Opinie | Durf het: radicalere politiek die breekt met geldgroei

Ongegeneerd imperialisme overspoelt ons vanuit de VS, gericht op het winnen van grondstoffen en beschermen van economische groei. Het is alsof het gaspedaal hard wordt ingedrukt, terwijl we midden in een existentiële ecologische crisis zitten, die ook steeds meer sociale ontwrichting veroorzaakt. Onderwijl is linkse politiek vooral conservatief: de inzet is op zijn best een groenere en socialere versie van economische groei. Terug naar de status quo is echter volstrekt onvoldoende om van de huidige ramkoers af te raken: sociale uitbuiting en groeiende ongelijkheid, versnellende klimaatverandering en vernietiging van biodiversiteit zullen onverminderd doorgaan.

Het lijkt evident dat de obsessie met economische groei de onderliggende oorzaak is van al die problemen. Duurzaamheid werd een poging tot het groener en eerlijker maken van die groei. Maar keer op keer blijkt het verduurzamen van consumptie en productie een gevaarlijke illusie: relatieve milieuwinst wordt door verdere groei tenietgedaan en de fantoomgroei lijkt de samenleving al decennia niet significant gelukkiger, gezonder of rechtvaardiger te maken. Het echte probleem is dan ook fundamenteler: de continue noodzaak om met geld meer geld te maken, ofwel geldgroei.

Geldgroei is de kern van ons economisch systeem en de motor van economische groei. We ‘maken’ geld door consumptie aan te jagen. Hiervoor gaan consumenten, overheden of bedrijven schulden aan (en groeit ongelijkheid) of wordt natuur te gelde gemaakt (en schade niet betaald). Met geld, ook als we ‘duurzaam investeren’, moet rendement behaald worden en dus meer productie en consumptie aangejaagd. Op deze manier is alles de afgelopen decennia ingericht om met geld meer geld te maken, met steeds groeiende sociale problemen en ecologische schade als gevolg. Zolang deze groeidwang niet stopt, blijft de crisis zich verdiepen en neemt de instabiliteit toe.

De alternatieven zijn er

Het enige alternatief is een financieel en economisch systeem dat geen geldgroei ten koste van mens en planeet toestaat. Dat alternatief is haalbaar, en sterker nog, bestaat al lang op heel veel plekken waar basisbehoeften zoals eten, wonen, energie en zorg op een duurzame en rechtvaardige manier zijn georganiseerd. In het huidige politieke debat worden deze alternatieven – van links tot rechts – echter te weinig gezien of serieus genomen.

Voor voeding zijn er inmiddels legio voorbeelden van regeneratieve, agro-ecologische of biologische vormen van productie. Met een dieet met maximaal 20 procent dierlijke eiwitten kunnen we op Nederlandse grond de bodem herstellen, iedereen voeden, en de boer een goede boterham laten verdienen. Dan stopt de vicieuze cirkel van geldgroei die bestaat uit schaalvergroting, intensivering en stijgende grondprijzen. Maar is dus ook het verdienmodel voor de agro-industrie en de banken weg. Bij initiatieven als Lenteland, Heerenboeren, Land van Ons of Caring Farmers zien we al in de aanzet deze combinatie van publieke financiering, sociaal-ecologisch herstel, sociaal ondernemerschap en een duurzaam menu – en daarmee dus een duurzaam economisch model dat de natuur herstelt, een gezonde maaltijd biedt, werkgelegenheid en sociale relaties herstelt.

Verduurzamen van consumptie en productie is een gevaarlijke illusie

Op gebied van energie zien we allerlei veelbelovende voorbeelden rondom lokale warmtenetten, energiehubs van bedrijven of energiecoöperaties. Zij combineren bijvoorbeeld lokale warmtebronnen met isoleren, of duurzame opwek en opslag. Er zullen misschien flinke aanloopkosten zijn, maar op zeer overzienbare termijn blijft er een veel lagere energierekening over met een systeem dat fossielvrij is en in democratisch eigendom. Ze breken ook met geldgroei: het zijn investeringen voor de lange termijn met een laag risico en een laag rendement.

Geen geld onttrekken

Ook voor domeinen als wonen, mobiliteit, zorg en water zijn dit soort radicale alternatieven aantoonbaar te verwezenlijken. Denk aan initiatieven rond deelmobiliteit, integratie van wonen en zorg in coöperaties, of circulaire decentrale watersystemen. Deze gaan uit van ‘meervoudige’ (sociaal, ecologisch én financiële) waardecreatie en sociaal ondernemerschap (er wordt dus ook gewoon geld verdiend en gewerkt), maar de geproduceerde financiële waarde wordt niet uit het systeem onttrokken en blijft in lokaal eigendom. Die nieuwe ‘gemeenschapseconomie’ produceert dus ecologische en sociale waarde, maar een stuk minder geld, en is daarom ook een bedreiging voor de traditionele economie.

Deze voorbeelden laten een haalbaar alternatief zien voor de sociaal-ecologische ramkoers van oneindige geldgroei. Maar vooralsnog zijn het vooral mensen met bovengemiddeld veel tijd, idealen of geld die deze alternatieven ontwikkelen en die vaak ook een overheid en instituties tegenkomen die op groei zijn ingericht. Het mainstreamen van deze initiatieven vraagt om een transitiepolitiek die nu ontbreekt: een alternatieve maatschappijvisie die de gemeenschapseconomie als basis neemt.

Deze transitiepolitiek kan praktisch allerlei vormen aannemen maar kent twee pilaren: aan de ene kant het doorbreken van geldgroei door het ontmoedigen van consumptie, limiteren van schulden en vermogen, lokaliseren van geld, en het terugdringen van aandeelhouderskapitalisme. Aan de andere kant vraagt transitiepolitiek om het ondersteunen van (de overgang naar) de gemeenschapseconomie rondom voedsel, mobiliteit, wonen, zorg en energie. Alleen een combinatie van deze twee pilaren leidt tot een realistisch pad richting een economie binnen de draagkracht van de planeet, waarin iedereen gezond kan samenleven met betaalbare toegang tot basisbehoeften. Hiermee biedt transitiepolitiek twee dingen die in het huidige politieke discours ontbreken: een fundamentele kritiek op de huidige politieke economie, gecombineerd met een nieuw verhaal voor de lange termijn dat oude ideologische partijlijnen overstijgt.


Opinie | Sywert van Lienden wil geen meesteroplichter worden genoemd in NRC

Hij komt over als „een naar, arrogant mannetje”, schreef televisierecensent Wilfred Takken op 27 februari in zijn recensie van de documentaireserie De mondkapjesdeal over Sywert van Lienden. Maar het was niet dat „nare mannetje” waarover Van Lienden zich vervolgens bij NRC beklaagde. Dat was over een zin aan het einde van dezelfde recensie: „Volgende week komt de meesteroplichter alsnog zelf voor de camera, om ongetwijfeld welbespraakt en bijna overtuigend zijn zaak te bepleiten.”

Waarom dat ‘meesteroplichter’, wilde Van Lienden weten. Oplichting is een ernstig strafbaar feit. „Hierover dient […] eerst een rechtbank zich uit te spreken voordat iemand op deze wijze door een krant met groot bereik zou mogen worden betiteld, zou mijn stelling zijn.” Bovendien wees hij op een passage eerder in de recensie, waarin juist stond: „Wat het trio niet deed, volgens betrokkenen, was de staat oplichten.” Hij vroeg om verwijdering van ‘meesteroplichter’ uit de tekst.

Civiele procedure

Dat weigerde de hoofdredactie op diverse gronden. In de eerste plaats moet de tv-recensie worden beschouwd als een column, met alle bijkomende vrijheden (die zich overigens niet uitstrekken tot het doen van beweringen die feitelijk onjuist zijn). Verder stelde de hoofdredactie dat de aanduiding ‘meesteroplichter’ werd ondersteund door het vonnis van de rechtbank op 5 februari. Die bepaalde in een civiele procedure tegen Van Lienden en diens zakenpartners Camille van Gestel en Bernd Damme dat zij „geen moment transparant” waren geweest over hun commerciële belangen toen zij in 2020 veertig miljoen mondkapjes verkochten aan de Nederlandse overheid. Ook hadden zij, aldus de rechter, bewust verwarring gezaaid. Ze moeten hun winst terugbetalen aan de Stichting Hulptroepen Alliantie. Dat is geen strafrecht, maar wel rechtspraak. Bovendien, stelt de hoofdredactie: „‘Meesteroplichter’ wordt in de spreektaal gebruikt als iemand die er goed in slaagt anderen om de tuin te leiden”. Zo staat het vaker in NRC, vervolgt de hoofdredactie, ook zonder strafrechtelijke veroordeling.

Hier spelen verschillende vragen een rol; we betreden grijs gebied. In hoeverre is een televisierecensie een column? Is een civiele uitspraak voldoende grond om iemand een ‘meesteroplichter’ te noemen?

Dat ‘meesteroplichter’ vaker wordt gebruikt, klopt. De afgelopen vijf jaar werden onder meer schrijver Theo Kars, voetbalbestuurder Sven Mislintat, Ronald Plasterk, producer Frank Farian, de Franse nep-edelman Christophe Rocancourt, de Amerikaanse zakenman David Milton Thomas III, seriemoordenaar Charles Sobhraj, Charles Ponzi en spookvoetballer Bernio Enzo Verhagen zo aangeduid. Waarbij de context nogal verschilt. Soms gaat het om nieuwsverhalen over veroordeelden, maar vaak ook om artikelen over films en documentaires.

Youp van ’t Hek

Er is een hofleverancier aan meesteroplichters. Columnist Youp van ’t Hek was niet alleen degene die Mislintat en Plasterk zo aanduidde, hij gebruikte de term ook op 31 juli 2021 voor „onze Sywert”. Wat Van Lienden betreft, was dat deel van een langlopende campagne tegen hem. Daar heeft hij eerder aandacht voor gevraagd bij NRC, maar zonder resultaat. Hij zegt „een liefhebber van debat, humor en polemieken” te zijn, waar „een zeker incasseringsvermogen” bij hoort. Maar de formulering in de tv-recensie draagt bij aan een mediadynamiek die „leidt tot reële schade in de levens van mensen, nog voordat een rechter daadwerkelijk een oordeel heeft kunnen vellen.”

Dat de bijdragen van Van ’t Hek (hij noemde Van Lienden ook eens „Oplichter des Vaderlands”) columns zijn, staat buiten discussie, maar geldt dat ook voor een (televisie)recensie? Bij de rubriek ‘Zap’ staat niet dat het een column is. En in de praktijk is die rubriek een mengvorm van verslaglegging, het delen van een kijkervaring en een oordeel. Over de tv, maar in het verlengde daarvan ook over de wereld. Het lijkt mij dat de recensent (ik was dat zelf ook) ruimte toekomt om scherpe of meerduidige woorden te kiezen.

‘Oplichter’ heeft naast een morele een vrij heldere juridische context. Ik kan me niet voorstellen dat NRC in de verslaggeving iemand een oplichter zou noemen die daar (nog; in het geval van Van Lienden moet de strafzaak nog beginnen) niet voor is veroordeeld. De verwijzing naar de civiele zaak overtuigt mij wat dat betreft niet: hoewel hetzelfde gedrag werd beoordeeld, was die procedure niet bedoeld om vast te stellen of men zich aan oplichting schuldig had gemaakt.

Recensies en columns

Maar zoals een column of recensie geen nieuwsartikel is, is een meesteroplichter ook niet precies een oplichter. ‘Meesteroplichter’ is een dubbelzinnig woord. De term drukt ook een zekere fascinatie, misschien zelfs bewondering uit. Je leest het (ook in NRC) vrijwel alleen voor mensen die op de een of andere manier tot de verbeelding spreken. Meesteroplichters zijn vrijwel altijd beroemd, je kunt betogen dat het voorvoegsel ‘meester’ eerder verwijst naar ‘heel bekend’ dan naar ‘heel bekwaam’.

Verreweg de meeste meesteroplichters huizen in recensies en columns en in die context verwijst het wat mij betreft meer naar een archetype dan naar een juridische status – ook in het geval van de tv-recensie van Wilfred Takken. Die was er zich tijdens het schrijven niet van bewust dat zijn woorden konden worden opgevat als een verwijzing naar een juridische situatie. „Zo’n recensie beschrijft ook de associaties die ik heb bij het kijken.” Hij had zo een andere term kunnen kiezen, zegt hij, en hecht ook niet bijzonder aan ‘meesteroplichter’. Maar het antwoord op de vraag of het er in die context mocht staan is ook wat mij betreft ja. Ook als de auteur van dienst geen cabaretier van beroep is.

Arjen Fortuin

Reacties: [email protected]

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement.
Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.


Opinie | Zonder de Amerikaanse paraplu zijn we weerloos

Op 1 februari schoof de Doomsday Clock een seconde op, naar 89 seconden voor middernacht, het rampmoment. Symbolisch natuurlijk. Maar wel een verschuiving die aangaf dat de wereld volgens het Bulletin of the Atomic Scientists, de ngo achter de doemklok, nog nooit eerder zo dicht bij de ondergangwas geweest. Zelfs de Cuba-crisis van 1962 kwam in de ogen van experts niet zo dicht bij het nucleaire armageddon.

Het risico is na de wanvertoning van vrijdag 28 februari natuurlijk niet minder geworden – en dat is nog mild uitgedrukt. De uitbarsting van het duo Donald Trump en JD Vance onderstreept dat de VS onder hun gezag zijn gereduceerd van hoeder van de internationale rechtsorde en betrouwbare alliantieleider, tot een grootmacht die – desnoods ten koste van recht, waarheid en mensenlevens – buitenlandse politiek als een vulgair verdienmodel ziet, waarin het om macht en eigenbelang gaat.

Alle discussies over vredestroepen na een eventuele wapenstilstand in Oekraïne ten spijt – de ultieme veiligheidsgarantie die de leveranciers van deze militairen zouden moeten vrijwaren van Poetins revanchisme, kun je wel vergeten in dit nieuwe Amerikaanse script, waarin Trump zijn steun nooit ondubbelzinnig zal geven, of gewoonweg zal weigeren.

Afschrikking

De grote olifant in de kamer is de nucleaire paraplu. De gedachte is dat kernmachten elkaar afschrikken met de belofte van wederzijdse vernietiging, en dus niet de oorlog zullen verklaren. Natuurlijk heeft Europa op allerlei gebieden militaire achterstanden ten opzichte van Rusland, maar de échte achterstand is toch die op het gebied van nucleaire afschrikking.

De Europese Unie heeft geen kernmacht; alleen Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk bezitten kernwapens. En waar de Verenigde Staten en Rusland er allebei ruim vijfduizend hebben, is de voorraad van beide Europese nucleaire machten veel kleiner. Het VK heeft 225 kernwapens, die zonder Amerikaanse hulp niet eens zouden kunnen bestaan en gelanceerd worden; Frankrijk heeft er 290, die ingezet kunnen worden voor het nationale belang, te definiëren door president Emmanuel Macron.

Ooit twijfelde president Charles de Gaulle al aan de Amerikaanse garantie. Zijn land kon, vond hij, beter zelf kernwapens maken. De Fransen hebben er weliswaar op gezinspeeld dat het Franse nationale belang ook een EU-belang zou kunnen zijn, maar zeker daarvan zijn we allerminst. Lang verhaal kort: de Franse en Britse kernmachten zijn ongeschikt voor een full-scale afschrikking.

En het rijke Duitsland dan? Ook dat land koos – min of meer gedwongen door zijn oorlogsverleden – voor de Amerikaanse belofte. Technisch en financieel zou het zeker wel in staat geweest zijn een eigen atoombom te maken. Periodiek laait de discussie in Duitsland op of het niet veiliger geweest zou zijn om de weg der nucleaire Alleingang te bewandelen en/of zich in te kopen in het Franse project. De komende kanselier Friedrich Merz heeft dat balletje onlangs weer opgeworpen. Na een resolute afwijzing van de Franse defensieminister Sébastien Lecornu, heeft Macron onlangs de deur toch op een kier gezet voor een zekere ‘Europeanisering’ van de Franse atoombom. En Macron heeft het laatste woord.

De Taurus-raket zou een soort conventionele afschrikking voor Oekraïne kunnen vormen

Zelensky heeft ook maar al te goed door wat de gevolgen zouden zijn als de Amerikaanse nucleaire paraplu wegvalt. Hij ‘versprak’ zich al in september vorig jaar (en bij de presentatie van zijn vredesplan op 17 oktober in Brussel ook) toen hij het over het ‘NATO or Nuke’-dilemma had. Dat moest hij rap inslikken, maar het is geen geheim dat hij er rond de Russische invasie ook al eens naar verwees. Ook nu betreuren hoge spijtoptanten in Oekraïne het Memorandum van Boedapest uit 1994, waarbij Oekraïne zijn kernraketten inruilde voor (achteraf) waardeloze veiligheidsgaranties.

Dertig jaar verder gelooft geen weldenkend mens dat Oekraïne alsnog de klok kan terugdraaien. Experts zeggen dat Oekraïne de eigen nuke niet kan maken.

Precies en krachtig

Gelukkig heeft de techniek ook niet stilgestaan. Nucleaire afschrikking is niet per se meer nodig. Niet-nucleaire raketten zijn tegenwoordig zo snel, precies en krachtig dat ze belangrijke politieke en militaire objecten van de tegenstander dusdanig kunnen treffen, dat ze haast eenzelfde afschrikkende werking hebben.

Merz doet wellicht iets wat zijn voorganger Olaf Scholz niet aandurfde. Merz zou bereid zijn om de Duitse Taurusraket aan Oekraïne te leveren. Als Oekraïne dat wapen verder ‘oekraïniseert’ – oftewel, zelf gaat bouwen – zou het een soort conventionele afschrikking kunnen vormen.

Als Trump bovendien in een goede bui is, voert hij toch Joe Bidens plan uit om hypersonische Dark Eagle-raketten in Duitsland op te stellen. Die kunnen Moskou onder schot houden en de Russen zo conventioneel afschrikken.

Intussen wordt in ons land de hele kwestie van een Europees alternatief voor de Amerikaanse nucleaire paraplu vooruitgeschoven. ‘Niet aan de orde’, luidt de Haagse standaardreactie: minister van Defensie Ruben Brekelmans zei woendag in de Kamer nog dat de discussie „in de kinderschoenen staat”. In Nederland gebeurt alles 50 jaar later.

Lees ook

‘Een grotere rol voor de Franse nucleaire macht is cruciaal voor de veiligheid van Europa’

Een Franse kernproef in 1971 bij de atol Mururoa in de Stille Oceaan. In Frans Polynesië deed Frankrijk tussen 1960 en 1996 circa 200 kernproeven.


Column | Draaikonten in de Trump-revolutie

Elke revolutie kent haar draaikonten, zoals elke revolutie ook haar eigen kinderen opeet. Wie er straks op het hakblok van de Trump & Vance-revolutie het politiek leven laten, is nog onbekend. Wie er sinds hun inauguratie zesenhalve week geleden als windhanen van positie zijn gewisseld om de nieuwe leiders te paaien, weten we wel al.

In de VS ontpopte de Amerikaanse senator Lindsey Graham zich tot een maarts viooltje. Vrijdagmorgen 14 februari was de Republikein nog solidair met Zelensky. En hoe. „U bent de bondgenoot waar ik mijn hele leven al op hoopte”, zei Graham tegen Zelensky op een podium van de Veiligheidsconferentie in München. Drie weken later, daags nadat Zelensky het had gewaagd om Trump en Vance feitelijk tegen te spreken, stak dezelfde Graham de Oekraïense president een mes in de rug. Trump had een „masterclass” gegeven en Zelensky had zich in die klas „respectloos” gedragen. „Ik weet niet of ik ooit nog zaken kan doen met Zelensky. Hij moet aftreden of veranderen”, dreigde Graham veilig buiten het zicht van de Oekraïner.

In Nederland wisselde oud-premier Mark Rutte van standpunt. Twee weken na zijn aantreden als secretaris-generaal van de NAVO in oktober had Rutte nog voortdurende steun aan Oekraïne beloofd. „In de toekomst zal Oekraïne als 33ste of 34ste staat lid worden van de NAVO. Het gaat alleen nog om de tijdlijn”. Maar kort nadat Trump op 12 februari had gemeld dat Kyiv naar dat lidmaatschap kon fluiten, wisselde Rutte van jasje. Hij had Oekraïne nooit beloofd dat het tot de alliantie kon toetreden. Nadat de Oekraïense gast tweeënhalve week later ook nog eens uit het Witte Huis was gezet, koos Rutte ook expliciet partij voor Trump door voor de NOS-camera te eisen dat Zelensky zijn „relatie” met de Amerikaanse president herstelt.

Geen misverstand. Je huik naar wind laten hangen, hoort bij de functie. Politici en diplomaten moeten zichzelf kunnen verloochenen, soms zozeer dat ze zichzelf te schande maken.

Maar er zijn grenzen. Een oorlogspresident, wiens landgenoten dagelijks de schuilkelders in moeten om zich te beschermen tegen terreurbombardementen, dwingen tot een openbare boetedoening, overschrijdt zo’n grens. Trumps afpersing is een, vooralsnog geweldloze, variant van de openbare ‘zelfkritiek’, die Stalin en Mao ooit van dwalende ondergeschikten eisten. Dat hoort niet thuis in de NAVO die sinds haar oprichting „gebaseerd is op de principes van democratie, individuele vrijheid en rechtsstatelijkheid”.

Graham en Rutte konden deze week niettemin opgelucht ademhalen. In zijn triomfalistische redevoering tot het Congres liet Trump dinsdag weten dat beiden keurig hadden geleverd. Zelensky was met een „belangrijke brief” door de knieën gegaan, nadat het Witte Huis een dag eerder de hulp aan Oekraïne had opgeschort.

Maar hun onderdanige opportunisme kan averechts uitpakken als Europa toch een grens trekt. Of dat gebeurt, zal mede afhangen van Duitsland. De beslissing van de gedoodverfde coalitiepartners CDU en SPD om alle zeilen bij te zetten voor een adequaat militair apparaat, ook als dat leidt tot een hogere staatschuld, is een materiële indicatie dat de mogelijke bondskanselier Friedrich Merz niet bereid is om zomaar te capituleren voor het tandem Trump/Poetin.

De uitspraak van Merz dat het in de Europese oorlog op Oekraïens grondgebied gaat om een fundamentele keuze – „we mogen nooit daders en slachtoffers verwisselen” – is een politiek signaal dat hij Oekraïne nog niet aan zijn lot wil overlaten.

Als Merz inderdaad woord houdt, moet Rutte op zijn pirouettetalent terugvallen. Hij heeft in zijn half jaartje bij de NAVO inmiddels genoeg ervaring om die draai dan ook te kunnen maken.

Hubert Smeets is journalist en historicus. Hij schrijft om de week op deze plaats een column.


Opinie | Verval van de rechtsstaat dreigt nu ook in Nederland

De wereld staat in brand. De ontvangst van de Oekraïense president Volodymyr Zelensky door de Amerikaanse president Donald Trump afgelopen vrijdag laat opnieuw zien dat onze Amerikaanse bondgenoot het veld van de democratische rechtsorde lijkt te hebben verlaten en vriendschap uitstraalt naar Vladimir Poetin, de gruwelijke Europese agressor die niet alleen tegenstanders om het leven brengt maar een heel volk onder zijn oorlogsmisdaden en agressie laat lijden.

De bekende Leidse hoogleraar Cleveringa placht altijd al te zeggen dat we waakzaam moeten zijn. Daarmee doelde hij op de gevaren die de democratische rechtsorde bedreigen. Die waren toen duidelijk gebleken: voor de Tweede Wereldoorlog was in Duitsland het autoritaire regiem van Adolf Hitler aan de macht gekomen dat de beginselen van de rechtsstaat met voeten trad. Sommige groepen van burgers, Joden en politieke opponenten, hadden geen rechten meer en vermoede tegenstrevers werden monddood of dood gemaakt. Die waakzaamheid waar Cleveringa voor pleitte, is nu meer dan ooit op zijn plaats.

Grof geweld

Kenmerken van de democratische rechtsorde zijn de gebondenheid aan de wet, het evenwicht tussen de machten in de staat, de erkenning van mensenrechten en de toegang tot onafhankelijke en onpartijdige rechters. Op elk van die vier punten zijn in de VS gevaarlijke aanvallen te signaleren. De gebondenheid aan de wet was al in het geding bij de aanval op het Capitool op 6 januari 2021.

Aanhangers van Trump bestormden massaal de zetel van de democratie, nadat de presidentskandidaat daartoe direct of indirect had opgeroepen. Grof geweld werd niet geschuwd.

Nu daarop in januari gratiëring van vele veroordeelde daders gevolgd is, kan dit niet anders worden uitgelegd dan als legitimering van dit gewelddadige en misdadige optreden. Daarover bestaat geen twijfel als je ook nog leest dat de president zich uitliet in termen van: „He who saves his country does not violate any law.” (Wie zijn land redt, overtreedt geen enkele wet) Deze aan Napoleon toegeschreven uitlating lijkt wetsovertredingen te rechtvaardigen, die – in de ogen van de machthebber – gericht zijn op bescherming van de staat. Het is op minst een gevaarlijke oproep aan burgers om zich niets gelegen te laten liggen aan de wet, en een rechtvaardiging van eigen onwettelijke optreden. Het is „l’état, c’est moi” van de Zonnekoning.

Lees ook

Gevoel van lotsverbondenheid van de hele mensheid kan extreem-rechts buiten de deur houden

De gratiëring van de Capitoolbestormers was ook een aantasting van het tweede element van de rechtsstaat: evenwicht tussen de machten. Deze gratie-verlening was een ontkenning van rechterlijke oordelen.

Het derde element van de rechtsstaatgedachte, respect voor mensenrechten, wordt op grove wijze aangetast door de toekenning van ongecontroleerde machtsposities aan ‘techreuzen’ en door inbreuken op het vrije woord: je mag termen als De Golf van Mexico, inclusie en gender niet meer gebruiken. De persbreidel die daarvan het gevolg is, maakt de in een democratie essentiële functie van de journalistiek kapot. Ook tast dit de academische vrijheid grof aan.

De vernedering van rechters die in het verleden anti-Trump oordeelden is een aanval op de rechterlijke macht. Te hopen valt dat rechters die nu moeten gaan oordelen over decreten van de president hun rug recht houden. Dan zal blijken of de rechterlijke macht en andere instituties voldoende waarborgen bieden tegen dit autoritaire regiem.

De vernedering van rechters is een aanval op de rechterlijke macht

Vooralsnog is er reden tot vertrouwen. Het Amerikaanse Hooggerechtshof heeft ook recentelijk nog arresten gewezen die de huidige president niet zullen hebben bevallen. Het laatst benoemde lid van het Hof (door president Trump aan het slot van zijn eerste termijn), Amy Coney Barrett, heeft na haar benoeming erop gewezen dat zij een onafhankelijke rechter is. Dat is een heldere stellingname die mag doen veronderstellen dat zij niet altijd langs partijlijnen zal oordelen.

Veeg teken

Ook al houden rechters de rug recht. De rechter heeft ‘purse nor sword’ en kan met andere woorden zijn of haar beslissingen niet afdwingen. Dus als de uitvoerende macht tot de orde wordt geroepen en zijn beleid moet bijstellen, dan zal die uitvoerende macht zelf zo’n beslissing moeten gaan uitvoeren. In de VS is de rol van de rechter traditioneel groot. Als die wordt aangetast, valt het ernstigste te vrezen voor het behoud van de rechtsstaat.

Helaas hebben we de afgelopen jaren in Nederland moeten vaststellen dat in procedures waarin de overheid wordt veroordeeld, rechters zich gedwongen zagen aan niet-naleving ervan een dwangsom te koppelen. Zoals in de opzienbarende Greenpeace-uitspraak inzake de stikstofbeperking. Dat was vroeger ondenkbaar: de overheid volgt rechterlijke beslissingen op. Als dat stelselmatig niet meer gaat gebeuren stort de rechtsstaat in. Vooralsnog lijkt Nederland overigens niet de richting van de VS in te gaan. De poging van dit kabinet om per decreet te regeren met de asielnoodwetgeving, is een halt toegeroepen. De ondermijning van een raadgevende institutie als de Raad van State is wel een veeg teken. Nederland is nog niet zo ver afgezakt als de VS. Maar waakzaamheid is op zijn plaats.


Opinie | Voor of tegen Amerika? Dat is niet meer relevant in de nieuwe orde

Wat voor een Amerika zien we hier? Sinds Trumps ontmoeting met Zelensky is er veel afschuw over het buitenlandbeleid van Trump. Er zijn ook anderen die de deregulering en zakelijke politiek van de president omarmen. Beide posities zijn naïef als er niet een begrip aan vooraf gaat over hoe monumentaal de verandering is van de positie van de VS in de wereld is.

Twee observaties moeten daarvoor gemaakt worden. Met moeite wennen wij in Europa aan het idee dat de Amerikanen niet voor altijd onze vrijheid zullen garanderen. Wie de woorden van vicepresident Vance in München en het gesprek van Trump en Vance met Zelensky bekeek, ziet dat er iets veel heftiger aan de hand is: voor de Amerikaanse regering zou de EU best wel eens een tegenstander kunnen zijn. Daar zijn wij totaal niet op voorbereid.

De tweede observatie is nog van grotere orde. Sinds de Tweede Wereldoorlog zijn de VS de schepper en hoeder van de wereldorde. En nu heeft dat land besloten dat die orde hen niet meer dient. Dat is immens, en toch de letterlijke woorden van minister van Buitenlandse Zaken Rubio tegen de Amerikaanse senaat.

Machtigste land

Maar wat voor Amerika is dit? En vanuit welke wereldorde handelt het land? De inauguratiespeech van Trump gaf inzicht in naar welke situatie hij terug wil: het Amerika van de 19e eeuw. Dat was een land zonder mondiale verplichtingen en een eigen invloedssfeer in het Westelijk Halfrond (de zogenaamde Monroe-doctrine). Een Amerika waarvan het grondgebied groeide. Een Amerika dat commercieel gedreven was en waar grote industriëlen de dienst uitmaakten. Een Amerika dat leefde in een wereld van natiestaten zonder internationale organisaties en normen. Van Groenland tot de rol van Big Tech is dat Amerika in het beleid van president Trump te herkennen.

Waarom zou Trump zich willen losmaken van het internationale systeem dat het land zelf goeddeels heeft gecreëerd en waar het van profiteert?

Een enkel feit is daarvoor van groot belang. Ook al zijn er allerlei opkomende grootmachten, de VS zijn op dit moment nog steeds bij verre het machtigste land in de wereld. Het heeft een enorm dynamische economie, het is leider in digitale technologieën, het heeft de sterkste en meest ervaren krijgsmacht van de wereld en het is als enige grootmacht geografisch veilig van rivalen aan de grens.

Het sterkste land in de wereld kan regeren door internationale regels en instituties zoals Amerika sinds de Tweede Wereldoorlog heeft gedaan. Het voordeel daarvan is dat die regels door anderen worden omarmd zonder dat je ze daartoe hoeft te dwingen en in dat internationale systeem zijn er andere landen en instituties die je belangen behartigen. Het nadeel is dat landen niet altijd de afspraken nakomen en dat een grootmacht als de VS zelf ook door die regels wordt gebonden. Vaak genoeg wilden de Amerikanen zich als sterkste zelf niet aan de internationale regels houden.

Het roer om

Trump gooit nu het roer om en kiest voor een koers van directe machtspolitiek. Hij verliest de voordelen van de eerdere orde, maar wint ook: omdat de VS het sterkste land in de wereld is, zal het in een systeem zonder afspraken één op één van iedereen kunnen winnen. Dat gebeurt nu al. Hij krijgt concessies van landen als Mexico, Canada, het Verenigd Koninkrijk en Oekraïne. Dat zijn concessies die hij niet zou kunnen krijgen als hij iedereen simpelweg zou wijzen op de internationale afspraken.

Daarom zal dit beleid succesvol zijn – een voor een legt iedereen het af tegen de sterkste speler. Maar wat gaat er op middellange termijn gebeuren?

Allereerst betekent deze koerswijziging dat anderen zich ook minder aan de regels zullen gaan houden. Als Trump daadwerkelijk grondgebied van een ander land gaat innemen, legitimeert hij de machtspolitieke ambities van allerlei andere landen. Daar hebben de VS zelf direct niet veel van te vrezen, maar zwakkere landen overal ter wereld wel.

Een tweede effect van deze koerswijziging is dat landen elkaar zullen opzoeken in reactie op de nieuwe Amerikaanse machtspolitiek, zelfs bondgenoten. Dat proces is al gaande en de Chinezen spelen er op slimme wijze op in. De Chinese topdiplomaat Wang Yi zei bijvoorbeeld dat Europese landen betrokken zouden moeten zijn bij de onderhandelingen over Oekraïne. Tegen zijn Argentijnse ambtsgenoot zei Wang Yi dat China geen „sferen van invloed” erkent. Dat is frappant, want met dat argument stelde de VS altijd dat China niet de baas mag zijn over andere landen in Oost-Azië. Nu gebruikt China ditzelfde argument tegen landen in de ‘achtertuin’ van de VS.

Het heeft dus weinig zin om simpelweg voor of tegen het Amerikaanse beleid te zijn: er is een totaal nieuwe realiteit in de internationale politiek ontstaan.

Lees ook

Vance’ provocatie van Zelensky is uniek. Was deze ook strategisch?

JD Vance tijdens de ontmoeting met Zelensky in het Witte Huis.


Column | De prooi, de bullebak en de ophitser

Ze zaten keurig op rij: de prooi, de bullebak en de ophitser. De klassieke rolverdeling van het schoolplein. En toen het treiteren en geërgerde terechtwijzen plotseling overging in het roffelen van vuisten, had de bezoekende ‘schooljongen’ geen schijn van kans.

In commentaren wordt nu druk bespiegeld of de beschamende vertoning die Trump en zijn aangever Vance in het Witte Huis opvoerden een ongeluk of een opzetje was, een publieke vernedering van Zelensky bedoeld voor Russische consumptie. Zou kunnen, opmerkelijk genoeg was Associated Press niet aanwezig bij de geseling in het Ovale Kantoor – het persbureau is getroffen door een presidentiële banvloek – maar wel het Russische persbureau Tass.

Wie Trumps intuïtieve stijl, improvisaties en fabelachtige verzinsels kent, kan ook iets anders vermoeden. Dit echec was een trumpiaanse stoofpot van diverse ingrediënten: voor een deel opzet, voor een deel spontane ergernis omdat Zelensky de grond onder Trumps voeten weigerde te kussen, en voor een deel sadistische reflex.

Zoals dat van de schorpioen die beloofde de kikker niet te steken als hij hem de rivier over hielp, maar hem halverwege toch doodstak, en terwijl ze samen verdronken zei: „Ik kan het niet helpen, het is mijn aard.” Ook de amicaal troostende klopjes die het serviele serpent Vance zijn rood aangelopen baas na afloop op de arm gaf, wezen op iets anders dan louter berekening of opzet.

Hun ergernis had twee bronnen: behalve Zelensky’s gebrek aan nederigheid was dat zijn terechte, maar voor Trump gênante afkeer van de oorlogsmisdadiger Poetin. Een hartgrondige reactie op de Amerikaanse pose van onpartijdige dealmaker, een rol die Trump speelt voor zijn kiezers, het Kremlin en, alvast, het Nobelprijs-comité.

In de aanloop naar de ontmoeting in het Witte Huis liet Trump niet na Oekraïne af te schilderen als een rokende puinhoop met „miljoenen” doden, een verwoest land waar alles is ingestort, zelfs die „prachtige koepels”.

Dat is niet alleen zijn gebruikelijk overdrijving. Het is een catastrofisme dat maar één doel dient: het idee vestigen dat Oekraïne al verloren heeft en niet meer is dan een lap real estate waar de groten der aarde over mogen beslissen. Zelensky diende deemoedig te tekenen bij het kruisje.

Was het onverstandig dat hij dat niet deed, had hij op tijd moeten spelen? Wie weet. Mij lijkt het een wonder dat Zelensky zich drie oorlogsjaren lang heeft weten in te houden tegen zijn weifelende bondgenoten. Mensen gaan naar hun werk, sprak hij Trump tegen, onze kinderen gaan naar school. Kortom: er is nog iets over om voor te vechten. Precies wat zijn ‘redders’ niet wilden horen.

Dan treedt de logica van het schoolplein in werking: een slachtoffer dat zich blijft verzetten, roept alleen maar meer agressie op en krijgt een paar trappen na. De woest-rechtse media die Trumps Witte Huis nu bevolken als Vandalen in Rome leenden zich er met gepaste bloeddorst voor.

Ook buiten zijn directe kring van dwepers en meelopers krijgt Trump soms punten als een beeldenstormer die alles overhoop gooit en zo nieuwe energie vrijmaakt. Creatieve ‘disruptie’ en zo. En inderdaad: Arabische landen, die hen jarenlang louter gebruikten als propagandamateriaal tegen Israël, proberen eindelijk iets te doen voor de Palestijnen, en het verdeelde Europa toont zowaar nieuwe eenheid (nu nog de daadkracht). Dank u, grote disruptor!

Het is te welwillend. Zo heeft elke ramp zijn voordeel.

Een onbesuisde herinnering: op school was ik – bril, verkeerde schooltas – ook ooit de prooi van een baasje en een aangever. Na een week was de keus: lijdzaam ondergaan of terugslaan. Toen het tweetal nietsvermoedend de trap afdaalde naar de kantine waar ik mijn boterhammen zat te eten, deed ik mijn trommetje dicht, liep naar de deur en haalde uit toen het baasje erdoor kwam.

Nooit meer last van gehad.

Sjoerd de Jong is redacteur van NRC. Hij schrijft om de week op deze plaats een column.


Opinie | Meningen zijn te belangrijk om aan het individu over te laten

Het grote gevaar voor Europa komt van binnenuit, aldus de Amerikaanse vice-president JD Vance. In zijn toespraak op de veiligheidstop in München vorige maand waarschuwde hij niet voor Rusland, maar voor Europese overheden die de vrijheid van meningsuiting van hun burgers zouden inperken en onwelgevallige standpunten zouden censureren. Elke mening, hoe racistisch, seksistisch of misleidend ook, heeft volgens Vance recht op een platform. Hypocriet natuurlijk, voor de vertegenwoordiger van een regering die deze weken op industriële schaal wetenschappelijk onderzoek en overheidsinformatie aan het screenen is op vermeend ‘wokisme’.

Een waarschuwing voor censuur is overigens niet geheel onterecht. De afgelopen jaren hebben Amerikaanse en Europese overheden allerlei initiatieven ontplooid om desinformatie te bestrijden, die soms doorschoten. De gedachte dat het coronavirus uit een laboratorium ontsnapt zou zijn, werd actief van sociale media geweerd, terwijl de CIA vorige maand nog concludeerde dat dit wel degelijk een reële mogelijkheid is.

Waar beide kampen het blijkbaar over eens zijn, is dat meningen ertoe doen. En dat is een belangrijk inzicht. Want wat we denken, maakt verschil voor hoe we handelen: op wie we stemmen, of we onze kinderen laten inenten, aan wat voor toekomst we werken. Daarom moet je meningsvorming serieus nemen en dat doe je niet met vrijemeningenabsolutisme of met een meningenpolitie. Wel met een open debat over hoe je je mening vormt.

We moeten op zoek gaan naar regels die ons helpen helder te denken. In verwarrende tijden van polarisatie en misinformatie is die noodzaak groter dan ooit. Dan gaat het dus niet om concrete opvattingen, maar om de vraag hoe je aan je overtuigingen komt, waar je ze op baseert en hoe je ze aanpast. Zijn er regels of inzichten die ons daarbij kunnen helpen?

Zelf uitvogelen

Door de nadruk die we in onze samenleving leggen op individuele vrijheid en zelf nadenken – doe je eigen onderzoek! – was de consensus lang dat zulke algemeen geldende denkregels er nauwelijks zijn en dat iedereen maar voor zichzelf moet uitvogelen wat nu eigenlijk waar is. Maar inmiddels lopen we keihard tegen de grenzen van dit cognitief individualisme aan. Dat heeft met diepgaande sociale en politieke ontwikkelingen te maken.

Zo is volgens de Duitse filosoof Jürgen Habermas de relatie tussen het private en het publieke domein veranderd. Traditioneel is het privédomein de plaats van de eigen voorkeuren, schrijft hij in zijn recente boek Een nieuwe structuurverandering van het publieke domein. In het publieke domein discussieer je over beleid dat het algemeen belang dient, rekening houdend met ieders voorkeuren.

Maar door de opkomst van sociale media is dit onderscheid vervaagd. Techbedrijven die niet uit zijn op het faciliteren van redelijk debat en waarheidsvinding, maar op commercieel gewin of ideologische doeleinden, hebben zich flinke stukken publieke ruimte toegeëigend. Iedereen met een internetverbinding kan al dan niet anoniem moeiteloos meninkjes de wereld in slingeren die niets met een redelijke uitwisseling van informatie te maken hebben. Zo brokkelt de publieke ruimte af die nodig is om in een democratische rechtstaat tot geïnformeerde en gefundeerde afwegingen te komen.

Je doet niet met een paar muisklikken meer inzicht op dan mensen die ergens al decennia studie van maken

Daar komt bij dat sociale media zich goed lenen voor het verspreiden van mis- en desinformatie. Natuurlijk, er worden ook veel serieuze nieuwsberichten en onderbouwde opinies gedeeld. Onderzoek laat zien dat alarmistische praat over een vermeende ‘infocalyps’ overtrokken is. Maar zelfs kleine en geconcentreerde hoeveelheden mis- en desinformatie kunnen grote gevolgen hebben. Denk aan de manier waarop misleiding doorslaggevend was voor de Brexit-stem en hoe mensen op basis van wilde complottheorieën vaccinaties weigerden of zelfs politici bedreigden.

Bovendien zien we toenemende polarisatie. Niet zozeer ideologische polarisatie – de politieke standpunten van de meeste mensen zijn niet zo heel veel opgeschoven ten opzichte van bijvoorbeeld de jaren zeventig en tachtig. Maar wel in de gevoelens die mensen over hun politieke tegenstanders hebben: affectieve polarisatie. De ander wordt in toenemende mate niet meer als medeburger met andere standpunten gezien, maar als ongeïnformeerd, onredelijk of zelfs slecht; een vijand die je niet moet overtuigen maar verslaan.

Meningenpakket

Deze parallelle ontwikkelingen leiden ertoe dat heel wat mensen eigenlijk maar twee opties zien. Enerzijds kiezen voor een kamp en je ingraven met een in steen gebeiteld meningenpakket, bijvoorbeeld pro- (of juist anti-) Palestina, migratie, lhbti-rechten, diversiteit en inclusie. Anderzijds je terugtrekken en onverschillig worden. Dan laat je je mening niet langer bevragen en mijd je het nieuws (een belangrijke trend onder jongeren).

Beide opties zijn funest voor de democratische rechtsstaat: die functioneert alleen als er een open ruimte is om informatie en argumenten uit te wisselen zonder direct financieel of ideologisch, en als burgers bereid zijn anderen en zichzelf kritisch te bevragen.

Dus hebben we wel degelijk denkregels nodig. Om te beginnen is het verleidelijk voor beter denken vooral naar de ander te wijzen. Domrechts en klimaatgekkies, die zouden gebaat zijn bij betere meningsvorming. Maar als iedereen het huiswerk in de schoenen van een ander schuift, gebeurt er niets. De psychologie leert ons dat we allemaal geplaagd worden door impliciete vooroordelen en blinde vlekken. Een eerste regel zegt dan ook dat we de mogelijkheden en beperkingen van ons eigen denken beter moeten kennen.

Zulke zelfkennis is niet altijd makkelijk te verkrijgen en ook niet per se prettig. Je moet bijvoorbeeld eerlijk onder ogen zien dat sommige van je meningen niet het resultaat zijn van nuchtere redeneringen. Ze zijn meer zoals de oranje outfits waar wij Nederlanders tijdens een WK graag in rondlopen: uitingen van je identiteit, de sociale groep waar je bij hoort.

Lees ook

‘Hoger opgeleiden zien veel meer polarisatie dan lager opgeleiden, en ze segregeren zich’

Socioloog Quita Muis zocht uit hoe het gesteld was met de polarisatie in Nederland

Het kost ook moeite om de grenzen van je eigen kijk op het leven te erkennen. Mensen met een andere achtergrond en andere positie kunnen de dingen totaal anders ervaren, maar met evenveel recht. Dat jij nooit alledaags racisme hebt meegemaakt, of nooit in de buurt van een asielzoekerscentrum hebt gewoond, betekent niet dat de ervaringen en zorgen van mensen die dat wel hebben, ongeloofwaardig zijn.

Een andere regel luidt dat we sommige van onze ideeën het beste kunnen uitbesteden. Dat is nodig, omdat er allerlei experts zijn die over bepaalde onderwerpen veel meer weten dan u en wij. Het ligt niet voor de hand dat je op je zolderkamer met een paar muisklikken op schimmige websites meer inzicht opdoet in de oorzaken en gevolgen van migratie of de intenties van Poetin dan mensen die daar al decennia studie van maken.

Lockdown

Tegelijk zitten hier ook grenzen aan, omdat ook experts soms hun boekje te buiten gaan en ze het lang niet altijd met elkaar eens zijn. Deze regel behoeft dus verdere doordenking. Want met een beroep op het „kompas van wetenschappelijke kennis en betrouwbare feiten”, zoals premier Mark Rutte het aan het begin van de coronacrisis noemde, ging Nederland in december 2021 ongeveer als enige land ter wereld nog in lockdown, met verstrekkende sociale en economische gevolgen. Als het over complexe maatschappelijke problemen gaat, zijn experts uit allerlei wetenschapsgebieden tegelijkertijd nodig – natuurwetenschappers, ingenieurs, gedragswetenschappers, economen, pedagogen, historici. Sterker nog, ook buiten de wetenschap komt expertise in allerlei soorten en maten voor: in adviesraden en politiek, maar ook de ervaring van mensen voor de klas of in het buurtwerk.

Ook deze tweede denkregel is niet meer dan de aanleiding voor een gesprek. Vervolgvragen gaan over de reikwijdte van expertise, de staat van dienst van experts, de mate van consensus, legitieme kritische vragen, enzovoorts. Juist die onderwerpen lenen zich uitstekend voor het publieke debat, als het even kan zonder directe politieke stellingnames.

Misschien had Vance toch gelijk toen hij zei dat het grote gevaar voor Europa van binnenuit komt. Niet omdat de Europese overheden voortdurend meningen zouden censureren, dat valt enorm mee. Maar omdat de democratie alleen bestaat bij de gratie van een publiek domein waarin mensen niet louter hun gedachten en gevoelens willen spuien, maar eerlijk en open op basis van betrouwbare informatie hun standpunten willen vormen en aanpassen. Meningen zijn te belangrijk om aan het individu over te laten: we hebben elkaar ervoor nodig. En dus mogen we best een debat voeren over hoe je het beste je mening kunt vormen. Minder meningen – en meer meningsvorming.


Den Haag en de Onbesuisde Staten van Amerika

Ik ben sinds kort gefascineerd door Canada. Canada? Ja, Canada.

Daar deed zich de laatste anderhalve maand een spectaculaire politieke ommekeer voor, aldus Ipsos. Sinds de inauguratie van Donald Trump, en zijn gepraat over Canada als Amerikaanse staat, is de jarenlange dominantie van conservatieven in de peilingen, een voorsprong die zes weken terug nog 26 procentpunt (!) bedroeg, in rook opgegaan.

In de laatste Ipsos-poll leiden de progressieven met 2 procentpunt. Een voorname oorzaak? Domme vraag: Donald Trump.

Het bevat ook een les voor radicaal-rechts in Nederland. Eigenlijk voor heel politiek Nederland.

De leider van de Canadese conservatieven, Pierre Poilievre, geldt al jaren als gedoodverfde nieuwe Canadese premier. Hij groeide uit tot lieveling van Amerikaanse conservatieven: Elon Musk steunt hem openlijk.

Maar Canada is niet erg gesteld op Musk, ook niet op Trump – al helemaal niet sinds diens inauguratie. Dus nu de impopulaire progressieve premier Justin Trudeau begin dit jaar is afgetreden, en zijn partij in maart een nieuwe leider kiest, zijn de kansen in zéér korte tijd gekeerd.

In mindere mate zag je dit ook bij de Duitse verkiezingen. De campagne, gedomineerd door terroristische aanslagen van migranten, verliep gunstig voor de radicaal-rechtse AfD. Maar nadat Musk eind december steun had uitgesproken aan AfD, vlakte de stijgende lijn van die partij af.

Eerder last dan voordeel

Het lijkt me duidelijk wat hier speelt. Trump is al niet heel populair in de VS zelf, Musk nog minder, en buiten de VS is het veel slechter. Dus niet-Amerikaanse politici hebben eerder last dan voordeel van een goede band met Trump en steun van Musk.

Sterker: je kunt voorzien dat het voor partijen en politici buiten de VS juist interessante binnenlandse politiek wordt om zich tegen Trump en Musk af te zetten.

Het komt, vermoed ik, omdat Amerika zijn wereldwijde machtspositie te normaal is gaan vinden. Zozeer dat het die macht voor lief neemt maar amper interesse voor de wereld heeft. En als macht vanzelfsprekend is, wordt de machthebber lui.

Het gevolg is dat de wereld al sinds 9/11 een grootmacht waarneemt die zichzelf overschat en de wereld onderschat. De catastrofale oorlogen in Afghanistan (vanaf 2001) en Irak (2003). Gevangenen zonder verdenking op Guantánamo Bay (2002-heden). De rode lijn die Assad in Syrië straffeloos mocht passeren (2012). Het ontstaan van IS (2014) na de Amerikaanse terugtrekking uit Irak. Een vredesdeal met de Taliban (2020) die Afghaanse vrouwen terugdrong naar de middeleeuwen. Et cetera.

En talrijk waren in die tijd de momenten waarbij Europeanen door de VS werden bekritiseerd omdat ze Amerikaanse keuzes niet steunden. Beste voorbeeld: Frankrijk en Duitsland die de Amerikaanse invasie van Irak in 2003 nadrukkelijk afraadden.

Achteraf hadden ze het grootste gelijk van de wereld. Maar het gepikeerde Congres wilde het destijds niet horen. Het haalde de french fries van de menukaart: dat werden freedom fries.

Amerikanen stelden eisen aan de wereld die ze niet aan zichzelf stelden.

Ze liepen voorop met het pleidooi voor het NAVO-lidmaatschap van Oekraïne. Ze verzetten zich vanaf 2006 krachtig tegen Nord Stream I en II, Europese joint ventures met Poetin voor onderzeese gasleidingen van Rusland naar Duitsland. Ze vroegen EU-landen in 2022, na de Russische inval van Oekraïne, nadrukkelijk om solidariteit met Oekraïne en sancties tegen Rusland.

En nu verwijten diezelfde Amerikanen dat Europa eerder geen oog had voor Poetins belangen, en gaan ze zelf met de Russische dictator in zee. 

Desinteresse

De diepgaande polarisatie in de VS speelt hier doorheen: een nieuwe president gaat bij voorkeur dwars tegen een voorganger van de andere partij in. In combinatie met de Amerikaanse desinteresse voor de wereld werden de VS zo een onberekenbare wereldmacht: de Onbesuisde Staten van Amerika.

Trump is niet het begin maar de slotsom van deze ontwikkeling. Het verschil is zijn openlijke desinteresse voor het Atlantisch bondgenootschap en überhaupt zijn gebrek aan vormelijkheid. Zijn botheid, immoraliteit en schaamteloosheid. 

In één week Zelensky, slachtoffer van Poetins agressie, onterecht verwijten dat hij de oorlog begon en hem daarna als ‘dictator’ voor de bus gooien. In de Veiligheidsraad, gesteund door Israël (!), weigeren Poetin agressor te noemen. En dan, hoewel Oekraïne al drie jaar wordt gebombardeerd, van Zelensky een grondstoffendeal eisen omdat Amerika zijn “geld terug wil”.

Stel je voor dat Polen en Canada tijdens de hongerwinter van Nederland betalingen hadden geëist omdat ze meevochten tegen de Duitsers.

Bij deze houding past dat Trumps oordeel over de EU hetzelfde is als dat van Poetin. De Unie is opgericht om “ons te verneuken”, zei Trump deze week. Decennia bondgenoot, nu bedrieger: dat kan er ook nog wel bij.

Trump deed er een aankondiging van nieuwe importheffingen voor de EU bovenop, en vervolgens bleek zijn minister van Buitenlandse Zaken, Marco Rubio, niet beschikbaar voor ingepland overleg met zijn Europese collega Kaja Kallas. Alles om te laten zien “dat de EU er niet meer toedoet”, zei een Europese diplomaat tegen Politico.

Toespraakjes

Wat ontbreekt is oog voor de effecten van het eigen handelen. Het is stoer om Canada in toespraakjes ettelijke malen in te lijven als de 51ste Amerikaanse staat. Maar als dat je conservatieve Canadese bondgenoot een nederlaag bezorgt, heb je veel gezegd maar niets bereikt.

Zo is het ook met de EU, met Zelensky, met Denemarken (Groenland), enzovoort. Je kunt landen met een zwakkere positie altijd uitspelen. Maar vertrappen hoeft niet. Vormelijkheid in (internationale) relaties is geen onzin. Juist in pijnlijke conflictsituaties zijn uitingen van respect elementair. Anders verspeel je alle goodwill. Het is precies hoe Trump met Europa en de eigen buurlanden omgaat. 

President van de Europese Commissie Ursula von der Leyen, de Oekraïense president Volodymyr Zelensky, de Canadese premier Justin Trudeau en voorzitter van de Europese Raad António Costa spreken op 24 februari G7-leiders toe vanuit Kyiv.
Foto EPA

Bovendien schept hij met zijn gedrag hoge verwachtingen over een eventuele deal met Poetin. Maar of dat lukt?

In een boeiend vraaggesprek met BBC’s Newsnight wees de voormalige chef van MI6, Sir Alex Younger, erop dat Trump in dit soort situaties niet erg handig opereert. Younger was erbij, zei hij, toen Trump inzake de vredesbesprekingen met de Taliban in 2020 “zijn grootste concessie al voor de onderhandelingen weggaf”.

Iets vergelijkbaars gebeurde de laatste weken met Poetin. Younger: “It’s a strange art of the deal, honestly.”

Het viel me in contacten met Nederlandse (oud-)diplomaten op dat ook zij met het akkoord uit begin 2020 van Trump met de Taliban in hun hoofd lopen.

Net als nu met de Oekraïense oorlog was Trump er toen op uit de Afghaanse oorlog te beëindigen. En net als nu “verlangde” Trump er toen “hevig” naar “iets te bereiken wat geen president voor hem bereikte”, zoals The New York Times in 2019 al schreef.

Maar het resultaat was ontluisterend. Het akkoord bevatte de vervroegde vrijlating van vijfduizend Talibanstrijders, wat veroorzaakte dat de Taliban de regering vroegtijdig in handen kregen en diplomaten, hulpverleners en angstige Afghaanse gezinnen in de zomer van 2021 het land probeerden te ontvluchten – met alle chaos en paniek van dien. 

Het werd een grote kwestie in Den Haag. Sigrid Kaag, D66-leider en minister van Buitenlandse Zaken, moest zich verantwoorden voor de slecht voorbereide evacuatie door Buitenlandse Zaken in Den Haag. Zij besloot af te treden.

Minipolitiek in een grote wereld. Want zoals dat gaat: voor de oorzaak van de chaos, Trump met zijn belabberde deal, had Den Haag in 2020 amper aandacht opgebracht. 

Oud MI6-chef Younger legde in datzelfde BBC-interview uit hoe “razend ingewikkeld” een mogelijk akkoord met Poetin voor Trump zal zijn. Het punt is, zei hij, dat zij het vraagstuk verschillend definiëren.

Voor Trump, man van het vastgoed, draait dit om grond: geef Rusland land en er zal vrede zijn. Voor Poetin, een imperiale denker, gaat dit om Oekraïne als soevereine staat: zolang die bestaat, is de veiligheid van Rusland in gevaar. Younger: “Het voelt als een fundamenteel onoplosbaar probleem.”

Hoogst gecompliceerd

Hier staan we dan. De internationale werkelijkheid is dat een onbesuisde grootmacht bondgenoten en buurlanden van zich vervreemdt voor een deal met Poetin die op zijn best hoogst gecompliceerd zal zijn.

De Haagse werkelijkheid is dat elke nieuwe uithaal van Trump naar Europa zijn populariteit in Nederland verder neerhaalt. 

Dit zijn de grenzen waarbinnen de landspolitiek nu moet opereren. Het is zeker geen Nederlands belang als nationale politici van enig gewicht Trump openlijk zouden aanvallen: dan weet je dat hij terugslaat.

Tegelijk was het de voorman van de grootste partij die zich eerder profileerde als een uitgesproken Trumpaanhanger. En in Canada is gebleken hoe kwetsbaar die positie kan zijn wanneer opponenten dit als dubieuze vriendschap weten te definiëren.


Column | Deze economie is een kostbaar cadeau. Maar Den Haag schat het niet op waarde

Je kan op allerlei manieren naar de Nederlandse economie kijken, maar ik zou zeggen: onze economie is een kostbaar cadeau. Dat helaas door achtereenvolgende kabinetten achteloos wordt verkwist.

Neem de economische raming van het Centraal Planbureau deze week. Wéér groeien we harder dan verwacht. Waarom dit keer? Er blijken meer jonge én oude Nederlanders te willen werken dan de CPB-economen hadden ingeschat. Die werkende tieners, twintigers en 65-plussers maken de economie groter en de schatkist voller; ze dragen immers belasting af.

Onze economie is een succesverhaal. De dip tijdens corona was hier minder diep dan in andere Europese landen, het herstel was sneller en sterker. Telkens opnieuw zijn de economische ramingen te somber. Zo brengt de vennootschapsbelasting meer op dan verwacht. Dat is inmiddels zo vaak gebeurd dat het CPB de opbrengst van de winstbelasting vanaf nu maar structureel hoger inschat.

Coronacrisis, energiecrisis, steeds trekken kabinetten de portemonnee om de klap te verzachten. En hup, de economie loopt weer. De werkloosheid is laag, de staatsschuld is laag, het aantal werkenden hoog. Vergelijk dat eens met de kwakkelende Duitse economie.

Er is maar één probleem: het land is te klein. We hebben te veel economie voor één Nederland. De overheid wil meer geld uitgeven dan lukt. Bedrijven lopen tegen grenzen op. We willen meer mest kwijt dan onze bodem aankan. Politieke wensen slaan stuk op een gebrek aan handen en hoofden om ze uit te voeren. Meer bouwen? Een zwaarder stroomnet? Meer defensie? Ja graag! Maar wie doet het? En waar?

Er is kortom meer vraag dan aanbod. En wat gebeurt er dan? Dan stijgen de prijzen. En is alles schaars: ruimte op het stroomnet, huizen, juffen, cellen, artsen, schoonmakers, horecapersoneel. En dan maakt die florerende economie iedereen chagrijnig. Waarom kan mijn kind geen woning vinden? Waarom is alles zo duur?

Iedereen gefrustreerd

Juist deze oververhitte economie lijdt onder het gretige uitgeven van kabinetten. Strooien met geld is olie sprenkelen op een barbecue. Er komt nóg meer vraag bij. Het maakt personeelstekorten erger. Het frustreert iedereen. Bedrijven moeten vergroenen, maar krijgen geen stroomaansluiting. En het maakt dat de rijksten winnen: die kunnen nog wel een huis voor hun kind kopen.

„We hebben een ijzersterke maar oververhitte economie”, zegt hoogleraar Arnoud Boot. „Dus moeten kabinetten de vraag niet onnodig aanwakkeren en de productiviteit van de economie vergroten. Maar in dit spel zit het kabinet aan de verkeerde kant.” Neem bijvoorbeeld de halvering van het eigen risico. „Dat heeft een driedubbel prijskaartje. Het kost uiteraard geld. Het lokt meer vraag naar zorg uit. En het trekt mensen uit andere sectoren naar de zorg. Het kabinet maakt zo het tekort aan personeel nog groter.”

Politieke partijen doken gretig op de begrotingsmeevaller die deze week bekend werd, van zo’n 8 miljard euro. Ze willen lagere belastingen en hogere uitgaven. Want mensen hebben het door de hogere prijzen zwaar. Maar een overheid die meer uitgeeft dan er binnenkomt, zorgt voor meer vraag en jaagt dus de inflatie aan. (Uitzonderingen: geld geven aan Oekraïne of ontwikkelingshulp.) Zo houdt Den Haag die prijzen zèlf dus mede hoog.

Beter zou zijn om te zeggen: wat fijn dat het begrotingstekort een tikje lager uitvalt dan gedacht! Daardoor krijgt de oververhitte economie wat verkoeling. Bovendien stormt het in de wereld, en is het goed om een extra buffer te hebben mocht die handelsoorlog of de militaire breuk met de Verenigde Staten er komen.

Uitdeelkabinetten

We leefden de afgelopen jaren onder uitdeelkabinetten. Terwijl er juist nu nood is aan politici die vertellen dat onze dividenden zijn verdampt: het vredesdividend, het mondialiseringsdividend waarvan Nederland als handelsland profiteerde. Dat van alles dus duurder wordt: zoals onze defensie. En dat dat betekent: of de overheid gaat elders minder uitgeven, of zij gaat meer lenen, of meer belasting heffen.

Juist in deze stormachtige tijd is de Nederlandse economie een kostbaar cadeau. Nu er banen in overvloed zijn, kan je de economie toekomstbestendig maken. Je kunt de landbouw hervormen. Juist nu hoef je niet bang te zijn om bedrijven de maatschappelijke kosten in rekening te brengen die ze veroorzaken, bijvoorbeeld omdat ze leunen op goedkope arbeidsmigranten die nergens kunnen wonen. Of omdat ze veel stikstof en broeikasgas uitstoten.

Maar in plaats daarvan holt Den Haag de toekomstige kracht uit. Ja, er is veel werk, maar heel veel productiever worden we niet. Volgens Boot omdat kabinetten met subsidies, belastingvoordelen en knuffelbeleid bedrijven in leven houden, zoals in de landbouw en de industrie. „Kabinetten leggen een kleffe deken van overheidssteun over de economie, waardoor nieuwe bedrijvigheid geen kans krijgt. In Duitsland zie je wat er gebeurt als het grote bedrijfsleven een overheid in de greep krijgt. De Duitse overheid heeft Volkswagen uit de wind gehouden, net als Deutsche Bank. Zo hou je vernieuwing tegen. En daar heeft de hele Duitse economie nu last van.”

Hoe lang kan je dollen met een diamant voordat ’ie dof wordt? Lang, denkt Boot. „We kunnen er tien jaar een puinhoop van maken voordat we de rekening krijgen: een weinig productieve economie die niet meer de slimsten aantrekt, weinig groeit, die boeren moet uitkopen en veel geld moet besteden aan het compenseren van verliezers. En die zo in een neerwaartse spiraal terechtkomt. Met afbraak van voorzieningen als zorg en onderwijs tot gevolg.”

Het zou doodzonde zijn.