Opinie | Als er een crisis uitbreekt, weten de Finnen hun rol

Een systeem is zo sterk als de individuen die er deel van uitmaken. Dat geldt zeker voor de Finse samenleving. De mentale weerbaarheid van de Finnen is enorm, wat natuurlijk samenhangt met de Finse geschiedenis. In 1939 leverde Finland, net twee decennia onafhankelijk, een bloedige strijd tegen een Sovjet-invasiemacht. Later vocht Finland tegen de Duitsers, waarbij grote delen van Noord-Finland werden verwoest.

Deze ervaringen liggen diep verankerd in het Finse collectief geheugen. Daarom zijn de Finnen dan ook nooit gestopt met investeren in hun verdediging – in tegenstelling tot veel Europese landen, die na de val van de muur hun defensie-uitgaven drastisch hebben teruggebracht.

Ondanks de grote historische verschillen kunnen de Finnen ons waardevolle lessen leren over weerbaarheid. Eind 2024 ben ik met een groep van 22 bedrijven en overheden naar Finland afgereisd, om precies dat te doen: iets op te steken van hoe de Finse samenleving zich altijd is blijven voorbereiden op het onvoorspelbare. Precies wat we nu in Nederland ook moeten gaan doen.

Reservisten

De waakzaamheid zie je terug in de hele Finse samenleving. Het beroepsleger van circa 25.000 militairen kan in oorlogstijd snel worden uitgebreid tot 280.000. In totaal telt het land bijna 900.000 reservisten, oftewel 16 procent van de bevolking. Veel bestuursvoorzitters van grote bedrijven zijn ook reservist.

Daarnaast heeft elke organisatie van enige omvang een chief resilience officer, die toeziet op bijvoorbeeld cyberaanvallen en andere verstoringen. Verder bereiden verschillende overheidsorganen burgers actief voor op crisissituaties. Ook wordt bij de aanleg van wegen, viaducten en tunnels al rekening gehouden met gebruik door tanks en ander groot materieel, terwijl in Nederland slechts een beperkt aantal bruggen en wegen geschikt is voor zwaar militair vervoer.

Finnen vinden het normaal dat ze in een crisissituatie minimaal drie dagen zonder hulp kunnen overleven

In Finland weet iedereen wat zijn of haar rol is als er een crisis uitbreekt. Neem bijvoorbeeld het aanhouden van noodvoorraden van belangrijke spullen en levensmiddelen. Meer dan 1.500 organisaties en gemeenschappen zorgen er – onder de hoede en op kosten van de overheid – voor dat er altijd genoeg brandstof, voedsel en medicijnen zijn. De betrokken organisaties verdelen de verantwoordelijkheden en bepalen onderling wie welke taak oppakt bij een crisis. Daarnaast komen maandelijks vertegenwoordigers van ministeries, veiligheidsdiensten, ngo’s, bedrijven en specialisten bijeen om de praktische kanten van de Finse nationale weerbaarheid te bespreken.

Wat de Finnen ook doen, is doorlopend simulatietrainingen organiseren die medewerkers van allerlei organisaties bijvoorbeeld alvast het effect laten ervaren van een stroomuitval van 72 uur. Tijdens onze reis namen wij ook deel aan zo’n simulatie. De conclusie was onmiskenbaar: of het nu gaat om de bevoorrading van levensmiddelen, het instandhouden van communicatie of de zorg voor familie, alle vitale functies zijn bij een crisis kwetsbaar.

Hoewel veiligheid van oudsher diep is verankerd in de Finse cultuur en het Finse model niet zomaar te kopiëren valt, is Finland voor Nederland toch een interessant voorbeeld. Alleen al in de manier waarop de overheid zorgt dat ook burgers en bedrijven zich verantwoordelijk voelen voor de veiligheid.

We kunnen ook van Finland leren op het gebied van voorlichting en informatievoorziening, zeker met het oog op de toenemende hoeveelheid desinformatie en nepnieuws. Burgers aansporen een noodpakket aan te leggen is onvoldoende; we moeten bedrijven en mensen in de hele samenleving beter leren hoe ze zich kunnen voorbereiden op crises. Dat kan met heel concrete, praktische informatie over hoe te handelen bij een bepaald type verstoring. Maar het is daarnaast belangrijk mensen te leren hoe ze digitaal veilig zijn, en hoe ze nepnieuws en desinformatie kunnen herkennen. Het kan ook helpen als we mensen bewust maken van onze democratische verworvenheden, en hoe kwetsbaar deze zijn. Dit is uiteraard een kwestie van lange adem, maar de noodzaak is er, en zonder bewustzijn zijn we onvoorbereid.

Verder is de opschaalbaarheid van de Finse krijgsmacht en het aandeel reservisten indrukwekkend. Onze staatssecretaris Gijs Tuinman (Defensie, BBB) heeft eerder al de ambitie uit gesproken om de Nederlandse krijgsmacht te laten groeien naar 100.000 man. Een dienstplicht naar Zweeds model, waarbij een selectie wordt gemaakt van de meest geschikte en gemotiveerde jongeren, zou daarbij een interessante optie kunnen zijn.

Frontstaat

We moeten natuurlijk ook weer geen appels met peren vergelijken. Finland is een frontstaat: het deelt 1.340 kilometer aan grens met Rusland. Nederland is daarentegen omringd door bondgenoten. Bij crises kunnen de Finnen schuilen in een van de ruim 50.000 schuilkelders. Nederland heeft sinds de jaren tachtig geen openbare schuilkelders meer. En de perceptie van de Nederlandse bevolking is anders. Wij kijken raar op van het advies contant geld in huis te halen, waar Finnen het normaal vinden dat ze alles in huis hebben om in een crisissituatie minimaal drie dagen zonder enige hulp te overleven.

Maar ondanks alle verschillen kan Finland ons inspireren. Als we beter voorbereid willen zijn, moeten we nu onze eigen, Nederlandse visie en aanpak ontwikkelen. De bepalende factor daarbij: samenwerking. Dit onderwerp raakt de maatschappij op alle niveau’s. Overheden, kennisinstellingen, bedrijven, ngo’s en burgers – dus ook u en mij.

Lees ook

Niemand in de flat heeft het over noodpakketten. ‘Mensen hebben wel wat anders aan hun hoofd’

Leny Speelziek, hier naast haar man, uit Kwadendamme  schrok toen ze hoorde dat een noodpakket wel 275 euro kan kosten.


Opinie | Mama, komt er nu een Derde Wereldoorlog?

Als ik iets over pubers heb geleerd, is het dat ze de meest belangrijke onderwerpen aankaarten op de minst opvallende momenten. Toen mijn veertienjarige dochter vorige week, boven de pastamaaltijd, opkeek met een ernstige blik, spitste ik mijn oren.

„Mam”, zei ze voorzichtig.

„Ja?”

„Komt er nu een Derde Wereldoorlog?”

De vraag was zo groot en de angst in haar ogen zo oprecht dat ik niet wist hoe te reageren. Ik vroeg haar wat ze precies bedoelde. Ze liet me weten dat ze haar studiepakket wil aanpassen op een mogelijke oorlog. Als ze geneeskunde gaat studeren, hoeft ze niet het slagveld op, maar kan ze mensen helpen. In het ziekenhuis is het veiliger. „Toch, mam?” Ik slikte een hap pasta weg.

Toen ik net zo oud was als zij, beschouwde ik oorlog als iets abstracts dat zich ver over de grens afspeelde of iets van lang geleden. Een haast ouderwets concept dat we in Europa voorgoed zouden weten te vermijden. Van twee gruwelijke wereldoorlogen hadden we geleerd: dit nooit meer.

En ineens zit ik aan tafel met een meisje dat zich afvraagt hoe snel de oorlog hierheen kan komen en of we wel zijn voorbereid. „We hebben veel te weinig wapens!”, zegt ze met grote ogen. Uit haar opmerkingen kan ik afleiden dat ze snippers van de actualiteit tot zich heeft genomen zonder in staat te zijn uit al die informatie een betrouwbaar beeld te destilleren.

Mijn dochters generatie haalt haar informatie voornamelijk uit sociale media waar angst en emotie garant staan voor extra views en clicks. In tegenstelling tot de traditionele, verzuilde nieuwsbastions waarmee ik ben opgegroeid, blinken content sharing-platforms als TikTok, YouTube en Snapchat niet uit in diepgravende research, nuance of nuchterheid.

Veranderende wereld

Wie tegenwoordig evenmin uitblinkt in nuchterheid, tot mijn schaamte, dat ben ik. Ik hoor de berichten over president Trumps transactionele politiek, de triomf van de oligarchie, het failliet van de oorlog in Oekraïne, het wankele koord in het Midden-Oosten. In de Verenigde Staten heerst een misogyne regering die vriendjespolitiek, omkoping en chantage niet eens het verbergen waard acht. Ik zie een veranderende wereld. En ja, dat boezemt angst in.

Toch dacht ik dat mijn angst iets was waar ik persoonlijk mee moest dealen. Ik had me niet gerealiseerd hoe poreus de muren thuis waren en hoe mijn eigen onrust onbedoeld en ongefilterd een weg zou vinden naar mijn kind. Kinderen horen ons: onze gesprekken met vrienden aan de telefoon, met andere ouders op het schoolplein. Kinderen voelen ons: onze stress waarmee we naar het nieuws luisteren, onze irritatie en onze moedeloosheid. Kinderen volgen ons: ze delen verhalen op school, luisteren en proberen de veranderende politieke realiteit te begrijpen met amper handvatten en levensjaren minder context.

Voor het gemiddelde Nederlandse kind is oorlog iets uit de films, uit een shooter game die ze spelen of het dagboek van Anne Frank dat ze verplicht hebben gelezen. Ze hebben nauwelijks houvast om in te schatten of een oorlogssituatie op dit moment waarschijnlijk of nabij is. Velen van hen zullen die verwarring niet eens uitspreken. Ze ervaren een sluimerende onzekerheid die louter leidt tot nog meer angst.

Als het om onze kinderen gaat, geloven we graag in sprookjes. We willen hen het liefst zo lang mogelijk beschutten in een wereld van onschuld en onaantastbaarheid. Maar wat als dat wishful thinking is? Wat als onze kinderen niet minder, maar juist méér vatbaar zijn voor de onophoudelijke onheilsprikkels die ze elke dag weer aangereikt krijgen? Wat als kinderen, nog niet behept met het praktische schild van onverschilligheid, de wereldwijde politieke onrust juist intenser beleven?

Uit diverse studies blijkt dat kinderen en jongeren bijzonder gevoelig zijn voor nieuws en maatschappelijke gebeurtenissen. Een onderzoek van Ipsos in opdracht van Milieudefensie Jong uit 2023 toonde aan dat een op de vijf jongeren regelmatig tot vaak stress ervaart bij het denken aan de klimaatcrisis. Ze voelen zich moedeloos, machteloos of slapen slecht.

Ronkende koppen uit de media blijven door de hoofden van jongeren spoken

In 2022, aan het begin van de oorlog tussen Rusland en Oekraïne, voerde Unicef een peiling uit onder ruim duizend Nederlandse kinderen tussen de tien en de achttien jaar oud. Daaruit bleek dat meer dan de helft van de ondervraagde jongeren vaak aan de oorlog dacht en dat twee op de drie gevoelens van angst of verdriet ervoeren.

Hoe graag we ze ook willen beschermen, voor onze kinderen en tieners voelt de oorlog niet verder, maar juist dichter bij huis. Debet daaraan is de wijze waarop nieuwsberichten tegenwoordig in de media worden gecommuniceerd: in korte, spectaculaire zinnen. Na een spoedoverleg in Parijs van Europese leiders tuimelden de media over elkaar heen met ronkende koppen: „Von der Leyen waarschuwt voor ’keerpunt’ in Europese veiligheid”, de situatie wordt omschreven als „ongekend”, „ijzingwekkend” en zelfs „een electroshock”.

Deze onelinercultuur is contextloos en dus voor jongeren slechts schijnbegrijpelijk. Wat een makkelijk behapbare, heldere uitspraak of omschrijving lijkt, ontbeert voor hen afdoende context of nuance. Juist daardoor kunnen onheilspellende woorden ongebreideld blijven spoken door de hoofden van een jonge generatie.

Er is vooralsnog geen onderzoek gedaan naar de invloed van de recente golf geopolitieke ontwikkelingen op kinderen en jongeren. Bekend is dat angstgevoelens bij die groep kunnen leiden tot somberheid, frustratie, prikkelbaarheid, concentratiemoeilijkheden en zelfs depressie. Een onzeker gevoel over de buitenwereld kan aanzetten tot (nog) meer nieuwsconsumptie, vaak op dubieuze fora die de angst verder aanwakkeren. Zo lokken wij, volwassenen, een jonge generatie naar een diep en duister rabbit hole.

Taak voor ouders

Hoe nabij of veraf een oorlog ook mag zijn, deze tijd vraagt om een groeiend bewustzijn over de informatie en emotie die wijzelf, geholpen door nieuwskanalen en sociale media, op onze kinderen overbrengen. Voorlichting en het bieden van meer context is niet alleen een taak voor scholen, maar met name voor ouders. Praten helpt.

Het kan moeilijk zijn om in te schatten hoeveel informatie je een kind precies meegeeft. Zoiets vraagt om geduld, lef en zorgvuldigheid. Zeggen ‘dat het allemaal wel losloopt’ is een snel, maar weinig duurzaam antwoord. De politieke werkelijkheid is niet als Sinterklaas: een leugentje om bestwil dat je later rechtzet.

Ik ben blij dat mijn dochter haar zorgen gedeeld heeft en me daardoor heeft gewezen op een blinde vlek. Het zijn per slot van rekening de jongeren van nu die straks de wereld leiden, vanuit de ervaringen die ze vandaag opdoen. Eén enkel gesprek zal het onbegrip en de verwarring onder kinderen niet volledig wegnemen, maar het zorgt voor erkenning en daardoor relativering van een knagend gevoel. Luisteren helpt.

Ik hoop dat elke jongere een plek gegund wordt om haar of zijn gevoelens hierover te delen, dat we het nieuws wellicht niet kunnen verzachten, maar zeker nuanceren, en dat we erin slagen om tegenover al het duistere iets lichts te plaatsen: verhalen over solidariteit, oplossingen en internationale samenwerking. Of, concreter, hoe mensen elkaar helpen in tijden van crisis. Want ook deze generatie heeft het recht om op te groeien in een veilige wereld met een vleugje onschuld en gezonde naïviteit.

Lees ook

‘Ik had niet voor mogelijk gehouden dat de lessen uit de geschiedenis zouden worden vergeten’

Illustratie Cyprian Koscielniak


Opinie | Verkiezingen als het kabinet valt? Dat hoeft niet

Het is geen vereiste om na de val van een kabinet meteen verkiezingen te houden. Er is juist goede reden om, mocht het kabinet-Schoof binnenkort ten val komen, eerst eens na te gaan of er binnen het parlement mogelijk een alternatieve meerderheid te vinden is voor een (ten dele) ander kabinet. Een kabinet met aan het hoofd een spelverdeler die ons land door de komende zware tijd heen helpt loodsen.

Nergens staat geschreven dat op de val van een kabinet meteen verkiezingen zouden moeten volgen. De grondwet zwijgt erover, de kieswet ook. Het is een soort gewoonterecht, en die gewoonte stamt uit de jaren zestig.

In 1963 kwam na de normale vierjaarsverkiezingen het kabinet-Marijnen tot stand. Dat stortte na anderhalf jaar al ruziënd in, en vervolgens werd er een ten dele anders samengestelde regering bij elkaar geformeerd, het kabinet-Cals. Door een conflict met de Tweede Kamer haalde ook dat kabinet de eindstreep niet, en in 1967 volgden licht vervroegde verkiezingen, waarna het kabinet-De Jong weer de volle vier jaar uitdiende.

Gewoonte

In die jaren leefde een sterk besef dat het achteraf beter was geweest niet zonder verkiezingen van de ene coalitie op de andere over te stappen. En zo is het sindsdien gewoonte geworden om na de val van een kabinet, ook als dat door interne strubbelingen tot een eind is gekomen, ogenblikkelijk nieuwe verkiezingen te houden. Maar is dat nou altijd zo’n goed idee?

Lees ook

Deze coalitie moet zich niet langer laten gijzelen door de PVV

Geert Wilders, Frans Timmermans, minister Ruben Brekelmans, minister Caspar Veldkamp en premier Dick Schoof tijdens een debat over de uitspraken van president Donald Trump over Oekraïne. Foto Bart Maat

Indertijd kende de Nederlandse politiek maar één wezenlijke keuze. De drie confessionele partijen, tezamen in het centrum, konden kiezen voor regeren met rechts, de VVD, of met links, de PvdA. De regering onder Marijnen was er een met de VVD, die onder leiding van Cals met de PvdA. Dat je die ene zwaai van betekenis beter niet tot stand had kunnen brengen zonder die eerst aan de kiezer voor te leggen: die achterafwijsheid lijkt, gezien de toenmalige verhoudingen, nog steeds juist.

Maar is dat, nu de verhoudingen intussen zo sterk zijn veranderd, nog zo? Vandaag de dag hebben we van doen met een kabinet-Schoof dat nagenoeg niets presteert en waarvan de samenstellende partijen het onophoudelijk met elkaar aan de stok hebben. De formatie die op de verkiezingen van november 2023 is gevolgd kunnen we daarom gerust als mislukt beschouwen.

Wat we nu bovenal nodig hebben, is een vastberaden en eensgezinde regering

Wanneer de huidige regering ten val komt, zijn er goede redenen om ditmaal eerst uit te zoeken of er, op basis van de huidige samenstelling van Tweede én Eerste Kamer, niet een andere meerderheid te vormen valt. Die goede redenen zijn juist de afgelopen weken met alle kracht naar voren gekomen. Met Geert Wilders valt geen samenhangende Europa-politiek te voeren waarbij ook Nederland een betrouwbare bijdrage levert aan wat voor Oekraïne zal resteren van een leven in vrijheid. En niet alleen voor Oekraïne: op de iets langere termijn ook voor onszelf.

Wat we nu bovenal nodig hebben, is een regering die even vastberaden is als eensgezind. Een regering met een premier die over het vermogen beschikt de bevolking duidelijk te maken wat nu de absolute prioriteit heeft, op de manier waarop Mark Rutte, die ene keer in zijn loopbaan, aan het begin van de coronacrisis het volk toesprak. Een op instructies wachtende ambtenaar als Dick Schoof kan dat niet, daarvoor is een ander soort premier nodig. Een die politieke leiding kan geven, die verstand van zaken heeft, en die over grote retorische gaven beschikt.

Heikel punt

Zo’n politicus hebben we op voorraad, hij voert nu de oppositie aan. Voor het vormen van een coalitie van Groen Links-PvdA en VVD met wie verder mee wil en kan doen (vast en zeker D66, Volt, CDA, CU en, voor een tweede kans, ook NSC) zijn wederzijds forse concessies nodig. Zo zal de linkerzijde op het zo heikele punt van de migratie flink moeten inleveren om voor de VVD de overstap verdedigbaar te maken in eigen kring.

De regering die uit een ditmaal verkiezingsloze formatie voort zal komen, heeft dan ruim twee jaar de tijd om een Europa-breed beleid op poten te zetten dat dan eind 2027 inzet van verkiezingen kan worden. Is dat niet beter dan dat drie van de vier huidige coalitiepartijen angstig in de koplampen blijven staren van peilingen die er voor hen slecht tot noodlottig uitzien, in de vage hoop dat die bij toverslag nog zullen opknappen? Meer dan in de afgelopen driekwart eeuw is de tijd voor vérziend staatsvrouw- en staatsmanschap nu gekomen.


Opinie | In Trumps wereld gaat het verhaal niet netjes van A tot Z

Sociale media ondermijnen de democratische rechtsstaat – het is inmiddels een cliché. Maar de verklaringen over waaróm dit zo is, lopen uiteen. Het gevaar wordt nog vaak gezocht in problematische inhoud, zoals desinformatie, extremistische video’s en racistische memes. Deze focus op inhoud leidt echter af van een veel fundamentelere ontwikkeling: dat de vorm van sociale media radicale veranderingen teweegbrengt in hoe wij informatie verwerken en de wereld waarnemen.

Inhoud, zo stelde de mediatheoreticus Marshall McLuhan, is als het sappig stuk vlees waarmee de inbreker de waakhond afleidt terwijl hij het huis leeg rooft. In dit geval is het huis ons lineaire bewustzijn.

Van links naar rechts, van begin tot eind – aan deze lineaire, causale kijk op de wereld die het geletterde tijdperk heeft voortgebracht, doen de beeldrijke sociale media afbreuk. Zij bevorderen namelijk een meer intuïtieve kijk op werkelijkheid en waarheid, die afgestemd is op vorm, patroon en esthetiek. We verwerken de grote hoeveelheden fragmentarische informatie – korte video’s, memes, (snap)berichtjes – niet van links naar rechts en van begin tot eind, maar gelijktijdig en associatief.

Waar ons bewustzijn eeuwenlang lineair was, raakt het door deze 21ste-eeuwse beeldenstorm hypergefragmenteerd. We betreden een post-lineair tijdperk, waarin niet langer de logische of feitelijke consistentie van een argumentatielijn, maar authenticiteit en vibe gezag afdwingen en bepalen wat echt en waar is.

De hamvraag van het huidige tijdsgewricht is wat dit betekent voor de democratische rechtsstaat. Hoe weerbaar is de rechtsstaat, zelf geënt op lineaire logica, nu hij geconfronteerd wordt met de door sociale media aangedreven crisis van de lineariteit?

Opper-populist

Allereerst moeten we vaststellen dat de kentering in hoe ons bewustzijn werkt, uitermate vruchtbaar is voor een nieuw soort populistische politiek en communicatie. Neem deze snippers lovende zelfevaluatie van opper-populist Donald Trump, afkomstig uit verschillende toespraken en interviews:

„Als je gewoon voorleest van een teleprompter, zal niemand daar enthousiast van worden. Je moet van alles met elkaar verweven.”

„Ik praat over iets van negen verschillende dingen, die allemaal briljant samenkomen.”

„Ik noem het de ‘weave’, en sommige mensen vinden het zo geniaal. Maar de slechte mensen zeggen: hij was aan het zwabberen. Maar het is geen gezwabber, het is een weave.”

Trump en zijn team beseffen als geen ander dat rechtlijnige, coherente politieke communicatie bij de kiezer steeds minder tot de verbeelding spreekt. Het is niet toevallig dat Trumps voormalige politiek strateeg Steve Bannon hem een „McLuhan-eske figuur” heeft genoemd, en dat het Witte Huis onlangs een uitnodiging deed aan podcasters, vloggers en andere socialemediafiguren om een perskaart aan te vragen. De verleiding om Trumps stijl af te doen als gezwabber is groot. Maar dat verblindt ons voor het inzicht dat zijn eclectische beeldspraak en het succes daarvan afspiegelingen zijn van een fundamentele bewustzijnskentering.

De vraag waarom deze communicatiestijl hand in hand gaat met het populisme, wordt impliciet beantwoord door de linkse mediafilosoof Theodor Adorno (1903-1969). In zijn essay Der Essay als Form schreef hij dat het essay een geschikte vorm was om het rechtlijnige, systematische denken uit te dagen. Anders dan een traktaat, dat van premisse naar conclusie beweegt, meandert het essay speels zonder sluitende antwoorden te willen geven. Gaten in de argumentatieve keten zijn de kracht van deze stijl, omdat zij de verbeelding aanwakkeren en uitnodigen om deel te nemen aan het debat. Zo kan nieuw denken ontstaan en wordt de status quo uitgedaagd.

Precies zo daagt de fragmentarische en essayistische stijl van Trump en andere populisten de status quo uit. Hun stijl verzet zich tegen de gevestigde orde en haar rechtlijnige componenten: kranten, wetenschap, bureaucratie, rechters – het ‘systeem’ in bredere zin. Dat deze stijl vandaag de dag in vruchtbare aarde valt, is een indicatie van een diepere bewustzijnsverandering: rechtlijnige, abstracte en systematische politiek, die stap voor stap tot een conclusie komt, wordt simpelweg steeds minder goed verdragen. De crisis van de liberale democratie is in de kern een crisis van de lineariteit.

Actief verdedigen

Hoe wapent de democratische rechtsstaat zich hiertegen? Sinds de Tweede Wereldoorlog is het standaardantwoord dat de rechtsstaat zich actief moet verdedigen met juridisch gereedschap. Partijverboden, wetten tegen extremisme of constitutionele hoven. Maar dit door juristen geformuleerde antwoord, de ‘weerbare democratische rechtsstaat’, biedt slechts beperkt handvatten voor het omgaan met de diepe maatschappelijke en culturele veranderingen die de socialemediarevolutie teweegbrengt.

Het eerste probleem is dat de juridische verdedigingslinie zich vaak richt op expliciete inhoud – ideeën, programma’s of uitingen – en dat ze in de regel pas kan ingrijpen als de systematische ondermijning van de democratie duidelijk is aangetoond. Dit inhoudsgerichte denken is, om met McLuhan te spreken, als focussen op het sappige stuk vlees terwijl de inbreker het huis leeg rooft.

Deze denktrant gaat eraan voorbij dat de nieuwe populisten inspelen op een publiek dat steeds ontvankelijker wordt voor een associatieve, beeldende vorm van communicatie, waarin juist de inhoud en het systematische karakter lastig vast te pinnen zijn. De democratische rechtsstaat is niet toegesneden op dit minder grijpbare gevaar; namelijk dat onze kijk op werkelijkheid en waarheid radicaal aan het veranderen is.

Het tweede probleem is dat het idee dat de democratie zich kan verweren met juridische instrumenten, zélf geënt is op lineaire logica. Door de rechtsorde te versterken met maatregelen als constitutionele hoven en eeuwigheidsclausules, komt het recht tegenover de politiek te staan – terwijl die juist meebeweegt met de fragmentatie van ons bewustzijn.

Het recht bevindt zich, vaker wel dan niet, stroomafwaarts van de politiek

Bastiaan Rijpkema schreef onlangs in NRC : „Juridische vangrails beschermen een democratische rechtsstaat tegen ontsporing als de politiek zwabbert.” De botsing tussen recht en politiek verdiept echter de kloof tussen lineariteit en fragmentatie, en voedt zo het onderliggende ressentiment tegen ‘het systeem’ – tegen alles wat als rechtlijnig, systematisch en abstract wordt ervaren. Rechtsstatelijke zelfbescherming verwordt zo tot zelfondermijning.

Daarnaast lijkt het huidige debat over sociale media, het nieuwe populisme en de democratische rechtsstaat steeds meer gevoed te worden door existentiële angst. De Engelse filosoof Thomas Hobbes (1588-1679) werd in zijn denken over de wrede ieder-voor-zich-toestand waarin de mensheid volgens hem van nature verkeerde gedreven door eenzelfde angst. Zijn oplossing: de almachtige, autoritaire soeverein Leviathan, die orde op zaken zou stellen. Het gevaar dat nu bestaat, is dat door angst gedreven aansterking van de rechtsstaat diep in politieke vrijheden en rechten kan snijden en zo zelf Leviathan-achtige trekken krijgt. 

Stroomafwaarts

Hoe ontsnappen we aan het dubbele gevaar van Leviathan en zelfbescherming die zichzelf tegenwerkt? Het is de catch-22 van democratische rechtsstaat in de 21ste eeuw. Het antwoord moeten we waarschijnlijk meer in cultuur en politiek dan in het recht zoeken. Zoals Trump-ideoloog Steve Bannon zijn succesvolle strategie regelmatig uitlegt: „politiek bevindt zich stroomafwaarts van cultuur” – en het recht bevindt zich, vaker wel dan niet, stroomafwaarts van de politiek.

Een vruchtbaar uitgangspunt is wellicht te erkennen dat ieder mediaal tijdperk zich op zijn eigen manier verhoudt tot kennis en waarheid. Een gefragmenteerde beeldcultuur verschaft ook nieuwe mogelijkheden voor het uitdrukken van diepe waarheden. Iedereen die ooit een film van David Lynch heeft gezien of bekend is met het beeldende werk van kunsthistoricus Aby Warburg, weet dat non-lineair en associatief niet per definitie hetzelfde zijn als onwaar of gezwabber. Maar hoe de democratische rechtsstaat zich op duurzame wijze kan verhouden tot de crisis van de lineariteit, blijft voorlopig nog een open vraag.

Lees ook

Met oortjes in dansen we naar de ontletterde toekomst

Met oortjes in dansen we naar de ontletterde toekomst


Opinie | Deel met vrouwen dat ze dicht borstklierweefsel hebben

‘Waarom kennen vrouwen één van de grootste risicofactoren voor borstkanker niet?” Op deze schriftelijke Kamervraag, gesteld in 2011, antwoordde Edith Schippers, de toenmalig minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, dat het een onaanvaardbare hoeveelheid onrust zou opleveren bij een grote groep vrouwen. Veertien jaar later is dit nog steeds het standpunt van het ministerie.

De grote groep waar de toenmalige minister aan refereert, zijn de ongeveer 80.000 vrouwen van boven de 50 jaar met dicht borstklierweefsel, die zélf niet weten dat ze dicht weefsel hebben. Deze vrouwen hebben twee keer zoveel kans op borstkanker als vrouwen met normaal weefsel. Ik behoor ook tot die groep. Tumoren en afwijkingen in dicht borstklierweefsel zijn ook nog minder goed te zien bij gebruik van de huidige screeningsmethode: het mammogram. Meedoen aan het bevolkingsonderzoek naar borstkanker leidt bij deze vrouwen daardoor veel vaker onterecht tot de uitslag ‘geen aanwijzingen voor borstkanker’.

MRI-scan

Het probleem dat een mammogram alleen niet voldoet, is na meer dan 10 jaar door het Ministerie erkend door lobby van onder andere de Nederlandse Vereniging van Radiologie, de Borstkankervereniging Nederland en het Alexander Monro Ziekenhuis. Een MRI-scan biedt bij deze vrouwen wel uitkomst, maar door personeelsschaarste is de MRI-capaciteit beperkt. Hoe deze vrouwen dan wel goed te screenen zijn op borstkanker, wordt nu door het RIVM onderzocht. Dat neemt niet weg dat de oplossing erbij begint vrouwen te informeren dat zij in de risicogroep vallen.

Vrouwen zouden eenvoudig kunnen weten dat ze dicht klierweefsel hebben. Bij de beoordeling van het twee- tot drie jaarlijkse mammogram, dat vrouwen na hun vijftigste krijgen, is dicht klierweefsel goed zichtbaar. Maar dit wordt niet door Bevolkingsonderzoek Nederland gemeten en gerapporteerd. De foto’s worden zelfs niet met de vrouwen of hun huisartsen gedeeld. Vrouwen moeten zelf hun foto’s via een mail aan het Bevolkingsonderzoek opvragen, maar krijgen de foto’s dan in een „specifiek bestandsformat” waar „speciaal apparatuur en software” voor nodig is, aldus de brief gestuurd aan een vriendin van mij.

Eigen beslissing

In andere landen, zoals de Verenigde Staten, is het wel gebruikelijk dat vrouwen actief worden ingelicht over de dichtheid van hun borstweefsel. Waarom in Nederland dan niet? Te weinig MRI-capaciteit of – heel Nederlands – te hoge kosten? Is dat waarop de minister doelde bij een „onaanvaardbare hoeveelheid onrust”? Is dat niet een gedachte van heel lang geleden – dat vrouwen tegen zichzelf beschermd moeten worden omdat ze niet bekwaam zouden zijn om zelf een beslissing te nemen?

Onaanvaardbare overheidsbetutteling is een betere uitleg; levensgevaarlijke betutteling zelfs. ‘Baas in eigen buik’, scandeerde de Dolle Mina’s vijftig jaar geleden. Het is nu tijd voor ‘Baas over eigen borsten’, zoals borstkankerpatiënt en voorvechter voor deze transparantie Ineke van den Heuvel het vorig jaar in de Volkskrant verwoordde. Standaard de foto’s (in een toegankelijk format) van het bevolkingsonderzoek met de patiënten (en hun huisarts) delen kan duizenden vrouwenlevens redden.

Lees ook

Nieuw borstkankeronderzoek biedt aanvullende scans bij dicht borstweefsel

Het onderzoek is een proef die zeven jaar duurt.


Column | Wintersportliefhebbers wekken een zekere agressie bij me op

‘De toekomst van de traditionele wintersport staat op het spel”, zo waarschuwde het WNL-programma Stand van Nederland afgelopen week de artsen en consultants van het land. Het ziet ernaar uit dat klimaatverandering nu eindelijk de mensen gaat treffen die alles hebben: geld, een goede fysieke conditie en een bruine kop in februari.

Deze voorjaarsvakantie is er nog weinig aan de hand en trekt er weer een karavaan stationwagens met dakkoffers richting de skigebieden. Wintersportliefhebbers wekken een zekere agressie bij me op, maar waar dat precies aan ligt weet ik niet. Misschien is het de afstotelijke thermokleding, de voorkeur voor kou en sneeuw of het vermogen om twintig vrienden aan je studententijd over te houden met wie je ook nog een gezonde hobby deelt.

Ik haat het dat wintersport rijke stellen de eerste mogelijkheid biedt om hun vierjarige kind een voorsprong in het leven te geven. Ze droppen het elke dag tegen hoofdprijzen op de oefenweide bij een vriendelijke juf die er de hele week ‘pizzapunt!’ tegen roept en twintig jaar later zijn de voortplantingskansen van zo’n kind tijdens de Minerva-skireis drie keer zo groot als die van een student die voor het eerst op de latten staat.

Tegen wie nu zegt dat ik gewoon jaloers ben, zeg ik: dat klopt

Misschien ligt het probleem wel bij de après-ski. Als we de verhalen mogen geloven lopen er nog hele volksstammen rond die Snollebollekes en het plaatsen van een geel Flügel-dopje op de neuspunt het toppunt van plezier vinden. Voor wie de decentrale selectie geneeskunde heeft overleefd moet het ook heerlijk zijn om zonder verdere vragen over je karakter in de warmte van een Oostenrijkse blokhut te worden opgenomen.

Tegen wie nu zegt dat ik gewoon jaloers ben, zeg ik: dat klopt. Ik zou het al mooi vinden om nuchter enigszins goed te zijn in een sport, laat staan dat ik me moeiteloos met negentig kilometer per uur en drie bier achter de kiezen van een zwarte piste zou durven storten. En natuurlijk gaat het weleens mis op weg naar beneden. Maar alle wintersporters zijn goed verzekerd, dat kun je wel aan ze overlaten. Uiteindelijk doet zo’n verhaal over hoe je met de sneeuwscooter of gipsvlucht werd afgevoerd het toch vooral heel leuk op lustra en jaarclubdiners, of wat voor feesten lopen die mensen zoal af.

Ik heb weleens aan tafel moeten zitten met twee anderen die een gesprek hadden over wat ‘harder’ was, skiën of snowboarden. Alsof je naar een friet/patat-discussie luistert terwijl je een nachtschadeallergie hebt. Bovendien weet iedereen precies hoe het zit: snowboarden is skiën voor aanstellers, voor mensen die het autostuur per se met maar één hand willen vasthouden omdat het volgens hen zo ook prima gaat.

Of ik het weleens heb geprobeerd, wilden ze weten, wintersport. Dat heb ik inderdaad ja, twee keer zelfs. Wat kan ik erover zeggen? Schnitzels zijn goor, net als van die dikke skisokken. Je wordt geacht tien uur naar bed te gaan en zeven uur op te staan. Door de helmen kun je anderen niet op hun uiterlijk beoordelen. Je voeten laten inbinden is nog minder pijnlijk dan een paar skischoenen aantrekken. Het enige mooie zijn de sauna’s, maar die hebben we in eigen land ook, lekker zonder al die overbodige bergen eromheen.

Als ‘de traditionele wintersport’ inderdaad verdwijnt door de wereldwijde temperatuurstijging, zal dat de eerste grote tegenslag betekenen in het leven van veel mensen die van nature altijd de wind mee hebben gehad. Waarschijnlijk laten de knappe koppen van deze wereld het zover niet komen. Volgens de onderzoeker duurzaam toerisme uit het item van Stand van Nederland wordt er naarstig gezocht naar manieren om bijvoorbeeld de Alpen geheel met kunstsneeuw te bedekken. ‘De branche is bezig met een technologische oplossing.’ Gelukkig maar! Je moet er ook niet aan denken dat die mensen het hele jaar door over niks anders dan padel kunnen praten.

Tessa Sparreboom is neerlandicus en oud-redacteur van Propria Cures.


Opinie | Vier keer een ‘nee’ van Israël

In elk geval buigen de Arabische broeders zich nu eindelijk serieus over de toekomst van de Gaza-Palestijnen die zij tot dusverre uit de weg gingen – ja erg, maar wat kunnen we doen? Er komt toch nog iets positiefs uit president Trumps plan om de door Israël na 7 oktober 2023 compleet verwoeste Gazastrook in een Rivièra om te bouwen. Gaza als Cannes en Nice ineen was een lucratief ideetje van schoonzoon Kushner van een jaar geleden. Toch nog iets positiefs, maar het plan is natuurlijk totaal schaamteloos. Alle twee miljoen Palestijnen húp eruit en niet meer terug; het gebied is nu gewoon Amerika, decreteerde Trump. Alsof het de Golf van Mexico is. Ik wil me er geen voorstelling van maken hoe het Israëlische leger of internationale huurlingen hen de grens over Egypte in zouden drijven. Trump sloot uit dat Amerikaanse troepen hun handen daaraan zouden vuilmaken, dat nog wel.

Heeft u die beelden gezien van de ontredderde Jordaanse koning Abdullah op 11 februari in het Witte Huis met naast zich Trump die de lof zingt van zijn plan en zichzelf? Over de Gazanen, die dan „uiteindelijk prachtig zullen leven op een andere plaats”. Die andere plaats zijnde Egypte dus en Jordanië; een onmogelijke last voor de respectieve, autoritaire maar ook precaire regimes. Nog afgezien van de internationaalrechtelijke aspecten, het internationaal recht is zó verleden tijd. Egyptes Sisi werd 18 februari in het Witte Huis verwacht maar besloot zichzelf een soortgelijke sessie te besparen.

Ik verwachtte eerlijk gezegd dat Trump zijn dreigement zou waarmaken om de Amerikaanse miljardensteun aan Jordanië en Egypte op te schorten als ze niet meewerkten, gezien hoe hij vaker met een botte bijl te werk gaat . Maar hij lijkt zijn hele plan met spijt te hebben opgegeven, verbaasd over zoveel ondank. „Ik ga niet dwingen. Ik ga rustig achterover leunen en prijs het aan”, zei hij tegen Fox News.

Ik heb wel de suggestie gezien dat het eigenlijk Trumps bedoeling was de Arabische leiders uit hun lethargie te shockeren en ertoe te bewegen een toekomst te ontwerpen voor de Gazastrook. Ik geloof er niks van; hij is veel te tevreden over zijn plan. Maar de Arabieren zijn wel geschrokken aan het werk gegaan. Er circuleert een Egyptisch driefasenvoorstel. Eerst de bevolking in handzame blokken herschikken, water en elektriciteit herstellen en het puin afvoeren, om het gebied weer een beetje leefbaar te maken. Vervolgens een grote internationale conferentie met wederopbouwexperts, hulporganisaties en grote donors, want er is om te beginnen 20 miljard dollar nodig. En ten slotte wederopbouw, herstel van gezondheidszorg en onderwijs en een pad naar de tweestatenoplossing, de Palestijnse staat naast Israël die buiten Israël nog steeds als oplossing voor het Israëlisch-Palestijnse conflict wordt beschouwd. Een en ander met een soort alternatief Palestijns bestuur – zonder Hamas, zonder Palestijnse Autoriteit. Het huidige min-of-meer-staakt-het-vuren tussen Israël en Hamas zou wel moeten gaan werken, wat hoogst onzeker is.

Ik voeg er nog een vergezicht aan toe: Saoedi-Arabië en andere Arabische landen knopen normale relaties met Israël aan, en het wordt voorgoed vrede.

Een Arabische top in Cairo moet op 4 maart een compleet plan produceren. Maar dan komen de wezenlijke vragen. Wat wil Israël? Gaat het akkoord met een alternatief Palestijns bestuur? Laat het op grote schaal bouwmaterialen tot de Gazastrook toe? Belooft het herbouwde projecten niet opnieuw te vernietigen in een volgend conflict? Accepteert het een pad naar een Palestijnse staat? Trekt het zijn leger terug uit de Gazastrook, en wie gaat trouwens de veiligheid handhaven?

Ik tel minimaal vier keer een Israëlisch nee, en nul landen die vier ja’s gaan afdwingen. En dan heb ik het nog niet eens over Hamas gehad dat steeds laat zien er ook nog te zijn, mét wapens. Arme Gazanen daar in het puin. De oorlog is nog lang niet voorbij.

Carolien Roelants is Midden-Oostenexpert. Ze schrijft om de week een column.


Opinie | Schoolbesturen moeten democratisch opereren – ook als het over de doorstroomtoets gaat

Deze krant berichtte over enig gedoe in onderwijsland: een viertal basisscholen weigerde de landelijk verplichte doorstroomtoets af te nemen in groep 8 (Basisscholen zwichten voor dreigende sancties van staatssecretaris en nemen tóch doorstroomtoets af, 20/2). Na kordate interventie van Staatssecretaris Mariëlle Paul kwamen deze scholen, die vallen onder twee verschillende schoolbesturen (SaKS en Stichting Spaarnesant), op hun schreden terug. De bittere nasmaak blijft, vanwege typische kenmerken van ons gedecentraliseerde onderwijsbestel die in dit voorval duidelijk naar voren komen.

Belastinggeld uitgeven

In vergelijking met andere landen hebben Nederlandse schoolbesturen in het basis- en voortgezet onderwijs een grote autonomie over de besteding van het belastinggeld dat ze ontvangen. Dat geeft vrijheid van bestuurlijk handelen. De financiering van Nederlandse schoolbesturen komt goeddeels uit het hart van onze democratie: Den Haag.

Maar na betaling op basis van leerlingenaantal, de zogeheten lumpsum, is de democratische controle van de volksvertegenwoordiging weg. Hier begint de schoen onderhand wat te wringen.

Volgens opgaaf van de Diens Uitvoering Onderwijs worden schoolbesturen alsmaar groter. Er zijn momenteel 764 schoolbesturen in het primair onderwijs die samen goed zijn voor ongeveer 1,46 miljoen leerlingen. Dat komt neer op gemiddeld 1.900 leerlingen per schoolbestuur en is omgerekend ongeveer 17 miljoen euro per schoolbestuur. Dat is 3,5 miljoen euro hoger dan de jaarbegroting van de gemeente Schiermonnikoog, die goed is voor bijna duizend inwoners en evident een uitgebreider takenpakket heeft dan een schoolbestuur, maar die wél door verschillende politieke partijen in de gemeenteraad democratisch wordt gecontroleerd op het doelmatig uitgeven van belastinggeld.

Kortom, zorgen liggen op de loer als het gaat om transparantie met in het verlengde de doelmatigheid van besteding van belastinggeld. Meer oormerken van lumpsumgelden zou welkom zijn om de democratische controle te kunnen verbeteren.

Sociaal contract

Een voorbeeld. Onderwijsjournalist Joëlle Poortvliet berichtte in een artikel in Het Onderwijsblad dat het aantal bedrijven in onderwijsadvies sinds 2008 is verzevenvoudigd naar ongeveer drieduizend bedrijven nu. Deze bedrijven worden vooral ingehuurd door schoolbesturen. Doelmatig? Nee, want we kampen met een lerarentekort.

Het publiek is niet gebaat bij nog meer kletsmajoors op kosten van de belastingbetaler. Het maatschappelijke middenveld is notabene, zoals toenmalig hoogleraar Onderwijsbestuur Edith Hooge betoogde in haar oratie aan de universiteit van Tilburg, „van oudsher al druk bezet met onderwijsspecifieke werkgevers- en werknemersorganisaties, beroeps- en belangenverenigingen, en ondersteunings- en begeleidingsorganisaties, maar vanaf de jaren negentig is het er nog drukker geworden”.

Nog een voorbeeld. Na het nodige maatschappelijke debat over absurd hoge financiële reserves van schoolbesturen is enkele jaren terug de ‘signaleringswaarde bovenmatig publiek eigen vermogen’ (een financiële bovengrens) voor schoolbesturen ingevoerd om, onder toeziend oog van de Inspectie van het Onderwijs, de doelmatige besteding van belastinggeld te bevorderen. Helaas rapporteerde de onderwijsminister in 2021 dat maar liefst 735 schoolbesturen boven de genoemde signaleringswaarde zaten. Uit het rapport De Staat van het Onderwijs 2024 kan elke belastingbetaler opmerken dat het publiek eigen vermogen in 2022 van schoolbesturen is toegenomen met 218 miljoen euro. Over het algemeen zijn schoolbesturen dus bepaald niet armlastig en hebben ze grote wettelijke vrijheid om hiermee weg te komen.

Het wordt in het sociaal contract tussen samenleving, politiek en schoolbesturen pas echt beroerd zodra die vrijheid omslaat in het moedwillig niet respecteren van wet- en regelgeving en dat op kosten van de belastingbetaler. Dit gebeurde met de ophef rondom de doorstroomtoets.

Goed voorbeeld geven

Hoe bont willen we het hebben in onze democratie? Staatssecretaris Mariëlle Paul heeft terecht laten zien dat ze een broertje dood heeft aan zulke opstandigheid en tikte dus SaKS, dat in 2023 notabene 4,2 miljoen euro boven haar financiële bovengrens zat volgens de jaarrekening, en Stichting Spaarnesant op de vingers. En dat terwijl basisscholen de wettelijke plicht hebben om een schoolcultuur te creëren waarin leerlingen respect wordt bijgebracht voor de democratische rechtstaat.

Dat voorbeeld dienen de schoolbesturen dan ook zelf te geven. Op basis van maatschappelijk debat, zodat er wet- en regelgeving komt die zo goed mogelijk werkt voor het publieke belang. Dat laatste hoort uiteindelijk niet te worden bepaald door een individuele school of schoolbestuur, maar door onze volksvertegenwoordiging die er goed aan doet om de mate van decentralisatie eens goed tegen het licht te houden.

Lees ook

Dilemma’s door de doorstroomtoets: scholen doen met tegenzin mee of haken af omdat ze de toets niet meer vertrouwen

Leerlingen van groep 8 in Dordrecht tijdens het maken van de doorstroomtoets.


Column | Jij bent niet het diner

Het is een misvatting dat je het alleen met geliefden of vrienden kan uitmaken, het wil ook prima met familie. Een van mijn jeugdvriendinnen verbrak op haar dertigste het contact met haar vader. Onlangs kwam ik haar tegen en na wat beleefdheden over en weer vroeg ik hoe het eigenlijk met hem ging.

„Best prima, zijn buurvrouw houdt me op de hoogte”, vertelde ze. „Het is vooral lekker rustig dat hij niet meer in mijn leven is. Al heb ik soms nog wel medelijden met hem, want hij heeft zichzelf ook niet gemaakt.”

Haar vader had zeer gewelddadige ouders die hem op straat zetten toen hij dertien was. Ik herinner me een man die al begon te schreeuwen wanneer de krant te hard door de brievenbus werd gedaan.

„Ik heb altijd het gevoel gehad dat ik vanwege zijn moeilijke jeugd extra lief moest zijn”, zei ze. „Dus toen mijn moeder ons verliet en hij totaal instortte, nam ik het huishouden op me en stond ik altijd klaar met een luisterend oor. Tot ik tegen mijn dertigste merkte dat het niets uitmaakte. Hij bedankte me nooit, bleef verongelijkt, schopte continu ruzie, was nooit kritisch op zichzelf. Alsof zijn moeilijke verleden hem een vrijbrief gaf om de rest van zijn leven een eikel te zijn. Op een zeker moment had ik er genoeg van. Ik merkte ook dat ik zijn kindertijd uiteindelijk niet meer als een excuus, maar slechts als een verkláring voor zijn agressie beschouwde.”

Ze snoof.

„Maar weet je wat ik nog het ergste vind? In ons dorp zag iedereen dat een kind mantelzorgde voor een man die nooit had geleerd om verantwoordelijkheid voor zichzelf of zijn gezin te nemen. Niemand die er wat van zei want hee, geen groter taboe in dit land dan je te bemoeien met de opvoeding van andermans nageslacht.”

„Misschien waren ze wel bang. Mijn moeder liep altijd een blokje om als ze je pa de straat in zag komen.”

„Dan nog. Een telefoontje naar jeugdzorg kan altijd anoniem. In plaats daarvan kreeg ik van de hele buurt lof, dat ik zo verantwoordelijk was voor mijn leeftijd.”

Tja. Ze is de enige niet. Ik ken nogal wat mensen die dankzij hun ouders geen kind konden zijn.

„Je zou willen dat er een wet bestond die minderjarigen tegen dit soort vampirisme beschermt”, mompelde ik.

„En tegen de lafheid van de omgeving, maar goed. Uiteindelijk was ik de enige die het kon stoppen.”

Ze grinnikte.

„Ik las ooit dat omdat een tijger vlees eet, dat niet betekent dat jij dan ook meteen zijn diner moet zijn.”

Ellen Deckwitz schrijft elke week op deze plek een column.


Koop Europees! – is dat een goed idee?

Koop Europese waar, dan helpen wij elkaar. Zou dat oude adagium Europa kunnen helpen nu het vanuit bijna alle windrichtingen in de tang zit tussen keiharde machtspolitiek en economisch nationalisme?

De Europese Commissie denkt van wel. Volgende week komt Brussel met een plan om de Europese industrie klimaatvriendelijker te maken én nieuw leven in te blazen. Daarin is ‘Buy European’ waarschijnlijk een rode draad. In januari figureerde het ook al in plannen om de Europese economie concurrerender te maken.

Het zou een markante koerswijziging zijn. De Europese Unie leunde altijd vol vertrouwen op het web van internationale afspraken en handelsverdragen. Als de verfijnde gangmaker op het mondialiseringsfeest. Onlangs nog dreigde de EU China met ‘maatregelen’ omdat het Europese bedrijven zou discrimineren. En nu wil de Commissie zelf Europese bedrijven voortrekken.

De oude Europese manier van opereren in de wereldeconomie werkt niet meer

Maar de oude Europese manier van opereren in de wereldeconomie werkt niet meer. Vergeet het model waarbij Europa leunde op goedkoop gas uit Rusland, goedkope producten uit China en op de Verenigde Staten die onze veiligheid bewaakten, zei de Franse president Emmanuel Macron tegen de Financial Times. Europa móet onafhankelijker worden. Nu zowel Poetin, Xi als Trump zonder schroom een spaak steken in dat mondiale web van regels en handel.

Poetin zette gas in om Europa te beschadigen. China subsidieert zijn eigen exportproducten zo gul dat Europese bedrijven dreigen te worden weggeconcurreerd. De VS zijn ook niet vies van nationalistisch economisch beleid. En nu komt daar de agressieve en intimiderende machtspolitiek van Donald Trump bij.

Ontstellend kwetsbaar

Opnieuw blijkt Europa ontstellend kwetsbaar. Europa kan zichzelf of Oekraïne niet verdedigen zonder de VS. Macron waarschuwt dat Europa niet alleen meer geld moet uitgeven aan defensie, maar dat dit geld ook terecht moet komen bij Europese fabrikanten. Als we alleen grotere klanten worden van wapens uit de VS, „hebben we over 20 jaar het probleem van Europese soevereiniteit nog steeds niet opgelost”.

En is het wel veilig dat het overgrote deel van de digitale infrastructuur – datacentra, netwerkverbindingen – in handen is van voornamelijk Amerikaanse bedrijven? Overheden en bedrijven moeten patriottischer worden in hun aanbestedingen, klonk onlangs in NRC, om zo een Europese techsector op te bouwen.

Is ‘Buy European’ economisch gezien een goed idee? Het is nog niet duidelijk wat de EU precies gaat doen, maar op zich is dit ‘Koop Europees’ waarschijnlijk een milde vorm van protectionisme zegt Brian Burgoon, hoogleraar internationale politieke economie. „Meer aandacht voor eigen belang is een grote verandering, want Europa is de beste leerling van de klas als het om de internationale economische rechtsorde gaat. Maar de EU heeft iets nodig om zich te verdedigen tegen het protectionisme van China en de vijandige houding van Trump.”

Ook Sander Tordoir, hoofdeconoom van denktank Centre for European Reform, ziet de logica. „Niet op een Amerikaanse cowboymanier waarbij de EU zijn markt afsluit voor de buitenwereld, maar Europa moet op een of andere manier een gelijk speelveld creëren met China en de VS.” Dat geldt volgens Tordoir vooral voor dé sector waarin Europa tot voor kort voorop liep, maar China nu snel dichterbij komt: klimaattechnologie. Denk aan windmolens, warmtepompen, elektrolyzers, elektrische auto’s, waterkrachttechnologie, woningisolatie.

„We bouwen de beste windturbines ter wereld. Dat is goed voor onze energie-onafhankelijkheid. Er zitten magneten in die we ook nodig hebben voor militaire radarsystemen.” Het is een sector die levensvatbaar is, zegt Tordoir, maar het ontzettend zwaar heeft. „Door de hoge energieprijzen en doordat China met zijn gesubsidieerde productie Europese bedrijven uit de markt drukt.”

De EU moet deze bedrijven helpen te overleven, zegt Tordoir, met behulp van directe steun (groene industriepolitiek) en slim ‘Koop Europees’-beleid. „Europese bedrijven voortrekken is tegen de internationale handelsregels. Dat vindt de EU moeilijk om te doen, maar China en de VS trekken zich ook weinig meer aan van die regels.” Voor landen die wel „fair met Europa omgaan” moet de Europese markt openblijven, vindt Tordoir. „De simpelste manier is om onder ‘Koop Europees’ ook landen te laten vallen waarmee de EU een vrijhandelsverdrag heeft, zoals Canada.” Op die manier beschermt Europa veelbelovende bedrijven zónder alle voordelen van internationale handel en concurrentie te schrappen, zoals lagere prijzen.

Geen ‘Koop Frans’ of ‘Koop Duits’

Volgens Burgoon en Tordoir loert het gevaar dat ‘Koop Europees’ vervalt in ‘Koop nationaal’. Tordoir: „Het is cruciaal dat alle Europese landen bedrijven uit andere EU-landen hetzelfde behandelen als hun eigen bedrijven. Dus niet de Franse slag waarbij ‘Buy European’ eigenlijk ‘Buy French’ is. Want dan fragmenteert de Europese markt en is er te weinig concurrentie onderling.”

Wil Europa minder afhankelijk worden, dan moet Europees denken: in welke Europese landen kunnen staalfabrieken het best floreren? Hoe maken we elektriciteit voor heel Europa goedkoper? Burgoon: „Als elk land zijn eigen staalfabriek overeind wil houden, kost dat meer geld en is de vraag hoe levensvatbaar die bedrijven zijn.” Maar zo Europees denken lidstaten nu niet. Recent voorbeeld: landen met goedkope elektriciteit zoals Spanje en Noorwegen verzetten zich tegen meer verbindingen met buurlanden, vertelt Tordoir. Die interconnectie kan immers de prijzen in buurlanden drukken maar in Spanje en Noorwegen verhogen.

Burgoon ziet meer gevaren waarover de EU niet voldoende heeft nagedacht. „ Wat doet Europa als Trump of China terugslaat?” Bovendien gaan de plannen van de Commissie vooral over het klimaatvriendelijker maken van de industrie, niet over defensie. „Nu meer defensiematerieel produceren, gaat niet per se samen met het vergroenen van de industrie, want dat wordt vooral op een fossiele manier gemaakt.”

In theorie kan het, de Europese levensvatbare industrie beschutten, onafhankelijker worden en toch openblijven voor landen die eerlijk willen handelen. Maar het vereist uitzonderlijke Europese eensgezindheid. En offers, want onafhankelijker worden, dat kost wat.