Column | Wat moet de Koning in godsnaam zeggen?

Stephan Sanders

Als hij op 1 juli om excuses vraagt (beter dan ‘aanbiedt’) voor het Nederlandse aandeel in de slavernij, doet hij dat als staatshoofd. Hij maakt deel uit van de regering, en wel van het ‘onschendbare’ deel. Toen premier Rutte op 19 december om excuses vroeg, deed hij dat namens de staat, en dus ook namens de Koning. Moet Willem-Alexander nu nog een keer?

Het kan zijn dat hij ook als familieman wil spreken, die zich wil verontschuldigen voor de geschiedenis van de Oranjes en hun slavernij-aandeel; die familie blonk bepaald niet uit in een vroeg en actief abolitionisme.

Maar veel belangrijker is dat de koning op het moment dat hij spreekt ‘een wolk in broek’ wordt (Majakovski), onstoffelijk, en vooral symbool van het Koninkrijk der Nederlanden. Er zijn genoeg mensen die alles van symbolische waarde waardeloos vinden, het equivalent van 0,00. Het kost niets, zeggen ze, dus kan het ook niet veel voorstellen. Die mensen noem ik symboolblind. Want excuses vragen kost altijd moeite en genereert ongemak, zowel bij degene die het vraagt als bij degenen aan wie de vraag wordt voorgelegd. Wie kan spreken, in naam van voorouders die niet meer leven, wie kan aanvaarding toezeggen? Dat is religieus, de omgang met de doden. Het is al eenvoudiger wanneer de doorwerking van de slavernij ter sprake komt, want die is wel degelijk intergenerationeel, en stopte niet op 1 juli, nu honderdvijftig jaar geleden. Antoine de Kom, psychiater, dichter en kleinzoon van Anton de Kom zegt het zo in De Gids: „[…] omdat de trans-Atlantische slaven zwart waren is er een kleuronderscheid verbonden geraakt met de meester-slaaftegenstelling. […] Racisme, het belangrijkste gevolg van de slavernij, is genetisch verankerd geraakt in de erfelijkheid van huidskleur.”

Die doorwerking van het verleden merken wij als levenden onder elkaar. Het onuitstaanbare is dat juist de nazaten van de slavernij daar beduidend meer last van hebben dan de nazaten van de slavenhouders. Genocide, martelpraktijken, ontmenselijking, het kan leiden tot veerkracht, maar ook tot autoritaire verhoudingen binnen families, minderwaardigheidscomplexen en erger. Slachtoffers zijn écht slachtoffers, want een deel van die erfenis is juist weer een gevolg van die slavernij. Voorbeeld: dat vervelende kleurenschema, waarbij licht gekleurd beter wordt geacht dan donker of zwart.

Wat moet de koning allemaal zeggen om deze aanhoudende kettingreactie te stoppen?

Woorden zijn ontoereikend, de koning moet een ritueel gebaar van deemoed maken. Bijna niet te evenaren: Willy Brandt, West-Duits bondskanselier die in 1970 in Warschau op de knieën ging.

Het ritueel ‘zegt’ niets, het gebeurt, het is er en moet vooral voltrokken worden.

Stephan Sanders schrijft elke maandag op deze plek een column.