Column | Woede is een storm

Frits Abrahams

Vooral interessant aan het schandaaltje rond voetbalanalist Pierre van Hooij-donk was de macht van de woede. Hij wist dat hij tijdens die live-uitzending van NOS Studio Voetbal een domme fout ging maken („Ik begeef me op glad ijs”), maar hij kon het desondanks niet laten om toch door te zetten – zonder schaatsen.

En dus ging hij volledig onderuit toen hij eraan toevoegde dat Ajax-trainer Maurice Steijn in zijn periode bij NAC „betrokken was bij duistere dealtjes met bevriende makelaars”. Daar gaat hij groot gedonder mee krijgen, dacht ik meteen terwijl ik zat te kijken. Ook omdat duidelijk werd, na nieuwsgierige vragen van zijn panelgenoten, dat hij geen voorbeelden wilde of kon geven. Daarmee bleef de beschuldiging als het zwaard van Damocles boven zijn eigen hoofd hangen. Steijn liet het de volgende dag samen met zijn advocaat snel neerdalen: rectificatie, zo niet, dan kort geding.

Van Hooijdonk spartelde nog even tegen, hij liet het ultimatum verlopen, maar bood toen toch maar zijn excuses aan. Steijn nam daar genoegen mee. Daar komt Van Hooijdonk nog goed mee weg, want Steijn had ook kunnen blijven eisen dat Van Hooijdonk zijn beschuldiging in de volgende uitzending van NOS Studio Voetbal zou terugnemen. De NOS had dat moeilijk kunnen weigeren, ook al had men Van Hooijdonk al voorlopig geschorst als medewerker.

„Voor mijn opmerking heb ik geen bewijs en die opmerking had ik daarom ook niet moeten maken”, begint Van Hooijdonk zijn rectificatie. Het klinkt nogal schoorvoetend. Geen bewijs, maar soms wel aanwijzingen? Als ik Steijn was geweest, had ik aangedrongen op de formulering: „Geen bewijs, en zelfs geen spoor daarvan.” Nu is het alsof Van Hooijdonk wil suggereren: ik weet veel, maar sorry, ik kan het helaas niet hardmaken en had het daarom beter niet kunnen zeggen.

Hoe kon Van Hooijdonk zo onverstandig zijn om iets te doen waarvan hij wist dat het onverstandig was? Ach, laten we even in de spiegel kijken. Wie kent zulke momenten niet van zichzelf? De maat is vol, is hij/zij helemaal belazerd, het moet nou maar eens afgelopen zijn – et cetera. Niets kan een mens zo woedend maken als woede. Kan hij zichzelf ermee beschadigen? Nou, dat moet dan maar!

Woede is een storm. Maar elke storm gaat liggen. En dan verschijnen advocaten en rechters aan de horizon.

Zelf heb ik ook eens iemand ernstig beschuldigd, niet in een zelfgeschreven tekst, maar in een interview, mij door een blad afgenomen. De situatie was vergelijkbaar met die van Van Hooijdonk. Je babbelt wat, er valt een naam, er komt een vraag en je wilt er niet omheen draaien. Ik maakte voor de vuist weg mijn opmerkingen. De beschuldigde las ze later en eiste rectificatie.

Toen schrok ik pas. Had ik voldoende bewijzen? Dagen van koortsachtig onderzoek volgden. Ik besloot rectificatie te weigeren, want mijn positie leek sterk genoeg. Maar of de rechter er ook zo over denkt, moet je maar afwachten. En die juridische wachttijd duurt lang. De zaak blijft je bezig houden als een lastige, maar onvermijdelijke operatie waarvoor je op een eindeloze wachtlijst staat.

In mijn geval liep het goed af, maar ik heb ervan geleerd dat je niet twee keer, maar minstens drie keer, en liefst vier, moet nadenken voor je iemand van duistere dingen beschuldigt.