Column | Arm en rijk in de Scheveningse Bosjes

Tennisclub Thor de Bataaf ligt prachtig in het groen. Voor het hagelwitte clubhuis prijkt een Land Rover en op het terras zit een dame met poedel in de zon. Alleen, sla de bal niet té ver uit. Vooral niet op baan C ter hoogte van het reclamebord voor makelaarskantoor Estata, die miljoenenhuizen in de buurt verkoopt. Wie ’m daar over het hek mept, raakt misschien een dakloze. Drie ballen liggen er vandaag. Naast een tentje met slaapzak en matras.

Zulke extreme verschillen tussen arm en rijk ken je van divided cities als Johannesburg of Mexico-Stad. Sloppenwijken naast villa’s met zwembad, slechts gescheiden door een muur. Maar in Nederland doen de Scheveningse Bosjes er niet voor onder. In dit duinachtig stadspark in Den Haag vind je welgestelde buurtbewoners wandelend met de hond langs tentjes van daklozen verscholen in het groen. Tientallen, op steenworp van de paden.

Sommige tentjes staan op heuveltjes, afgeschermd met een takkenwal. Eentje heeft zelfs een hangmat, barbecue en tuinhek met bordje ‘Eigen weg’. Andere tentjes staan midden in het struikgewas. Blauw dekzeil. Wc-papier. Etensresten. Dekens aan een boom.

„Wacht, ik lijn ’m even aan”, zegt een man met stevige hond die in een hoek van het park een tent verlaat. De man – „liever geen naam” – is eind vijftig en woont hier al twee jaar, nadat-ie z’n huis uit moest vanwege een woningbrand. „Ik sta elf jaar op een wachtlijst. Maar ja…”.

Mensen denken vaak dat in de Scheveningse Bosjes vooral arbeidsmigranten verblijven, maar dat is volgens de man niet helemaal waar. Ja, je hébt er wel veel, maar die verdwijnen ook weer. Plotseling. Waarna hun tentjes blijven staan. Soms wel een half jaar. „En dan trek ik het zooitje weg en zet het aan de openbare weg.”

Maar die dáár – wijzend naar een tentje verderop – komt uit Scheveningen, net als hij. En dáár, een nieuwe, uit Den Haag. „Loop maar mee.”

„Hee!” klinkt verderop als z’n hond in de rugtas van een jongeman met lang haar bijt. „Enige nog dat ik heb!” Hij kan er wel om lachen, net als de man van zestig met wie hij bij een houtkacheltje een joint bouwt. De zestiger verblijft hier nu een paar maanden – „uitkering kwijt” – en de twintiger – „bestolen van m’n crypto”– pas een week. Beter dan de daklozenopvang, waar je tussen de junks zit. Dit park voelt „frisser” en je wordt hier, op een enkel bezoek van „de autoriteiten” na, amper gestoord.

Ja, door de arbeidsmigranten soms. Vannacht heeft iemand z’n koffer gestolen, zegt de twintiger. „M’n Timberlands, m’n reiskussentje. Alles kwijt!” Hij verdenkt de groep in het blauwe tentje verderop. Zitten „24/7” aan de speed. „En ik ben dan nieuw vlees hier hè.”

En tja, de buurtbewoners. „Die zijn teleurgesteld dat ík hier zit”, zegt de zestiger. „Nou, wacht maar tot de oorlog uitbreekt”, zegt de jongeman. „Dan weten wij al hoe je moet overleven.”

Freek Schravesande doet elke donderdag ergens vanuit Nederland verslag.