegt ze haar tranen weg. „Bah, al dat gejank.”
De kunstacademie is „de redding geweest van mijn bestaan”, zegt Mieke Hessels later aan de telefoon. „Ik had m’n godganse leven in de ggz rondgedoold zijnde knettergek, totdat ik me afvroeg: wat had ik gedaan als ik niet zo’n jeugd had gehad?” Op haar 58ste meldde ze zich aan bij de KABK in Den Haag en ze werd tot haar verbazing aangenomen.

Hessels is op jonge leeftijd jarenlang verkracht, mishandeld en verwaarloosd. „Ik ben toen zoveel verloren, dat haal je nooit meer in. Ik heb m’n hele leven niks gedaan.” Ze is dakloos geweest en heeft in de gevangenis gezeten. De kunstacademie heeft haar „een klein beetje geheeld”. „Maar ik kan alleen maar werk maken over het misbruik, en de gekte die dat bij mij heeft veroorzaakt. Het is het enige wat ik heb meegemaakt.”
SAAC ervaart Hessels als „de enige plek ter wereld waar niet van je verwacht wordt dat je normaal doet”. Dat is wél het doel van de meeste therapieën, zegt ze, dat je normaal wordt. „Maar wij zeggen tegen elkaar: we zijn een andere soort geworden.”
Zonder SAAC had ze na haar kunstacademie niets meer ondernomen. „Ik kan mezelf niet verkopen.” Of ze naar de opening van de tentoonstelling durft, weet ze ook nog niet. Ze is gediagnosticeerd met DIS, dissociatieve identiteitsstoornis, waardoor ze soms wisselt van persoonlijkheid. „De ene helft vindt het leuk en spannend, de andere helft een gruwel.”
Voor de tentoonstelling maakt ze een „requiem voor een kind”. Het moet van een „hartverscheurende schoonheid” zijn, niet een soort „rape – the experience”. „Ik wil niet een aanvallend kunstwerk maken, want dan ben ik de dader aan de muur.”
Maart 2024
„Kijk dat is Jan, als kind.”
„Kijk, daar hangt Alma.”
SAAC is neergestreken in het compacte atelier van FBVG, de kunstenaarsnaam van Fiona Broese van Groenou – elke bijeenkomst vindt plaats bij een andere kunstenaar. In het atelier kijken tientallen misbruikte mensen je aan. De muren hangen er vol mee. FBVG begon met het schilderen van verkrachte vrouwen in 2009 toen ze in de krant – ze werkt als vormgever voor NRC – een foto zag van een Pakistaanse vrouw die door een groep mannen was verkracht. Ze schilderde haar na. Sindsdien doet ze dat steeds als een verkrachte vrouw in het nieuws komt. In 2020 stelde ze 38 Faces of Rape tentoon in Amsterdam. Daarna begon ze ook verkrachte mannen te schilderen, en de leden van SAAC.
Ze is zelf nummer 26. FBVG werd verkracht op haar vijftiende. Haar onderlichaam werd toen gestolen, zegt ze. Dat onderlichaam maakt ze nu in veelvoud, in keramiek, in groottes van 6 tot 81 centimeter. Ze noemt ze ‘monumenten’. In haar wildste dromen staan ze later overal ter wereld op vensterbanken van mensen die zijn misbruikt. Ze wil ook een versie van zeven meter maken als buitenkunstwerk, waar mensen onderdoor kunnen lopen en zo naar de beschadigde delen kunnen kijken.
Enkele prototypes staan in de vensterbank van het atelier. „Ze hebben iets kwetsbaars”, zegt Ronald Ophuis. „Al vind ik de benen nog iets te massief.” Ophuis (56) is zenuwachtig, zal hij later vertellen, het is zijn eerste bijeenkomst van SAAC. Hij werd in de jaren negentig bekend met schilderijen van gruwelijke taferelen als verkrachtingen, martelingen en concentratiekampen. Dat hij zelf seksueel misbruikt is als kind, weten maar een paar mensen.
Hij is meegenomen door Papa Oyeyemi (33), een modeontwerper die enkele jaren geleden uit Nigeria is gekomen. Daar is hij door veel mannen misbruikt. Nu woont hij in een huisje in de tuin van Ophuis en zijn vrouw. Daar organiseert hij met zijn modelabel Maxivive ‘salons’: intieme lanceringen van kleine kledingcollecties. Hij maakt nu ook kleding met tekeningen van leden van SAAC erop.
Zoals van degene die nu met petje op stilletjes aan de kop van de tafel zit te tekenen. Zijn ouders weten niets van zijn verhaal, zegt hij. Hij denkt dat zijn moeder vooral heel hard zou moeten huilen.
We moeten de realiteit tonen maar mensen zich niet kut laten voelen
„Moeders huilen vaak, vaders reageren vaak agressief”, zegt Ronald Ophuis. „Dat is niet goed. Dan denken kinderen dat ze de oorzaak zijn van de pijn. Het is een vorm van victimblaming.”
Papa Oyeyemi: „Ze huilt in jouw plaats.”
Jan Hoek: „Het is ook een natuurlijke reactie.”
FBVG: „Ik zou ook huilen.”
Oyeyemi: „Het maakt het wel moeilijker om te vertellen.”
Alma Mathijsen: „Mijn moeder zegt nog steeds: als ik weet wie het is, vermoord ik hem. Oké, maar dan zeg ik dus niet wie het is!”
Hoek: „Dat is iets anders: dat is ingrijpen in je leven.”
Ankie van Kasteren pakt weer kaartjes uit haar tas. „Dus ik ontmoette een fotograaf op m’n elfde…” In rap tempo vertelt ze nog eens het verhaal voor de mensen die het nog niet hadden gehoord.
„O! Zijn dit de echte foto’s?”, vraagt Alma Mathijsen verrast.
„Ja”, zegt Van Kasteren. De blote huid heeft ze nog steeds weggeknipt.
„Dit werkt goed”, zegt Mathijsen. „Ik zie een tafel voor me met deze foto’s. Alsof je een model uitkiest bij een casting.” Van Kasteren is model. „Ik wil ze midden in de zaal hangen, zodat je eromheen kan lopen.”
„Je kan ze ook levensgroot uitprinten”, probeert Jan Hoek nog een keer. „Gewoon, als experiment?”
Diep weggestopt
Jan Hoek begon het collectief nadat hij in een interview in NRC in 2021 had verteld over zijn misbruikverleden. Hij vertelde dat hij een paar jaar eerder een verklaring had gevonden voor zijn gedrag als tiener, toen hij, soms voor geld, mannen aftrok in het park.
Hij vermoedt dat dat een reactie was op het misbruik dat hij als peuter heeft meegemaakt door een crècheleider. Dat kan hij zich niet echt herinneren, hooguit dat hij soms als enige binnen mocht blijven. Enkele jaren geleden kwam hij erachter dat de crècheleider is ontslagen toen bekend werd dat hij pedoseksueel was.
Hoek had van tevoren niet bedacht om in dat interview ‘uit de kast’ te komen, „maar ik zeg gewoon alles als ik praat”, zegt Hoek. Eigenlijk ging het interview over zijn werk, toch was het het juiste moment, zegt hij. „Ik kwam zo niet naar buiten als: ik ben Jan en ik heb seksueel misbruik meegemaakt. Maar als: ik ben Jan, ik ben kunstenaar, ik ben fotograaf en ik heb seksueel misbruik meegemaakt.”
Het luchtte hem op. „Ik had mijn ervaringen zó diep weggestopt dat ik niet meer wist of ze wel hadden plaatsgevonden. Maar door het interview bestond het verhaal ook buiten mij en was het aan anderen wat ze ermee doen.” Vlak daarna zag hij het werk van Mieke Hessels op de eindejaarstentoonstelling van de KABK in Den Haag, over haar incestverleden op jonge leeftijd. „Ik was zo onder de indruk dat ik haar gelijk heb verteld dat ik een collectief wilde beginnen.”
Hij had inmiddels goede ervaringen met een praatgroep van Slachtofferhulp, ook al voelt hij weerzin bij het woord ‘slachtoffer’ én bij het woord ‘hulp’. Voorheen dacht hij dat hij een perverse seksuele voorkeur had, door de praatgroep leerde hij dat hij zich niet hoeft te schamen. Al bleef het wel bij praten. „Ik wilde een groep waar je een paar stappen verder mee kan gaan.”
Hij vroeg Alma Mathijsen erbij, die hij al lang kende, en Ted van Lieshout, die hij niet zo goed kende maar die wel enkele boeken had geschreven over zijn relatie als 11-jarige met een volwassen man. En hij deed een oproepje op Instagram. Voorwaarde voor deelname aan het collectief is dat je een maker bent en als minderjarige misbruik hebt meegemaakt.
April 2024
„Hoe willen we het allemaal gaan samenbrengen in het museum?”, vraagt Rebecca Simons (44) aan de groep. Ze is fotograaf en kunstdocent, en de meest georganiseerde van het collectief. Ze heeft bijna altijd een laptop voor zich. „Weet iedereen wat ze willen tentoonstellen? Kunnen we daar vandaag over praten?”
Ze zijn dit keer in het atelier van Jan Hoek. De tafel ligt, zoals bij elke SAAC-bijeenkomst, vol met comfortfood: koekjes, sushi, nootjes.
„We hebben inderdaad een structuur nodig, anders wordt de bezoeker overdonderd”, zegt Alma Mathijsen.
„Er komt steeds meer druk op ons te staan”, zegt Jan Hoek.
„Eens”, zegt Mieke Hessels, die erbij is via een videoverbinding omdat ze van de trap gevallen is. „De kunst moet de wereld in. We moeten niet te veel meer praten.”
Opnieuw is er een nieuw lid bij: een jonge Italiaanse performer, met rode lippenstift en donkere krullen. „Ben je zenuwachtig?”, vraagt Jan Hoek. „Een beetje”, zegt ze. „Ik heb nooit over mijn ervaringen gesproken, en nu ben ik ineens omgeven met mensen die hetzelfde hebben meegemaakt.”
Opnieuw zit iemand stilletjes te tekenen. „Ik teken omdat ik zenuwachtig ben”, verklaart Valentijn Hoogenkamp (38) zich, schrijver van onder meer Antiboy (2022). Hij heeft net een mooie zin opgevangen, ‘It’s very fucked up but it’s normal’, en die verschijnt nu langzaam in dikke letters op zijn schetsboek.
„Ik vind dat Onderland een mooie structuur biedt voor de tentoonstelling”, zegt Hoogenkamp. Dat is het nieuwe boek dat Alma Mathijsen, dat over een maand zal uitkomen. Voor de nieuwe leden vat ze het samen: „Iemand valt door haar bed en ontmoet negen mensen die allemaal hun eigen copingmechanisme hebben door een traumatische gebeurtenis. Ze hebben zich omringd met gruwelijke herinneringen, maar zijn er niet bang voor.”

Schrijver Valentijn Hoogenkamp schildert zijn ervaringen op een muur van het museum.
„Ik zie mijzelf niet als iemand met copingmechanismen”, zegt de Argentijnse kunstenaar Josefina Di Cesare (39).
De discussie gaat alle kanten op. Moet er een educatieve folder komen? „We hebben een verantwoordelijkheid naar het publiek toe.” Een adviesleeftijd? Misschien een ‘trigger warning’?
„We moeten balanceren tussen de realiteit laten zien en mensen zich niet kut laten voelen”, zegt de Italiaanse performer. „Misschien moeten we een ruimte maken waar mensen kunnen napraten.”
Hoek: „We kunnen daar boeken neerleggen die ons inspireerden.”
„En veel koekjes”, zegt Alma Mathijsen.
„Misschien toch geen educatieve folder”, zegt Hessels. „Die liggen al overal in Nederland. Kun je de Google Drive openen op je laptop, Rebecca?”
„Heb je weer iets nieuws gemaakt?”, vraagt Rebecca Simons.
„Ja, maar het is niet heel belangrijk. Het gaat over het maagdenvlies. Ik heb ze op pinnen gespiest. Met tutu’s en spermalampen eromheen. Het heeft iets griezeligs, maar ook moois.”
Valentijn Hoogenkamp kijkt op van zijn schetsboek. Zijn ogen worden groot en op zijn gezicht verschijnt een brede grijns. „Een ballet van spermalampen?”
„Ik wil deze de rest van m’n leven maken, want er zijn miljoenen verkrachte kinderen”, zegt Hessels. „Willen jullie meewerken met de spiezen? Dan heb ik van iedereen jullie lengte nodig van wanneer jullie waren verkracht.”
„Jaaa”, jubelt Jan Hoek, die vermoedt dat hij misbruikt is op de crèche. „Dan krijg je een heel kleine van mij!”
Slapeloze nacht
Twintig beschadigde mensen zonder professionele begeleiding in één ruimte zetten, is dat niet vragen om problemen? „Vanaf het begin hebben we gezegd dat we geen verantwoordelijkheid kunnen dragen voor ieders welzijn”, zegt Jan Hoek. „Ik denk wel dat de bijeenkomsten helend kunnen zijn voor mensen, maar dat is geen garantie, of het doel. Voor sommige mensen was het juist triggerend. Maar als je seksueel misbruik hebt meegemaakt, kan je door alles wel een terugval krijgen.”
Moeders huilen vaak, vaders reageren vaak agressief
Bij sommigen kan één woord, zoals ‘slachtoffer’ of ‘verkrachting’, al verkeerd vallen. Sommigen vonden het moeilijk dat er om de haverklap nieuwe leden aansloten aan wie ze moesten wennen. Sommigen hadden een slapeloze nacht na een bijeenkomst.
Levi Jacobs (31) vond het fijner toen de groep nog klein was. „Ik word zenuwachtig van grote groepen.” Ted van Lieshout (69) vond dat de bijeenkomsten af en toe te veel op therapie gingen lijken. Hij wil dat het over de kunst gaat. „Eén keer ben ik weggelopen in een discussie over de appgroep: die mocht van mij wel wat zakelijker.” Van Lieshout heeft zijn verleden goeddeels verwerkt. „Ik vind het bijzonder om te verkeren in een gezelschap van mensen die in andere fases verkeren. Dat betekent wel dat ik soms moet uitkijken met wat ik zeg.”
Een ander precair moment was toen documentairemaker Sunny Bergman, toen lid van SAAC, misschien een film wilde maken over de groep. Een paar mensen voelden zich daardoor overvallen.
In het begin was er nog wel discussie of er een therapeut bij moest zitten, maar dat hebben ze bewust niet gedaan. Veel SAAC-leden hebben geen goede ervaring met therapeuten.
Waarom het collectief tot nu toe wél heeft gewerkt? „Ik denk omdat we allemaal van elkaar weten dat we geknakte zielen zijn”, zegt Jan Hoek. „Iedereen weet van elkaar waarom ze daar zitten. We kunnen ook veel meer hebben dan andere mensen, we kunnen er grapjes over maken. Op een familiefeest valt het dan toch stil.”
Anderen dichten een grote rol toe aan Jan Hoek. Hij kan goed boven meningsverschillen uitstijgen, zegt er een. Hij is een ster in het benoemen wat er speelt, geeft mensen de ruimte, en kan ze toch afkappen. Hij behoudt de rust en houdt het grotere doel in de gaten.
En veel mensen noemen SAAC wel degelijk „helend”. Beeldend kunstenaar Sanna Martha heeft de ervaring dat studenten op de academie werden ontmoedigd om dit soort persoonlijke thema’s te onderzoeken. „Expliciet met dit thema aan de slag gaan is bevrijdend, omdat je niets meer hoeft weg te houden van je artistieke praktijk.” De tekenaar met het petje leerde om autobiografisch werk te maken. Dat dat niet werd afgewezen, was helend.
„Door de verhalen van anderen, over misbruik in hun kindertijd bijvoorbeeld, worstelde ik met de vraag: hoe erg is het nou wat ik heb meegemaakt?”, zegt Sunny Bergman, die SAAC na een paar bijeenkomsten heeft verlaten omdat ze het te zwaar vond. Vanaf haar 17de heeft ze zich een paar keer gedwongen gevoeld tot seks. Zo was ze eens te dronken om consent te geven. „Maar iemand van de groep zei: je moet leed niet vergelijken, iedereen heeft zijn eigen ‘erg’. Dat vond ik leerzaam.”
„SAAC is voor mij zoiets groots”, zegt Alma Mathijsen, die bijna altijd bij de bijeenkomsten is. „Als ik daar ben, voelt het alsof ik in een ander land ben. Een land waar ik niet vreemd ben.”
Heb ik wel zin om elke maand terug te gaan naar dat ene nare moment, vroeg ze zich af voorafgaand aan de eerste SAAC-bijeenkomst. „Maar ik merkte dat je er soms aandacht aan moet geven. Op welke manier dan ook. Anders staat opeens een achtkoppig monster naast je bed. Ik durf nu het woord verkrachting te gebruiken. Dat komt echt door hen. En ik krijg niet meer gelijk een paniekaanval als op tv er iets over voorbijkomt.”
Juni 2024
Het is warm in de studio van Jan Hoek, die een plat dak heeft en grote ramen met uitzicht op het IJ. Er zijn mango-ijsjes en watermeloenen. De meegebrachte chocola smelt.
Papa Oyeyemi heeft wat samples meegenomen van zijn kleding met daarop illustraties van Alma Mathijsen. Als Oyeyemi ze omhooghoudt, slaat ze haar handen tegen haar wangen. „Oh my god”, zegt ze. „Misschien kan je de kleding verkopen in de museumwinkel”, zegt Jan Hoek.
Ronald Ophuis, zijn schoenen bedekt met verfvlekken, laat voor het eerst werk zien. Zijn laptop gaat rond. Op het scherm is een schilderij te zien dat hij al in 1995 maakte. Een jongen wordt in een kleedkamer vastgehouden door drie jongens in voetbalkleding. Ze steken een Coca-Cola-fles tussen zijn billen.
„Bedoel je dat dat bij jou is gebeurd?”, vraagt Mathijsen.
„Ja.”
„Jezus.”
De rest kijkt onbewogen.
Kwaad
Voorheen liet Ronald Ophuis in het midden of hij de scène met de colafles zelf had meegemaakt. „Ik was bang dat mensen mijn werk alleen door de lens van het slachtoffer zouden gaan zien. Dat ze zouden zeggen: val ons niet lastig, ga in therapie. En principieel vind ik dat je niet ervaringsdeskundige hoeft te zijn om ergens werk over te kunnen maken.”
Bij zijn eerste bezoek aan SAAC in maart werd hij kwaad, zegt Ophuis. „Ik voelde me gedwongen. Omdat een man mij te grazen heeft genomen, zat ik daar.” Die man, daarmee bedoelt hij niet de voetbaljongens, maar een man die hem meermaals seksueel misbruikte op de plek waar hij vaak ging zwemmen toen hij op de middelbare school zat.
Toen in de jaren negentig seksueel misbruik zo naar boven kwam in zijn werk, dacht hij: goh, misschien moet ik er eens met iemand over praten. De huisarts „werd alleen maar kwaad op de dader”, zegt hij. „Dus probeerde ik via kunst de stilte en schaamte te doorbreken.”
Bedoel je dat dat bij jou is gebeurd? Jezus
Lang ging het goed met hem, tot een paar jaar geleden. „Ik zou gastdocent worden aan een kunstacademie, maar toen kreeg het management een e-mail van een aantal studenten die zich daartegen verzetten omdat ik schilder over seksueel misbruik. Ik was verontwaardigd en verdrietig: ik werd in een hoek gezet waar ik niet thuishoor.”
Toen werd hij ziek. Hij kreeg herbelevingen. Hij vermeed mensen, bang om studenten tegen te komen op straat. Uiteindelijk annuleerde hij zijn gastdocentschap en ging hij in therapie. De therapeut, gespecialiseerd in seksueel misbruik, zei dat er sprake was geweest van victimblaming en constateerde PTSS.
Vrij snel daarna nodigde Papa Oyeyemi hem uit voor SAAC. Het hielp: hij durft zich weer vrij tussen de mensen te begeven. „Het is leerzaam om te zien hoe andere kunstenaars omgaan met seksueel misbruik”, zegt Ophuis. „De leden van SAAC hebben mede mijn leven gered.”
Augustus 2024
Aan de lange marmeren tafel van Valentijn Hoogenkamp moet hoognodig een titel voor de tentoonstelling worden bedacht. Jan Hoek waarschuwt voorafgaand aan de brainstorm maar vast: „Geen enkele naam zal perfect zijn voor iedereen.”
Hoogenkamp vindt de titel geschikt van de film die Jan Hoek heeft gemaakt, over een man die hij in het park aftrok: I think you did something to me and now it’s in everything I see and do.
Een andere optie staat op het shirt dat Hoek draagt en Papa Oyeyemi voor hem heeft ontworpen. ‘The Revenge of the Children’ staat erop, ook een tekst van Hoek. Op het shirt staat een kind dat een bebloed mes vasthoudt.
„Ik zou het heel, heel, heel, héél leuk vinden als dat de titel van de tentoonstelling wordt”, zegt Alma Mathijsen.
„Maar het voelt niet of ik wraak neem”, zegt de tekenaar met het petje.
Ted van Lieshout is ook tegen. „We maken kunst, we nemen geen wraak.”
Iemand oppert In praise of risk, maar „dat klinkt alsof ík een risico heb genomen”, werpt Hoogenkamp tegen.
Er wordt gestemd. Met handopsteken, en in een poll in de appgroep voor de mensen die er niet bij zijn. Het wordt I think you did something to me and now it’s in everything I see and do. Er wordt gejuicht en geklapt.
Januari 2025
„Het is best een dilemma geweest, laat ik daar eerlijk over zijn”, zegt Noëlle Kemmerling, gastcurator bij Het Nieuwe Domein. „Zestien kunstenaars die werk maken over seksueel misbruik: dat is nogal wat voor de bezoeker.” In hoeverre moet je die begeleiden?
Het museum was het met het collectief eens dat de tentoonstelling geen ggz-sausje moest krijgen. Wel hebben ze contact gelegd met orthopedagoog en gedragswetenschapper Sanne Eggen, die museummedewerkers traint op vragen die ze kunnen verwachten. En bij wie medewerkers zelf terechtkunnen. Eggen zal ook ‘tafelsessies’ organiseren, waarbij bezoekers na de tentoonstelling in gesprek kunnen met leden van SAAC.
Het Nieuwe Domein heeft net een nieuwe koers uitgezet, vertelt zakelijk en artistiek leider Mijke Harst. „We willen maatschappelijke thema’s agenderen, door eerst te onderzoeken wat er leeft binnen gemeenschappen en dan kunstenaars uit te nodigen daarop te reflecteren.”

„SAAC doet dat”, zegt curator Kemmerling. „Op een onderwerp waar in het katholieke zuiden minder over gesproken wordt dan in de Randstad.” Harst: „We hebben met SAAC besproken: hoe mooi zou het zijn als we een SAAC Sittard zouden kunnen beginnen? Dat hoeft niet in precies deze vorm, dat kan ook een muziekgezelschap zijn bijvoorbeeld.”
Een deel van het werk van de SAAC „is nog niet helemaal uitgekristalliseerd”, zegt Kemmerling. Dat tentoonstellen in een museum was voor haar nogal een stap. „Maar we gaan niet zeggen: je mag je werk niet tonen, want je moet het in z’n geheel zien. Deze tentoonstelling gaat over de waarde van een collectief.”
Het spannendste
Ja, voor sommige leden van SAAC is de aanstaande tentoonstelling spannend. Omdat ze voor het eerst naar buiten komen met hun verhaal of nog nooit aan een tentoonstelling hebben meegewerkt. Ze zijn benieuwd naar de reacties van het publiek, en of hun werk wel goed overkomt. Beeldend kunstenaar Sanna Martha trok zich terug, en toen weer niet. Mieke Hessels is al twee maanden met haar therapeut bezig om überhaupt naar de opening te durven komen.
De meesten missen de bijeenkomsten die ze hadden toen ze nog niet aan de tentoonstelling werkten. Toen iedereen nog kwam aanzetten met nieuw werk en ze nog lekker hun chaotische zelf konden zijn. „We missen het om dingen te maken”, zegt Valentijn Hoogenkamp.
Hij heeft zijn familie onlangs verteld dat hij in een tentoonstelling zit over seksueel misbruik. „Dat was het spannendste.” Hij gaat wat hij heeft meegemaakt op zijn negende, veertiende en negentiende „redelijk expliciet” op een muur van het museum schrijven.
De schaamte moet maar eens van kant wisselen, heeft hij geleerd van SAAC, én van Gisèle Pelicot, de Franse vrouw die, gedrogeerd door haar man, door tientallen mannen werd verkracht. Pelicot besloot de rechtszaak niet achter gesloten deuren te laten plaatsvinden.
Februari 2025
Daar hangt de 11-jarige Ankie van Kasteren. Meerdere keren, naast elkaar in Het Nieuwe Domein, met steeds minder kleren aan. Uit de foto’s is niets weggeknipt.
Toen ze zich drie jaar geleden bij SAAC aansloot, dacht ze niet dat ze werk over zichzelf zou maken. „Ik had nog nooit met vreemden over mijn ervaringen gesproken.” Ze stopte haar persoonlijke ervaringen weg, zegt ze, „waardoor ik vage klachten kreeg waar ik veel last van had”.
Dat veranderde door SAAC. Ze vond de foto’s eerst supermoeilijk om te zien. „Toen ik ze ging natekenen zag ik kinderbeentjes en tandjes die nog niet waren doorgekomen.” Maar door dat natekenen durfde ze ook stap voor stap de foto’s te zien. Afgelopen juni studeerde ze af aan de KABK met het grooming-project. Niet met tekeningen, maar met de foto’s, zonder gaten erin. Ze verbeeldt een fotostudio met een rol achtergrond-doek. „Zo neem ik je mee naar plaats delict.” Voordat de deuren openden van de afstudeervoorstelling gaf ze haar ouders een preview.
Ze mocht haar project opnieuw tentoonstellen op de Dutch Design Week in Eindhoven omdat ze was genomineerd voor een prijs. Dat voelde als haar grote coming-out, omdat ze uit de omgeving van Eindhoven komt. „Daar waren ook mensen die mij van vroeger kenden.” SAAC heeft haar geleerd dat ze zich nergens voor hoeft te schamen: „Je kan het bij wijze van spreken aan de muur hangen, en er gebeurt niks ergs.”
