N.B. Het kan zijn dat elementen ontbreken aan deze printversie.
Arbeidsmarkt Wie kinderen wast, voor een naaste zorgt die slecht ter been is, of gratis het huis schoonmaakt, is óók aan het werk, vindt Lynn Berger.
Illustratie Sophie van de Mars
De onzichtbare strijd van deze tijd is de strijd tussen betaald en onbetaald werk. Nederlanders zijn ‘kampioen deeltijdwerken’. Zeventig procent van de vrouwen en bijna twintig procent van de mannen werkt parttime – in heel de wereld doet niemand ons dat na. Die eer is op z’n best twijfelachtig, hoor je de laatste tijd vaak. En op z’n slechtst onhoudbaar.
Want: de personeelstekorten zijn hoog. We hebben belastinginkomsten nodig om goede zorg, onderwijs en sociale zekerheid te betalen. En doordat vrouwen zo vaak in deeltijd werken, verdienen ze minder dan mannen en zijn ze minder vaak financieel zelfstandig. Hoog tijd dus, roepen onderzoekers, politici en opiniemakers steeds vaker in koor, dat Nederlanders meer gaan werken. En Nederlandse vrouwen al helemaal.
Er is alleen een probleem. Dat probleem heeft te maken met wat wij Nederlanders doen wanneer we niet werken. Want weet je wat we dan doen?
Dan werken we ook. We krijgen er alleen niet voor betaald.
Reproductieve arbeid
Wanneer we het over ‘werk’ hebben, hebben we het meestal over ‘betaald werk’. Maar wie kinderen voedt, wast en voorleest, voor een naaste zorgt die ziek is of slecht ter been, gratis het huis schoonmaakt en boodschappen doet, is óók aan het werk.
Economen en filosofen noemen dit werk ‘reproductieve arbeid’. Dat is arbeid die geen nieuwe producten of diensten voortbrengt, maar mensen. Dit werk zorgt ervoor dat er nieuwe mensen bij komen en dat de mensen die er al zijn goed worden verzorgd.
Het is werk dat de samenleving onderhoudt, repareert en voortzet. Dat kinderen klaarstoomt voor deelname aan de maatschappij en volwassenen in staat stelt diezelfde maatschappij elke dag opnieuw – uitgerust en opgeladen – te laten draaien.
Per week besteden Nederlandse vrouwen 26,5 uur aan de zorg voor kinderen, het huishouden en mantelzorg. Mannen 17,4 uur. Aan de optelsom van betaald en onbetaald werk zijn mannen en vrouwen dan ook evenveel tijd kwijt. (Dat vrouwen minder verdienen dan mannen komt dus niet doordat ze minder werken, maar doordat we een groter deel van hun werk niet zien als werk.)
De economische omvang van ons onbetaalde werk, zo berekende het Instituut voor Publieke Economie, bedraagt maar liefst 215 miljard euro. Dat is zoveel als alle uitgaven aan zorg en sociale zekerheid bij elkaar opgeteld, en zo groot als een kwart van het bbp. Dit werk is onbetaald, maar wel degelijk van waarde. Sterker: dit is het werk dat al het andere werk mogelijk maakt.
Opgejaagd
Dit is dus werk waar we het óók over moeten hebben, wanneer we praten over personeelstekorten, deeltijdwerk en vrouwenemancipatie. Want méér betaald werk doen is misschien een oplossing als het gaat om personeelstekorten, maar als het ten koste gaat van ons onbetaalde werk, is het tegelijkertijd een probleem.
Al helemaal omdat we ons onbetaalde werk de komende jaren steeds harder nodig zullen hebben. Vooral mantelzorg, want mede door de vergrijzing groeit de vraag naar professionele zorg. Volgens de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid zou in 2040 één op de vier werkenden in de zorg moeten werken om aan die vraag te kunnen voldoen. Dat kan niet: het lukt nu al niet genoeg mensen te vinden die in de zorg willen werken. Bovendien hebben we ook mensen nodig in andere sectoren. Van de overheid mág het aandeel werkenden in de zorg dan ook niet groter worden dan het nu is. Dit betekent dat de zorg voor ouderen, zieken en mensen met een beperking in de toekomst steeds meer thuis zal plaatsvinden, gegeven door mantelzorgers.
Nu al voelen ouders van jonge kinderen zich vaker ‘opgejaagd’ dan elke andere groep, en is 1 op de 10 mantelzorgers overbelast. Toch moeten we én meer betaald werk gaan doen, én meer gaan zorgen. De grote, onzichtbare strijd van deze tijd is die tussen betaald en onbetaald werk. Tussen het werk dat we doen om in ons levensonderhoud te voorzien, en dat levensonderhoud zelf. En ons onbetaalde werk dreigt in die strijd het onderspit te delven, zolang we het niet zien als werk.
Hoe gaan we dit veranderen? Hoe zorgen we ervoor dat ons onbetaalde werk de ruimte en ondersteuning krijgt die het nodig heeft? En hoe kunnen we ons onbetaalde werk zo goed mogelijk verdelen?
Daar zijn verschillende manieren voor. Met een uitgebreider bevallings- en partnerverlof kunnen jonge ouders de zorg voor hun baby eerlijker verdelen. Met een royaler en beter betaald zorgverlof kunnen werknemers mantelzorg verlenen zonder dat ze in de financiële problemen komen. En we zouden de werkweek anders kunnen indelen. Korter, of in elk geval flexibeler.
Verschillende landen en bedrijven hebben de afgelopen jaren geëxperimenteerd met een kortere voltijd werkweek, met behoud van salaris. Vaak waren werknemers in dertig uur net zo productief als in veertig uur. Hun welzijn ging omhoog, onder meer omdat ze meer tijd hadden voor onbetaald werk. En als de werkweek niet korter kan, geef werknemers dan in elk geval zeggenschap over hun roosters. Zodat ze hun betaalde en onbetaalde werk beter kunnen combineren.
Van werk begrijpen we dat het geen hobby is, geen leefstijlkeuze, geen ‘thee drinken op de bank’, maar iets waar de samenleving als geheel van profiteert – en dat de samenleving als geheel dus moet ondersteunen. De vraag hoe we ons betaalde en onbetaalde werk in de toekomst gaan combineren, gaat iedereen aan. Want zorg gaat iedereen aan. Daarom is het de hoogste tijd dat we gaan zien dat zorgen óók werken is.
Dokter Jan Galesloot (grijs piekhaar, 77) gaat zo min mogelijk naar de Afrikaandermarkt. Want dan komt hij er niet meer weg. ‘Goeiemorgen dokter! Hoe gaat het met u?’ De markt ligt vlakbij de praktijk waar hij 42 jaar huisarts was. Hij krijgt er kaas, of een appel, soms een bloemkool of een visje. In Bloemhof, Hillesluis en de Afrikaanderwijk is de huisarts een fenomeen. Afgelopen week ging hij met pensioen.
42 jaar geleden kwam hij als activistische, jonge dokter met lang haar, baard en snor in Rotterdam-Zuid terecht, met vrouw en drie kinderen. Hij zat daarvoor drie jaar in Afrika en kortstondig in Limburg. Het was even wennen. Het Rotterdam ten zuiden van de Nieuwe Maas was altijd al ruig en arm. Ooit werd het de boerenzij genoemd, toen mannen van het Nederlandse platteland erheen trokken om de havens uit te diepen. Daarna migranten uit Spanje, Marokko en Turkije om zwaar werk te doen.
Dokter Galesloot zag in de jaren tachtig en negentig veel patiënten die moe en versleten waren. Kapotte rug. Kapotte knieën. Mensen die Nederland opbouwden na de oorlog, witte Rotterdammers én eerste generatie migranten.
Toen was zwaarlijvigheid nog geen groot probleem. Drie maaltijden per dag, het Hollands prakkie van aardappelen, groente, vlees was nog normaal. Dat eet niemand meer. Hij begon daarna wel steeds meer ‘leefstijlziekten’ te zien. Door ongezond vet en zoet eten, weinig bewegen. En veel stress door weinig geld en schulden. Slecht betaalde baantjes, soms twee naast elkaar. Meer dan medicijnen voorschrijven werd zijn werk uitleggen, uitleggen, uitleggen. Stop met fris en energydrank maak dagelijks een wandeling, dan bent u al een énorme stap verder. Hij denkt aan de Surinaamse vrouw die geen diabetesmedicijnen meer nodig had, nadat ze gezond ging leven.
Iedereen kwam bij dokter Galesloot. Hij ging op huisbezoek. Marokkaanse, Turkse, Nederlandse, Hindoestaanse, Kaapverdische, Eritrese, Poolse, Hongaarse gezinnen. Lege kamers zonder meubels. Of juist lange, fluwelen banken met plek voor dertig gasten. Thee, koekjes, dankbaarheid. Agressie, verdriet en boosheid. God wat is hij gaan houden van de bewoners van zuid, de vele kleine zaakjes, die eindeloze mix van culturen. Overlevers. Iedereen is er anders maar met dezelfde allergie voor minachting. „Voel je je beter dan zij, dan ben je weg.”
Galesloot is geen vechtersbaas maar vocht wel een keer met een junk die zware pijnstillers eiste, in de tijd van heroïneverslaafden. Galesloot zette hem eigenhandig de praktijk uit. „Dat voorval sterkte me, ik durfde vaker ‘nee’ te zeggen. Het maakte me een betere dokter.”
Eén keer was hij bijna weg gegaan. Nachtdiensten, lange dagen en lage tarieven braken huisartsen in armere wijken op. Hij kon een plattelandspraktijk overnemen in Nieuwpoort, aan de Lek. Makkelijke patiënten, beter betaald. Hij zag zichzelf al op een brommertje over de dijk tuffen, dokterstas achterop. Op het laatste moment zegde hij af. Hij bleef waar hij thuis was.
Sheila Kamerman doet wekelijks ergens vanuit Nederland verslag.
Zeventien jaar was Marie Scott, minderjarig nog, toen ze zich in maart 1944 aanmeldde bij de vrouwenafdeling van de Britse marine. Ze wilde iets doen voor haar land en bij de marine namen ze haar graag aan, want Scott kon het schakelbord van een telefooncentrale bedienen. Al gauw kreeg ze training voor een VHF-set, dat was radiocommunicatie via very high frequency. „Het was een simpel apparaat, een soort draadloze ontvanger met hendels. En het was een éénrichtingssysteem, dus maar één iemand kon tegelijk praten.”
Ze ging aan de slag in het ondergrondse communicatiehoofdkwartier van de geallieerden in Portsmouth, aan de Engelse zuidkust. De Amerikaanse generaal Eisenhower was haar opperbevelhebber en D-Day, de invasie van de Franse kust, was toen al volop in voorbereiding. „Ik ben er onlangs nog geweest, het complex begint uit elkaar te vallen. Maar toen was het een wonderbaarlijke gewaarwording en een knappe technische prestatie, dat netwerk van al die tunnels. Een wereld op zich, meters onder de grond.” Ze bleven 48 uur ondergronds en draaiden in die tijd diensten van zes of zeven uur.
Marie Scott weet nog steeds niet precies wie ze aan de lijn kreeg, in die dagen rond D-Day in juni 1944. Maar toen ze haar bericht had verstuurd – „geen idee wat de boodschap was, alles was in code” – en het de beurt van de ontvanger was om zijn antwoord te versturen, schrok ze enorm. „Ik hoorde onophoudelijk geweervuur. Kanonnen. Vallende bommen. Mannen die bevelen schreeuwden. Ineens realiseerde ik me dat die arme man… Dat hij bij het leger hoorde dat de stranden van Normandië bestormde.”
Marie Scott (niet op deze foto) kon het schakelbord van een telefooncentrale bedienen, dat kwam goed van pas bij de marine.Foto privéarchief
Nu is Scott bijna 99 jaar. Begin mei komt ze naar Wageningen om te vieren dat Nederland tachtig jaar geleden werd bevrijd van de Duitse bezetting. En ze reist in stijl. Taxichauffeur David Hemstead brengt Scott in zijn typisch Britse black cab vanaf haar huis in het zuidwesten van Londen naar Wageningen en terug. Ze gaan met de veerboot van Harwich naar Hoek van Holland. Scotts kleindochter Briony Samuel gaat mee als haar compagnon en zo reizen drie generaties straks in één taxi naar Wageningen.
<figure aria-labelledby="figcaption-0" class="figure" data-captionposition="icon" data-description="Marie Scott (99) werkte als tiener voor de Britse marine.
Foto Justin Griffiths-Williams
” data-figure-id=”0″ data-variant=”row”><img alt data-description="Marie Scott (99) werkte als tiener voor de Britse marine.
<figure aria-labelledby="figcaption-1" class="figure" data-captionposition="icon" data-description="De Londense taxichauffeur David Hemstead (64) is vrijwilliger voor Taxi Charity For Military Veterans, die veteranen naar herdenkingen in Europa brengt.
Foto Justin Griffiths-Williams
” data-figure-id=”1″ data-variant=”row”><img alt data-description="De Londense taxichauffeur David Hemstead (64) is vrijwilliger voor Taxi Charity For Military Veterans, die veteranen naar herdenkingen in Europa brengt.
David Hemstead (64) is vrijwilliger bij de Taxi Charity for Military Veterans. Het is een kleine Londense liefdadigheidsorganisatie die in 1948 is ontstaan, naar een idee van drie taxichauffeurs die graag hun in de Tweede Wereldoorlog gewond geraakte vrienden wilden helpen. Ze boden gratis taxivervoer aan van en naar het ziekenhuis en namen de veteranen mee op dagtripjes naar de kust. Nog steeds is dat de basis, al zijn de reisjes nu vooral herdenkingen geworden. Het is mooi dat ze meehelpen de geschiedenis levend te houden, zegt Hemstead: „We proberen de veteranen zo veel mogelijk het land in te krijgen. Hoe meer ze nu nog gezien en gehoord worden, hoe meer mensen hun verhalen zullen onthouden.”
Hoe meer de veteranen nu nog gezien en gehoord worden, hoe meer mensen hun verhalen zullen onthouden
Want de veteranen zijn met steeds minder, daar doet Marie Scott niet sentimenteel over. „We zijn een zeldzaam verschijnsel geworden. Allemaal gaan we het hoekje om.” Jarenlang speelden de Tweede Wereldoorlog en haar tijd bij de marine maar een beperkte rol in haar leven. „Ik was druk met de kinderen, met werken, met léven.” Maar in 2017, jaren na haar pensionering, ging Scott voor het eerst mee naar een herdenking. Via de Taxi Charity: „Ze hebben me overal naar toe gebracht. Naar de herdenking in Normandië, al een paar keer naar Nederland… Ik vind het geweldig.”
Marie Scott ging via Taxi Charity al eerder mee naar herdenkingen van de Tweede Wereldoorlog. Foto Justin Griffiths-Williams
Ook de Britse media ontdekten haar sindsdien. De BBC, Sky News, ITV, dagblad The Times, allemaal stuurden ze journalisten langs. Scott heeft al zo vaak over haar ervaringen in Portsmouth verteld, ook al herinnert ze zich lang niet alle details meer uit die jaren. Gelukkig is ze nog compos mentis, zoals ze zelf zegt. „Ik heb maar één verhaal te vertellen, maar daar zijn allerlei anekdotes uit af te leiden.”
En dus vertelt ze hoe koning George VI bij het hoofdkwartier langskwam en de tunnels en hun kamers ondergronds inspecteerde. Dat ze in de dagen vóór D-Day het water van de haven van Portsmouth niet meer kon zien door de vele oorlogsschepen, en dat die allemaal verdwenen waren toen ze na haar dienst naar boven kwam. En dat ze zich „best een beetje trots voelt” dat ze deel heeft uitgemaakt van Operatie Overlord, de codenaam voor de landing van de geallieerde troepen in Normandië. „Heel weinig oorlogen wereldwijd worden terecht gevoerd. Heel weinig. Maar de Tweede Wereldoorlog was gerechtvaardigd. We moesten een kwaadaardige vijand stoppen.”
Niet verplicht op school
Ondanks al die interviews ziet Scott het niet als persoonlijke missie om ervoor te zorgen dat haar getuigenissen bewaard blijven voor latere generaties. „Die verantwoordelijkheid ligt niet bij ons als individuen, maar bij scholen. Er zou meer aandacht in het onderwijs moeten zijn voor die cruciale periode.” Al krijgt Scott nooit verzoeken van scholen of ze wil langskomen. Langsgaan zou inmiddels ook te veel voor haar zijn, zegt ze. Ze kan niet zo ver meer lopen en ook niet lang meer staan.
De Tweede Wereldoorlog is in het VK geen verplicht onderdeel van het officiële landelijke onderwijsprogramma, maar de meeste scholen behandelen het onderwerp wel. Al krijgt de Eerste Wereldoorlog – ook geen verplichte kost – vaak minstens zoveel aandacht. In aanloop naar de herdenking van het einde van die oorlog, op 11 november, duiken overal in het Britse straatbeeld rode poppies op, een verwijzing naar de klaprozen die bloeiden op de slagvelden van het westelijk front. Het VK herdenkt ook de slachtoffers van andere gewapende conflicten op 11 november, in Nederland gebeurt dat in mei.
Er zou meer aandacht in het onderwijs moeten zijn voor die cruciale periode
De herdenkingen van de afgelopen jaren, de optredens waarbij Marie Scott vanaf een podium een groot publiek mocht toespreken en alle interviews hebben haar gran, „nieuwe zingeving en zelfs nieuwe levenslust gegeven”, zegt Scotts kleindochter Briony Samuel (32). „Daarvoor vertelde ze eigenlijk nooit veel over de oorlog en het is mooi om over haar ervaringen te horen.” Particuliere ervaringen en verhalen van individuele veteranen brengen de oorlog dichterbij voor jongeren, denkt ze ook. „Je kunt je dan beter inleven. Ik moet bij oma’s verhaal denken aan hoe ik zelf was toen ik zeventien jaar was. Ik maakte me alleen druk over wat ik ’s avonds aan moest naar de club.”
Het ondergrondse communicatiehoofdkwartier van de geallieerden in Portsmouth en het defilé tijdens het bezoek van de Britse koning George VI.
Foto’s privéarchief
Marie Scott giechelt een beetje als Samuel dit vertelt. Haar tienerjaren waren compleet anders. Scotts ouders hadden besloten om in Londen te blijven tijdens de oorlog, maar de meeste scholen hadden hun lessen naar buiten de stad verplaatst uit angst voor bombardementen. Dus Scotts onderwijs stopte abrupt toen ze dertien jaar was. Op haar zestiende begon ze met een training om telefoons te kunnen bedienen. Dat kwam later bij de marine goed van pas. Briony Samuel: „Jij leefde in een totaal andere wereld met andere verantwoordelijkheden, die niemand op die leeftijd zou moeten hebben.”
Minder vrijwilligers
De vrijwilligers van de Taxi Charity zien het aantal veteranen dat ze mee op pad kunnen nemen elk jaar verder dalen. David Hemstead rijdt nu zo’n achttien jaar mee en de eerste keer dat hij mee ging naar de jaarlijkse herdenking in Normandië, stonden ze met honderd black cabs op de veerboot. „Wat een sfeer gaf dat.” Dit jaar rijden ze met twintig taxi’s naar Nederland. Er gaat ook altijd een medisch team mee, dat zijn vrijwilligers van de Londense ambulance.
Lees ook
De veteranen van D-Day worden in het zonnetje gezet, nu het nog kan
Natuurlijk willen de chauffeurs graag zoveel mogelijk trips faciliteren voor de veteranen. Maar eerlijk is eerlijk, zegt Hemstead, het wordt moeilijker om vrijwilligers te vinden. De kosten van het dagelijks leven zijn in het VK de afgelopen jaren flink gestegen, harder dan in de meeste andere Europese landen. „Taxichauffeurs moeten steeds langere dagen maken.” Een nieuwe taxi kost 73.000 pond (ruim 88.000 euro) of ongeveer 330 pond (bijna 400 euro) aan huur per maand, zegt hij. „Dat moet je dus verdienen voor je aan alle andere vaste lasten kunt denken, je hypotheek, je energierekening. En een paar dagen met veteranen op stap betekent nul inkomsten voor de chauffeurs.” Ze hebben wel een paar grote donoren en krijgen ook geld van Britse veteranenstichtingen.
Begin mei komt Marie Scott (99) samen met haar kleindochter Briony Samuel (32) en taxichauffeur David Hemstead (64) naar Wageningen om te vieren dat Nederland tachtig jaar geleden werd bevrijd van de Duitse bezetting.Foto Justin Griffiths-Williams
De afgelopen jaren vervoerde de Taxi Charity ook veteranen van andere conflicten dan alleen de Tweede Wereldoorlog en David Hemstead denkt dat hun aandeel de komende jaren langzaam groter zal worden. De club van vrijwilligers blijft bestaan, zegt Hemstead: „Als de veteranen van de Tweede Wereldoorlog er niet meer zijn, stappen we over op de Korea-oorlog, al hadden de Britten daar geen erg grote rol. Dan gaan we naar Noord-Ierland, de Falklandeilanden, de Golfoorlogen, Irak, Afghanistan…”
Maar voorlopig kijken de drie vooral uit naar hun reis naar Wageningen. Marie Scott: „Nederlanders zijn altijd zo dankbaar geweest voor de bevrijding. Ze zijn vriendelijk en gastvrij. Anders dan de Fransen, die zijn formeler en beleefder.” En voor de lange rit neemt Scott een stevig kussentje mee, dat zit net wat fijner voor haar oude botten.
Margraten
In Limburg probeert een docent de verhalen levend te houden
Johanna Soller wordt de nieuwe artistiek leider en dirigent van de Nederlandse Bachvereniging. „Ik voel een mix van geluk, eer en respect voor het ensemble. Het is een droombaan”, zegt ze in een telefonisch interview een paar dagen voor het nieuws deze donderdag officieel naar buiten mag.
Wie het intussen 104 jaar oude, wereldvermaarde Bachkoor en Bach-orkest volgt, kent de Duitse dirigent, klavecinist en organist al. Soller (36) dirigeerde vorig jaar (als eerste vrouw) de Matthäus-Passion bij het ensemble. Daarvoor was ze achter de schermen als koordirigent driemaal eerder bij de Bachvereniging, toen nog onder artistiek leider Shunske Sato. Sinds Sato’s vertrek in 2023 zat het ensemble zonder artistiek leider.
Johanna Soller komt uit het Duitse Burghausen aan de grens met Oostenrijk. In München specialiseerde ze zich in koordirectie, orgel en oude muziek, en richtte ze twee barok-ensembles op naast haar aanstellingen als organist van de Münchner Peterskirche en haar werk als docent aan de Hochschule für Musik. Door deze drukke werkzaamheden kan ze zich volgend seizoen nog niet vrijmaken – dan staat ze slechts één keer voor de Bachvereniging en werkt ze verder achter de schermen aan de volgende seizoenen. Vanaf 1926/27 zal ze „de helft van de concerten dirigeren.”
Hoe kijk je terug op de Matthäus-Passionconcerten?
„Dat waren drie heel bijzondere weken. Een muzikale omhelzing die maar beter en beter werd. Die niet, zoals je bij veel ensembles hebt, halverwege de tournee een beetje verslapte. Het muziek maken werd steeds intenser.”
Waarom is het een droombaan?
„De Bachvereniging is olympisch niveau oude muziek, een instituut met een enorm wereldwijd bereik, vooral door ‘All of Bach’ [een project waarin de Bachvereniging alle werken van Bach opneemt en gratis online zet]. Voor ik met hen mocht werken, volgde ik ze al jaren. De musici zijn fantastisch. Ze bieden alle muzikale mogelijkheden die je als dirigent kunt wensen.”
Hoe wil je die mogelijkheden benutten, heb je al plannen?
„Niet concreet. Bach blijft natuurlijk de hoofdzaak, maar ik zou meer muziek willen laten horen van componisten die naar Bach geleid hebben, of die op een of andere manier aan hem verbonden zijn. En af en toe ook daarbuiten, met hedendaagse muziek. Ik zoek naar connecties, intertekstualiteit en krachtige verhalen die bekendere en onbekendere werken aan elkaar koppelen. Ik ben ook musicologisch gemotiveerd: er is nog zo veel muziek uit de vroege barok niet ontdekt.”
Wat is een ‘krachtig verhaal’?
„Een krachtig verhaal krijg je als zowel de uitvoerders als het publiek een connectie zien tussen de muziek in een programma en een overkoepelende dramaturgie. Je kunt niet zomaar wat muziek achter elkaar spelen. Als publiek moet je een programma in getrokken worden.”
Speelt het heden nog een rol?
„Absoluut. Elke uitvoerder moet zichzelf altijd verplicht de vraag stellen: ‘waarom speel ik deze muziek nu?’ ‘Omdat het mooie muziek is’, is geen afdoende antwoord. Dat de muziek van Bach nú nog een impact kan hebben op ons leven, is wel een goed antwoord. Zelfs al sluiten de teksten niet altijd meer goed aan bij het heden, de muziek kan ervoor zorgen dat de betekenis ons op een metaniveau toch bereikt.”
De Bachvereniging is voor mijn gevoel die connectie met het heden een beetje kwijtgeraakt. Ze kunnen wel een energieke, moderne impuls gebruiken. Ben je het daarmee eens?
„Ik denk dat wat energie en opfrissing, en de wil om wat kleine dingetjes te veranderen, het ensemble een heel waardevolle, mooie toekomst biedt.”
Welke veranderingen?
„Ik denk dat het belangrijk is meer te gaan touren. Er is een discrepantie tussen het online en offline bereik van het ensemble. Terwijl de Bachvereniging zou moeten spelen op alle grote internationale Bach- en oude muziekfestivals. En een betere balans tussen bekende en onbekende stukken, waar ik het eerder over had, kan ook helpen. Dus óók de [bekende] Messiah van Händel een keer doen. De Bachvereniging hoeft zijn repertoire niet klein te houden. Ze heeft zo veel potentieel, dat wil ik graag helemaal benutten.”
Je doet nu indrukwekkend veel in Duitsland. Wil je dat blijven doen?
„Nee, ik moet keuzes gaan maken. De Nederlandse Bachvereniging wordt mijn belangrijkste werk.”
Lees ook
Dirigent Johanna Soller: ‘Iemand moet de eerste vrouw zijn, ik hoop vooral dat ik niet de laatste ben’