Wat geeft je een positief gevoel? Waar haal je kracht uit, of hoop? Waar vind je verbinding? Wat betekent de oorlog voor je? En wat voor een beeld zou daar bij kunnen passen? Met deze opdrachten stuurde de Nederlandse fotograaf Karine Zenja Versluis jongeren tussen de 13 en 16 jaar in het West-Oekraïense Choest op pad in hun eigen huis en stad.
Choest ligt in Transkarpatië, een regio die relatief veilig is en waar veel vluchtelingen uit andere delen van Oekraïne naartoe zijn getrokken. „Je hebt er soms een luchtalarm, gevochten wordt er niet”, zegt Versluis. „Maar de oorlog is altijd dichtbij. Vrienden en familie zijn weggetrokken, broers en vaders moeten vechten. Er is onzekerheid: hoe lang gaat dit duren, hoe loopt het af?”
„Dit is een foto vanuit mijn huis in Kyiv. Ik ben daar al een tijd niet geweest vanwege de bombardementen. Deze foto heb ik genomen tijdens de zonsondergang, om te laten zien dat er zelfs nu nog schoonheid is.”Foto Zhenya (13)
De Oekraïense jongeren volgden een aantal weken de fotografieworkshop Stay Strong Photo Stories, een initiatief van Versluis, in samenwerking met de Nederlandse galerie Framer Framed. Het uitgangspunt: hoe blijf je verbonden met jezelf en anderen in tijden van onzekerheid? De workshop werd voor de eerste keer in Nederland georganiseerd, in 2020 in coronatijd, toen jongeren met fotografie en verhalen op zoek gingen naar lichtpuntjes. Na nog drie edities werkt Stay Strong Photo Stories dit jaar voor de eerste keer in het buitenland, samen met het Oekraïense Molotok, een culturele instelling die in Choest en omgeving activiteiten organiseert voor jongeren op het gebied van film, fotografie, muziek en theater.
„Mijn broer vecht nu aan het front. Als we elkaar aan de telefoon spreken, praat hij nooit over de oorlog. Hij glimlacht altijd en zegt dat alles goedkomt.”Foto Halyna (13)„De oorlog zorgt voor veel tranen en huilen. Dat wilde ik laten zien op deze foto.”Foto Elizaveta (14)
Versluis publiceerde vorig jaar het fotoboek Debaltsevo, Where Are You?, waarin ze op zoek gaat naar de roots van haar Oekraïense oma en waarin ze een aantal gevluchte families in de oorlog van nu een tijdje volgt. Het boek stond vorig jaar op de shortlist van de Book Awards van fotofestival Les Rencontres de La Photographie in Arles en werd door NRC gekozen als een van de meest opvallende en originele fotoboeken van 2023.
„Ik wil heel graag iets dóén. Via dit soort projecten kan ik iets voor mensen daar betekenen, en de oorlog hier onder de aandacht blijven brengen. Er is zoveel aan de hand – ons eigen kabinet, Europese verkiezingen, Gaza – dat onze belangstelling voor Oekraïne na ruim twee jaar oorlog op de achtergrond dreigt te raken. Terwijl het voor de mensen daar een dagelijkse realiteit is. In de media zien we nog wel geregeld oorlogsbeelden, maar via dit project kijk je letterlijk door de ogen van jongeren. Wat houdt hen bezig?”
„Ogen zijn de spiegel van de ziel. Het is een verbinding met de emoties van mensen. Er is een uitdrukking die zegt: ogen zijn zo diep als je ziel.”Foto Olya (16)
„Deze week hadden we een luchtaanval op school en zaten we in de kelder. De raketten bereikten Transkarpatië slechts één keer. Maar nu, tijdens de luchtaanval, moeten we gewoon naar de kelder. Het was best saai om daar te zitten.”Foto Olya (16)
Tijdens de bijeenkomsten ging het niet alleen over fotograferen, maar ook over gedachten en gevoelens, vertelt Versluis. „Als je gaat vragen: wat geeft je hoop, waar haal je kracht uit, dan komen automatisch ook de verhalen over hun situatie ter sprake. Albina van 15 fotografeerde een set sleutels: die waren van haar huis in Sjostka in het noordoosten, waarnaar ze ooit weer terug hoopt te keren. De 13-jarige Halyna vertelt over haar broer die aan het front vecht. Als ze hem belt zegt ie altijd dat het heus wel goed komt. We vinden het belangrijk dat de jongeren dit soort verhalen met elkaar kunnen delen.”
In hun foto’s leggen de jongeren een heel alledaags leven vast. Twee vriendinnen die een vrolijke selfie maken met duckface, in een schuilkelder. Prachtig gelakte gelnagels, met de kleuren van de Oekraïense vlag. Een omhelzing van twee vriendinnen, omdat ze elkaar al zo lang niet gezien hebben. Een sensationele zonsondergang met op de voorgrond een paar flatgebouwen in Kyiv, waarbij we ons afvragen: staan die er nog of zijn ze platgebombardeerd? Zo sluipt in de foto’s van een ogenschijnlijk normaal leven de oorlog toch, soms heel terloops, in beeld.
„Dit zijn de sleutels van ons huis in Sjostka, ik hoop dat ik op een dag weer naar huis kan.”Foto Albina (15)Deze bloemen die door de gebroken tegels groeien, zijn voor mij een symbool van hoop.Foto Albina (15)
„Ik ging wandelen met een vriend en zag deze foto met het bordje ‘schuilplaats’. Het is de verbinding met de oorlog.”Foto Adolf (13)
„Deze foto laat ons zien dat de lente is aangebroken. Dat betekent dat we steeds dichter bij de overwinning komen. Het geeft ons hoop.”Foto Sofia Filip (12)„Deze foto gaat over de verbinding met de natuur. Het is belangrijk om naar de planten te kijken, maar ook om te beseffen dat wij als mensen deel uitmaken van de natuur.”Foto Alan (13)
„Ik maakte deze bubbels, ze herinneren me aan mijn kindertijd.”Foto Albina (15)
Op 13 januari brak er een grote ijsschots (A84) af van de George VI ijsplaat, die aan de zijkant ligt van het schiereiland dat richting het noorden naar het puntje van Zuid-Amerika reikt. De onderzoekers van de Falkor, die toevallig in de buurt waren voor ander onderzoek, volgden hun nieuwsgierigheid. Op 25 januari bereikten ze de plek waar kort daarvoor nog een honderdvijftig meter dik pak ijs had gelegen.
Met een robotonderzeeër, de SuBastian, zochten ze acht dagen lang de ongerepte zeebodem af naar bijzonderheden.
Op jonge leeftijd verhuisde Xiaoxiao Xu (40) binnen China naar een andere stad met een nieuw dialect. Zeven jaar later reisde ze haar moeder achterna naar Nederland, waar ze weer een nieuwe taal moest leren. Xu worstelde er lange tijd mee hoe ze zichzelf moest uiten maar vond een manier in de fotografie. In 2009 studeerde ze af aan de Fotoacademie in Amsterdam, sindsdien werkt ze aan eigen projecten.
Door de verhuizing in China had Xu zich geïsoleerd gevoeld en een toevlucht gezocht in de wereld van Japanse manga. Toen ze in Nederland in 2022 voor de eerste keer een cosplay-conventie bezocht, zag ze, naast figuren uit bijvoorbeeld Star Wars en Breaking Bad, personages uit Japanse anime en manga. „Ik had gelijk een band met de bezoekers. Ik voelde me als een kind in een snoepwinkel”, vertelt ze. Voor haar nieuwe fotoboek This looks better irl: Exploring cosplay cons bezocht Xu in tweeënhalf jaar tijd meer dan dertig cosplay-bijeenkomsten in Nederland, België, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk. Ze werd er betoverd, zoals ze het zelf formuleert, door het gemeenschapsgevoel en de creatieve aandacht voor kleding, make-up en accessoires waarmee personages uit films, strips en games tot in detail worden uitgebeeld.
Op sociale media delen cosplayers geregeld het maakproces van hun outfit, waar ze soms maandenlang aan werken. Xu besloot naast eigen foto’s ook hun Instagram-screenshots in haar boek op te nemen.
Online laten deze cosplayers niet alleen hun creaties zien, maar ook hun onzekerheden en kwetsbaarheden, zegt ze. In het voorwoord schrijft ze: „Een groot deel van de cosplaygemeenschap is neurodivergent. […] Op sociale media delen ze hun gevoelens.” Zo vertelt een cosplayer op Instagram dat de therapie voor een angststoornis haar zwaar valt. Een ander geeft aan liever niet spontaan aangesproken te willen worden op een conventie, omdat dat te veel onverwachte prikkels geeft.
Xu: „Ik denk dat veel mensen moeite hebben om hun gevoel te uiten in taal. Met mijn fotoserie wil ik de eigenheid van cosplayers laten zien. Vaak worden ze weggezet als kinderlijk. Ze omarmen juist de vrijheid om zichzelf te zijn.”
Niet voor iedereen is cosplay overigens een toevluchtsoord, zegt ze. „Een groot deel vindt het gewoon leuk om te knutselen en creatief bezig te zijn. Om iets moois aan te trekken en naar een conventie te gaan.”
Vroeger was Willy Kling (73) timmerman en trainde hij de plaatselijke voetbaljeugd. Nu is hij met pensioen en traint hij waterslagers. Dat is een kanarieras dat speciaal voor de zang wordt gefokt, waar dan weer wedstrijden voor worden georganiseerd. Vanzelf gaat dat zingen niet: alleen de mannetjes doen het, en ook die brengen hun krachtige, gevarieerde, als klokkend en borrelend water klinkende lied alleen na een zorgvuldig uitgedacht trainingsregime.
Er is een jaarlijkse cyclus, die rond deze tijd van het jaar begint. De zang van de waterslager is deels erfelijk bepaald, dus de in het Gelderse Wijchen wonende Willy Kling en zijn vrouw (die „voor 200 procent” achter zijn hobby staat) koppelen een melodieus mannetje aan een vrouwtje, een ‘pop’, en dan hopen ze „dat daar weer toppers uitkomen”. Als ze vijf dagen oud zijn krijgen de jonge vogeltjes een voetring met daarop het kweeknummer dat Kling van de bond toebedeeld kreeg en een uniek nummer per dier.
In november, als ze een klein half jaar oud zijn, begint de zangles. In de volière laten de mannetjes zich dan al horen, maar nu gaan Kling en zijn vrouw ze ‘opkooien’, zoals dat heet: vier boven elkaar, elk in een eigen kooitje. Waterslagers beginnen te zingen als het licht wordt, dus hij zet ze in een volledig verduisterde ruimte waar hij met een lamp meerdere keren per dag een zonsopkomst veinst. En dan luisteren. Twaalf verschillende geluiden (‘toeren’) onderscheiden de experts: de klokkende, bollende en rollende waterslag moeten ze in het repertoire hebben, net als bijvoorbeeld het knorren, woeten, bellen en tjokken. Belangrijk is dat de onderste van de vier een brutaal knaapje is, niet bang het voortouw te nemen: waterslagers beginnen doorgaans te zingen zodra ze onder hen een soortgenoot horen.
Kling zit erbij en noteert. „Het mooiste”, zegt hij, „is als ze alle vier hetzelfde lied inzetten, dat het een zuiver in het gehoor liggend geheel is. Als er een met de knor begint en een ander met de klok, dan klinkt het niet.”
Hoe krijg je dat voor elkaar? Lachend: „Ja, dat is het uitzoeken van de liefhebber.” Het samenstellen van goed op elkaar ingespeelde kanarieteams helpt natuurlijk. En voedsel is belangrijk. Kling experimenteert met soorten voer, weegt het op de gram nauwkeurig. Anijszaad, bijvoorbeeld, is wat nootachtig, dat is heel goed voor de keeltjes. „Maar welk voer precies, en in welke hoeveelheden: dat is geheim. Daar ben ik járen mee bezig geweest.” Wat ook helpt is een strak ritme: niet de ene dag voeren om vijf uur en de volgende pas om zes uur. „Een mens moet regelmaat hebben, maar een vogel ook.”
Zo werkt hij toe naar de wedstrijden. Het Nederlands kampioenschap was de afgelopen jaren in Urk. Kling neemt altijd een wedstrijdselectie van 24 waterslagers mee; zes teams van vier, in houten koffers. De bedoeling is dat je ze daar aflevert, je mag er niet bij zijn als de keurmeesters naar het gezang van de deelnemende vogels luisteren en scores toekennen. Wel geeft Kling zijn eigen voer mee, en zelfs zijn eigen water. „Dat is gewoon kraanwater, maar wel van hier. In Wijchen is het water anders dan in Katwijk of Urk. Elke plaats heeft z’n eigen hardheid.” De kleinste verandering van spijs, zo gelooft hij, zou de zang van z’n vogels kunnen aantasten. Zo werd hij al meerdere keren Nederlands kampioen – en zelfs een keer wereldkampioen.
Foto’s Eveline van Elk
Op het laatste NK, afgelopen januari, heeft hij „wel goed gedraaid, laat ik het zo zeggen”. Er zijn meerdere categorieën: een voor het kwartet vogels boven elkaar, een voor duo’s, een voor enkelingen. Hij kwam thuis met respectievelijk de tweede, derde en tweede plaats. Tevreden? „Jah, ik ben ergens wel blij, maar toch, toch.” Bij meerdere andere zangwedstrijden ging hij dit jaar naar huis met de prijs voor ‘meesterzanger’: die is voor de vogel die van alle 250 tot 300 die meededen het mooist zong. Van prijzengeld is overigens geen sprake; Kling en andere deelnemers doen het voor de eer.
Foto Eveline van Elk
De vogels gaan na de wedstrijd weer naar de volière; sowieso zitten ze nooit langer dan twee, drie dagen achtereen in het kleinere kooitje, zegt hij. Na zo’n cyclus gaan ze naar een opkoper, die ze naar onder meer het Midden-Oosten en Vietnam vervoert. „Schijnbaar willen die mensen daar ze in huis hebben.”
Er zijn steeds minder mensen die dit doen, zangkanaries kweken en leren zingen. Met duizenden waren ze in de jaren vijftig, nu is Willy Kling een van de weinigen die er nog elke dag mee bezig is.
Ja, elke dag, benadrukt hij, maar niet de héle dag. „Je kunt wel eindeloos bij die kooien gaan liggen hangen, maar dat vinden die vogels ook niet leuk.”