‘A Complete Unknown’: de legende van de ongrijpbare en verleidelijke Bob Dylan liefdevol uitvergroot

In de speelfilm Inside Llewyn Davis (2013) komt heel even een over een gitaar gebogen krullenbol in beeld. Meer Bob Dylan kon echt niet, vertelden de gebroeders Coen me indertijd. Dan neemt hij direct je film over. Hij is nu eenmaal een icoon.

Bij de Coens is Dylan het wrange contrapunt van de rancuneus-integere Llewyn Davis, die losjes is gebaseerd op de nooit doorgebroken folkmuzikant Dave Van Ronk, een politieke en muzikale purist wiens arrangementen de jonge Dylan jatte – je moest hem indertijd ook niet alleen laten met je kostbare platencollectie. We zien Van Ronk – groot, luid, baard – twee keer in beeld in James Mangolds uitstekende muzikale biopic A Complete Unknown: als Dylan in 1961 in besneeuwd New York arriveert om zijn idool Woody Guthrie te bezoeken en orerend over volksmuziek op een feestje.

Inside Llewyn Davis ging over roem: wie een ster wordt, wie niet. Dat vereist rauw talent: als muzikant, componist en zanger was Dylan een akelig snelle gauwdief die zijn teksten zomaar uit de lucht leek te plukken. Maar hij beschikte ook over vastberadenheid, zelfvertrouwen, sex appeal, geluk en veel opportunisme – van dat laatste maakt A Complete Unknown geen geheim.

Transformatie

De film bestrijkt de periode 1961-1965, toen Bob Dylan via de folkscene van Greenwich Village in New York, vriendin Suze Rotolo en folkster Joan Baez superster werd – en afhaakte toen hij zich ingeperkt voelde. Gebaseerd op het boek Dylan goes electric zien we hoe de ‘de stem van een generatie’ dan weloverwogen zijn fans bruskeert: Elvis wil hij best zijn, een profeet niet. Het was Dylans eerste en belangrijkste transformatie: van schriele ragebol met babyvet en protestsongs tot gedrogeerde rockster met elektrisch loeiende band die vanachter zijn zonnebril naar pers en publiek sneert. Dat ging niet als een knieval richting commercie de boeken in, zoals ‘folkies’ het zagen, maar als rebellie tegen gutmenschen, middenklasse-intellectuelen die eisten dat Dylan als een soort Nikkelen Nelis zijn quasi-proletarische trucje bleef herhalen. Het conflict kwam tot uitbarsting op het Newport Folk Festival in 1965.

In deze film dan. In het echt lag het iets genuanceerder, maar als A Complete Unknown verdicht, dramatiseert en overdrijft, liegt het grosso modo wel de waarheid. Bob Dylan gaf zijn fiat, en dat was nodig: zonder zijn muziek kan je zo’n biopic niet maken. Inmenging van muzikale erven leidde onlangs tot banale portretten als Elvis, met de reactionaire King als burgerrechtenactivist, Back to Black, met Amy Winehouse als sneu bakvisje, of Bohemian Rhapsody, waar Freddie Mercury worstelt met zijn homoseksuele inclinaties. De muziek maakte veel goed, maar je keek naar leugens.

Bob Dylan is gelukkig subtieler en slimmer. Hij moet vertrouwen hebben gehad in regisseur James Mangold, die in 2006 de puike muzikale biopic Walk the Line maakte over de met zijn geweten worstelende Johnny Cash – in A Complete Unknown heeft hij een beminnelijk gastoptreden als penvriend, grote broer en cheerleader van de jonge Dylan.

Dylan vindt het niet erg dat zijn jonge versie „a bit of an asshole” is; na zijn eerste nacht met Joan Baez kraakt hij haar teksten met een droge grinnik af als „mooi als een olieverfschilderij in een tandartspraktijk”. Mangold mag de legende van de sarcastische, ongrijpbare, verleidelijke zelfpromotor uitvergroten. Daarmee kan Dylan leven; eerder gaf hij toestemming voor biopic I’m Not There (2007), waarin zes acteurs elk een facet van zijn selfmade-persoonlijkheid verbeelden. Dat was alleen begrijpelijk voor verstokte Bobheads, deze biopic is ‘Dylan for Dummies’. De wereld is best aan zo’n opfriscursus toe: de ‘stem van een generatie’ dreigt nu met de boomers weg te sterven.

Lees ook

een profiel van Bob Dylan: messias met mondharmonica tegen wil en dank

Bob Dylan (Timothée Chalamet), onder met vriendin Sylvie (Elle Fanning). Foto’s Searchlight Pictures

A Complete Unknown is een prettige, opwekkende film. Acteur Timothée Chalamet leek vooraf met zijn delicate smoeltje en Bambi-ogen ongeschikt voor Dylans ruwe mompelbravoure. Na tien minuten ís hij Dylan, zelfs zijn nasale sneerzang doet hij perfect: geef die man een Oscar. Even liefdevol wekt Mangold verloren werelden tot leven: bohémienwijk Greenwich Village, Newport, Dylan en zijn coole mannen-entourage die zo uit documentaire Dont Look Back komt gewandeld.

Mangolds geheime wapen is het reactieshot. Hij doet het telkens: Bob Dylan zet een evergreen in, waarna een kruismontage van close-ups volgt van Dylan en nieuwsgierige, verbaasde, verrukte of ontroerde luisteraars. Het is een oude truc: zo hoor je overbekende nummers als het ware voor het eerst, word je deel van de icoonvorming. Kijk je door de ogen van de gepikeerde Baez, wier mond verbaasd openvalt als ze Dylan op haar omgewoelde bed ‘Blowing in the Wind’ hoort spelen. Of van goedzak en banjo-tokkelaar Pete Seeger (Edward Norton) die Dylan met vochtige ogen op het schild hijst en later berustend ziet ontsnappen. Reactieshots kan je kitscherig doen – zie Bohemian Rhapsody – maar Mangold doet het virtuoos. Nu er niet speciaal op gaan letten hè!


Shakespeare met boksbeugel en machinegeweer in de wereld van GTA

Een derde lockdown staat in januari 2021 voor de deur, de Britse acteur Sam Crane is in zak en as: hij had net de rol van zijn leven binnen als Harry Potter in het toneelstuk The Cursed Child. Nu staat zijn hele bestaan op losse schroeven. Zijn vriend Mark Oosterveen is er nog beroerder aan toe: een werkloos acteur zonder partner of gezin. Dus wat doen ze? Stoom afblazen in de online videogame Grand Theft Auto. Gokken in het casino, de portier in elkaar tremmen, een passant neerknallen en op de vlucht voor de politie over de kop slaan in een golfkarretje.

De film Grand Theft Hamlet, volledig binnen het spel Grand Theft Auto opgenomen, dramatiseert hoe Crane dan een verlaten amfitheater ontdekt, The Vinewood Bowl – Los Angeles is het model van de virtuele GTA-stad Los Santos. Daar komt hij op het lumineuze idee om een auditie te organiseren voor een opvoering van Shakespeares Hamlet. Cranes echtgenote Pinny Grylls – geen gamer – raakt er als regisseur bij  betrokken, waarna de casting begint, locatie scouten, repetities, kostuums. Dat maakproces is vaak hilarisch en soms onverwachts ontroerend.

Grand Theft Auto is ogenschijnlijk de minst voor de hand liggende plek voor virtuele  ‘community building’. Je komt er om asociale impulsen uit te leven. Anderen schuif je met geweld opzij, tijdelijke bendevorming voor  overvallen daargelaten. Iedereen oogt dreigend of creepy: Sam Cranes avatar is een Russische gangster met blauwe mohawk, Mark Oosterveen een normcore seriemoordenaar, Pinny Grylls een zombie-bodybuilder. In dit gewelddadige spel wordt een uitgestoken hand al snel een vuistslag en schiet je voorbijgangers recreatief in de rug.  Maar ook bij Shakespeare sterven ze als vliegen, dus waarom geen Hamlet-opvoering met boksbeugel en machinegeweer?

GTA is een zeer succesvol online-platform, na tien jaar nog steeds goed voor een half miljard dollar omzet per jaar. Het is verbluffend mooi vormgegeven en wordt voortdurend verbeterd en uitgebreid door makers én spelers, die er zelf aan mogen knutselen. Sam Crane, met wie ik een kwartiertje zoom: „Grand Theft Auto is een behoorlijk rot koninkrijk Denemarken, met glamour en een doodzieke onderbuik. Ik zie het als een satirische blik op de VS – alles draait om geld en directe behoeftebevrediging. Het leek ons dus een prachtige uitdaging om spelers over te halen even de wapens neer te leggen en vijfhonderd jaar oude poëzie te declameren.”

Daarin schuilt de humor: hoogdravende tekst onderbroken door terloops granaatvuur of kogels van onnozel om zich heen maaiende politie. Toch vormt zich gaandeweg een toneelgroep. Regisseur Pinny Grylls: „Dat proces was echt opwindend. Je voelt de adrenaline als je onbekende GTA-spelers benadert met: luister even een minuutje naar me, schiet me nou niet direct dood. Wanneer knalt ‘ie je alsnog neer? Welke pitch overtuigt hem?”

Straaljager

Er zijn tegenvallers: Dipo, een gamer met charisma, haakt af als Hamlet wanneer hij een nieuwe baan krijgt. De half-Finse, half-Tunesische hagedis-alien ParTebMosMir blijkt altijd goed voor ‘comic relief’. Zijn Engels schiet tekort voor een rol, hij ontfermt zich over de beveiliging zodat de acteurs niet steeds van het podium worden geknald. Helaas vanuit een straaljager: niemand verstaat elkaar door zijn aanhoudende mitrailleurvuur.

Er zijn ups en downs, repetities op een jacht, wolkenkrabber of zeppelin, en dan de grote avond voor een virtueel publiek van aanvankelijk 21 man. Dat veel spelers halverwege te pletter vallen, is binnen de GTA-logica slechts een tijdelijke tegenslag. Alles eindigt in een afterparty met virtuele champagne.

Grand Theft Hamlet past in het Machinima-genre: YouTube staat al jaren bol van door gamers gemaakte filmpjes binnen videogames. De makers ontdekten dat pas toen ze al waren begonnen. Grylls: „Best gênant eigenlijk, we dachten we het zelf hadden verzonnen. We hebben de schade ingehaald en filmessays als Hardly Working bestudeerd, over het leed van NPC’s [door computer gegenereerde gamefiguranten] Maar Grand Theft Hamlet is wel de eerste in bioscopen gedistribueerde machinima-speelfilm.”

Een echte documentaire is het natuurlijk niet. Grand Theft Hamlet voelt onecht, een rare term in deze context, als Grylls haar echtgenoot binnen GTA verwijt dat hij haar en zijn gezin verwaarloost, waarna hij het spel afsluit voor een fysieke knuffel. Dat voelt als een concessie: was de portee niet juist dat een virtuele gemeenschap net zo waardevol kan zijn als echt contact? Grylls: „Ik was diep ontroerd door de Netflix-documentaire The Remarkable Life of Ibelin. Dat gaat over Noorse ouders die na het overlijden van hun zoon aan een nare spierziekte via het spel World of Warcraft bedolven worden onder de condoleances en dan ontdekken dat hij niet alleen was maar online een enorme vriendenkring had. Sommige mensen, en dat worden er alleen maar meer, hebben vrijwel uitsluitend online relaties. Voor hen zijn die contacten niet minder echt.”


NRC-Filmdag: van boerenzoon tot ruimteavontuur

De lente-editie van NRC-Filmdag in de Verkadefabriek in Den Bosch staat voor de deur. Laat u verrassen door vier nieuwe films, ingeleid door vier filmredacteuren van NRC.

In deze wereldeditie hebben we nieuwe en nog niet vertoonde films over een ontwapenende Franse boerenzoon, een Chinese filmploeg in lockdown en een Braziliaans gezin belegerd door de militaire dictatuur. Scifi-satire Mickey 17 draait al wel een weekje, maar de Koreaanse maestro Bong Joon Ho, bekend van Parasite, die Donald Trump op ruimtemissie stuurt? Daar wil je bij zijn.

‘I’m Still Here’, ingeleid door Dana Linssen

Winnaar van de IFFR-publieksprijs, drie Oscarnominaties: de Braziliaanse veteraan Walter Salles maakte een aangrijpende film over Eunice Paiva, wier linkse echtgenoot Rubens in 1972 voor ondervraging naar het bureau moet en nooit meer terugkeert. Waarna kille terreur op kousenvoeten een warm gezin binnensluipt. De regisseur, die als jochie bij de Paivas over de vloer kwam, bezorgde actrice Fernanda Torres een Ocarnominatie. Haar moeder Fernanda Montenegro, in 1999 ook Oscargenomineerd voor Salles’ Central do Brasil, speelt de oudere Eunice.

‘Vingt Dieux’, ingeleid door Coen van Zwol

De Franse debutant Louise Courvoisier castte in haar eigen Jura locale non-acteurs voor een coming of age-tragikomedie zonder valse noten die charmeert en overtuigt. Losbol en bluffertje Totone moet na de plotse dood van zijn dronken vader voor zijn zusje zorgen. Hij probeert iets met Comté-kaas en een eenzame boerin. Eerste en wellicht laatste keer dat we de charismatische debutant Clément Faveau zien: de boerenzoon zag af van de rode loper in Cannes, hij moest naar zijn kippen.

‘Mickey 17’, ingeleid door Joyce Roodnat

De science fiction-film waar iedereen naar uitkeek gaat over schlemiel Mickey (Robert Pattinson) die zich meldt voor een buitenaardse kolonisatiemissie: een wrede schuldeiser zit hem op de hielen. Aan boord doet hij klusjes met een geringe overlevingskans. Omdat Mickeys data zijn opgeslagen, wordt na elk overlijden een nieuwe versie van hem geprint. En laat zijn baas nu een soort kruising tussen Elon Musk en Donald Trump zijn. Parasite-regisseur Bong Joon Ho toont zich van zijn wilde, uitgelaten kant – denk Okja en Snowpiercer – met een heerlijke dubbelrol van Pattinson en schattige ruimtewezens.

‘An Unfinished Film’, ingeleid door Tristan Theirlynck

Lou Ye is bekend van smachtende Chinese gay cinema. Zijn alter ego wil een onafgemaakte film voltooien in een hotel bij Wuhan als in januari 2020 de cast en crew in lockdown moeten in hun kamers. En we onverwachts in een hybride docudrama belanden, waar paniekerige horror over ziekte en quarantaine plaats maakt voor doffe berusting, depressie en vlagen van waanzin. Lou Ye mengt echte beelden uit Wuhan door deze curieuze, herkenbare evocatie van de emotionele achtbaan die de pandemie was. Veruit de beste Covidfilm tot dusver.

NRC Filmdag, 16 maart. Info: verkadefabriek.nl/nrc. NRC-abonnees 90 euro, niet-abonnees 100 euro, houders van Cinevillepas 55 euro, supporters Verkadefabriek 90 euro.


Mickey 17 schiet Elon Trump de ruimte in

De sciencefictionfilm waar het meest naar wordt uitgekeken in 2025 is Mickey 17 van regisseur Bong Joon Ho. Bong schreef in 2020 Oscargeschiedenis met zijn klasse-satire Parasite (2019), de eerste niet-Engelstalige film die het beeldje voor beste film binnen sleepte. Nu de eerste vertoningen geweest zijn, blijken de filmtrailers van Mickey 17 ons op één ding niet te hebben voorbereid: de rol van Donald Trump. Terwijl de Amerikaanse president in Hollywood momenteel een soort Voldemort is, de zwarte magiër uit Harry Potter wiens aanwezigheid overal wordt gevoeld maar wiens naam angstvallig wordt verzwegen, is hij in deze film doelwit van wilde satire.

Mickey 17 beleefde donderdag zijn première in Londen en werd twee dagen later aan de filmpers getoond op het filmfestival van Berlijn. Centraal staat schlemiel Mickey (Robert Pattinson) die zich opgeeft voor een buitenaardse kolonisatie-missie – omdat hij op aarde achternagezeten wordt door een extreem wrede schuldeiser. Hij weet niet wat zijn functie als ‘expendable’ precies zal zijn, maar blijkt klusjes te moeten uitvoeren met een zeer hoge sneuvelkans. Omdat zijn data zijn opgeslagen in een futuristische 3D-printer, wordt na iedere dood een nieuwe versie van hem geprint.

Bongs weinig subtiele, maar onderhoudende big budget-film gaat over kolonialisme, exploitatie en onze omgang met testdieren. Pattinson- heeft een fijne dubbelrol, want natuurlijk gaat het mis met dat mensenprinten. Er zijn eng-schattige ruimtewezens. Maar Mark Ruffalo bleek de grote verrassing: hij speelt Kenneth Marshall, een dictatoriale politicus die op aarde een paar verkiezingen heeft verloren en nu de kolonisatiemissie leidt waar Mickey deel van uitmaakt. Marshall is een aperte satire op Trump: met getuite lippen, spierwitte tanden en gebronsde huid verkondigt hij fascistoïde ruimte-ambities. „Elon Trump”, versprak Screen Daily-filmcriticus Jonathan Romney zich na afloop in een podcast.

https://www.youtube.com/watch?v=QjWW91S5cYU

De opnames van Mickey 17 werden afgerond in 2022, bedoeling was de film uit te brengen in 2023. De stakingen in Hollywood en distributieproblemen zorgden evenwel voor uitstel, waardoor Bongs film naast sciencefiction over de toekomst toch ook een soort tijdcapsule uit het zeer recente verleden is. Na Trumps vorige verkiezingswinst en tijdens de afgelopen campagne maakten filmsterren nog gretig statements en grappen over hem, al had Trumps kritische biopic The Apprentice toen ook al moeite een distributeur te vinden. Nu houdt Hollywood de lippen stijf op elkaar, deels omdat kritiek of spot met succes wordt weggezet als geneuzel van een havermelkelite, deels uit cynisch zelfbelang: films moeten gefinancierd worden. Zo wordt Mickey 17 een soort lakmoesproef: men volgt waarschijnlijk met argusogen hoe de cast en crew Mickey 17 aan de man brengen en hoe dat valt bij het publiek en de politiek.

De Zuid-Koreaanse regisseur Bong zelf lijkt in de dagen na de première lastige politieke vragen vrij gemakkelijk van zich af te laten glijden. Soms via ad rem-grapjes: op de vraag of Ruffalo’s personage een antwoord is op Trumps gesneer toen Parasite de Oscar voor beste film won, antwoordde hij in Londen dat hij „niet zo kleinzielig is”. Soms blijft hij aan de oppervlakte en laat verwijzingen naar de Amerikaanse president aan anderen over. In Berlijn stelt hij vaag dat Marshall „een versmelting is van alle slechte leiders in de geschiedenis in talloze landen. Maar geschiedenis herhaalt zich altijd, dus uiteindelijk gaat het over het heden en misschien ook over de toekomst.”

Mark Ruffalo – van wie online filmpjes uit 2020 te vinden zijn waarin hij Trump „publieke vijand nummer één” noemt, staat in Berlijn geen pers te woord. Het afwachten is nu hoe de rest van de wereld reageert bij de release van de film in maart. Volgen meer Trumpsatires of blijft Hollywood de lippen op elkaar tuiten?


Ruth Beckermann over haar docu ‘Favoriten’: ‘Docent Ilkay Idiskut verschuilt zich niet achter een lesboek’

Er waait een storm door Wenen als ik half december met filmmaker Ruth Beckermann heb afgesproken om door de buurt te wandelen waar zij haar laatste documentaire heeft gedraaid: Favoriten. Een windvlaag blaast me dwars door het Hauptbahnhof naar het zuiden. Daar ligt het van oudsher multiculturele tiende district waar de film z’n naam aan ontleent. Voor meer dan de helft van de bewoners is Duits niet hun eerste taal, het inkomen ligt ver onder het landelijk gemiddelde en het merendeel heeft geen stemrecht in deze oorspronkelijk socialistische wijk. En daar staat aan de Quellenstrasse tussen de kebabzaken en Turkse kappers in statige fin de siècle-huizenblokken ook de enorme openbare basisschool waar Beckerman de afgelopen drie jaar een onderbouwklas en docent Ilkay Idiskut volgde.

Favoriten is heel groot, heel divers, altijd in beweging en vol tegenstellingen”, vertelt ze als we onze toevlucht zoeken in een traditioneel Weens koffiehuis. „Het is van origine een arbeiders- en migrantenwijk. Eind negentiende eeuw trokken er vooral mensen uit Oost-Europa naartoe om te werken in de steen- en tegelfabrieken. Lang was het een overwegend Turkse wijk, na de oorlog in ex-Joegoslavië kregen we te maken met vluchtelingen van de Balkan, en nu zie je op de Turkse Viktor-Adler-Markt steeds meer mensen uit Syrië hun waren opslaan.”

Dat weerspiegelt zich ook in de architectuur: op de Reumannplatz zie je aan de ene kant het Amalienbad, een openbaar zwembad in art deco-stijl, aan de andere kant Austro-marxistische huizenblokken en in het midden een kunststof metrostation waar werklozen, junkies en alcoholisten rondhangen die de buurt mede de naam probleemwijk hebben opgeleverd.

Persoon van het jaar

De film maakte in Oostenrijk veel los: hij kwam vlak voor de verkiezingen in september vorig jaar uit, de Weense burgemeester organiseerde een vertoning en sprak met docenten over waar zij op school tegenaan lopen. Idiskut werd door verschillende media tot persoon van het jaar uitgeroepen. Beckermann: „Ik denk dat veel mensen voor het eerst een kijkje in een schoolklas kregen waar Duits niet de eerste taal is en kinderen met verschillende achtergronden leren samenwerken.” Al wilde ze geen film over ‘maatschappelijke problemen’ maken, integendeel: „Deze kinderen zijn onze toekomst, de kwaliteit van ons onderwijs bepaalt hoe we straks met elkaar zullen omgaan.”

Er zijn recentelijk nogal wat documentaires uitgekomen over de schoolklas als microkosmos en hun inspirerende docenten als verlichte visionairen, van de Nederlandse Juf Kiet tot de Duitse Herr Bachmann. Ze zijn onderwijzer, oppas en psycholoog ineen en helpen kinderen met een migratieachtergrond in schakelklassen integreren en hun taalachterstand wegwerken. Docent Ilkay Idiskut is daarop geen uitzondering – al is ze meer een persoonlijkheid dan een pedagoog. Beckermann: „Ze steekt haar mening niet onder stoelen of banken. Maar wel altijd respectvol. Juist omdat haar ouders uit Turkije naar Oostenrijk zijn gekomen, weet ze wat het is om met een andere thuistaal op te groeien, weet ze wat racisme is, en weet ze hoe waarden op elkaar kunnen botsen en wat voor loyaliteitsconflicten dat bij kinderen kan geven. Zij is hun eerste kennismaking met de Oostenrijkse werkelijkheid, maar ze is daarin ook een bemiddelaar.”

Kinderen als co-auteurs

Het grootste verschil met De kinderen van Juf Kiet en Herr Bachmann und seine Klasse, is dat Favoriten nog meer bij de kinderen blijft. Beckerman stuurde de kinderen met mobiele telefoons zelfs op hun eigen houtje op pad om als kleine journalisten verslag te leggen van hun weg van huis naar school. En Beckermann is net als Idiskut niet neutraal: vanachter de camera is ze hoorbaar aanwezig.

Beckermann (1952) maakt films sinds eind jaren zeventig. Aanvankelijk politieke reportages over stakingen en kraakacties, daarna observaties van de laatste restanten van wat ooit het Joodse Wenen was in onder meer het internationaal opgepikte Homemad(e). Haar films vallen altijd op, omdat het ook kleine vormexperimenten zijn: zoals ze hier de schoolkinderen tot co-auteur van hun eigen verhaal maakt.

De school waar ze drie jaar lang filmde, is de grootste basisschool van Wenen, maar ook de enige die openstond voor een langdurig filmexperiment. Beckermann: „Niet alle leraren waren even enthousiast, maar met de steun van de directeur en het enthousiasme van Ilkay wisten we dat we goud in handen hadden. Zoals je in de film ziet, heeft zij echt star power. Ze is, mede door haar vakbondswerk, gewend in het openbaar te spreken, heeft sterke opinies, maar is ook een diplomaat. Ik denk dat de beste leraren degenen zijn die zich niet achter een lesboek verschuilen, maar zichzelf laten zien. Zo iemand is zij.

„Je ziet ook dat kinderen het meeste hebben aan een docent die een persoonlijkheid is. Veel onderwijzers met een monoculturele achtergrond voelen zich ongemakkelijk voor een diverse klas. Ze zijn bang om iets verkeerds te zeggen of vinden dat de kinderen zich moeten aanpassen. Ilkay zegt gewoon dat ze vindt dat vrouwen hun eigen beroep mogen kiezen en zwemmen in de badkleding die zij prefereren, of dat nu een zwempak of een burkini is.”

Beckerman wilde een school die „ook in Amsterdam of Berlijn had kunnen staan”. „De problemen zijn niet typisch Oostenrijks, maar ‘Europees’: migratie, klasse, gendergelijkheid, rolpatronen. Maar ik had deze film niet buiten Wenen kunnen maken, daar sluiten de kleuterscholen al om 14 uur”, constateert ze droogjes. „Omdat daar de meeste mensen het conservatieve idee hebben dat moeders thuis op de kinderen behoren te wachten. Dat gaat niet veranderen als reactionaire partijen aan de macht komen. Anderzijds komen deze kinderen ook niet uit de meest progressieve milieus: veel moeders werken niet en veel vaders hebben laagbetaald werk. Voor beide groepen, die overigens ook niet zo homogeen zijn, is Ilkay waarschijnlijk de eerste succesvolle vrouw met een migratieachtergrond die ze in een film zien. Die zichtbaarheid is heel belangrijk.”


Sergej Loznitsa filmt in docu ‘The Invasion’ een Oekraïne dat kreunt maar niet breekt

Halverwege The Invasion worden stapels Russische boeken ingeleverd bij een Oekraïense boekhandel. Boeken van Dostojevski en Poesjkin; ‘Sloop me’ heeft iemand even verderop op diens standbeeld gespoten. Maar ook een Russische vertaling van Stefan Zweig. Alles gaat naar de pulpmolen, om er toiletpapier van te maken.

Tribalisme? Patriottisme? Oorlog verandert alles en dwingt tot keuzes. Op 24 februari gaat de (tweede) Russische invasie in Oekraïne zijn derde jaar in. Een griezelig moment voor Oekraïne, dat militair in het defensief is terwijl Trump zaken doet met Moskou, buiten Brussel en Kyiv om.

Twee jaar lang filmde de Oekraïense filmmaker Sergej Loznitsa wat de oorlog aanricht in zijn land. Zonder commentaar, met statische camera en gefocust op het burgerleven. We zien begrafenissen, vrijwilligers die fronttroepen bevoorraden, een alledaagse raketinslag van het formaat Bijlmerramp. Een schoolklas die vaderlandsliefde leert. Een bruiloft. Vaak loeit er luchtalarm. Meestal haalt men daar de schouders over op.

Loznitsa’s film in opdracht van Arte ging in Cannes in première, maar wordt volgens Loznitsa in Oekraïne niet vertoond. Dat wil eerder escapisme. Met zijn strenge, grimmige speelfilms en montage-documentaires is Loznitsa dé chroniqueur van de Sovjet- en post-Sovjet-geschiedenis. Van Stalins begrafenis (The Funeral) tot de coup tegen Gorbatsjov (The Event). Commentaarloos, met niet apert manipulatieve montage – al weet Loznitsa wat hij doet als hij in The Invasion een schoolklas na een raketinslag monteert.

Tegen boycot

Loznitsa’s documentaire Maidan, een verslag van de burgeropstand op het Maidan-plein in Kyiv begin 2014, werd gewaardeerd, net als zijn speelfilm Donbass (2018), een macaber mozaïek van het leven in de corrupte ‘volksrepublieken’ die Rusland had ‘bevrijd’. Na de invasie van 2022 raakte Loznitsa evenwel in onmin met patriotten omdat hij zich tegen een boycot van alle Russische cultuur keerde – de verpulping van Poesjkin verwijst ernaar.

De oorlogsinspanning is vermoedelijk meer gediend bij de wervelende, heroïsche Oscarkandidaat Porcelain War, die Oekraïenese schoonheid en offerzin tegen de grauwe Russische doodsmachine afzet. The Invasion biedt een somber beeld van een natie die voortploetert, met de jerrycan bij de waterpomp moppert, mijnen ruimt en in slaap valt in de wetenschap dat er ’s nachts zomaar een raket op je flatje kan landen. Aan het eind stapelt een vrouw bakstenen in de ruïnes van haar dorp; koppig als Sisyphus is ze haar eigen wederopbouw begonnen. De zon gaat onder, een hond blaft, in de verte knetteren schoten.

Het is een dof portret van een land waar oorlog een toestand is en de aanvankelijke hectiek routine werd. Geen spannende, zelfs geen interessante kijkervaring. Wel een blik op een natie die kreunt en lijdt, maar niet breekt.


In animatiefilms voor kinderen is de Apocalyps zeer in de mode

Een beetje animatieheld redt vandaag de dag de wereld van totale vernietiging. Het aanbod animatiefilms van de bioscopen is deze voorjaarsvakantie zeer divers:  Amerikaanse klassiekers en Japanse anime,   stopmotion, 3D of met de hand getekend. Maar steeds dreigt in deze films de Apocalyps, scholieren nemen met minder kennelijk geen genoegen. Al is veruit de beste film van het stel een stuk bescheidener: daar gaat het slechts om een stukje tropisch regenwoud in Borneo.

Laat ik beginnen met de grootste ontgoocheling: de oude bekenden van de Looney Tunes. Wat ooit anarchistisch, oneerbiedig en bovenal buitengewoon geestig was, is verworden tot conformistisch, truttig en flauw. In Looney Tunes-cartoons stonden met spraakgebreken behepte personages als Bug Bunny, Daffy Duck, Road Runner, Wile E. Coyote en Elmer Fudd elkaar sinds de jaren veertig luidruchtig naar het leven. Ze zijn een schim van hun vroegere zelf na jarenlang te zijn droog gemolken, nu weer in een bioscoopfilm: Looney Tunes: The Day the Earth Blew Up.

Sinds Warner Bros Bugs Bunny lieten opdraven in een Nike-commercial (Hare Jordan, 1993) is het hek van de dam. De uitverkoop ging voort in Space Jam (1996), opnieuw met basketballer Michael Jordan, waarna ze degenereerden tot merchandise, marketing en middelmaat. De Tunes zijn nu een merk zoals Coca-Cola: geliefd, met enorme naamsbekendheid en altijd dezelfde smaak, maar zonder een spoortje avontuur of verrassing.

Het kinderachtige The Day the Earth Blew Up (vanaf 6 jaar) is voor fans van de klassieke Looney Tunes-cartoons niet om aan te zien. Porky Pig en Daffy Duck, ooit rivalen, verdwalen in een al duizend keer verteld verhaal waarin de aarde moet worden gered van zombies (zie ook: Een nacht in de dierentuin). Het is zouteloos familie-entertainment, getekend in een dertien-in-een-dozijnstijl; het zeven minuten genieten van vroeger wordt nodeloos uitgerekt tot een bloedeloze anderhalf uur.

Een stuk leuker is de onafhankelijk geproduceerde animatiefilm Een nacht in de dierentuin (Night of the Zoopocalypse), vanaf 9 jaar. Het is horror voor kinderen over een dierentuin waar een meteoriet inslaat. Een deel van de dieren transformeert tot zombies en gaat met lichtgevende ogen achter de andere dieren aan. Een bergleeuw en een wolf moeten tegen wil en dank samenwerken om de nog onbesmette dieren te redden. De dieren kibbelen veel, maar het wantrouwen wordt gestaag overwonnen. De aardige animatie doet deze wat obligate boodschap gelukkig vergeten: scènes baden in sfeervol monochroom rood, blauw en groen licht en de animatoren weten horrorsequenties op te leuken met ‘jump scares’ die kinderen (en volwassenen) uit hun bioscoopstoel laten stuiteren.

‘Een nacht in de dierentuin’.

Voor ouder dan twaalf jaar is er Attack on Titan: The Last Attack. Opnieuw apocalyptische animatie, ditmaal naar de gelijknamige, populaire Japanse manga en animeserie (2013-2023; in totaal 94 afleveringen). De laatste twee televisiespecials zijn nu, ietwat bewerkt , samengevoegd tot bioscoopfilm van tweeënhalf uur.

In Attack on Titan strijdt de mensheid tegen de Titans, schier onverslaanbare, monsterlijke giganten die mensen als snacks zien. Uit angst voor deze nietsontziende roofdieren leeft men achter drie hoge concentrische muren; wanneer de moeder van held Eren Yeager desondanks sterft bij een aanval zweert hij wraak. Later sluit Yeager zich aan bij de Titans en wordt de aarde met de ondergang bedreigd.

Fans van de om zijn militarisme bekritiseerde serie weten wat te verwachten: spectaculaire gevechten en bloederige destructie doorspekt met (korte) filosofische scènes over de zin van het bestaan. Het is druk en schreeuwerig, maar bij vlagen ook imposant en prettig bitterzoet.

Het allerbest is evenwel de bescheiden ogende stopmotion-animatiefilm Red de Jungle (Sauvages) van de Zwitser Claude Barras, bekend van het uitstekende Ma vie de Courgette (2016). Barras werkte zeven jaar aan zijn film over de ontbossing van de jungle op Borneo. Hij liet zich inspireren door de inheemse Penan-stam, die zich in het echt verzet tegen de grootschalige kap van hun leefomgeving. Het stadse meisje Kéria, die vlakbij de jungle woont, neemt samen met haar vader de zorg op zich van een orang-oetanbaby wiens moeder door jagers is vermoord – de film is volgens Barras overigens geschikt voor acht jaar en ouder.

Als haar inheemse neefje Selaï tijdelijk bij hen intrekt en de orang-oetan ontsnapt, gaan ze naar hem op zoek. Zo raken ze betrokken bij de strijd van de Senan, die hun eigen, niet ondertitelde taal spreken, tegen de corrupte multinational die hout wil kappen. De leefwijze en spiritualiteit van de Senan worden met veel respect getoond.

Red de jungle is met name grandioos in zijn gedetailleerde schildering van de jungle. De magnifieke manier waarop regendruppels en een waterval zijn geanimeerd maakt indruk, maar let ook op het geluid. Er zijn veel kinderfilms die pleiten voor verbondenheid met de natuur, maar zelden zien ze er zo prachtig uit. Het loont als je de ambacht op het doek terugziet, zoals de geboetseerde hoofden van Kéria en Selaï en de handgemaakte kleren die zij dragen.


Marvel is het kwijt en marcheert met ‘Captain America’ het moeras in

Valt het Marvel Cinematic Universe (MCU) nog te redden? In 2008 vond striphuis Marvel vanaf de film Iron Man een schijnbaar onfeilbare formule: superheldenfilms die elkaar opvolgen als delen van een stripserie. Wonderkind Kevin Feige plande die films als een Sovjetplanoloog vijf jaar vooruit, in fases. Voor moederbedrijf Disney was het de kip met de gouden eieren, goed voor een jaarlijkse miljardenomzet.

Maar sinds de Covid-pandemie is de rot erin geslopen. Marvel trok het multiversum in, dat bleek een chaotische doos van Pandora. Disney+ moest in het kader van de ‘streamingoorlog’ tegen Netflix van superheldenseries worden voorzien. Die deden weinig onder voor de speelfilms, dus waarom nog naar de bioscoop gaan? De continuïteit tussen de talloze Marvelfilms en -series werd een obstakel: niet-fans moesten huiswerk doen om er nog iets van te begrijpen. En fans, die trof je inmiddels meer onder ouder wordende millennials dan bij Generatie Z. De superheldenmoeheid werd manifest toen Marvel in 2023 enkele zeperds scoorde. Deadpool & Wolverine werd vorig jaar wel een hit – door Marvelfilms op de hak te nemen. Maar nestbevuiling is geen verdienmodel.

Gaat Captain America: Brave New World het MCU redden? Kort antwoord: nee. Lang antwoord: Captain America was altijd een heel lastige held voor een studio met mondiale ambities: te Amerikaans, te ‘stars and stripes’. In The Winter Soldier (2014) vond Marvel een ingenieuze oplossing: Captain America, vertolkt door Chris Evans, nam het op tegen de Amerikaanse ‘deep state’ als geheime dienst SHIELD geïnfiltreerd blijkt te zijn door oude nazi’s die de wereld willen onderdrukken via surveillance en superdrones. De echte vijand zat in Washington. In Civil War (2016) kruiste ‘Cap’ de degens met de elitaire opportunist Iron Man – miljardair Tony Stark – die superhelden onder staatscuratele wilde stellen.

Rode Hulk

Gaandeweg kreeg Captain America zo populistische, semi-trumpiaanse trekjes. In Brave New World treedt nu een nieuwe Captain America aan: Sam Wilson (Anthony Mackie) is geen genetisch opgepompte supersoldaat zoals zijn voorganger, maar kan wel vliegen. Zijn oude vijand generaal Thaddeus Ross (Harrison Ford) is president geworden en het is geen spoiler te melden dat hij in een rode Hulk transformeert die een spoor van vernielingen door Washington trekt.

Dat lijkt bijna een metafoor voor de oranje Hulk die nu in het Witte Huis zetelt, maar dat zal toeval zijn. Politiek gedoe is namelijk zeer onwelkom. Captain America: Brave New World heette eerst New World Order, maar dat wekte te veel associaties met wappie-theorieën. Er was Palestijnse woede over de introductie van de Joodse Mossad-superheld Sabra (Shira Haas). Toen zij werd geneutraliseerd tot Witte Huis-functionaris volgde weer Israëlisch protest.

Brave New World draait om het supermetaal adamantium, te winnen op het Celestial Island ergens in de oceaan. Dat metaal is nog sterker dan vibranium uit het verborgen rijk Wakanda – u weet toch? Enfin, Japan, India, Frankrijk en de VS willen de buit, en waar China en Rusland intussen zijn? Disney heeft grote belangen in China, een Chinees-Russische as als vijand wordt iets te echt – dus nemen de VS het nogal implausibel op tegen een machtige Japanse vloot.

Tegen die achtergrond nemen Captain America en zijn gevleugelde sidekick Joaquin Torres (Danny Ramirez) het op tegen superschurk Samuel Sterns (Tim Blake Nelson) die zijn brein aan de buitenkant van zijn schedel draagt, dus wel super-intelligent zal zijn. Al valt er weinig ratio te vinden in zijn complot om via mentale controle een wereldoorlog te ontketenen en dan de president Thaddeus Ross in een hulk te veranderen zodat dochter Betty Ross een hekel aan hem krijgt. Dat is toch eenvoudiger te realiseren.

Drumbands roffelen, helden knokken, Giancarlo Esposito schiet doelloos in het rond, Sebastian Stan maakt een zinloze cameo – maar geen grap landt, ideeën ontbreken, de trucage oogt oubollig, het slaat allemaal nergens op. Brave New World is geen film maar een littekenweefsel van compromissen, paniekerige ingrepen, geschrapte plotpunten en haastige ‘reshoots’ – een testpubliek vond de eerste versie namelijk maar niks. Het bleef niks. Marvel is het kwijt en marcheert verder het moeras in.


Renée Zellweger over haar iconische rol: ‘Ik ben blij dat ik Bridget niet veranderen kan’

Er is gelukkig veel hetzelfde gebleven aan Bridget Jones in de vierde film over haar leven. De alleenstaande dertiger is tegenwoordig een weduwe van begin vijftig met twee jonge kinderen, maar ze stuntelt even aandoenlijk door de dagen, analyseert opnieuw voor een date welk ondergoed ze het beste kan kiezen mocht het tot seks komen en leidt nog steeds aan „verbale diarree”.

En ze wordt nog steeds gespeeld door de Amerikaanse actrice Renée Zellweger, die me samen met regisseur Michael Morris – de eerste mannelijke regisseur van een Bridget Jonesfilm – te woord staat voor de première van haar film in Tuschinski later die avond.

Wie bij wijze van voorpret de eerste Bridget Jonesfilm uit 2001 terugkijkt, ziet naast veel humor die de tand des tijds opmerkelijk goed heeft doorstaan, ook wat verschillen. En niet alleen dat Bridgets love interests nu een sexy 29-jarige student en de stuurse wetenschapsleraar van haar zoon zijn. Zij komen in plaats van een nuffige advocaat (Colin Firth) en een baas die foute grapjes maakt over haar borsten en rokje (Hugh Grant).

‘Vieze oom’

Een groot verschil is hoe de wereld en Bridget zelf naar vrouwen kijken. In de eerste film naar het boek van Helen Fielding uit 1996 is seksueel grensoverschrijdend gedrag nog iets dat er nu eenmaal bijhoort. #MeToo ligt nog jaren in de toekomst; zo vindt de mondige Bridget het doodnormaal als haar ‘vieze oom’ in haar bil knijpt. Ook is ze obsessief bezig met haar eigen gewicht.

Zou Zellweger zelf iets veranderen aan de eerste film als ze kon? „Ik ben blij dat dat niet kan. Dat zou toch heel oninteressant zijn? In het leven zijn er zeker dingen waarvan ik denk ‘Nu ik een ander perspectief heb, zou ik willen dat ik andere keuzes had gemaakt’. Maar daarvoor ben je jong: om lessen te leren. Ik denk dat de samenleving op dit vlak niet heel anders is. Hopelijk leren we collectief lessen en zetten we stappen.”

Ze vervolgt: „De film zou door dat soort aanpassingen ook niet langer een waarheidsgetrouwe weergave zijn van wat er toen gaande was. Het zou niet authentiek zijn als we bepaalde humor, woorden of obsessies van het personage zouden wegpoetsen. Hoe kritisch ze is voor zichzelf, haar fixatie op dingen die in haar ogen niet voldoen aan normen die de samenleving oplegt. Dit is juist waardoor mensen zich zo herkennen in Bridget.”

In de nieuwe film is gewichtsverlies niet meer een van Bridget Jones’ grootste prioriteiten, ondanks dat in Fieldings vervolgboek uit 2013, waarop de film is gebaseerd, de rouwende Bridget wel degelijk spectaculair afvalt voor ze weer aan het flirten slaat.

Lees ook

de recensie van ‘Bridget Jones: Mad About the Boy’

Bridget (Renée Zellweger) met leraar Scott Wallaker (Chiwetel Ejiofor) in ‘Bridget Jones: Mad About the Boy’. Foto Jay Maidment/Universal Pictures

De druk om af te vallen was niet iets waarover hij het wilde hebben, zegt regisseur Morris – daarom haalde Bridgets bezoek aan een afvalkliniek de film niet. Al meent Morris dat de druk op vrouwen nu zo mogelijk nog groter is dan twintig jaar geleden. „Op Instagram wordt je niet alleen voorgespiegeld dat je er vanaf ’s ochtends vroeg zelf perfect moet uitzien, ook je hele leven, je huis, je kinderen moeten geweldig zijn.”

Als mensen over twintig jaar naar deze vierde Bridget Jonesfilm kijken, wat zal hen dan opvallen over de huidige wereld? Morris wilde een eigentijdse film maken, zegt hij, dus voelt zijn film dan mogelijk gedateerd. „Maar er is wel iets tijdloos aan rouw en aan de chaos en uitdagingen om als alleenstaande ouder opnieuw een stapje in de wereld te zetten. Er zijn weinig lichtvoetige films over verlies en rouw. En mogelijk ziet daten er over twintig jaar wel anders uit, rollen wij dan met de ogen bij zoiets als Tinder.” Bridget Jones komt – na een eerste gênante ontmoeting waarin het haar niet lukt haar kroost uit een boom te krijgen waarin ze zijn geklauterd – namelijk in contact met twintiger Roxter via deze datingapp.

Mad About the Boy is onderdeel van een recent golfje films waarin vrouwen een jongere love-interest hebben – van The Idea of You met Anne Hathaway tot Babygirl met Nicole Kidman. Morris: „Helen Fielding schreef haar boek al in 2013, ruim voor deze trend.” Zellweger: „We doen nu alsof het interessant en nieuw is in films, maar het bestond altijd al, en who cares?. Helen deelde haar eigen ervaringen via haar personages. Toen zij dit zelf meemaakte, vond ze het leuk en klikte het. Zij vond het heel belangrijk dat Bridget zich zeker voelt bij Roxter en voelt dat ze zijn affectie waard is.”

Zal Bridget Jones terugkeren na deze vierde film? Zellweger: „Helen zegt dat dit het was, maar ik hoop dat Bridget ooit nog op haar schouder tikt. Ik zou graag zien wat ze doet als haar kinderen tieners zijn.”


Regisseur Rúnar Rúnarsson over zijn rouwfilm ‘When the Light Breaks’: ‘We reduceren de dood ten onrechte tot misère’

Waarom er toch zoveel films over rouwverwerking zijn? Omdat iedereen vroeg of laat verlies ervaart, zegt de IJslandse filmauteur Rúnar Rúnarsson (48). Tenzij je heel jong sterft, wat ook niet ideaal is. Wij moeten allemaal de bittere pil slikken van Una en Klara, wier gezamenlijke geliefde Diddi in zijn film When the Light Breaks plots overlijdt. En wij ervaren bij het zien daarvan plaatsvervangend troost.

De nauwgezet formulerende Rúnar Rúnarsson, die ik in oktober spreek op het Leidse filmfestival, is sinds zijn speelfilmdebuut Volcano (2011) een echte ‘festival darling’ – deze film over een oude, gesloten man die reddert met zijn dementerende vrouw verdween indertijd wat in de slagschaduw van Hanekes vergelijkbare Amour, maar was eigenlijk de betere film.

Als ik Rúnarsson verklap dat mijn vrouw en ik een hardnekkige brok in de keel overhielden aan When the Light Breaks, monkelt hij: „Aha, dus gaat u schrijven dat mijn rouwfilm de perfecte date-movie is?” Zo gek is dat niet, werp ik tegen: een begrafenis is een geschikte plek voor nieuwe liefde. Je bent in de rouw, maar ergens ook opgelucht dat jouw leven doorgaat.

Rúnarsson: „Rouw kan schitterend zijn, heel energiek. Het maakt allerlei gevoelens los. Als samenleving reduceren we de dood ten onrechte tot verdriet en misère, tot iets wat eenduidig negatief is. Maar dat weet een film niet.

„Althans, de vraag is of je filmt als Lumière of als Méliès, streeft naar realisme of fantasie. Streef je naar realiteit, dan moeten je erkennen dat de levens van je hoofdpersonen na de film gewoon doorgaan. Het einde is niet de finale waarheid over hen, hooguit een tussenstand zonder heldere boodschap. Voor een boodschap is de realiteit veel te ingewikkeld.”

In een rouwverwerkingsfilm ontkennen hoofdpersonen normaliter hun verdriet of draaien erin vast, maar ten slotte overwinnen ze het.

„Daarom beperk ik me in deze film tot één etmaal, ruwweg van de ene zonsondergang tot de volgende, dan kun je het verdriet nog lang niet te boven zijn. Het gaat mij om het gevoel dat je hele wereld instort, maar conflicterende emoties schuren langs elkaar en tegelijk groeit er iets prachtigs. Zo’n extreem verlies verdiept je blik en je gevoel. Je gaat meer tinten in de regenboog zien. Zoiets.”

Una mag niet te opzichtig rouwen, en ze is jaloers op Klara.

„Bij sterfgevallen voel ik soms onderhuidse rivaliteit over wie het diepst getroffen is, wie de overledenen het meest nabij was. Voor mij is dit veel tragischer dan voor jou.

„Mijn films zijn gebaseerd op eigen ervaringen uit de eerste en tweede hand, al treed ik daarover nooit in details. De eerste keer dat ik zo werkte, was in een (Oscargenomineerde) korte film, The Last Farm, die je gratis op YouTube kan zien. Als beginnend filmmaker wilde ik de wereld veranderen. Ik was een socialist, ik wilde het systeem opblazen. Maar hoe? Al mijn korte films zochten pakkende metaforen voor ongelijkheid en onderdrukking. En radicale jonge mensen die er net zo over dachten als ik, kwamen me dan achteraf feliciteren. Maar andersdenkenden …

… Gingen gewoon weer naar Spielberg?

„Juist. Ik veranderde niks. Toen dat besef indaalde, besloot ik mezelf kwetsbaarder op te stellen en naar kleine, intermenselijke elementen te zoeken die ons verbinden. Dat deed ik voor het eerst in The Last Farm. Na afloop bedankten mensen me en zeiden: ‘Ik ga eens bij mijn grootvader langs, denk ik’. Ze bleven in het echte leven misschien een religieuze fanaticus of een kapitalist, maar als iemand door mijn film heel even wat aardiger is voor een ander, bereik ik meer dan vroeger met mijn strijdfilms.”

Bij IJslandse film denk je aan stille mannen met baarden die met emoties worstelen of geïsoleerde vissersdorpen. U filmt hier artistieke, grootsteedse Generatie Z, heel open met emoties. Wordt IJsland net zoals de rest van de wereld?

„ Ik behoor tot de eerste generatie IJslanders die elkaar leerde omhelzen. Misschien nog wat onhandig, maar toch. Ik ben oud en kalend, maar ik zie mezelf nog als jong, al weet ik dat ik mezelf voor de gek houd. Gelukkig maakte ik deze film samen met jonge acteurs. Ik bood structuur en visie, zij maakten de personages echt.”

In de film lijkt sprake van een soort IJslandse golf in de 21ste eeuw. Hoe komt dat?

„Er zijn slechts 400.000 IJslanders, maar er is veel creativiteit. Een theorie is dat dit komt omdat bij ons een interne markt voor kunst ontbreekt. Niemand wil jouw muziek horen, hooguit Britse covers, dus kun je evengoed gewoon doen wat je interesseert in plaats van al vroeg compromissen te sluiten. En dan blijkt er internationaal wél een enorme markt te bestaan voor alles wat nieuw en grensverleggend is, voor Björk of Sigur Rós.

„Zo ging het ook met film. Geen interne markt, maar internationaal was er interesse voor IJslandse films omdat ze anders waren. Dat nieuwe is er inmiddels wel af, maar er is iets ontstaan, een groep filmmakers die elkaar helpt. We lezen elkaars scripts, produceren elkaar, lenen elkaars apparatuur. We zijn best competitief, maar heeft een ander succes, dan helpt ons dat ook.”