Ongegeneerd imperialisme overspoelt ons vanuit de VS, gericht op het winnen van grondstoffen en beschermen van economische groei. Het is alsof het gaspedaal hard wordt ingedrukt, terwijl we midden in een existentiële ecologische crisis zitten, die ook steeds meer sociale ontwrichting veroorzaakt. Onderwijl is linkse politiek vooral conservatief: de inzet is op zijn best een groenere en socialere versie van economische groei. Terug naar de status quo is echter volstrekt onvoldoende om van de huidige ramkoers af te raken: sociale uitbuiting en groeiende ongelijkheid, versnellende klimaatverandering en vernietiging van biodiversiteit zullen onverminderd doorgaan.
Het lijkt evident dat de obsessie met economische groei de onderliggende oorzaak is van al die problemen. Duurzaamheid werd een poging tot het groener en eerlijker maken van die groei. Maar keer op keer blijkt het verduurzamen van consumptie en productie een gevaarlijke illusie: relatieve milieuwinst wordt door verdere groei tenietgedaan en de fantoomgroei lijkt de samenleving al decennia niet significant gelukkiger, gezonder of rechtvaardiger te maken. Het echte probleem is dan ook fundamenteler: de continue noodzaak om met geld meer geld te maken, ofwel geldgroei.
Geldgroei is de kern van ons economisch systeem en de motor van economische groei. We ‘maken’ geld door consumptie aan te jagen. Hiervoor gaan consumenten, overheden of bedrijven schulden aan (en groeit ongelijkheid) of wordt natuur te gelde gemaakt (en schade niet betaald). Met geld, ook als we ‘duurzaam investeren’, moet rendement behaald worden en dus meer productie en consumptie aangejaagd. Op deze manier is alles de afgelopen decennia ingericht om met geld meer geld te maken, met steeds groeiende sociale problemen en ecologische schade als gevolg. Zolang deze groeidwang niet stopt, blijft de crisis zich verdiepen en neemt de instabiliteit toe.
De alternatieven zijn er
Het enige alternatief is een financieel en economisch systeem dat geen geldgroei ten koste van mens en planeet toestaat. Dat alternatief is haalbaar, en sterker nog, bestaat al lang op heel veel plekken waar basisbehoeften zoals eten, wonen, energie en zorg op een duurzame en rechtvaardige manier zijn georganiseerd. In het huidige politieke debat worden deze alternatieven – van links tot rechts – echter te weinig gezien of serieus genomen.
Voor voeding zijn er inmiddels legio voorbeelden van regeneratieve, agro-ecologische of biologische vormen van productie. Met een dieet met maximaal 20 procent dierlijke eiwitten kunnen we op Nederlandse grond de bodem herstellen, iedereen voeden, en de boer een goede boterham laten verdienen. Dan stopt de vicieuze cirkel van geldgroei die bestaat uit schaalvergroting, intensivering en stijgende grondprijzen. Maar is dus ook het verdienmodel voor de agro-industrie en de banken weg. Bij initiatieven als Lenteland, Heerenboeren, Land van Ons of Caring Farmers zien we al in de aanzet deze combinatie van publieke financiering, sociaal-ecologisch herstel, sociaal ondernemerschap en een duurzaam menu – en daarmee dus een duurzaam economisch model dat de natuur herstelt, een gezonde maaltijd biedt, werkgelegenheid en sociale relaties herstelt.
Verduurzamen van consumptie en productie is een gevaarlijke illusie
Op gebied van energie zien we allerlei veelbelovende voorbeelden rondom lokale warmtenetten, energiehubs van bedrijven of energiecoöperaties. Zij combineren bijvoorbeeld lokale warmtebronnen met isoleren, of duurzame opwek en opslag. Er zullen misschien flinke aanloopkosten zijn, maar op zeer overzienbare termijn blijft er een veel lagere energierekening over met een systeem dat fossielvrij is en in democratisch eigendom. Ze breken ook met geldgroei: het zijn investeringen voor de lange termijn met een laag risico en een laag rendement.
Geen geld onttrekken
Ook voor domeinen als wonen, mobiliteit, zorg en water zijn dit soort radicale alternatieven aantoonbaar te verwezenlijken. Denk aan initiatieven rond deelmobiliteit, integratie van wonen en zorg in coöperaties, of circulaire decentrale watersystemen. Deze gaan uit van ‘meervoudige’ (sociaal, ecologisch én financiële) waardecreatie en sociaal ondernemerschap (er wordt dus ook gewoon geld verdiend en gewerkt), maar de geproduceerde financiële waarde wordt niet uit het systeem onttrokken en blijft in lokaal eigendom. Die nieuwe ‘gemeenschapseconomie’ produceert dus ecologische en sociale waarde, maar een stuk minder geld, en is daarom ook een bedreiging voor de traditionele economie.
Deze voorbeelden laten een haalbaar alternatief zien voor de sociaal-ecologische ramkoers van oneindige geldgroei. Maar vooralsnog zijn het vooral mensen met bovengemiddeld veel tijd, idealen of geld die deze alternatieven ontwikkelen en die vaak ook een overheid en instituties tegenkomen die op groei zijn ingericht. Het mainstreamen van deze initiatieven vraagt om een transitiepolitiek die nu ontbreekt: een alternatieve maatschappijvisie die de gemeenschapseconomie als basis neemt.
Deze transitiepolitiek kan praktisch allerlei vormen aannemen maar kent twee pilaren: aan de ene kant het doorbreken van geldgroei door het ontmoedigen van consumptie, limiteren van schulden en vermogen, lokaliseren van geld, en het terugdringen van aandeelhouderskapitalisme. Aan de andere kant vraagt transitiepolitiek om het ondersteunen van (de overgang naar) de gemeenschapseconomie rondom voedsel, mobiliteit, wonen, zorg en energie. Alleen een combinatie van deze twee pilaren leidt tot een realistisch pad richting een economie binnen de draagkracht van de planeet, waarin iedereen gezond kan samenleven met betaalbare toegang tot basisbehoeften. Hiermee biedt transitiepolitiek twee dingen die in het huidige politieke discours ontbreken: een fundamentele kritiek op de huidige politieke economie, gecombineerd met een nieuw verhaal voor de lange termijn dat oude ideologische partijlijnen overstijgt.
