Gedrag veranderen? Begin niet bij de mens, maar bij zijn omgeving

Welke aanpak werkt het beste als je menselijk gedrag wilt veranderen? Een recent overzichtsartikel in Nature, van Albarracín, Fayaz-Farkhad en Granados Samayoa, zet allerlei mogelijkheden en hun effectiviteit op een rijtje.

De mens

Op basis van bestaande theorieën onderscheiden de onderzoekers verschillende factoren die invloed hebben op gedrag. Denk aan kennis (bijvoorbeeld: meer dan de helft van de werkende Nederlanders heeft een zittend beroep) en overtuigingen (langdurig zitten lijkt me slecht voor mijn hart). Andere factoren zijn: algemene attitudes (bewegen is goed voor mensen) en attitudes ten opzichte van specifiek gedrag (ik vind wandelen een fijne vorm van beweging).

Ook zijn emoties van invloed (ik word blij als ik denk aan een wandeling), maar ook algemene vaardigheden (ik ben goed in plannen), specifieke vaardigheden (ik ben goed in het uitzetten van mooie wandelroutes) en gewoonten (ik wandel elke ochtend).

Wie gedrag wil veranderen, kan zijn interventies het beste richten op gewoonten, specifieke gedragsattitudes en specifieke vaardigheden. Bespreek bijvoorbeeld met elkaar de voordelen van timemanagement, doe samen een cursus slim agendabeheer en koppel het nieuwe gedrag aan een vast moment, zodat het een gewoonte wordt. Neem aan het einde van elke vergadering vijf minuten om alle gemaakte afspraken in de agenda’s te noteren.

De omgeving

Naast deze gedragsbepalers die in de mens zelf liggen, heeft ook de sociale en fysieke omgeving invloed. In het onderzoek worden de volgende determinanten benoemd: een injunctieve of voorgeschreven norm (bijna alle artsen vinden dat we meer moeten bewegen), een descriptieve norm (maar in de praktijk bewegen we veel te weinig), en regels en beleid (werkgevers in de bouw hanteren strenge veiligheidsvoorschriften).

Andere determinanten betreffen de betrouwbaarheid van instituties (die werkgevers doen dat met de beste bedoelingen), materiële beloningen (wie zich houdt aan de regels, krijgt een bonus) en sociale steun (mijn teamleider en collega’s helpen me hierbij). Ook van invloed zijn het aanbod van eenvoudige toegang en standaardopties (iedereen op het werk krijgt een zit-stabureau), monitoring en herinneringen (een app vertelt me dagelijks hoeveel ik zit en sta. En: elk halfuur meldt mijn telefoon dat ik even moet bewegen).

Wie gedrag wil veranderen, kan interventies in de fysieke en sociale omgeving het beste richten op toegang en standaardopties, sociale steun en materiële beloningen. Weer een werkvoorbeeld: voortaan starten we de vergadering altijd met de vraag: wat ging de afgelopen week goed en wat had beter gekund? De teamleider faciliteert en vraagt door. Wanneer deze feedback en ideeën tot betere prestaties leiden, wordt het hele team beloond.

Praktisch

Wil je iets veranderen en vraag je je af waar te beginnen? Ga dan voor aanpassingen in de omgeving. Het effect van ‘toegang en standaardopties’ is groter dan van alle andere interventies. Als het gaat om verandering op het werk, komt dit mooi uit. De werkomgeving aanpassen is vaak een stuk eenvoudiger dan collega’s veranderen.

Ben Tiggelaar schrijft wekelijks over persoonlijk leiderschap, werk en management.