Opinie | Een Duitse begrotingsimpuls biedt de EU hoop

Na zijn verkiezingswinst riep Friedrich Merz (CDU/CSU) op tot Europese strategische onafhankelijkheid van de VS, nu diens steun aan Oekraïne en de NAVO wankelt. Om dat te bewerkstelligen greep Merz direct de strikte Duitse schuldenrem aan, ironisch genoeg dezelfde regel die CDU/CSU had gebruikt om de regering-Scholz ten val te brengen. Politiek is hard, maar precies dit medicijn heeft de Duitse en Europese economie nodig. De beoogde hervorming kan Duitsland in staat stellen de komende tien jaar rond de duizend miljard euro te investeren in infrastructuur en defensie.

Het lijstje met economische problemen bij de oosterburen is bekend: hoge energieprijzen, moordende Chinese concurrentie in Duitse kernsectoren en het verval van de marktdynamiek na twintig jaar onderinvestering. De arbeidsmarktflexibilisering van oud-bondskanselier Gerhard Schröder (SDP), de laatste grote hervorming, was twintig jaar geleden.

Maar Duitsland kampt ook met een fundamenteel tekort aan vraag. Het land is de helft van zijn netto auto-export kwijtgeraakt aan China, de fabrieken staan stil, en de werkloosheid is opgelopen tot het niveau van pandemiejaar 2020. Huishoudens en bedrijven potten geld op in plaats van te investeren of consumeren.

Hamvraag

Publieke investeringen en defensie-uitgaven van beide 1 procent van het Duitse bruto binnenlands product (bbp) per jaar liggen nu in het verschiet. De hamvraag: hoeveel van de begrotingsimpuls vertaalt zich naar de economie? Voor een economie die ver onder capaciteit draait, is optimisme realistisch. Het gerenommeerde Kiel Institut für Weltwirtschaft schat in dat het grootste deel van de defensie-uitgaven terugverdiend kan worden, bijvoorbeeld omdat Duitsland als industriële supermacht veel van de benodigde goederen met Europese partners zal produceren.

Kortom, na jaren van stagnatie kan Duitsland weer gaan groeien zonder afhankelijk te zijn van vraag uit de VS of China. Als CDU/CSU en SPD het geld goed inzetten zullen private investeringen volgen en kan het zelfs meer opleveren.

Lees ook

Het is wennen in Brussel: het conservatieve Duitsland is in beweging. En Europa beweegt mee

Aanstaand bondskanselier Friedrich Merz (links) ontmoette deze week Antonio Costa, de voorzitter van de Europese Raad in Brussel voorafgaande aan een EU-top over herbewapening en de oorlog in Oekraïne.

Ook Nederland profiteert. De afgelopen jaren richtte onze economie zich steeds meer op handel met Oost-Europa en de rest van de wereld, maar de banden met Duitsland blijven diepgeworteld. Precies op het moment dat Trumps aangekondigde importtarieven op Europese goederen de havens van Rotterdam en de Nederlandse economie dreigen te raken, komt Duitsland met een groeibeleid dat nieuwe kansen biedt.

De obligatiemarkten tonen terecht vertrouwen in Duitsland. De rente op 10-jarige staatsobligaties heeft zich de afgelopen twee jaar binnen een bandbreedte van 2-3 procent bewogen en staat nu op 2,9 procent, binnen die bandbreedte. Langetermijnrentes stegen relatief meer in reactie op de aankondiging, samen met de wisselkoers van de euro en de Duitse aandelenmarkt, terwijl de Duitse credit default swaps (een verhandelbare verzekering tegen kredietuitval) stabiel bleven. Dit is geen markt die zich zorgen maakt over de Duitse leencapaciteit, maar een markt die optimistischer wordt over de groei.

Er is echter nog veel werk aan de winkel voor een nieuwe Duitse regering. Ten eerste, om het geld goed uit te geven. Duitse experts schreven alvast een heldere boodschappenlijst voor een moderne defensie-industrie, sterk gericht op drones en geavanceerde technologie. Ons jarenlange geslof op defensie-uitgaven heeft onverwacht een voordeel: Europa kan in één keer de sprong maken naar de technologische frontier, zonder vast te zitten aan verouderde systemen.

Ten tweede zal onder Duitse leiding Europa moeten overgaan op de productie van gestandaardiseerde militaire uitrusting om de productiekosten te verlagen en dure duplicatie te vermijden. Er zijn twee manieren om dit te doen zodat andere EU-landen profiteren. De ene is door te vertrouwen op nationale specialisaties: Frankrijk doet vliegtuigbouw, Duitsland de tanks, Nederland de radars. Een andere aanpak is om de buit te verdelen door van de grootste defensiefabrikanten in de EU te eisen dat ze hun fabrieken over het hele continent verspreiden, net zoals Airbus dat doet.

Het terugdraaien van het klimaatbeleid onder het mom van deregulering is minder verstandig

Ten derde zal een nieuwe Duitse regering de uitgaven aan hervormingen moeten koppelen. De grote les van Bidenomics in de VS was immers dat een stimulus alleen werkt als tegelijk aanbodknelpunten worden aangepakt, om inflatie te voorkomen. De bureaucratie afbouwen – een favoriet doelwit van Merz – is dus inderdaad belangrijk om markten flexibel te laten opereren.

Wederopleving

Het terugdraaien van het klimaatbeleid onder het mom van deregulering is minder verstandig. Toeleveringsketens voor groene industrie zijn ook relevant voor defensie: batterijen zijn cruciaal voor de productie van drones, terwijl gespecialiseerde magneten een rol spelen in zowel windturbines als radarsystemen. De export van schone technologie is nu al goed voor 4 procent van het Duitse bbp, een cijfer dat door geen enkel ander G7-land of zelfs China wordt geëvenaard. Alleen duurzame energie en efficiënter gebruik daarvan bieden Europa, een continent met nauwelijks fossiele brandstoffen, uitzicht op een gelijker speelveld met de VS en China. De Groenen houden het CDU- en SPD-voorstel nog tegen en eisen terecht dat de vrijgekomen begrotingsruimte wordt ingezet voor meer toekomstgerichte investeringen.

Duitsland heeft dankzij een hervorming van de schuldenrem nu de kans om te investeren in een moderne defensie én industrie. Een wederopleving van Duitslands economie en industriële capaciteit zal Europa’s snelle herbewapening ondersteunen en in staat stellen om Oekraïne te helpen. Als Berlijn het slim speelt, kan deze begrotingsimpuls dus niet alleen groei brengen, maar ook Europa’s strategische positie versterken.


Opinie | Een vrije markt voor meningen en ideeën werkt niet zonder regulering

De overgang naar de nieuwe president in de VS krijgt steeds meer het karakter van een coup. De rechtsstaat wordt afgebroken, terwijl de Republikeinse meerderheid in het Congres haar eigen ontmanteling stilzwijgend tolereert. Op belangrijke posten worden Trump-loyalisten naar voren geschoven met meningen die vaak haaks staan op de huidige stand van de wetenschap. Zo gaat Robert Kennedy Jr. het ministerie van Volksgezondheid leiden. Zijn openlijke aanval op het nut van vaccins gaat dwars in tegen wetenschappelijke feiten. De nieuwe Amerikaanse handelsvertegenwoordiger, Jamieson Greer, staat – samen met Howard Lutnick, de minister van Handel – vierkant achter de huidige barrage aan invoertarieven die de VS over de wereldeconomie (zullen) uitrollen. Over weinig kwesties bestaat onder economen consensus, maar over de onzinnigheid van handelsoorlogen bestaat grote overeenstemming.

Deze lijst kan moeiteloos worden aangevuld met de ene na de andere loyalist die heilig gelooft in Trumpiaanse complottheorieën en waanbeelden. De positie van Elon Musk is extra pregnant. Hij overziet vanuit het Witte Huis de sanering van de federale overheid. De Muskiaanse versterving van de overheid is een ideologische zuivering in de geest van Trump. Dat past in de decennialange droom van de ultraconservatieve kern van de Republikeinse Partij: om de omvang van de overheid terug te brengen tot libertaire mini-proporties, met binnen die overheid een beperkt ambtenarencorps van loyalisten met een radicaal-rechts gedachtengoed.

Hierbij houdt de regering Trump dogmatisch vast aan de volledige vrije uiting van ideeën. Elke vorm van censuur – ook als het bijv. complot theorieen betreft – is uit den boze. Dat past in het libertaire programma dat stelt dat markten altijd beter functioneren dan overheden. Deze gedachtegang is weer te herleiden tot de 19de eeuwse filosoof John Stuart Mill die voorstander was van het vrije debat waarin uiteindelijk de waarheid boven zou komen drijven.

Deze markt functioneert, net als elke andere markt, optimaal als bureaucratische verstoringen worden uitgebannen. In deze vrije markt, waar alles gezegd mag, kan en moet worden, overleven uiteindelijk de beste ideeën, zo is de gedachte. Iedereen met een idee kan deze markt vrijelijk betreden, en het beste idee zou het idee zijn dat overleeft en dat het dominante ‘product’ wordt op de ideeënmarkt. Het voormalige Twitter-platform, tegenwoordig X, van Elon Musk is hiervan een prominent voorbeeld. Op X kan alles gezegd worden. Het idee dat uiteindelijk de concurrentie op de ideeënmarkt overleeft, moet wel het beste zijn.

De beste ideeën

Het probleem is dat een vrije markt van denkbeelden helemaal niet bestaat. In de huidige oligopolistische ideeënmarkt kan desinformatie eenvoudig worden vermenigvuldigd. Dat krijgt meteen een dusdanig groot bereik dat een tegenstem slecht dunnetjes te horen is. Totale onzin overspoelt veel kiezers die sowieso de „waarheid” voornamelijk ontlenen aan de sociale media; de oproer in het Capitool is geëntameerd door FBI-agenten en (nu nog) bondskanselier Olaf Scholz bezit een paleis aan de Californische kust.

Op zichzelf is concurrentie tussen denkbeelden geen slechte zaak. In feite is dat ook hoe in de wetenschap vooruitgang wordt geboekt. De vraag is aan welke voorwaarden moet zijn voldaan om dit proces goed te laten verlopen, zodat uiteindelijk de beste ideeën overblijven.

Allereerst moet de ideeënconsument rationeel zijn. Het uitgangspunt bij elke discussie moet zijn dat ten minste overeenstemming bestaat over de ‘onbetwistbare’ uitgangspunten. Deugdelijke informatie is onontbeerlijk. In een wereld waarin feitenvrije meningen en emotie-gestuurde algoritmes domineren, is dat geen sinecure. Het stikstofdebat laat zien hoe moeilijk deze eerste stap is.

De belangrijkste voorwaarde heeft echter te maken met de markt zelf: zonder overheidsingrijpen is er geen vrije markt mogelijk. De markt van informatie kent grote externe netwerkeffecten, en zonder adequate tegenmaatregelen dreigen ‘natuurlijke’ monopolies of oligopolies te ontstaan. De afhankelijkheid van de opvattingen van de toevallige bezitter van een dergelijk netwerk is in de ideeënmarkt veel te groot. Het gedrag van Elon Musk en Mark Zuckerberg is veelzeggend. De oplossing ligt voor de hand: meer overheidsingrijpen.

Opbreken van machtsposities

Drie interventies zijn cruciaal. Om te beginnen moeten informatiemonopolies en -oligopolies worden opgebroken. In de autocratische gedachtewereld van Donald Trump is dominantie in het digitale techdomein echter een belangrijk wapen in zijn ‘America first’-machtsspel. De Europese Unie zou hier een eigenwijze koers moeten varen. Daarnaast moet op die vrije markt pluriformiteit worden gewaarborgd. Een vrije pers die is gestoeld op professionaliteit, is essentieel. Als de markt daar niet „vanzelf” voor zorgt, moet de overheid een dergelijke pers met subsidies stutten. Ook hier zijn de VS alles behalve een redder in nood. Het Trumpisme gedijt immers bij de verspreiding van feitenvrije onwaarheden.

Ten slotte moet een kwaliteitskeurmerk voor algoritmes worden geïntroduceerd. Dat vergt de beantwoording van enkele moeilijke vragen. Van wie zijn de data? Waar moeten die worden opgeslagen? Hoe kan de verspreiding van schadelijke misinformatie worden voorkomen? Wat zijn de grenzen aan vrije meningsuiting? En weer: van Donald Trump cum suis zullen we het niet moeten hebben.

De vrije pers opereert zo langzamerhand in de marge van de digitechsamenleving en een liberale democratie vernietigt haar eigen fundamenten bij strenge interventies in de ideeënmarkt. Ingrijpen blijft daarom uit. Misschien moeten wij toegeven dat schrijvers Aldous Huxley en George Orwell decennia na dato uiteindelijk helemaal gelijk gaan krijgen. In het autocratische dierenrijk van de homo sapiens regeren straks moedeloze nietszeggendheid en wraakzuchtige hallucinaties onder permanente invloed van technologische verdovingsmiddelen.


Opinie | Laten we deze week allemaal onze moerstaal vieren

‘Je moerstaal’ is het mooie en urgente thema van de Boekenweek. De organisatie benadrukt daarbij op overtuigende wijze het belang van diversiteit en inclusiviteit. Je moerstaal kan bekakt of plat zijn, straattaal of streektaal, dialect of ABN. Het kan je eerste taal zijn, die van je moeder. Dat hoeft echter niet: voor velen is het Nederlands niet hun eerste taal, maar toch hun moerstaal.

Zo ervaren wij dat ook. Geboren en opgevoed in het Deens, is het Nederlands na verloop van tijd onze moerstaal geworden. Daarnaast hebben we Duits, Frans, Spaans en Engels geleerd. Die meertaligheid ervaren we als een grote rijkdom: talen openen andere culturen voor je. En in je moerstaal kom je weer thuis. Boekenweekdichter Sholeh Rezazadeh leerde het Nederlands tien jaar geleden toen ze vanuit Iran hier kwam wonen. „In welke taal zal ik je woorden geven zodat we elkaar opnieuw kunnen vinden / in welke blik, welke stilte /gaan we elkaar weer verstaan”, dicht ze fraai in haar gedicht ‘Je moerstaal’.

Gespannen voet

Wat zo goed lukt met deze Boekenweek – de rijke Nederlandse taal en literatuur vieren én zich rekenschap geven van diversiteit – wil maar niet lukken op andere terreinen. Daar staan diversiteit en inclusiviteit vaak op gespannen voet.

De leesvaardigheid onder jongeren lijkt elk jaar verder te dalen. En niet alleen onder die doelgroep staat begrijpend lezen op het spel. De Telegraaf moest zich voor de rechtbank verantwoorden over het kommagebruik van journalist Nausicaa Marbe. De rechtbank stelde dat, hoewel Marbe op de juiste wijze haar komma had gebruikt, bij een oppervlakkige lezing de zin verkeerd geïnterpreteerd zou kunnen worden. De meeste lezers konden niet geacht worden dit leesniveau te hebben. Je zou kunnen stellen dat de rechtbank hier rekening houdt met een diverse lezersgroep. Maar nu wordt Marbe afgestraft voor haar correcte Nederlands. Dat is wrang, omdat zij op haar achttiende vanuit Roemenië naar Nederland kwam en zich een nieuwe moerstaal zo uitstekend eigen maakte. Een opmerkelijk vonnis dus, al kunnen we dankzij deze kwestie wel een fraai woord toevoegen aan onze moerstaal: het kommavonnis.

Talen openen andere culturen. En in je moerstaal kom je weer thuis

Ook tobben we in het hoger onderwijs al langer met de keuze voor onderwijs-, onderzoeks- en vergadertaal. Afgelopen week woonden wij een interessante bijeenkomst bij aan de Universiteit van Utrecht over de vraag: ‘Mother tongue. Which language can foster epistemic diversity and cultural inclusion?’ Ofwel: welke taal kan diversiteit van kennis voeden én culturele inclusie bevorderen?

De voertaal was Engels, maar alle aanwezigen problematiseerden dat gegeven. Verschillende sprekers stelden de vraag hoe neutraal Engels het is, en in hoeverre het gebruik van Engels diverse kennis bevordert. Het ging nu eens niet om de dominantie van het macro-economische perspectief van bestuurders, die internationalisering al snel reduceren tot Engelstaligheid. Nee, aan bod kwamen jonge onderzoekers en de zorgen waarmee zij kampen. Het ging over allerlei zaken die hén aangingen zoals: wat verlies je, als je één taal uitroept tot de lingua franca, terwijl het eerder de gewoonte was om teksten in meerdere brontalen te lezen. Wat gebeurt er als je alles door AI laat vertalen naar Engels, maar de diepere betekenis of connotaties van sommige woorden niet kent?

Altijd Engels

Een van de jonge onderzoekers deelde het standaard gehanteerde keuzemodel uit voor ‘meertalig vergaderen aan een tweetalige universiteit’. Wie het stroomdiagram volgt, eindigt eigenlijk altijd bij het Engels als voertaal. Want als één persoon niet het Nederlands spreekt of begrijpt op B2- of C1-niveau, is de regel dat je Engels spreekt. De term ‘tweetalige universiteit’ is op zichzelf natuurlijk al een dualistische keuze die ogenschijnlijk het Engels en Nederlands als gelijkwaardige voertalen opvoert, terwijl het Engels in feite dominant is geworden.

Maar er waren ook positieve geluiden over de rol van het Engels in het leven van lhbtq-tieners die hun identiteit ontwikkelen. Een onderzoeker wees erop dat de Engelse taal via sociale media soms een bevrijdend effect heeft voor de verkenning van ‘nieuwe identiteiten’. Een onderzoekster met een Arabische achtergrond wees erop dat niemand thuis Engels spreekt, maar dat een dominante taal behulpzaam kan zijn in de sociale en economische mobiliteit van migranten op universiteiten: het Engels. Er is dus veel diversiteit aan de universiteiten als het gaat om nationaliteiten, maar geen échte diversiteit aan denkkaders of culturele inclusiviteit. In de Nederlandse samenleving is dat anders, daar helpt het Nederlands juist om erbij te horen.

Meertaligheid versterken

Misschien is dit het historische moment in de geschiedenis – waar Trump roept om ‘English first’ om alles wat niet past in zijn vreemdeling vijandige agenda te elimineren uit de samenleving – om de waarde en rijkdom van meertaligheid van Europa weer te versterken en te omarmen?

Laten we deze week allemaal onze moerstaal vieren, in deze Boekenweek, waar inclusiviteit en diversiteit zo harmonieus samengaan. Laten we elkaar op straat in alle talen begroeten, naar elkaar glimlachen, en meertaligheid koesteren en omarmen. En laten we bovenal de Nederlandse taal en literatuur vieren.

In de woorden van Sholeh Rezazadeh: „En mijn taal klopt sterker dan mijn hart / grijpt vaster dan mijn handen / gaat verder dan mijn voeten / en brengt jou dichterbij”

Lees ook

Met Kader Abdolah op reis in India op zoek naar een migrerende taal

Kader Abdolah bezoekt het Gandhi Smriti, een museum gewijd aan Mahatma Gandhi in New Delhi. Foto Saumya Khandelwal


Opinie | Volgende slachtoffer van Trump: de dollar

Mensen liegen meestal niet met hun eigen geld. Waar diplomaten en politieke leiders Trump nog vleien en paaien om het ergste te voorkomen, is het goed om te kijken naar de ‘dagelijkse verkiezingen’ op de financiële markten: daar stemmen mensen met hun geld. En we zien daar niet alleen Amerikaanse beurzen in het rood, maar ook een dollar die onder druk staat.

Een paar cijfers illustreren dit: na een ‘Trump-rally’, een stijging van 10 procent in november en december zijn de S&P 500 en de Nasdaq inmiddels ver gezakt tot onder het niveau van Trumps verkiezing. De Europese beurzen daarentegen doen het stukken beter, met een stijging van 10 procent sinds zijn inauguratie. Vorige week was zelfs de beste week voor de euro sinds de financiële crisis van 2008: in een week tijd steeg de munt 4 procent tegenover de dollar. Normaal is het zo dat in tijden van crisis en onzekerheid mensen dollars kopen als ‘safe asset’. Nu gebeurt het tegenovergestelde. En het zegt ook wel iets over deze tijd dat The Economist, toch geen bastion van anti-Amerikanisme, Trump afbeeldt als een pyromaan, boven op een berg dollars, met een jerrycan en aansteker in de hand.

Het is belangrijk om dit alles niet af te doen als enkel een financiële kwestie. De status van de dollar heeft ook geopolitieke oorzaken en gevolgen. Decennialang fungeerde de dollar als het anker van het internationale financiële en monetaire systeem: alle wegen leidden naar de VS en de dollar. Dit had enorme voordelen voor de VS. Handelen in je eigen munt betekent dat het wisselkoersrisico bij de andere partij ligt. Als jij de zon bent in het internationale monetaire systeem, zijn het andere landen die hun reserves in jouw munt moeten opbouwen. En daarbij: al die dollarobligaties die buitenlanders hebben als reserves zijn in zekere zin een gratis lening die nooit wordt terugbetaald. Dit voordeel noemen economen ‘seigniorage’ ofwel ‘muntwinst’: je kunt extra geld creëren, zonder het navenante risico van inflatie. Tel uit je winst.

Bovendien stelt de status van de dollar de VS in staat om extra-territorale sancties op te leggen aan andere landen. Vrijwel iedereen is immers afhankelijk van het clearing-systeem van de dollar. Toen Trump eenzijdig uit het nucleaire akkoord met Iran stapte, besloten vele Europese bedrijven om geen zaken met Iran te doen, zelfs als dat volgens Europese wetgeving volkomen legaal was. De toegang tot de VS en de dollar markten woog zwaarder. Monetaire reservestatus is dus ook een kwestie van macht: je dwingt anderen zich aan jouw wetten en voorkeuren aan te passen. Daarom zei John Connally, de minister van Financiën onder Nixon, ooit zo bot maar ook verhelderend: „The dollar is our currency but your problem.”

Waarom steunden andere landen dan toch? Omdat er vele voordelen zaten aan het Amerikaanse leiderschap van het internationale economisch systeem dat we tot kort geleden ‘het Westen’ noemden. Amerika stond voor stabiliteit, rechtsstaat, open markten en, belangrijk, veiligheidsgaranties. In de ‘culturele revolutie’ van Trump staat dit allemaal ter discussie, of is al overboord. En dit ondermijnt de positie van dollar.

Dollars als verzekering

De econoom Barry Eichengreen heeft mooi laten zien dat juist de landen die voor hun veiligheid het meest afhankelijk waren van de VS (Japan, Zuid-Korea, Duitsland, Saoedi-Arabië, etcetera) ook het grootste percentage van hun reserves in dollars aanhielden. Kort en goed: als je wilt dat Uncle Sam je komt redden, koop je F-35’s en dollars, als ‘verzekering’. Maar wie vertrouwt nog het woord van Trump en dus Amerika?

Dit ‘nieuwe denken’ over de dollar wordt versterkt doordat Trump ook nog eens sterk inzet op cryptomunten. Deze week gaf hij opdracht via een executive order om strategische reserve op te bouwen van crypto munten, te beginnen met 200.000 bitcoins. Het idee is een soort ‘digitaal Fort Knox’ te creëren. Ook dit is een negatief signaal voor de status van de dollar.

Wat moet Europa nu doen?

Dit is hét moment om de internationale status van de euro uit te bouwen. Dat kan het beste door internationale investeerders een alternatief te bieden voor de dollar. In de eerste plaats betekent dit geen domme dingen doen, dus de handel openhouden en je woord gestand doen. Maar ook: werken aan het integreren van de Europese kapitaalmarkt en, jawel, gezamenlijke euro-obligaties. Die hebben we nodig om onze defensie op te tuigen maar ook om een diepere en meer liquide obligatiemarkt in euro’s te creëren.

Alles draait nu om het afbouwen van afhankelijkheden en het investeren in eigen kracht. Dus minder dollarhegemonie en werken aan de euro als alternatief. Dat is beter voor onszelf. En wie weet zijn de financiële markten de enige tegenkracht die de Trump-tornado kunnen temperen?


Opinie | We kunnen de rekening van de herbewapening niet doorschuiven

De Europese Commissie wil EU-landen de mogelijkheid geven 800 miljard euro te lenen, om de defensie-uitgaven de komende vier jaar te verhogen. Wat mij betreft is geld lenen voor zo’n herbewapeningsplan – waar de Tweede Kamer dinsdag over stemt – niet alleen onverstandig, maar ook misleidend.

Decennialang hebben we de krijgsmacht verwaarloosd en als het ware boven onze stand geleefd. Nederland gaf de afgelopen twintig jaar, zo berekende de Volkskrant, ruim 100 miljard euro te weinig uit aan defensie. Door nu veel geld te lenen, scheppen politici de illusie dat de rekening naar de toekomst kan worden geschoven en misleiden ze hun kiezers. Is dat werkelijk conform de Europese waarden de we zeggen te verdedigen?

Miljarden lenen voor herbewapening is om meerdere redenen onverstandig. Dat EU-landen vier jaar lang veel meer mogen lenen dan afgesproken, is de doodsteek voor het pakket afspraken over verantwoord begrotingsbeleid, het Stabiliteits- en Groeipact. Zo valt een fundament onder de houdbaarheid en stabiliteit van de euro weg. Onbegrijpelijk we geen waarschuwingen hebben gehoord van de ECB en DNB.

Lenen voor het herbewapeningsprogramma zal, in combinatie met het te verwachten ruime beleid van de ECB, tot een hogere inflatie en te lage reële rente leiden. De illusie is dat met een lage rente kosten in het heden vermeden kunnen worden – lenen als een free lunch. Maar free lunches bestaan niet. Hogere inflatie legt de rekening van de extra uitgaven neer bij de midden- en lagere inkomens, mensen met een klein pensioen en het midden- en kleinbedrijf. Het leidt dus tot een ongelijkere inkomensverdeling en laat de zwakste schouders de relatief hoogste lasten dragen.

Lagere reële rentes leiden tot economische en financiële instabiliteit. De groei wordt gestimuleerd, maar blijkt onhoudbaar.

Gebrek aan mensen

Mogelijk kan het geleende geld niet eens uitgegeven worden. Nu de economie al op volle toeren draait, kan er een gebrek aan mensen en middelen zijn om de productie uit te voeren. Op papier wordt er dan geld besteed aan defensie, maar de gestelde doelen voor de herbewapening worden niet gehaald. Deze zogenoemde onderuitputting van de begroting is voor Nederland geen theoretische mogelijkheid, maar de realiteit. In 2024 registreerde het Rijk een onderuitputting van 18 miljard euro – waaronder honderden miljoenen voor defensie.

Landen kunnen beter bezuinigen of de lasten verzwaren

Verder zal 150 van de 800 miljard euro op EU-niveau geleend worden, wat een ander probleem oplevert. Defensie is immers een zaak van individuele lidstaten, weliswaar binnen het kader van de NAVO. Als de Europese Commissie zich daarmee gaat bemoeien, liggen afstemmingsproblemen op de loer, net als geschillen over van wie de gezamenlijk aangeschafte wapens zijn, en wie ze mag inzetten. Een beter idee zou zijn als de Commissie een rol speelt als gezamenlijk inkoopbureau voor landen die dat willen.

Het beste is het uiteindelijk als landen geen geld lenen, maar individueel bezuinigen of de lasten verhogen om hun herbewapening te bekostigen. Nederland moet stemmen tégen het inzetten van de ontsnappingclausule uit het Stabiliteits- en Groeipact, en tegen lenen op EU-niveau. In de Voorjaarsnota moet Nederland het goede voorbeeld geven door te besluiten tot een verhoging van de defensie-uitgaven tot 20 miljard euro per jaar, in jaarlijkse stappen van 5 miljard – geld afkomstig uit evenredige bezuinigingen of lastenverzwaringen.


Opinie | Geloven werd iets voor moslims

Was ik een tv-baas, ik zou het ook wel weten: alle aandacht voor de ramadan, de islamitische vastenmaand, die dit jaar duurt tot de avond van 30 maart. In Nederland wonen zo’n miljoen moslims, en het merendeel daarvan houdt zich strikt aan het vasten, vanaf de dageraad tot zonsondergang. Daarna zijn er de gemeenschappelijke maaltijden en helemaal op het einde van die periode wordt Eid al-Fitr gevierd, door Nederlanders zoetsappig omgedoopt tot Suikerfeest.

Vergelijk dat eens met het katholieke vasten, officieel begonnen op 5 maart (Aswoensdag), doorlopend tot aan Pasen, dit jaar op 20 en 21 april.

Het aantal kerkelijke katholieken slinkt nog steeds, en het is ook al geen uitgemaakte zaak dat katholieken die wel naar de kerk gaan zich aan dat vasten houden. Bovendien is die ‘veertigdagentijd’, zoals de periode tot aan Pasen officieel heet, veel minder streng dan de ramadan. De belijdende katholiek zal zijn eetregime versoberen, twee lichte maaltijden per dag bijvoorbeeld, maar er is geen buur, vriend of priester die daarop let. Geen ‘vastengevoel’ op tv: die katholiek zoekt het zelf maar uit – en dat gebeurt ook. Geen alcohol, minder alcohol, meer gebed, minder telefoon, geen porno. Het is vooral een individuele keuze, en wie het allemaal overslaat wordt niet uit de kerk uitgezet, want elke bezoeker telt.

Zou een buitenstaander ons land in deze periode voor het eerst bezoeken: zo iemand zou denken dat er aan deze natie diep-islamitische wortels ten grondslag liggen. Ramadan rules, in de media en in het openbare leven; de christelijke vastenperiode komt er nauwelijks aan te pas. Nogmaals: als programmamaker zou ik ook kiezen voor de massale, ostentatieve ramadan, ondanks de joods-christelijke fundamenten waarvan men zegt dat ons land erop rust. Rusten is het woord.

Wat is het tegengestelde van islamofobie: islamkoestering? Op het eerste gezicht lijkt dat aan de hand, maar het is dubbelzinniger. Het Nederlandse ramadangevoel is vooral een werkgeversgevoel. Werkgeversvereniging AWVN geeft tal van tips hoe werknemers die vasten ondersteund kunnen worden. Vul hier ‘katholieken’ in en het wordt potsierlijk. De bekommernis is top-down, van werkgever naar werknemer: welwillend paternalisme.

Zelf behoor ik tot die veel kleinere groep van belijdende, kerkgaande katholieken: ik vast ‘op mijn manier’, een beetje D66-achtig. Ik spreek er hooguit over met andere kerkgangers: wat ga jij doen dit jaar?

Er zijn kennissen die weten dat ik naar de kerk ga, vooral ook omdat ik daar regelmatig over schrijf in dagblad Trouw. Men bewaart daarover meestal een gepast, vriendelijk stilzwijgen. Maar voor het eerst kreeg ik deze maand allerlei berichten uit de agnostische kennissenkring. Aanleiding: de St. Nicolaasbasiliek in Amsterdam (‘mijn kerk’), dat wat donkere, bakstenen gevaarte tegenover het Centraal Station, is verheven tot kathedraal.

Amsterdam was tot voor kort een van de weinige Europese hoofdsteden die het zonder bisschopszetel moesten stellen. Cadeautje van de paus, voor het 750-jarig bestaan van Amsterdam. Ik ontving hartjes en duimpjes. Kennelijk hield ik plaatsvervangend iets hoog, wat veel van mijn vrienden allang hebben laten vallen. De adhesiebetuigingen zeiden: wij staan achter je, met de nadruk op ‘achter’. Dat wil zoveel zeggen als: wij lopen op je voor.

Twee dingen gebeurden tegelijkertijd: vanaf de jaren 60 vestigden zich veel moslims in Nederland, terwijl het christelijke geloof begon te verkommeren. Religie als zodanig werd iets uitheems, exotisch. ‘Othering’ heet dat in modieus en beroerd Nederlands.

Het heeft iets kolderieks, het geheugenverlies van dit land dat ooit zo christelijk was. Ben ik nu aan het klagen? Nee, ik ben wel verbaasd. Het christendom trof collectieve amnesie en geloven werd iets voor moslims.

Nederlanders zijn meesters in het vergeten.

Stephan Sanders is essayist.


Column | Vlucht gerust af en toe weg van het nieuws

Mijn vrouw mijdt nieuws. Althans, dat probeert ze, met wisselend succes. Ze wordt zo ongelukkig van de stortvloed aan onheilsberichten over klimaat, verrechtsing, Gaza, Oekraïne, Trump, Rusland, noodpakketten en oorlogsdreiging, dat ze pauzes inlast ten behoeve van haar mentale welbevinden. Gewoon, even een weekje geen krant lezen en geen nieuwssites bezoeken. Dat helpt, al moet ze soms toegeven tóch weer de actualiteit te hebben gevolgd – een afkickende nieuwsjunk met een terugval.

Ik ben geneigd te denken dat ik gehard ben. Of immuun. Of strijdbaar. In elk geval: dat ik het nieuws beter verdraag en zulke adempauzes niet nodig heb.

Maar is dat wel zo? Ik was de afgelopen tijd behoorlijk somber, en omdat dat me vaker overkomt, zocht ik de oorzaak in het gebruikelijke: botte aanleg, te hard gewerkt aan een boek, twijfels over de kwaliteit ervan, slaapproblemen en een grauwe winter. Maar ik begin te vermoeden dat ik bevattelijker ben voor internationale spanningen dan ik dacht.

Ik schrijf dit in het Lake District, het nationale park een uur ten noorden van Liverpool, waar ik met mijn broer een paar dagen rondreis. Er is niet per se meer daglicht hier – dramatische wolkenpartijen verslinden de bergtoppen en draperen een spookachtige schemer over de meren en valleien – noch heb ik minder twijfels over mijn werk. Maar door onderweg te zijn in de natuur ben ik toch opgeknapt. We zitten middenin de nasleep van de aanvaring tussen Zelensky en Trump („een man zonder pak gekoeioneerd door een pak zonder man”, zoals iemand het omschreef), en ik krijg dat nieuws wel mee, maar slechts met mate. Ik ben grote delen van de dag losgeweekt van computer en telefoon en heb dan andere dingen om mijn aandacht aan te geven: bergpassen met stijgingspercentages tot 30 procent, de resten van een Romeins fort, schilderachtige meren, ruige berglandschappen, literatuurgeschiedenis.

Zo bezochten we de cottage waar van 1799 tot 1813 de dichter William Wordsworth woonde, eerst met zijn zus Dorothy, later ook met echtgenote Mary en hun kinderen. Een overvol huis, mede dankzij problematische gasten als Samuel Taylor Coleridge en Thomas De Quincey, die zwaar verslaafd waren aan opium. Wordsworth schreef er het leeuwendeel van zijn bekendste werk, waaronder ‘Daffodils’ (‘Narcissen’), dat begint met de fameuze zin: „I wandered lonely as a cloud.” De cottage staat in Grasmere, een gehuchtje bij het gelijknamige meer. Maar zijn ware werkkamer was de buitenlucht. Tijdens lange wandelingen ontstonden gedichten die hij ‘vlekjes tijd’ noemde. „Here should be my home”, schreef Wordsworth, „this Valley be my World”. In een uithoek van het land eindeloze wandelingen maken, dát is nog eens nieuws mijden.

Natuurlijk, als iedereen zulk vluchtgedrag zou vertonen, komen we nergens. Alhoewel… Een tijdje terug hoorde ik wetenschapsjournalist Ed Yong in een podcast iets zeggen wat me trof. Yong deed voor The Atlantic vanaf het prilste begin intensief verslag van de pandemie, werk waarvoor hij de Pulitzerprijs kreeg. Maar dat ook een zware wissel op hem trok. Om er niet aan onderdoor te gaan is hij in die jaren fanatiek gaan vogelen, een hobby die hij is blijven beoefenen, ondanks een stemmetje in zijn achterhoofd dat zegt dat vogelen tijdverspilling is in het licht van de wereldproblemen. „Mensen noemen vogelen vaak escapisme”, zei Yong, „een woord met een negatieve connotatie. Ik had hier een gesprek over met een vriend die zei dat het juist belangrijker is dan ooit naar buiten te gaan, de natuur in. Ik ben het daar mee eens. We moeten bijtanken. En het is van belang omdat je, als je geeft om biodiversiteit, verscheidenheid, het milieu en gelijkheid, verbonden moet zijn met waarvoor je vecht. Zonder die verbondenheid is het werk, de strijd, abstract.”

Dat plaatst nieuws mijden in een ander licht. Het kan simpelweg een geval zijn van je kop in het zand steken en hopen dat alles overwaait.

Maar je hoofd rust en ruimte geven kan je evengoed weerbaarder maken en beter helpen begrijpen wat het verdedigen waard is. Mocht dat het geval zijn: mijd zo nu en dan vooral het nieuws.

Auke Hulst is schrijver.


Opinie | Durf het: radicalere politiek die breekt met geldgroei

Ongegeneerd imperialisme overspoelt ons vanuit de VS, gericht op het winnen van grondstoffen en beschermen van economische groei. Het is alsof het gaspedaal hard wordt ingedrukt, terwijl we midden in een existentiële ecologische crisis zitten, die ook steeds meer sociale ontwrichting veroorzaakt. Onderwijl is linkse politiek vooral conservatief: de inzet is op zijn best een groenere en socialere versie van economische groei. Terug naar de status quo is echter volstrekt onvoldoende om van de huidige ramkoers af te raken: sociale uitbuiting en groeiende ongelijkheid, versnellende klimaatverandering en vernietiging van biodiversiteit zullen onverminderd doorgaan.

Het lijkt evident dat de obsessie met economische groei de onderliggende oorzaak is van al die problemen. Duurzaamheid werd een poging tot het groener en eerlijker maken van die groei. Maar keer op keer blijkt het verduurzamen van consumptie en productie een gevaarlijke illusie: relatieve milieuwinst wordt door verdere groei tenietgedaan en de fantoomgroei lijkt de samenleving al decennia niet significant gelukkiger, gezonder of rechtvaardiger te maken. Het echte probleem is dan ook fundamenteler: de continue noodzaak om met geld meer geld te maken, ofwel geldgroei.

Geldgroei is de kern van ons economisch systeem en de motor van economische groei. We ‘maken’ geld door consumptie aan te jagen. Hiervoor gaan consumenten, overheden of bedrijven schulden aan (en groeit ongelijkheid) of wordt natuur te gelde gemaakt (en schade niet betaald). Met geld, ook als we ‘duurzaam investeren’, moet rendement behaald worden en dus meer productie en consumptie aangejaagd. Op deze manier is alles de afgelopen decennia ingericht om met geld meer geld te maken, met steeds groeiende sociale problemen en ecologische schade als gevolg. Zolang deze groeidwang niet stopt, blijft de crisis zich verdiepen en neemt de instabiliteit toe.

De alternatieven zijn er

Het enige alternatief is een financieel en economisch systeem dat geen geldgroei ten koste van mens en planeet toestaat. Dat alternatief is haalbaar, en sterker nog, bestaat al lang op heel veel plekken waar basisbehoeften zoals eten, wonen, energie en zorg op een duurzame en rechtvaardige manier zijn georganiseerd. In het huidige politieke debat worden deze alternatieven – van links tot rechts – echter te weinig gezien of serieus genomen.

Voor voeding zijn er inmiddels legio voorbeelden van regeneratieve, agro-ecologische of biologische vormen van productie. Met een dieet met maximaal 20 procent dierlijke eiwitten kunnen we op Nederlandse grond de bodem herstellen, iedereen voeden, en de boer een goede boterham laten verdienen. Dan stopt de vicieuze cirkel van geldgroei die bestaat uit schaalvergroting, intensivering en stijgende grondprijzen. Maar is dus ook het verdienmodel voor de agro-industrie en de banken weg. Bij initiatieven als Lenteland, Heerenboeren, Land van Ons of Caring Farmers zien we al in de aanzet deze combinatie van publieke financiering, sociaal-ecologisch herstel, sociaal ondernemerschap en een duurzaam menu – en daarmee dus een duurzaam economisch model dat de natuur herstelt, een gezonde maaltijd biedt, werkgelegenheid en sociale relaties herstelt.

Verduurzamen van consumptie en productie is een gevaarlijke illusie

Op gebied van energie zien we allerlei veelbelovende voorbeelden rondom lokale warmtenetten, energiehubs van bedrijven of energiecoöperaties. Zij combineren bijvoorbeeld lokale warmtebronnen met isoleren, of duurzame opwek en opslag. Er zullen misschien flinke aanloopkosten zijn, maar op zeer overzienbare termijn blijft er een veel lagere energierekening over met een systeem dat fossielvrij is en in democratisch eigendom. Ze breken ook met geldgroei: het zijn investeringen voor de lange termijn met een laag risico en een laag rendement.

Geen geld onttrekken

Ook voor domeinen als wonen, mobiliteit, zorg en water zijn dit soort radicale alternatieven aantoonbaar te verwezenlijken. Denk aan initiatieven rond deelmobiliteit, integratie van wonen en zorg in coöperaties, of circulaire decentrale watersystemen. Deze gaan uit van ‘meervoudige’ (sociaal, ecologisch én financiële) waardecreatie en sociaal ondernemerschap (er wordt dus ook gewoon geld verdiend en gewerkt), maar de geproduceerde financiële waarde wordt niet uit het systeem onttrokken en blijft in lokaal eigendom. Die nieuwe ‘gemeenschapseconomie’ produceert dus ecologische en sociale waarde, maar een stuk minder geld, en is daarom ook een bedreiging voor de traditionele economie.

Deze voorbeelden laten een haalbaar alternatief zien voor de sociaal-ecologische ramkoers van oneindige geldgroei. Maar vooralsnog zijn het vooral mensen met bovengemiddeld veel tijd, idealen of geld die deze alternatieven ontwikkelen en die vaak ook een overheid en instituties tegenkomen die op groei zijn ingericht. Het mainstreamen van deze initiatieven vraagt om een transitiepolitiek die nu ontbreekt: een alternatieve maatschappijvisie die de gemeenschapseconomie als basis neemt.

Deze transitiepolitiek kan praktisch allerlei vormen aannemen maar kent twee pilaren: aan de ene kant het doorbreken van geldgroei door het ontmoedigen van consumptie, limiteren van schulden en vermogen, lokaliseren van geld, en het terugdringen van aandeelhouderskapitalisme. Aan de andere kant vraagt transitiepolitiek om het ondersteunen van (de overgang naar) de gemeenschapseconomie rondom voedsel, mobiliteit, wonen, zorg en energie. Alleen een combinatie van deze twee pilaren leidt tot een realistisch pad richting een economie binnen de draagkracht van de planeet, waarin iedereen gezond kan samenleven met betaalbare toegang tot basisbehoeften. Hiermee biedt transitiepolitiek twee dingen die in het huidige politieke discours ontbreken: een fundamentele kritiek op de huidige politieke economie, gecombineerd met een nieuw verhaal voor de lange termijn dat oude ideologische partijlijnen overstijgt.


Opinie | Sywert van Lienden wil geen meesteroplichter worden genoemd in NRC

Hij komt over als „een naar, arrogant mannetje”, schreef televisierecensent Wilfred Takken op 27 februari in zijn recensie van de documentaireserie De mondkapjesdeal over Sywert van Lienden. Maar het was niet dat „nare mannetje” waarover Van Lienden zich vervolgens bij NRC beklaagde. Dat was over een zin aan het einde van dezelfde recensie: „Volgende week komt de meesteroplichter alsnog zelf voor de camera, om ongetwijfeld welbespraakt en bijna overtuigend zijn zaak te bepleiten.”

Waarom dat ‘meesteroplichter’, wilde Van Lienden weten. Oplichting is een ernstig strafbaar feit. „Hierover dient […] eerst een rechtbank zich uit te spreken voordat iemand op deze wijze door een krant met groot bereik zou mogen worden betiteld, zou mijn stelling zijn.” Bovendien wees hij op een passage eerder in de recensie, waarin juist stond: „Wat het trio niet deed, volgens betrokkenen, was de staat oplichten.” Hij vroeg om verwijdering van ‘meesteroplichter’ uit de tekst.

Civiele procedure

Dat weigerde de hoofdredactie op diverse gronden. In de eerste plaats moet de tv-recensie worden beschouwd als een column, met alle bijkomende vrijheden (die zich overigens niet uitstrekken tot het doen van beweringen die feitelijk onjuist zijn). Verder stelde de hoofdredactie dat de aanduiding ‘meesteroplichter’ werd ondersteund door het vonnis van de rechtbank op 5 februari. Die bepaalde in een civiele procedure tegen Van Lienden en diens zakenpartners Camille van Gestel en Bernd Damme dat zij „geen moment transparant” waren geweest over hun commerciële belangen toen zij in 2020 veertig miljoen mondkapjes verkochten aan de Nederlandse overheid. Ook hadden zij, aldus de rechter, bewust verwarring gezaaid. Ze moeten hun winst terugbetalen aan de Stichting Hulptroepen Alliantie. Dat is geen strafrecht, maar wel rechtspraak. Bovendien, stelt de hoofdredactie: „‘Meesteroplichter’ wordt in de spreektaal gebruikt als iemand die er goed in slaagt anderen om de tuin te leiden”. Zo staat het vaker in NRC, vervolgt de hoofdredactie, ook zonder strafrechtelijke veroordeling.

Hier spelen verschillende vragen een rol; we betreden grijs gebied. In hoeverre is een televisierecensie een column? Is een civiele uitspraak voldoende grond om iemand een ‘meesteroplichter’ te noemen?

Dat ‘meesteroplichter’ vaker wordt gebruikt, klopt. De afgelopen vijf jaar werden onder meer schrijver Theo Kars, voetbalbestuurder Sven Mislintat, Ronald Plasterk, producer Frank Farian, de Franse nep-edelman Christophe Rocancourt, de Amerikaanse zakenman David Milton Thomas III, seriemoordenaar Charles Sobhraj, Charles Ponzi en spookvoetballer Bernio Enzo Verhagen zo aangeduid. Waarbij de context nogal verschilt. Soms gaat het om nieuwsverhalen over veroordeelden, maar vaak ook om artikelen over films en documentaires.

Youp van ’t Hek

Er is een hofleverancier aan meesteroplichters. Columnist Youp van ’t Hek was niet alleen degene die Mislintat en Plasterk zo aanduidde, hij gebruikte de term ook op 31 juli 2021 voor „onze Sywert”. Wat Van Lienden betreft, was dat deel van een langlopende campagne tegen hem. Daar heeft hij eerder aandacht voor gevraagd bij NRC, maar zonder resultaat. Hij zegt „een liefhebber van debat, humor en polemieken” te zijn, waar „een zeker incasseringsvermogen” bij hoort. Maar de formulering in de tv-recensie draagt bij aan een mediadynamiek die „leidt tot reële schade in de levens van mensen, nog voordat een rechter daadwerkelijk een oordeel heeft kunnen vellen.”

Dat de bijdragen van Van ’t Hek (hij noemde Van Lienden ook eens „Oplichter des Vaderlands”) columns zijn, staat buiten discussie, maar geldt dat ook voor een (televisie)recensie? Bij de rubriek ‘Zap’ staat niet dat het een column is. En in de praktijk is die rubriek een mengvorm van verslaglegging, het delen van een kijkervaring en een oordeel. Over de tv, maar in het verlengde daarvan ook over de wereld. Het lijkt mij dat de recensent (ik was dat zelf ook) ruimte toekomt om scherpe of meerduidige woorden te kiezen.

‘Oplichter’ heeft naast een morele een vrij heldere juridische context. Ik kan me niet voorstellen dat NRC in de verslaggeving iemand een oplichter zou noemen die daar (nog; in het geval van Van Lienden moet de strafzaak nog beginnen) niet voor is veroordeeld. De verwijzing naar de civiele zaak overtuigt mij wat dat betreft niet: hoewel hetzelfde gedrag werd beoordeeld, was die procedure niet bedoeld om vast te stellen of men zich aan oplichting schuldig had gemaakt.

Recensies en columns

Maar zoals een column of recensie geen nieuwsartikel is, is een meesteroplichter ook niet precies een oplichter. ‘Meesteroplichter’ is een dubbelzinnig woord. De term drukt ook een zekere fascinatie, misschien zelfs bewondering uit. Je leest het (ook in NRC) vrijwel alleen voor mensen die op de een of andere manier tot de verbeelding spreken. Meesteroplichters zijn vrijwel altijd beroemd, je kunt betogen dat het voorvoegsel ‘meester’ eerder verwijst naar ‘heel bekend’ dan naar ‘heel bekwaam’.

Verreweg de meeste meesteroplichters huizen in recensies en columns en in die context verwijst het wat mij betreft meer naar een archetype dan naar een juridische status – ook in het geval van de tv-recensie van Wilfred Takken. Die was er zich tijdens het schrijven niet van bewust dat zijn woorden konden worden opgevat als een verwijzing naar een juridische situatie. „Zo’n recensie beschrijft ook de associaties die ik heb bij het kijken.” Hij had zo een andere term kunnen kiezen, zegt hij, en hecht ook niet bijzonder aan ‘meesteroplichter’. Maar het antwoord op de vraag of het er in die context mocht staan is ook wat mij betreft ja. Ook als de auteur van dienst geen cabaretier van beroep is.

Arjen Fortuin

Reacties: [email protected]

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement.
Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.


Opinie | Zonder de Amerikaanse paraplu zijn we weerloos

Op 1 februari schoof de Doomsday Clock een seconde op, naar 89 seconden voor middernacht, het rampmoment. Symbolisch natuurlijk. Maar wel een verschuiving die aangaf dat de wereld volgens het Bulletin of the Atomic Scientists, de ngo achter de doemklok, nog nooit eerder zo dicht bij de ondergangwas geweest. Zelfs de Cuba-crisis van 1962 kwam in de ogen van experts niet zo dicht bij het nucleaire armageddon.

Het risico is na de wanvertoning van vrijdag 28 februari natuurlijk niet minder geworden – en dat is nog mild uitgedrukt. De uitbarsting van het duo Donald Trump en JD Vance onderstreept dat de VS onder hun gezag zijn gereduceerd van hoeder van de internationale rechtsorde en betrouwbare alliantieleider, tot een grootmacht die – desnoods ten koste van recht, waarheid en mensenlevens – buitenlandse politiek als een vulgair verdienmodel ziet, waarin het om macht en eigenbelang gaat.

Alle discussies over vredestroepen na een eventuele wapenstilstand in Oekraïne ten spijt – de ultieme veiligheidsgarantie die de leveranciers van deze militairen zouden moeten vrijwaren van Poetins revanchisme, kun je wel vergeten in dit nieuwe Amerikaanse script, waarin Trump zijn steun nooit ondubbelzinnig zal geven, of gewoonweg zal weigeren.

Afschrikking

De grote olifant in de kamer is de nucleaire paraplu. De gedachte is dat kernmachten elkaar afschrikken met de belofte van wederzijdse vernietiging, en dus niet de oorlog zullen verklaren. Natuurlijk heeft Europa op allerlei gebieden militaire achterstanden ten opzichte van Rusland, maar de échte achterstand is toch die op het gebied van nucleaire afschrikking.

De Europese Unie heeft geen kernmacht; alleen Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk bezitten kernwapens. En waar de Verenigde Staten en Rusland er allebei ruim vijfduizend hebben, is de voorraad van beide Europese nucleaire machten veel kleiner. Het VK heeft 225 kernwapens, die zonder Amerikaanse hulp niet eens zouden kunnen bestaan en gelanceerd worden; Frankrijk heeft er 290, die ingezet kunnen worden voor het nationale belang, te definiëren door president Emmanuel Macron.

Ooit twijfelde president Charles de Gaulle al aan de Amerikaanse garantie. Zijn land kon, vond hij, beter zelf kernwapens maken. De Fransen hebben er weliswaar op gezinspeeld dat het Franse nationale belang ook een EU-belang zou kunnen zijn, maar zeker daarvan zijn we allerminst. Lang verhaal kort: de Franse en Britse kernmachten zijn ongeschikt voor een full-scale afschrikking.

En het rijke Duitsland dan? Ook dat land koos – min of meer gedwongen door zijn oorlogsverleden – voor de Amerikaanse belofte. Technisch en financieel zou het zeker wel in staat geweest zijn een eigen atoombom te maken. Periodiek laait de discussie in Duitsland op of het niet veiliger geweest zou zijn om de weg der nucleaire Alleingang te bewandelen en/of zich in te kopen in het Franse project. De komende kanselier Friedrich Merz heeft dat balletje onlangs weer opgeworpen. Na een resolute afwijzing van de Franse defensieminister Sébastien Lecornu, heeft Macron onlangs de deur toch op een kier gezet voor een zekere ‘Europeanisering’ van de Franse atoombom. En Macron heeft het laatste woord.

De Taurus-raket zou een soort conventionele afschrikking voor Oekraïne kunnen vormen

Zelensky heeft ook maar al te goed door wat de gevolgen zouden zijn als de Amerikaanse nucleaire paraplu wegvalt. Hij ‘versprak’ zich al in september vorig jaar (en bij de presentatie van zijn vredesplan op 17 oktober in Brussel ook) toen hij het over het ‘NATO or Nuke’-dilemma had. Dat moest hij rap inslikken, maar het is geen geheim dat hij er rond de Russische invasie ook al eens naar verwees. Ook nu betreuren hoge spijtoptanten in Oekraïne het Memorandum van Boedapest uit 1994, waarbij Oekraïne zijn kernraketten inruilde voor (achteraf) waardeloze veiligheidsgaranties.

Dertig jaar verder gelooft geen weldenkend mens dat Oekraïne alsnog de klok kan terugdraaien. Experts zeggen dat Oekraïne de eigen nuke niet kan maken.

Precies en krachtig

Gelukkig heeft de techniek ook niet stilgestaan. Nucleaire afschrikking is niet per se meer nodig. Niet-nucleaire raketten zijn tegenwoordig zo snel, precies en krachtig dat ze belangrijke politieke en militaire objecten van de tegenstander dusdanig kunnen treffen, dat ze haast eenzelfde afschrikkende werking hebben.

Merz doet wellicht iets wat zijn voorganger Olaf Scholz niet aandurfde. Merz zou bereid zijn om de Duitse Taurusraket aan Oekraïne te leveren. Als Oekraïne dat wapen verder ‘oekraïniseert’ – oftewel, zelf gaat bouwen – zou het een soort conventionele afschrikking kunnen vormen.

Als Trump bovendien in een goede bui is, voert hij toch Joe Bidens plan uit om hypersonische Dark Eagle-raketten in Duitsland op te stellen. Die kunnen Moskou onder schot houden en de Russen zo conventioneel afschrikken.

Intussen wordt in ons land de hele kwestie van een Europees alternatief voor de Amerikaanse nucleaire paraplu vooruitgeschoven. ‘Niet aan de orde’, luidt de Haagse standaardreactie: minister van Defensie Ruben Brekelmans zei woendag in de Kamer nog dat de discussie „in de kinderschoenen staat”. In Nederland gebeurt alles 50 jaar later.

Lees ook

‘Een grotere rol voor de Franse nucleaire macht is cruciaal voor de veiligheid van Europa’

Een Franse kernproef in 1971 bij de atol Mururoa in de Stille Oceaan. In Frans Polynesië deed Frankrijk tussen 1960 en 1996 circa 200 kernproeven.