Column | Laat sommige taboes maar fijn bestaan

Als politici zeggen dat er bij de aanpak van een bepaald probleem ‘geen taboes’ bestaan, dan moet je altijd oppassen. Lekker doortastend klinkt het natuurlijk wel, wanneer men verklaart dat ‘niets onbespreekbaar is’ of dat ‘alle opties op tafel liggen’. Toch hoor ik dan ook altijd een stemmetje in mijn hoofd dat vraagt of onze hele beschaving niet juist is gebaseerd op het idee dat bepaalde daden wel degelijk onbespreekbaar zijn, al helemaal wanneer het gaat om het optreden van instanties die zich kunnen verheugen in het geweldsmonopolie. Wat is onze rechtsstaat anders dan één grote taboeverklaring?

Toen ik las dat premier Schoof vorige week bij het Kamerdebat naar aanleiding van het geweld tegen Israëlische voetbalsupporters in Amsterdam had verkondigd dat er „geen enkel taboe” is bij de strijd tegen „het antisemitische monster dat de kop opstak”, ging ik dan ook iets rechter op in mijn stoel zitten. Een blik op het lijstje met maatregelen die het kabinet graag zou treffen leerde me vervolgens dat men inderdaad behoorlijk taboedoorbrekend te werk wil gaan op dit dossier.

Daders vervolgen voor terrorisme, om zo het Nederlanderschap van degenen met een dubbel paspoort te kunnen intrekken. Een verbod op de Instagrampagina Cestmocro, waar veel jongeren met een migratieachtergrond hun nieuws over Gaza vandaan halen. De politie toegang geven tot WhatsApp-groepen bij vrees voor ongeregeldheden. Aanscherping van het demonstratierecht.

Het is slechts een greep uit de plannen die plotseling dus niet alleen bespreekbaar worden geacht maar die het kabinet ook daadwerkelijk wil doorvoeren, of toch op zijn minst verkennen. Hoe dan ook lijkt het me genoeg om aardig bezorgd te raken over een aantal grondrechten – het recht op gelijke behandeling, de vrijheid van meningsuiting, het briefgeheim en de vrijheid van betoging voorop.

Vanwege die rechten staat zeker nog niet vast dat de kabinetsplannen juridisch haalbaar zijn. Evenmin staat echter vast dat ze dat níét zijn. Want ook als het gaat om fundamentele rechten laat de wet tamelijk wat ruimte over voor uitzonderingen en beperkingen. In de naam van de nationale veiligheid of openbare orde kan er in de regel best flink op grondrechten worden ingebroken.

Dat iets juridisch mag, betekent nog niet dat het ook wijs is om het te doen. Zelfs als straks blijkt dat het volgens de letter van de wet wel kan allemaal, zouden we ons serieus moeten afvragen of het een goed idee is om de staatsmacht zo fors uit te breiden, en de bescherming van burgers tegen de overheid tegelijkertijd zo aanzienlijk te verzwakken.

‘Mensen die niks met terrorisme te maken hebben, hebben he-le-maal niks te vrezen”, zei Schoof tijdens het debat, en ongetwijfeld laten velen zich door die woorden graag geruststellen. Zelf weet ik het nog zo net niet, als ik reportages lees over Nederlanders die ten onrechte op terrorismelijsten zijn beland. Als ik bedenk dat overheidsdienaren ook maar gewoon mensen zijn die het best een keer mis kunnen hebben, en die werken met denkkaders en computersystemen die eveneens niet per se vrij zijn van elke bias. Als ik zie hoe tumultueus de wereld is waarin we leven, en hoe snel de grenzen kunnen verschuiven als het gaat om de vraag wie er precies geldt als bedreiging voor de publieke orde.

Een pandemie, een uit de hand gelopen protest, een oorlog die wordt gevoerd in de naam van een bepaald volk of een aanslag die wordt gepleegd in de naam van een zekere religie – onder de invloed van zulke heftige gebeurtenissen kunnen de opvattingen over waar het gevaar zit in de samenleving razendsnel veranderen. Dat men ooit ook in uw favoriete Instagramkanaal, uw WhatsApp-groep of uw protestactie een monster zal menen te ontwaren, is niet ondenkbaar.

Nee, mij lijkt het geen goed idee om de staatsmacht uit te breiden langs de lijnen die het kabinet kennelijk wel voor zich ziet. Laat het taboe daarop maar fijn bestaan. Antisemitisme moet worden bestreden. Alleen niet zo.

Josette Daemen is politiek filosoof aan het Instituut Bestuurskunde van Universiteit Leiden.