Econoom Célestin Monga: ‘Stoppen met hulp kan een kans voor Afrika zijn’

Onder Burkinezen is de herinnering springlevend. De iconische boodschap die de panafrikaanse revolutionair en president Thomas Sankara begin jaren tachtig voor een ongeduldig continent had, was gevat in zes woorden die achteraf tijdloos bleken te zijn: Celui qui vous nourrit, vous contrôle. Wie jou voedt, controleert jou. Vier decennia later, nu internationale hulpbudgetten voor Afrika in hoog tempo worden afgebouwd, klinkt het betoog van de panafrikaanse revolutionair als een wrange realiteit.

Ook Célestin Monga, een Kameroense econoom en hoogleraar aan Harvard, ziet hoe leiders van het Mondiale Zuiden de toekomst van hun landen in handen hebben gelegd van westerse vrijgevigheid en daarmee vaak strategie met liefdadigheid hebben verward. In een videogesprek wijst hij op een ongemakkelijke waarheid: „Hulp is zelden neutraal.” Nu de schijn van partnerschap steeds verder afbrokkelt, wordt dat pijnlijk zichtbaar. Want niet alleen hebben de VS vrijwel alle cruciale USAID-hulpprogramma’s stopgezet, ook Europese regeringen, gevoed door een rechtspopulistische golf, schalen hun ontwikkelingshulp af. Nederland snijdt 30 procent, en ook het Verenigd Koninkrijk (40 procent), Duitsland (50 procent), Frankrijk (25 procent) en België (25 procent), voeren aanzienlijke bezuinigingen door.

„De brutaliteit van deze bezuinigingen is onmiskenbaar.” Voor Monga zijn ze een nieuw bewijs dat er in internationale betrekkingen „geen morele principes bestaan”. Met ervaring als adviseur bij Wereldbank en ondervoorzitter van de Afrikaanse Ontwikkelingsbank (AfDB) kent Monga de realiteit van binnenuit. Voor hem voelen Sankara’s waarschuwingen over afhankelijkheid, de verborgen kosten van westerse leningen en de illusie van vrijgevigheid actueler dan ooit. Afrika, dat worstelt met schulden, werkloosheid en de druk van de wereldmarkt, lijkt verweesd achter te blijven. Maar waar sommigen een definitief verval zien, herkent Monga een keerpunt: Afrika wordt immers gedwongen zijn eigen toekomst te herdefiniëren.

Want als Afrika zijn eigen koers wil bepalen, betoogt Monga, is de eerste stap niet méér hulp, maar juist bevrijding ervan. Gerichte investeringen in industrialisatie, infrastructuur en lokaal ondernemerschap moeten ervoor zorgen dat Afrikaanse landen zelf de regie over hun ontwikkeling krijgen. Voor hem is dit geen monetaire crisis, maar een ideologische. „De mensen in Soedan, Kameroen of Kenia zouden hun frustratie moeten richten op hun eigen leiders. Trump was vier jaar president, zijn temperament, beoordelingsvermogen en wereldbeeld waren voor iedereen zichtbaar. Ook dit zat eraan te komen. Als Afrikaanse leider bereid je je op zulke realiteiten voor. Je hebt een Plan B, een Plan C.”

Waarom is de belofte van Afrikaanse onafhankelijkheid nooit echt ingelost?

„Het hulpsysteem, dat kort na de onafhankelijkheidsgolf eind jaren vijftig werd opgetuigd door het Westen, leidde tot afhankelijkheid. Ik noem het een soort ‘hulpverslaving’, waarbij landen te veel leunen op buitenlandse steun. Rijke landen wisten dit en behielden onder meer via financiële instellingen invloed door hulpbudgetten en leningen te koppelen aan voorwaarden: ‘Je hebt je land slecht beheerd, dus krijg je geld, maar je gaat wel ons beleid volgen.’

„Koloniale machten plaatsten bovendien leiders op sleutelposities die onafhankelijkheid tegenwerkten. Veel West-Afrikaanse landen bleven vastzitten aan de Franse munt en leiders die pro-Frans en anti-onafhankelijkheid waren.

„Andere nationalistische leiders maakten economische fouten. Ze misten het inzicht dat landen als China en Vietnam later wel hadden: dat ontwikkeling begint met arbeidsintensieve industrieën. Een uitzondering was Habib Bourguiba in Tunesië, die zijn land losmaakte van de Franse munt en begreep hoe cruciaal een nationale munt is. Die externe controle en interne fouten stond werkelijke economische onafhankelijkheid in de weg.

„Vandaag is het netto-effect van de hulp verwaarloosbaar. Afrika ontvangt jaarlijks ongeveer 50 miljard dollar aan hulp. Dat bedrag is minder dan 10 procent van de Afrikaanse export, die met ongeveer 610 miljard dollar per jaar best laag is. Elk jaar stuurt de Afrikaanse diaspora meer geld naar huis dan westerse regeringen in zogenaamde hulp verstrekken. Ikzelf stuur bijvoorbeeld 20 tot 30 procent van mijn inkomen terug naar mijn gemeenschap. Moet je je voorstellen. Deze informele ondersteuningsnetwerken betekenen meer voor Afrika dan officiële ontwikkelingshulp ooit heeft gedaan.”

De weggevallen hulp heeft wel kinderen naar school gebracht, cruciale gezondheidszorg geboden en zou op dit moment levens redden.

„Dat is waar, maar hulp legitimeert indirect slecht bestuur. Als een land een begroting heeft van 1 miljoen dollar en 200.000 dollar aan hulp ontvangt, zullen ze zichzelf op de borst kloppen dat een school of ziekenhuis werd gebouwd. Maar wat gebeurt er met de resterende 800.000 dollar? Vaak wordt dat geld besteed aan corruptiebestrijding, militaire uitgaven of andere prioriteiten. Stel dat een land tien mensen in nood heeft en de Nederlandse hulp drie van hen redt door zorg en onderwijs te bieden. Dat is mooi. Maar als diezelfde hulp afhankelijkheid in stand houdt en we de overige zeven verliezen, hebben we dan werkelijk iets bereikt?

De Kameroense econoom Célestin Monga is een uitgesproken criticus van het mondiale economische systeem en betoogt dat het Afrika gevangen houdt in een cyclus van afhankelijkheid.
Foto Sophie Park

Dus Afrikaanse landen moeten Donald Trump en consorten dankbaar zijn voor het meedogenloos stopzetten van ontwikkelingshulp?

„In theorie, ja. Het schrappen van hulp zou Afrikaanse leiders kunnen aansporen tot meer zelfredzaamheid. Maar helaas mist het merendeel van de huidige leiders legitimiteit en visie. In plaats van deze situatie als een kans op verandering te benutten, smeken ze achter de schermen waarschijnlijk juist om de hulp in stand te houden. Op dit moment zijn mensen in Afrika boos, en mensen in het Westen zijn hulpmoe. Westerse belastingbetalers hebben jarenlang geld gestuurd zonder veel zichtbare impact. Het is moeilijk om solidariteit in stand te houden wanneer frustratie de boventoon voert.”

Is het werkelijke probleem niet dat kapitaalkrachtige landen niet inzetten op echte economische rechtvaardigheid?

„Ja, de geschiedenis heeft bewezen dat wachten op westerse welwillendheid zinloos is. Het grootste probleem met het huidige systeem? Hoe internationale instellingen intellectuele controle behouden over Afrikaanse beleidsvorming, onder het mom van voorwaarden. De Wereldbank en het IMF leggen noodlijdende landen beleidsmaatregelen op onder het voorwendsel dat dit de terugbetaling garandeert en toekomstige crises voorkomt. Maar keer op keer is bewezen dat deze maatregelen niet werken.


Lees ook

Ontwikkelingshulp wordt vaker een business opportunity

Ontwikkelingshulp wordt vaker een  business opportunity

„Een ander probleem zijn simpelweg slechte ideeën. Stel je voor: iemand uit Washington, die nauwelijks iets weet over een Afrikaans land, verblijft daar twee weken en dicteert vervolgens het economische beleid. Als je de rapporten van de Wereldbank en het IMF van 10, 20 of zelfs 50 jaar geleden terugleest, zie je dat ze dezelfde aanbevelingen doen. Van privatiseringen tot bezuinigingen en het inkrimpen van de arbeidsmarkt. Met beloften die nooit worden waargemaakt.

Neem Ghana. Het wordt vaak geprezen als een succesverhaal, maar het heeft in totaal 17 structurele aanpassingsprogramma’s met het IMF ondertekend. Zeventien! En toch ging het in 2020 failliet.”

Wordt de schuldencrisis in Afrika en zijn afhankelijkheid in stand gehouden door instellingen als de Wereldbank en het IMF?

„Er is een zekere mate van cynisme. Bij de Afrikaanse Ontwikkelingsbank (AfDB) is de hand van de Wereldbank voelbaar. Als vicepresident en hoofdeconoom [van 2016 tot 2019] ben ik geschrokken van de invloed van de Wereldbank en het IMF. Ik wilde beleidsideeën aandragen die afweken van wat de Wereldbank deed. Maar westerse vertegenwoordigers van de raad van bestuur verwierpen dat systematisch. Een van de bestuursleden zei zelfs: ‘Ik begrijp niet waarom we hier een hoofdeconoom nodig hebben. Je zou gewoon moeten kopiëren wat het IMF en de Wereldbank aanreiken.’ Zíj bepalen waar het geld naartoe gaat, vaak op basis van politieke overwegingen in plaats van economische noodzaak. De zelfreflectie ontbreekt compleet. Niemand neemt een stap terug en vraagt: moeten we deze landen niet zelf hun pad laten bepalen?”

Heeft de Afrikaanse Ontwikkelingsbank het in zich om de rol van instellingen als het IMF en de Wereldbank voor Afrika over te nemen?

„Met de juiste ideeën, ja. Nu is AfDB een bleke kopie van de Wereldbank, maar met minder geld en invloed. Want het echte probleem is niet alleen geld, het is kennis. De AfDB kan niet op tegen de leningen van de Wereldbank, maar kan wel vooroplopen met ideeën die specifiek zijn afgestemd op Afrika. Daarom moeten westerse landen binnen de Wereldbank intellectuele ruimte vrijmaken.

„Neem de valutareserves. Veel Afrikaanse landen houden hun exportinkomsten nog steeds in het buitenland, vanwege koloniale overeenkomsten, vaak tegen negatieve reële rentevoeten. Maar door daar een punt van te maken bij hun politieke leiders, vertellen Afrikaanse centrale bankiers mij, dreigen zij hun baan op het spel te zetten. Zonder intellectueel leiderschap zal de AfDB een kleinere versie van de Wereldbank blijven.”

Als afhankelijkheid een keuze is, hoe kiest Afrika dan eindelijk voor zichzelf?

„Als Afrikaanse leiders hun eigen agenda niet doordrukken bij het IMF en de World Bank blijven ze afhankelijk van externe besluitvormers. Wie zichzelf serieus neemt, zou niet zestig of zeventig jaar lang om kleine bedragen smeken.

„In het verleden konden koloniale machten hun Afrikaanse leiders letterlijk uitkiezen. Vandaag de dag is die mate van politieke controle niet langer vanzelfsprekend. Kijk naar landen als Mali, Burkina Faso en Niger, waar militaire regeringen Franse en Amerikaanse troepen uitgewezen hebben, wat een hernieuwde assertiviteit laat zien. In Tsjaad heeft de president onlangs Franse militairen het land uitgezet na een diplomatiek conflict. Het toont dat Afrikaanse leiders wel degelijk macht hebben. Ze moeten die alleen combineren met geloofwaardige langetermijnstrategieën.”

Maar is het niet naïef te denken dat Afrikaanse leiders zich kunnen losmaken van een systeem dat zo is vormgegeven om hen klein te houden?

„Nee, dat denk ik niet. Bombastische kritiek op het Westen betekent niets als die niet gepaard gaat met tastbare verbeteringen. Als leiders geen visie tonen blijft de afhankelijkheid bestaan. Stel dat slechts tien Afrikaanse leiders een goed onderbouwde beleidsnota presenteren aan wereldleiders waarin ze uitleggen waarom het huidige systeem zowel Afrika als het Westen schaadt. Alleen dat zou het narratief al kunnen veranderen. De Afrikaanse Unie zou hierin het voortouw moeten nemen.

„De realiteit is dat westerse landen geen baat hebben bij Afrika’s onderontwikkeling. Problemen in Afrika, zoals terrorisme, conflicten en ziekten, hebben onvermijdelijk gevolgen voor Europa en daarbuiten. Ebola heeft geen visum nodig om te reizen. Talrijke studies tonen aan dat rijke landen juist aanzienlijk zouden profiteren van investeringen in Afrika, via de verkoop van apparatuur, technologieoverdracht en economische groei. Het probleem is niet dat deze ideeën naïef zijn, het probleem is dat er geen politieke wil is om ze uit te voeren.”

Dus Afrikaanse leiders beseffen niet welke macht ze hebben?

„Nee, precies. Sterk leiderschap kan dit systeem uitdagen. Maar ze worden opgeslokt door kortetermijnuitdagingen. Veel Afrikaanse leiders verspillen hun eerste regeringsjaren aan symbolische gevechten, politieke afrekeningen en beleid afbreken van voorgaande regeringen in plaats van de dringende economische uitdagingen aan te pakken.

„Er zijn de hoge ambtenarensalarissen. Maar in minstens 18 Afrikaanse landen slokken hoge veiligheidsuitgaven 30 tot 40 procent van de begroting op. In sommige landen is dat zelfs meer dan de helft! Focus eerder op werkgelegenheid, om politiek draagvlak te creëren en stabiliteit te waarborgen. Afrikaanse leiders leren ook onvoldoende van de geschiedenis. Chili en China zijn opgebloeid omdat ze economische stabiliteit voorrang gaven.”

Maar er is toch meer nodig dan wat u noemt sterk Afrikaans leiderschap?

„Ja, westerse beleidsmakers horen die wederkerige afhankelijkheid te begrijpen en moeten inzien dat het openen van hun markten voor Afrikaans geproduceerde goederen in hun eigen belang is. Afrika heeft toegang tot wereldmarkten nodig.

„Als westerse landen Afrika echt willen helpen, zou het openen van hun markten een revolutie betekenen. China begrijpt dit en overweegt handelsovereenkomsten om Afrikaanse export te vergemakkelijken. Als de G7 hetzelfde zou doen, zouden de economische en veiligheidsvoordelen enorm zijn. Leiders van vandaag zouden zichzelf moeten afvragen: wat heeft nu werkelijk zin? Waar heeft íedereen baat bij?”