De magie komt niet van sopraan Renée Fleming, maar van eenzame blazers op de balkons

In haar mooie autobiografie The Inner Voice schreef de Amerikaanse sopraan Renée Fleming (66) twee decennia geleden onder meer over de frustraties die het zangersleven meebrengt. Één daarvan is dat op sommige dagen de stem volmaakt klinkt, „maar je zult zien dat er die avond vaak geen concert in je agenda staat”. Sporters en musici kunnen nog zo hard trainen, „op moment supriem” – zoals satiricus Kees van Kooten het uitdrukte – moeten ze hun prestatie leveren met de dan aanwezige vorm. Wie dat accepteert, kan desondanks grootse daden verrichten.

Donderdagavond beleefde Fleming zo’n moment in de Vier letzte Lieder van Richard Strauss, midden in de weelderige klank van het Concertgebouworkest. Het is een zware opgave om de indrukwekkende gedichten over de cyclus van geboorte en vergankelijkheid verstaanbaar voor het voetlicht te brengen. En de liederen kennen ook nog een grote en fanatieke schare fans: sopranen die zich eraan wagen, liggen op een gevoelige weegschaal. De discussies over de beste voetballer aller tijden zijn er theekransjes bij.

Hier en daar kon Fleming een ogenblik van magie scheppen, maar over het geheel genomen wekte haar stem meer de indruk van een instrument. Van een zekere warme en diepe schoonheid, dat wel, maar toch een echo; de woorden bleven vaag, zelfs voor wie de regels kende of meelas. Zo boetseerde Fleming de Vier letzte Lieder vooral tot klankgedichten. Ik kon me niet bevrijden van vragen die haar optreden opriepen, terwijl je hoopt op te stijgen „nadromend in de schemering” zoals de twee leeuweriken in het slotlied ‘Im Abendrot’.

Manfred Honeck dirigeert het Concertgebouworkest.
Foto Milagro Elstak

Ontroering

Rondom Strauss had dirigent Manfred Honeck met het Concertgebouworkest een boeiend programma samengesteld. Met name het Larghetto for Orchestra van de hedendaagse componist James MacMillan kwam binnen. Het is een orkestratie van zijn koorwerk Miserere, een boetepsalm van koning David, die God vraagt om genade voor zijn vervulde begeerte naar de mooie Batseba. Hij stuurt haar echtgenoot, zijn bevelhebber Uria, zelfs een zekere dood tegemoet. Hoe ontroerend was het smeken van de eenzame hoorn, trompet en trombone vanaf verschillende plekken tussen het publiek op de balkons.

Tot slot presenteerde dirigent Honeck nog een eigen stuk kunstnijverheid: met arrangeur Tomás Ille maakte hij een orkestsuite van muziek uit Puccini’s laatste opera Turandot, over de Chinese prinses die de liefde op afstand houdt door de potentiële echtgenoten drie raadsels voor te leggen. Wie het antwoord niet weet, wacht onthoofding. En zo vloeit er heel wat bloed totdat de held van de opera, prins Calaf, haar weet te vermurwen. Een goed plan van Honeck, want Puccini is nu net een componist die zulke mooie orkestpartijen schrijft, dat je jezelf gedurende zijn opera’s vaak betrapt op de gedachte: kunnen die zangers niet even hun mond houden. Honeck en Ille – en het Concertgebouworkest in hun voetsporen – legden de genialiteit van Puccini’s klankwereld bloot. En je hoorde in het voorbijgaan meteen wie de belangrijkste inspiratiebron van filmcomponist Ennio Morricone was.

Video: Renée Fleming zingt ‘Im Abendrot’.