De krachten tegen de totstandkoming van deze fotoserie zijn groot. De kracht van het vooroordeel, bijvoorbeeld. Die wint het bijna altijd van de nieuwsgierigheid. Want we kennen ze toch allang, de Chinezen in Nederland? Restauranthouders! Verschaffers van sambal!
En al wint de nieuwsgierigheid het, dan stuit je op de geslotenheid van de Chinees-Nederlandse gemeenschap. De maker van deze foto’s, Lisa Hu, ondervond het zelf. Voor elk model dat ze voor dit project fotografeerde, zeiden er twee anderen nee. Vijftig nee’s, al met al. Dat Hu zélf Chinees-Nederlands is, maakte kennelijk niet veel uit. Ze hoefden gewoon niet zo nodig. Kwestie van cultuur, denkt Hu. „Je moet je klein houden, wordt je in China geleerd.” En voor meisjes, zegt ze, geldt dat al helemaal.
Juist daarom wilde Hu deze foto’s maken. „Vrouwen overal ter wereld moeten harder strijden dan mannen om een plek in de maatschappij te bemachtigen”, zegt ze. Hu wilde weten: hebben vrouwelijke Chinese migranten hun plek in Nederland gevonden?
Het project was ook persoonlijk. Veertiger Lisa Hu zelf kwam als tiener naar Nederland en voelt zich er als geboren Chinese nog altijd niet echt thuis. Maar China is zo veranderd dat ze daar ook niet meer past. De fotografie ontdekte ze pas een paar jaar geleden. Ze raakte er zo aan verslingerd dat ze de Fotovakschool en daarna de Fotoacademie deed, al runde ze tegelijkertijd fulltime een snackbar. En ze voedde met haar man twee zoons op. Hu miste standaard het laatste lesuur in Amsterdam, ze racete terug naar de frituurpan in Zwijndrecht. Waarom doe je dit jezelf en je gezin áán, vroegen Chinees-Nederlandse mannen én vrouwen haar. Lisa Hu heeft inmiddels het antwoord op die vraag gevonden. In de fotografie, dáár voelt ze zich thuis.
De eerste vrouw die ze vastlegde was Hu Zhaodi, de tante van haar schoonvader, destijds 99 jaar oud en inmiddels over de honderd. Ze verruilde China voor Singapore in de eerste helft van de twintigste eeuw en eind jaren zestig Singapore voor Nederland. Ze verkocht met haar man pinda’s op straat en belandde daarna in het restaurantwezen. Inmiddels is ze terugverhuisd naar Singapore.
Hu Zhaodi, 99 jaar oud ten tijde van de foto en inmiddels 101, verruilde China voor Singapore in de eerste helft van de twintigste eeuw en eind jaren zestig Singapore voor Nederland. Ze belandde in het restaurantwezen. Onlangs verhuisde ze terug naar Singapore.Foto Lisa HuCui Xun stelt haar kunst, schilderijen onder meer, tentoon in een stalletje voor verkoop op een Arnhemse markt. Ze woont in Nederland sinds 2011. Aanvankelijk sprak ze Engels, later Nederlands, en dat had een merkbaar verschil, vertelde ze aan fotograaf Lisa Hu, in hoe Nederlanders haar bejegenden: niet langer als ‘toerist’.Foto Lisa Hu
Qi Hui moet haar loopbaan in Nederland, en eerder haar studie, combineren met de zorg voor haar zoon, die zijn zicht verloor als gevolg van een tumor bij zijn oog.Foto Lisa Hu
Lisa Hu fotografeerde en interviewde een schoonmaakster, een Rotterdams-Chinese kunstenaar, een acupuncturist, een ornitholoog-in-wording. Een dansschoolhouder wilde niet op de foto, een oud-diplomaat wel, een handvol Amsterdamse hoteleigenaren niet, een ballerina wel.
Ze durfde steeds dichterbij te komen. De tattoos van bachelorstudent economie in Rotterdam Cai Chanshi bevielen haar ouders in China slecht. Wil je misschien je shirt uittrekken, vroeg Lisa Hu haar, zodat ik ze goed kan zien? „Zoiets had ik in het begin echt niet gevraagd”, zegt ze.
De fotografie mondde uit in haar afstudeerproject. Titel: A Proper Place. Ze exposeerde een dagje hier en een dagje daar, drukte de interviews af in een stijlvol boek en de foto’s op meterslange zijderollen volgens oude Chinese traditie. En toen werd het stiller dan ze hoopte. Meer aandacht kreeg het nieuws van half maart dat een op de drie Nederlanders uit het oosten en zuiden van Azië wordt gediscrimineerd. Van de Chinese Nederlanders is dat een op de twee. ‘Ching Chang Chong’, krijgen ze naar hun hoofd geslingerd, ‘Ni Hao!’, ‘Loempia’ en ‘Sambal Bij’.
Lisa Hu’s werk vervult tal van behoeftes, alleen moeten de mensen die nog gaan voelen.
Li Xuanqi studeerde aan de TU Eindhoven, haar kinderen groeien bi-cultureel op. “Ik vertel hen: anders dan hun Nederlandse vriendjes spreken ze Chinees – geweldig! En anders dan Chinese leeftijdsgenoten spreken ze Nederlands – hoe cool!”Foto Lisa HuFoto Lisa Hu
Foto Lisa HuCai Chanshi studeert economie in Rotterdam. Haar tattoos bevielen haar ouders in China slecht, maar ze raakten gewend aan het idee.Foto Lisa Hu
Op 13 januari brak er een grote ijsschots (A84) af van de George VI ijsplaat, die aan de zijkant ligt van het schiereiland dat richting het noorden naar het puntje van Zuid-Amerika reikt. De onderzoekers van de Falkor, die toevallig in de buurt waren voor ander onderzoek, volgden hun nieuwsgierigheid. Op 25 januari bereikten ze de plek waar kort daarvoor nog een honderdvijftig meter dik pak ijs had gelegen.
Met een robotonderzeeër, de SuBastian, zochten ze acht dagen lang de ongerepte zeebodem af naar bijzonderheden.
Op jonge leeftijd verhuisde Xiaoxiao Xu (40) binnen China naar een andere stad met een nieuw dialect. Zeven jaar later reisde ze haar moeder achterna naar Nederland, waar ze weer een nieuwe taal moest leren. Xu worstelde er lange tijd mee hoe ze zichzelf moest uiten maar vond een manier in de fotografie. In 2009 studeerde ze af aan de Fotoacademie in Amsterdam, sindsdien werkt ze aan eigen projecten.
Door de verhuizing in China had Xu zich geïsoleerd gevoeld en een toevlucht gezocht in de wereld van Japanse manga. Toen ze in Nederland in 2022 voor de eerste keer een cosplay-conventie bezocht, zag ze, naast figuren uit bijvoorbeeld Star Wars en Breaking Bad, personages uit Japanse anime en manga. „Ik had gelijk een band met de bezoekers. Ik voelde me als een kind in een snoepwinkel”, vertelt ze. Voor haar nieuwe fotoboek This looks better irl: Exploring cosplay cons bezocht Xu in tweeënhalf jaar tijd meer dan dertig cosplay-bijeenkomsten in Nederland, België, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk. Ze werd er betoverd, zoals ze het zelf formuleert, door het gemeenschapsgevoel en de creatieve aandacht voor kleding, make-up en accessoires waarmee personages uit films, strips en games tot in detail worden uitgebeeld.
Op sociale media delen cosplayers geregeld het maakproces van hun outfit, waar ze soms maandenlang aan werken. Xu besloot naast eigen foto’s ook hun Instagram-screenshots in haar boek op te nemen.
Online laten deze cosplayers niet alleen hun creaties zien, maar ook hun onzekerheden en kwetsbaarheden, zegt ze. In het voorwoord schrijft ze: „Een groot deel van de cosplaygemeenschap is neurodivergent. […] Op sociale media delen ze hun gevoelens.” Zo vertelt een cosplayer op Instagram dat de therapie voor een angststoornis haar zwaar valt. Een ander geeft aan liever niet spontaan aangesproken te willen worden op een conventie, omdat dat te veel onverwachte prikkels geeft.
Xu: „Ik denk dat veel mensen moeite hebben om hun gevoel te uiten in taal. Met mijn fotoserie wil ik de eigenheid van cosplayers laten zien. Vaak worden ze weggezet als kinderlijk. Ze omarmen juist de vrijheid om zichzelf te zijn.”
Niet voor iedereen is cosplay overigens een toevluchtsoord, zegt ze. „Een groot deel vindt het gewoon leuk om te knutselen en creatief bezig te zijn. Om iets moois aan te trekken en naar een conventie te gaan.”
Vroeger was Willy Kling (73) timmerman en trainde hij de plaatselijke voetbaljeugd. Nu is hij met pensioen en traint hij waterslagers. Dat is een kanarieras dat speciaal voor de zang wordt gefokt, waar dan weer wedstrijden voor worden georganiseerd. Vanzelf gaat dat zingen niet: alleen de mannetjes doen het, en ook die brengen hun krachtige, gevarieerde, als klokkend en borrelend water klinkende lied alleen na een zorgvuldig uitgedacht trainingsregime.
Er is een jaarlijkse cyclus, die rond deze tijd van het jaar begint. De zang van de waterslager is deels erfelijk bepaald, dus de in het Gelderse Wijchen wonende Willy Kling en zijn vrouw (die „voor 200 procent” achter zijn hobby staat) koppelen een melodieus mannetje aan een vrouwtje, een ‘pop’, en dan hopen ze „dat daar weer toppers uitkomen”. Als ze vijf dagen oud zijn krijgen de jonge vogeltjes een voetring met daarop het kweeknummer dat Kling van de bond toebedeeld kreeg en een uniek nummer per dier.
In november, als ze een klein half jaar oud zijn, begint de zangles. In de volière laten de mannetjes zich dan al horen, maar nu gaan Kling en zijn vrouw ze ‘opkooien’, zoals dat heet: vier boven elkaar, elk in een eigen kooitje. Waterslagers beginnen te zingen als het licht wordt, dus hij zet ze in een volledig verduisterde ruimte waar hij met een lamp meerdere keren per dag een zonsopkomst veinst. En dan luisteren. Twaalf verschillende geluiden (‘toeren’) onderscheiden de experts: de klokkende, bollende en rollende waterslag moeten ze in het repertoire hebben, net als bijvoorbeeld het knorren, woeten, bellen en tjokken. Belangrijk is dat de onderste van de vier een brutaal knaapje is, niet bang het voortouw te nemen: waterslagers beginnen doorgaans te zingen zodra ze onder hen een soortgenoot horen.
Kling zit erbij en noteert. „Het mooiste”, zegt hij, „is als ze alle vier hetzelfde lied inzetten, dat het een zuiver in het gehoor liggend geheel is. Als er een met de knor begint en een ander met de klok, dan klinkt het niet.”
Hoe krijg je dat voor elkaar? Lachend: „Ja, dat is het uitzoeken van de liefhebber.” Het samenstellen van goed op elkaar ingespeelde kanarieteams helpt natuurlijk. En voedsel is belangrijk. Kling experimenteert met soorten voer, weegt het op de gram nauwkeurig. Anijszaad, bijvoorbeeld, is wat nootachtig, dat is heel goed voor de keeltjes. „Maar welk voer precies, en in welke hoeveelheden: dat is geheim. Daar ben ik járen mee bezig geweest.” Wat ook helpt is een strak ritme: niet de ene dag voeren om vijf uur en de volgende pas om zes uur. „Een mens moet regelmaat hebben, maar een vogel ook.”
Zo werkt hij toe naar de wedstrijden. Het Nederlands kampioenschap was de afgelopen jaren in Urk. Kling neemt altijd een wedstrijdselectie van 24 waterslagers mee; zes teams van vier, in houten koffers. De bedoeling is dat je ze daar aflevert, je mag er niet bij zijn als de keurmeesters naar het gezang van de deelnemende vogels luisteren en scores toekennen. Wel geeft Kling zijn eigen voer mee, en zelfs zijn eigen water. „Dat is gewoon kraanwater, maar wel van hier. In Wijchen is het water anders dan in Katwijk of Urk. Elke plaats heeft z’n eigen hardheid.” De kleinste verandering van spijs, zo gelooft hij, zou de zang van z’n vogels kunnen aantasten. Zo werd hij al meerdere keren Nederlands kampioen – en zelfs een keer wereldkampioen.
Foto’s Eveline van Elk
Op het laatste NK, afgelopen januari, heeft hij „wel goed gedraaid, laat ik het zo zeggen”. Er zijn meerdere categorieën: een voor het kwartet vogels boven elkaar, een voor duo’s, een voor enkelingen. Hij kwam thuis met respectievelijk de tweede, derde en tweede plaats. Tevreden? „Jah, ik ben ergens wel blij, maar toch, toch.” Bij meerdere andere zangwedstrijden ging hij dit jaar naar huis met de prijs voor ‘meesterzanger’: die is voor de vogel die van alle 250 tot 300 die meededen het mooist zong. Van prijzengeld is overigens geen sprake; Kling en andere deelnemers doen het voor de eer.
Foto Eveline van Elk
De vogels gaan na de wedstrijd weer naar de volière; sowieso zitten ze nooit langer dan twee, drie dagen achtereen in het kleinere kooitje, zegt hij. Na zo’n cyclus gaan ze naar een opkoper, die ze naar onder meer het Midden-Oosten en Vietnam vervoert. „Schijnbaar willen die mensen daar ze in huis hebben.”
Er zijn steeds minder mensen die dit doen, zangkanaries kweken en leren zingen. Met duizenden waren ze in de jaren vijftig, nu is Willy Kling een van de weinigen die er nog elke dag mee bezig is.
Ja, elke dag, benadrukt hij, maar niet de héle dag. „Je kunt wel eindeloos bij die kooien gaan liggen hangen, maar dat vinden die vogels ook niet leuk.”