Het is goed toeven in het chaotische Witte Huis van The Residence. Het is hier niet de politiek, maar juist het personeel dat centraal staat.

De tafelschikking is een chaos. Het muzikale entertainment zegt vlak van tevoren af. De chefkok is hysterisch omdat zij geen steaks mag flamberen in de eetzaal. De toetjeskok is razend omdat de kleine kangoeroes waarmee hij zijn desserts heeft gedecoreerd worden afgekeurd: te beledigend. Een indringer met snor belandt tot zijn eigen verbazing tussen de eregasten. Een van de butlers zit gezellig te beppen met een voormalige First Lady.

Toch loopt het ogenschijnlijk op rolletjes, dit staatsdiner voor de Australische premier in het Witte Huis, bedoeld om de recent verzuurde verhouding tussen de VS en Australië weer in goede banen te leiden. De spanningen achter de schermen dringen niet tot de genodigden door: de staf vangt alles op, zoals dat hoort. Twee minder presentabele familieleden van de president, zijn alcoholverslaafde schoonmoeder en zijn klaplopende broer, zitten boven op hun kamers, buiten zicht en in kamerjas.

The Residence
Netflix

Relativering

The Residence gaat over een moord in het Witte Huis – maar niet op de manier waarop we dat gewend zijngeraakt. Vergeet de bombast waarmee in traditionele series en films elke bedreiging van de orde in de presidentiële ambtswoning als een ramp van wereldformaat wordt gepresenteerd; in deze nieuwe, door Shonda Rhimes mede-geproduceerde krimi is het gewoon een groot, ingewikkeld huis, met 132 kamers, een enorm personeelsbestand en een uitgebreid veiligheidsprotocol. De president is een nogal fletse figuur: Perry Morgan en zijn echtgenoot (inderdaad, een gay echtpaar; een van de vele inclusieve speldenprikjes die de serie rijk is) zijn niet erg populair in Washington, horen we, en de regering presteert al een jaar slecht. De echte sterren hier zijn de stafleden, trouwer aan hun werkplek dan aan de tijdelijke bewoners, meer bezig met elkaar dan met de politiek. Die relativering alleen al komt als geroepen; The Residence werd vóór de herverkiezing van Donald Trump bedacht en gefilmd, maar biedt een welkome pauze van de stress die momenteel uit het echte Witte Huis klotst.

Scenarist Paul William Davies liet zich voor het script van de serie inspireren door het gelijknamige non-fictie boek van Kate Andersen Brower uit 2015, waarin ze middels interviews en archiefmateriaal een beeld schetste van de wereld achter die witte muren. In de serie zitten grappige weetjes verwerkt over de soms innige band tussen presidentiële families en hun bedienden: George Bush Sr. en zijn Barbara waren veel geliefder dan de Clintons, bijvoorbeeld. Maar The Residence is geen geschiedenisles: Davies schreef vooral een geestige, fantasierijke whodunnit, met soms bizarre uitweidingen en cameos. Kylie Minogue (de echte) treedt op als een soort levende jukebox, die haar geduld pas verliest als ze zeven keer haar grootste hit heeft moeten zingen en dan per se wil uitrusten in de ‘Lincoln Bedroom’; ‘Hugh Jackman’ (het achterhoofd van een acteur die een beetje op hem lijkt) blijft onvermoeibaar tapdansen om het gezelschap in een goed humeur te houden.

De gasten mogen namelijk niet meer weg. De president besluit onwillig tot een lockdown als blijkt dat er tijdens het diner een dode is gevallen. In de speelkamer boven, naast het biljart, wordt het lijk aangetroffen van A.B. Wynter, de onkreukbare, alom gerespecteerde personeelschef. Tot grote opluchting van het kringetje machtige mannen rond de president (Ken Marino als Harry Hollinger is een soort Elon Musk-light, een onuitstaanbare bemoeial zonder duidelijke kwalificaties) lijkt het een zelfmoord: dat geeft het minste geroddel. Maar dat is buiten Cordelia Cupp gerekend, ,,’s werelds beste detective”. Vanaf het moment dat zij op verzoek van de politie het huis en de tuin begint te onderzoeken staat niemand meer buiten verdenking.

Fanatiek vogelaar

Cupp is een glansrol van Ozu Aduba, die naam maakte als de labiele, ontroerende Suzanne ‘Crazy Eyes’ Warren in het vrouwengevangenisdrama Orange Is the New Black. Hier is ze allesbehalve ‘crazy’; Cordelia Cupp heeft een permanente poker face en blinkt uit in zwijgen, afwachten, luisteren. Ze is een fanatiek vogelaar (een liefhebberij die wel érg breed wordt uitgemeten) en loopt ook tijdens haar speurwerk rond met een dikke vogel – encyclopedie en een verrekijker – een typetje dus, dat dankzij Aduba reliëf krijgt. Dat geldt voor vrijwel alle rollen, hoe klein ook: de acteurs geven het hun alles, of ze nou een getergde kalligraaf, een beledigde bloemist of een verliefde technicus spelen.

Edwina Findley is geweldig als Sheila, een verdachte butler die in beschonken toestand de ene na de andere versie van haar avond opdist, met ogen en handen die een heel ander verhaal vertellen. Bronson Pinchot als geïmplodeerde Zwitserse patissier houdt de lippen stijf opeen, tot hij opeens losbarst met een intensiteit die doet terugdenken aan zijn briljante bijrol als galeriehouder Serge in de Beverly Hills Cop-films. Wat een leuke, vreemde acteur.

The Residence leent openlijk van z’n concurrenten in het lichtere crime-genre: één aflevering heet zelfs ‘Knives Out’ (ook Netflix) en de animaties en zoete piano-soundtrack roepen de gezellige sfeer op van het appartementencomplex uit ‘Only Murders in the Building’ (Disney+). Maar is dat erg? Het is goed toeven in dit chaotische Witte Huis, ondanks die steeds ingewikkelder lijkende moordzaak. De finale kregen recensenten nog niet te zien: ik kan u geen enkele hint geven.

<dmt-util-bar article="4886582" data-paywall-belowarticle headline="Het is goed toeven in het chaotische Witte Huis van The Residence. Het is hier niet de politiek, maar juist het personeel dat centraal staat.” url=”https://www.nrc.nl/nieuws/2025/03/17/het-is-goed-toeven-in-het-chaotische-witte-huis-van-the-residence-het-is-hier-niet-de-politiek-maar-juist-het-personeel-dat-centraal-staat-a4886582″>

Volop muzikale dialoog tijdens Transition jazzfestival

Het jazzduo. Een even kwetsbare, tedere als uitdagende concertcombinatie. Elkaar dragen en optillen, versieren en plagen. Dwars je eigen weg gaan om vervolgens weer in de armen gesloten te worden door de ander, die je heus wel in het oog hield.

Muzikale gesprekken in duovorm, ze liepen als inspirerend thema centraal op het jaarlijkse Transition jazzfestival in TivoliVredenburg, Utrecht. Een metafoor voor het met elkaar in gesprek blijven in een woelige, polariserende tijd. Zoals de snarenliefde die sprak uit het duo dat de Cubaanse pianist Gonzalo Rubalcaba vormt met de Braziliaan Hamilton de Holanda, uitblinker op zijn tiensnarige bandolim. In de Grote zaal kwam het tot avontuurlijke en uitdagende latindans, waarin zelfs popklassieker ‘Don’t You Worry ’bout a Thing’ van Stevie Wonder een andere draai kreeg.

Als artiesten zich met grote gretigheid geven, ben je snel verkocht. De interactie, de vrijheid durven vinden voor publiek; het lijken inkoppers in het uitverkochte huis van Transition (een lange dag vol moderne veerkrachtige jazz tot middernacht, met op zondagochtend nog een plukje kidsjazz). Maar in jazz is het altijd maar afwachten.

Schakelend van concert naar concert in zes zalen moet je steeds weer de oren afstemmen op een ander soort jazz, lees: andere prikkels en verrassingen. Het strijdlustige spel van trompettist Marquis Hill vol mooie droge noten. Gevoelvol intens: pianist Tord Gustavsen, die haast zelf in de toetsen kruipt om ze nog extra te masseren. Haaks daar weer op: de smerige gitaargrooves vol motorolie van Marc Ribot met zijn kwartet.

Naast de jazzdialogen kon in het programma een dromerige jazzsound die een soort mellow positivisme uitdroeg gevonden worden. Wijntje op de vleugel, tuinbroekie; toetsenist Kiefer Shackelford uit Los Angeles dwong met zijn trio knap stilte af met een rit richting een zonsondergang in pastelkleuren. Zo ook de Britse pianist Sultan Stevenson die zich bewees als grote belofte: soepele jazz onder een kleurrijk vissershoedje. Wat een lekker spel.

En natuurlijk zanger Michael Mayo met zijn waanzinnige stempalet. Terug op Transition stak hij met nog meer zelfvertrouwen de ‘overthinkers’ een hart onder de riem.

Maar dat de opbouw van een festival echt speciale aandacht vraagt, werd merkbaar bij Tom Skinner. Het caleidoscopische sfeertje dat de drummer met zijn Voices of Bishara (met bas, cello, sax en fluit) optuigde, eist concentratie. Dat die aan het einde van de avond voor velen niet meer op te brengen was, bewees de halflege zaal.

Ook de nieuwe koers van het Britse multi-talent Emma-Jean Thackray, die persoonlijk leed knap ombuigt naar een nieuwe plaat, was als dragende act in de grote Vredenburg-zaal verkeerd ingeschat. Haar nu meer rockkant vol donkere lyrics – ze waarschuwde er al voor – joeg jazzfanaten weer de roltrappen op.

En ook serieuze rustige jazz kan laat op de avond het onderspit delven. Het beheerste, met precisie gebrachte spel van Greg Osby kreeg niet alleen bar weinig voeding van zijn kwartet, het publiek koos liever voor een late night dansje bij afrobeat-formatie Kokoroko.

Vernieuwende jazz van eigen bodem viel goed in de smaak. Al vroeg op de dag was het dringen voor de compositorische slimmigheden van het door Tijn Wybenga aangevoerde Brainteaser Orchestra. Opvallend: de enorm lange ovatie voor de betovering van het Kika Sprangers Large Ensemble. En moeilijk om niet vrolijk te worden van de veelkleurige stemmenbundel van de groep Cantorias.

De jazzduo’s in Club Cloud Nine, bovenin het gebouw trokken veel aandacht. Niet lullen maar spelen voelde je sterk bij avantgarde drummer Han Bennink en saxofonist Hans Dulfer. Met hun onderlinge gemopper hadden de tachtigers – uitersten natuurlijk – de lachers op hun hand. Maar in hun bluesjes en calypso’s voelde je weinig uitwisseling.

Hoe anders dat kon bewezen jazzbroeders Reinier Baas en Ben van Gelder. Met de Amerikaanse drummer Jeff Ballard (eerder ook steady in duo met Lionel Loueke ter vervanging van de zieke Dave Holland) en bassist Clemens van der Feen kwam in de moderne, ruimtelijke stukken afkomstig van This Is Water, hun sterkste plaat tot nu toe, diepte en focus. Dat leverde dit festival een droomvlucht op van verbeelding en vrijheid.


Van het conservatorium naar de krijgsmacht: met scherp koper intimideer je de tegenstander

Musici die rondlopen in uniform, een zilverkleurige trompet onder de arm, een enkeling behangen met militaire decoraties. De voormalige Vliegbasis Soesterberg was zaterdagavond het decor voor de elfde editie van de Nacht van de Militaire Muziek. Alle krijgsmachtorkesten van het land zijn van de partij en de setting is imposant. Acht verschillende podia zijn opgesteld tussen het groot materieel van het Nationaal Militair Museum. Tweedekkers en gevechtsvliegtuigen hangen aan de plafonds. Bij het eetplein naast de bigbandtent haal je de befaamde ‘blauwe hap’, de Indische maaltijd die traditiegetrouw op woensdag in de kazernes wordt geserveerd.

In een hoek van het glazen museumgebouw presenteert acteur Frank Lammers het oudste militaire orkest van ons land. De Tamboers en Pijpers van het Korps Mariniers kennen een geschiedenis die teruggaat tot de zeventiende eeuw. De leden zijn volwaardige mariniers, maar bespelen daarnaast trommels (tamboers) en piccolofluiten (pijpers).

Marsmuziek in zijn helderste essentie dus, al klinkt er ook een muzikaal uitstapje naar de Caraïben. In 1968 schonk de Arubaanse bevolking het korps een steeldrum-set, die sindsdien een vast onderdeel vormt van het repertoire. Een swingend showtje volgt onder de staart van een Dornier-24 – een type vliegtuigboot dat in de koloniën werd ingezet.

Slechte naam

De Tamboers en Pijpers nemen binnen de acht orkesten van Defensie een bijzondere plek in, omdat de leden in eerste plaats inzetbare militairen zijn. Bij de andere ensembles ligt dat anders. Die vallen weliswaar onder het Ministerie van Defensie, maar zien zichzelf voornamelijk als musici.

Dat bezorgde de militaire beroepsorkesten vroeger nog wel eens een slechte naam: af en toe een deuntje spelen, en verder was het bierdrinken op de kazerne. Andere tijden, want tegenwoordig kennen we zeer professionele militaire orkesten. Musici hebben een conservatoriumdiploma op zak en zijn fulltime in dienst. In de eerste plaats als musicus dus, maar mét een militaire rang als onderofficier. Iedereen heeft een korte militaire basistraining afgelegd.

Om die te volgen moet je minimaal vijf jaar in bezit zijn van een Nederlands paspoort. Defensie-orkesten bieden daarmee een goede werkplek voor conservatoriumalumni van eigen bodem – een wereld van verschil met ‘gewone’ symfonieorkesten, die voor een groot deel internationale musici aantrekken.

Worden militaire orkestleden ook naar het front gestuurd, als we in oorlog raken? Nee, in principe is de rol van de orkesten en fanfares vooral ceremonieel en diplomatiek. Op Prinsjesdag bijvoorbeeld en bij de Nationale Dodenherdenking, of bij koninklijke ontvangsten en staatsbegrafenissen.

Van oudsher hadden legerorkesten als taak om op een lange veldtocht de moed en de pas erin te houden. Dat verklaart de talrijke koperblazers: je moet kunnen marcheren met je instrument, en de klank ervan moet dragen in de buitenlucht. Met een cello of viool gaat dat lastig, maar met een bugel of een trompet uitstekend.

Met scherp koper kun je trouwens ook prima je tegenstander imponeren, en die laatste functie hebben de korpsen nog steeds wel een beetje. Een staatshoofd dat wordt ontvangen met een goed militair orkest krijgt een signaal: dit is een land dat er internationaal toe doet.

Voor de musici betekent dat een onregelmatige werkdruk. „Soms sta je twee uur in de regen te wachten om alleen even het volkslied van Jordanië te spelen”, vertelt een lid van de Koninklijke Militaire Kapel ‘Johan Willem Friso’ (KMKJWF). Dan weer is er een zesdaagse werkweek vol repetities, beëdigingen en commando-overdrachten.

Natuurtonen

Als er tijd over is, dan geven ze concerten zoals hier, bij de Nacht van de Militaire Muziek. Onder leiding van chef-dirigent (én majoor) Frans-Aert Burghgraef speelt het koperensemble van de KMKJWF klassieke werken van Johannes Brahms en Richard Strauss. Later vanavond staat de ‘Serenade voor blazers in c klein’ van Mozart op het programma.

Onder de noemer van het festivalthema ‘noaberschap’ – een goede buur zijn – is ook het Gebirgsmusikkorps van de Duitse Bundeswehr uitgenodigd. Wir dienen Deutschland staat er op de vrachtwagen uit Garmisch-Partenkirchen voor het museum: een flink voertuig, want voor militaire bergmuziek heb je naast het vaste koper nog een paar andere instrumenten nodig.

Geschiedenis tamboers en pijpers met Frank Lammers
Foto Simon Lenskens

Bij het horen van accordeon en de meterslange alpenhoorns waan je je meteen op het terras van een kleine Bierstube. „Je hoeft je ogen maar dicht te doen en je ziet de bergen”, zegt de voorman van het ensemble in een stevig Beiers accent. Bij die sonore samenklank van de alpenhoorns begrijp je ook meteen waar componisten als Bruckner en Mahler de inspiratie haalden voor hun hemelse blazerskoralen.

En met je ogen dicht – zonder te zien dat het orkest staat opgesteld bij de laadklep van een Chinook – zou je haast de militaire connotatie van de muziek vergeten. Maar de alpenhoorn is van oorsprong een signaalinstrument, vergelijkbaar met onze militaire trompet.

Allebei brengen ze maar een beperkt aantal tonen voort, die de bespeler maakt door de lipspanning op het mondstuk te variëren. Een moderne trompet heeft dan wel ventielen waarmee je een hele toonladder kunt spelen, van oorsprong kon het instrument slechts vijf natuurtonen produceren.

Muziek die uit die natuurtonen is opgebouwd, doet meteen militair aan. Het bekendste voorbeeld is het taptoesignaal dat je traditiegetrouw hoort op 4 mei. Let er maar eens op: de trompettist op de Dam gebruikt zijn ventielen niet, want alle natuurtonen maakt-ie met de lippen.

Berenmutsen

Aandacht voor de oorlogskant van het verhaal is er zaterdagavond volop. De Regimentsfanfare ‘Garde Grenadiers en Jagers’ speelt marsmuziek bij het indrukwekkende levensverhaal van generaal Stanislaw Maczek, die met zijn Poolse ballingenleger de stad Breda bevrijdde. Dat een militair ensemble zich net zo makkelijk plooit naar het Franse cul Marechaussee. Samen met zangeres Katell Chevalier klinkt onder meer ‘Voilà’ van Barbara Pravi en Edith Piafs ‘Hymne à l’amour’.

Foto Simon Lenskens

Na een concertje in de Foyer du Trésor staan twee jonge musici van de Koninklijke Militaire Kapel ‘Johan Willem Friso’ na te praten. „Hebben we nou volgende week weer een erewacht?” vraagt Sander Borst terwijl hij zijn fagot uit elkaar haalt. Hoboïst Gijs Roosen knikt instemmend. „Kijk, vanavond spelen we hier dus Mozart in het museum, en volgende week staan we weer met berenmutsen op voor Paleis Noordeinde.”


In deze opera gaat de babyboomgeneratie walsend ten onder

‘We’re lucky that we’re still together. Happy! We have enough health and money. And you can’t say that for everyone.” Acht operazangers in cocktailkleding lopen al zingend en met de armen zwaaiend in een rijtje walsend over het podium. Uit de orkestbak klinkt gezwollen walsmuziek. Feest! Ze hebben immers niets te klagen, als babyboomers met hun zakenreisjes en vakantiehuizen, de generatie die het beter kreeg dan hun ouders.

Maar de muziek spreekt boekdelen: deze wals is er een van het soort waarbij je meteen voelt dat er iets niet in de haak is. Zoals Ravels La valse, waarin het orkest ontspoort in een kakofonische chaos, heeft ook deze wals iets onheilspellends en destructiefs. Het Residentieorkest onder leiding van Bassem Akiki en het geluksmantra van de acht topsolisten (onder meer Claron McFadden, Nina van Essen en Helena Rasker) klinken samen haast als een shepardtoon, die met wrange stapjes tot in het oneindige lijkt door te stijgen. Hebben ze de wereld wel beter gemaakt? ”I’m pessimistic. Not pessimistic for me though, I won’t be here,” klinkt het even daarvoor.

Het is een van de sterke momenten uit de nieuwe opera We Are The Lucky Ones, die vrijdag in première ging tijdens het Opera Forward Festival. Het is de vierde samenwerking van componist Philip Venables (46) en regisseur Ted Huffman (48), die samen met Nina Segal (37) het libretto schreef. Daarvoor werden zo’n tachtig West-Europeanen uit de jaren veertig geïnterviewd over hun levensloop. Zo vonden zo’n 6.400 jaren aan herinneringen hun weg naar het podium in een collageachtig levensverhaal van dik anderhalf uur, dat meevoert van geboorte tot overlijden.

Lees ook

‘We are the lucky ones’: een collage-opera die je laat voelen wat het leven is

Familiefoto’s

Het libretto vlecht niet de grootse momenten aaneen, maar juist de al te herkenbare: van iets alledaags als voor het eerst een sinaasappel proeven tot een puppy in huis nemen, leren voor een proefwerk, lege-nest-syndroom, en je meubilair de deur uit doen. „I have three children but none of them want this furniture. They prefer the Scandinavian look,” zingt Rasker met veelbetekenende blik. Met de AI-gegenereerde familiefoto’s die op het verdere nagenoeg lege toneel worden geprojecteerd, voelt het alsof je door de diacollectie van je (groot)ouders klikt.

De acht naamloze zangers doen in 64 miniscènes hun verhaal aan het publiek – soms solo, soms samen – en springen van het ene levensverhaal naar het andere. Je als luisteraar inleven in een vastomlijnd personage dat obstakels overwint of juist ten onder gaat is er dus niet bij, maar dat deert geenszins. Door de geloofwaardige vertelkunst van iedere solist en de betekenisvolle bewegingsregie grijpt deze voorstelling je bij de kladden en wil je weten hoe het verder gaat.

Venables lijmt de levensflarden aan elkaar met contrastrijke en vaak glijdende orkestmuziek, met koper en percussie als basis en kleurrijke shots van piano, accordeon en saxofoon. De sfeer is duidelijk het Hollywood, de jazz en de ballroomscene van halverwege de twintigste eeuw, maar nergens wordt die sleets nageaapt. Het ritmische getik van woodblocks waarschuwt ondertussen dat de tijd onherroepelijk voortschrijdt. Zo flitst er een heel mensenleven aan je voorbij in deze overrompelende festivalopener die diep doordringt in hart én geest.


Componist Klaas de Vries: ‘Bach is een god, Beethoven een mens’

De componist is een lezer. Op de keukentafel liggen, naast de partituur van zijn nieuwe orkestwerk Cada instante twee opengeslagen boeken met de poëzie en het proza van de Argentijn Jorge Luis Borges. „Het zal zijn bij het schallen van de bazuin”, luidt de beginregel van diens gedicht Doomsday, dat Klaas de Vries (80) toevallig las drie jaar geleden, op een vroege ochtend, toen Rusland Oekraïne binnenviel. „Er is geen moment dat niet geladen is als een wapen”, schrijft Borges.

Het lezen ervan inspireerde De Vries tot zijn monumentale Cada instante, een grillig stuk voor een enorm orkest, dat de wereldpremière krijgt bij het Haagse festival Dag in de Branding. Zijn werk vormt er het middelpunt van. Achter de keukentafel in zijn flat lonkt de Rotterdamse skyline, maar De Vries richt zijn ogen op de partituur, vooralsnog enkel papier en inkt. En anders dan een schrijver heeft de componist daar niet genoeg aan. Meer dan honderd musici van het Residentie Orkest en het Koninklijk Conservatorium zijn nodig om zijn verbeelding tot leven te brengen.

Sommige bladzijden ademen rust en leegte, op andere lijken de noten uit hun voegen te barsten – tegenstellingen die ook het gedicht van Borges beheersen. Hij werpt er een zijdelingse blik op. „Er is geen moment dat niet de krater van de Hel kan zijn”, leest hij voor. „Er is geen moment dat niet het water van het Paradijs kan zijn.” De Vries wijst, glimlachend, op een woeste passage in de partituur. Hij schreef er voor de orkestmusici in het Engels een bemoedigende aanwijzing boven: „Probeer zo lang mogelijk samen te blijven. De grote trom geeft de inzetten aan. En mocht het fout gaan, verlies dan niet de energie in je spel. Faal met overtuiging.”

Mysterie

Naast Doomsday ligt een boek met Borges’ verzamelde proza. Het is opengeslagen op de slotpagina van diens essay De Muur en de Boeken uit 1950. Om de laatste zeven regels heeft De Vries met zwarte pen een lijn getrokken. De woorden van de Argentijnse denker weerspiegelen wat de componist nastreeft in zijn eigen werk. „Muziek”, citeert hij, „staten van geluk, mythologie, gezichten gevormd door de tijd, bepaalde schemeringen en bepaalde plekken willen ons iets zeggen, of hebben iets gezegd dat ons niet had mogen ontgaan, of staan op het punt ons iets te zeggen; die op handen zijnde onthulling, die zich niet voltrekt is, misschien, de esthetische werkelijkheid.”

Deze zoektocht, het mysterieuze aura dat kunst omringt, heeft De Vries altijd aangetrokken. Tekenen ervan zijn overal in zijn muziek te vinden, hoewel veel recensenten zijn werk het stempel Nederlandse nuchterheid geven. Het zit hem dwars. „Al heb ik dat misschien over mezelf afgeroepen door te zeggen dat een componist in de eerste plaats een vakman moet zijn. Maar verbeeldingskracht is altijd mijn drijfveer geweest.”

In dat opzicht vormen literatuur en muziek twee belangrijke pijlers onder zijn bestaan. Zijn vader – een rusteloze ingenieur die zijn nieuwsgierigheid achterna reisde van Terneuzen naar Groningen – las hem in zijn kindertijd de mythen uit de Finse Kalevala voor. Zijn moeder groeide op als boerendochter in Zeeuws-Vlaanderen. „Ze speelde piano”, vertelt De Vries. „Alle Beethoven-sonates, behalve de Hammerklavier.”

Op zijn veertiende vond hij in Groningen zijn muzikale roeping. „Een vriend van de middelbare school bezat een bandrecorder, plus een grote verzameling muziek. Bij hem ontdekte ik onder meer Bartóks Concert voor Orkest. Het slot daarvan greep me waanzinnig aan. En op een goede dag stond dat stuk op de lessenaars van de Groninger Orkestvereniging. Ik moest daar uiteraard naartoe. Aan het begin van de finale holde ik de zaal uit, omdat ik bang was dat het me teveel zou worden. Eenmaal buiten dacht ik: als muziek dit bij mij teweeg kan brengen dan moet ik musicus worden. De volgende dag leende ik de partituur van het Concert voor Orkest bij de bibliotheek. Ik kon noten lezen, want mijn moeder gaf me de eerste pianolessen op mijn negende. Daarna nam juffrouw Van Velzen het over. Zij schreef op mijn beoordeling: ‘Wil teveel en floddert daardoor.’ Ik heb na die concert-openbaring nooit meer omgekeken.”

IJkpunt Beethoven

De Vries studeerde eerst piano in Rotterdam en daarna compositie bij Otto Ketting in Den Haag. Hij bewonderde tijdgenoten als Louis Andriessen en Peter Schat. „Ik wist niet zo goed wat ik daaraan kon toevoegen”, herinnert hij zich. „Ik noem mezelf als componist vaak een betere of mindere imitator van mijn muzikale helden. Maar het besef drong al vroeg tot me door dat het zinloos was om de kunst bij levende vakgenoten af te kijken. Daarom zocht ik mijn inspiratie verder weg: bij de oude meesters en in literatuur. Mijn ijkpunt werd Beethoven. Ik denk altijd stiekem: het moet net zo goed zijn als Beethoven. Al blijft dat ideaal natuurlijk onbereikbaar. Sommige componisten worden nooit opgeslokt door het verleden, zij blijven tijdgenoten, in welke eeuw de mens ook leeft. Wat Beethoven doet met de simpelste thema’s grenst aan het ongelooflijke. Zijn muziek doet me denken aan de oerknal: vanuit een kleine kern schept hij een immens heelal, waarin we op eindeloze ontdekkingsreizen gaan. Bach zit ook vol van schoonheid en betekenis. Maar goed, Bach is een god, Beethoven een mens.”

Behalve componeren waagt De Vries zich de laatste jaren soms aan de literatuur. Zo stelde hij een monoloog samen uit fragmenten van zijn favoriete schrijver, de Portugese kameleon Fernando Pessoa. „Hij bedacht wel honderd pseudoniemen, want hij wilde een wereld van schrijvers zijn. Dat gevoel is me niet vreemd: ik kan er ook naar verlangen allemaal verschillende componisten te zijn.”

Behalve de Pessoa-monoloog schreef De Vries ‘heimelijk’ essays over muziek. „Één ervan gaat over een merel, die jaren geleden woonde in een boom achter ons huis in Antwerpen. Elke avond zat hij op een tak te componeren. Hij begon steeds met dezelfde openingstriller. En dan kwam een lijntje met een blue note. De volgende avond deed hij hetzelfde en ging – op het punt waar hij de vorige dag gebleven was – verder met een ander lijntje en een nieuwe blue note. Dat vond ik ongelooflijk. Mijn opstel begint met: ‘De vogel was geniaal.’ Een variant van de openingszin uit de roman Nooit meer slapen van Willem Frederik Hermans: ‘De portier is een invalide.’”

Festival Dag in de Branding rondom Klaas de Vries en György Kurtág is van 21 tot en met 23 maart in Den Haag. Info: dagindebranding.nl


Heel even lukt het de trompettist om zijn instrument van zijn lippen te trekken en bloedstollend te krijsen

Het Muziekgebouw in Amsterdam komt dit weekend weer even helemaal bij zijn kern: moderne klassieke muziek programmeren die wat verdieping vraagt van de luisteraar, maar die daardoor enorm kan raken. Vier dagen krijgen bezoekers muziek van de Finse componist Kaija Saariaho (1952-2023) geserveerd. Op de openingsavond, donderdag, krijgt de lekker volle zaal zowel Saariaho’s eerste soloconcert, vioolconcert Graal théâtre (1994), als haar allerlaatste voltooide werk, trompetconcert HUSH (2023).

Het eerste deel van Graal Théâtre heet dan wel ‘Delicato’, soloviolist Joseph Puglia zet in op een uit onvastheid geboren schizofrene paniek: paniek vanwege zijn vluchtig zoekende streek, alsof hij een tooncentrum maar niet kan vinden, en schizofreen omdat door streekjes op een naastgelegen snaar bijstemmetjes lijken te klinken. Orkest Asko|Schönberg speelt ondertussen een spooktheater, waar voortdurende dreiging uiteindelijk enger blijkt dan daadwerkelijk gevaar.

Puglia is niet alleen technisch geweldig, hij blijkt ook een sterk verhalenverteller: langzaam wint zijn betoog aan kracht. Dirigent Ernest Martínez Izquierdo laat A|S meegroeien en weerwoord bieden, tot aan het einde van ‘Delicato’ de twee, solist en orkest, samen lijken te zijn gegroeid. In het andere deel, ‘Impetuoso’, krijgt Puglia iets minder verhalenverteltijd: daarvoor heeft hij – met stille tussenpozen – te veel over het hele spectrum verspreide snelle noten. Maar als de rust aan het einde terugkeert, is het alsof Puglia voor het eerst de rust vindt om met afschuw terug te kijken.

Violist Puglia is niet alleen technisch geweldig, hij blijkt ook een sterk verhalenverteller

Leuk en imposant detail: voor de rest van het programma schuift Puglia gewoon aan in het ensemble. Dat is ongebruikelijk – een solist richt zich eigenlijk altijd louter op diens soloconcert, want dat is al moeilijk genoeg. Maar Puglia draait zijn hand niet om voor nog twee ingewikkelde partijen. Vóór HUSH klinkt nog een klein orkestwerkje, Solar, dat zich duidelijk in hetzelfde klankuniversum afspeelt als Graal théâtre, al is het nu wat massiever. Er schijnt ook elektronica mee gemoeid te zijn, en inderdaad staan er een laptop en een keyboard naast een van de piano’s. Af en toe wisselt de pianist even van klavier, maar het verschil is niet te horen. Steeds als je denkt: dit zal wel elektronisch zijn, is het toch weer een akoestisch instrument in een gek register of met een opvallend contrasterend solootje.

Lees ook

‘Vijf luistertips: Sciencefictionmadrigalen en de akoestiek van een besneeuwd landschap: in Amsterdam hoor je dit weekend het klankuniversum van componist Kaija Saariaho’

Componist Kaija Saariaho.

Trompet als muilkorf

HUSH schreef Saariaho toen ze wist dat ze stervende was. Onder andere het geluid van de MRI-scans waren inspiratie. Ze schreef het voor jazztrompettist Verneri Pohjola, die ook donderdag de solist is. Hij lijkt gespannen, of op zijn minst diep geconcentreerd. Als hij even niet speelt, grijpt hij zijn trompet vast als iemand die houvast probeert te vinden aan een reling. Hij fronst, schudt nee, zucht; het beeld matcht op geen enkele manier met zijn topprestatie.

Weer is er dat omineuze landschap, maar nu klinkt er eerder een lege vlakte, ondanks dat A|S flink is uitgebreid (met veelal jonge musici, leuk). Pohjola speelt noten en zelfs trillers die meer lucht dan toon zijn. Het klinkt verdwaald, verloren, als een jazztrompetist met amnesie. Af en toe speelt hij een oorverdovende uitroep, die eindigt in rochelen, wiebelen en zuchten. Weer zijn er die schizofrene bijgeluiden.

En dan is er in het derde deel ‘What ails you?’ een moment dat nu al linea recta het lijstje meest memorabele momenten van 2025 in gaat. De paniek die Saariaho in Graal théâtre al had is terug, maar nu op een claustrofobische manier – Pohjola’s trompet krijst als een kleine dinosaurus. Zijn speler en trompet eigenlijk wel één, begin je je af te vragen. Nee, blijkt, als Pohjola het ineens uitschreeuwt, alsof zijn trompet hem tot dan toe de mond snoerde en hij zich één seconde los weet te wurmen. Het is een bloedstollend moment, zeker omdat hij zelf zijn trompet weer terug op zijn mond forceert, terwijl hij door blijft gillen, zodat zijn doodsangst door een trompettoon heen klinkt.

In het slotapplaus houdt dirigent Izquierdo nog even de partituur van HUSH omhoog: het laatste applaus is voor Saariaho.

In de Saariaho-luistergids van NRC staan andere hoogtepunten uit het programma van het Saariaho Festival.

Lees ook

Lees ook een interview met Kaija Saariaho: ‘Een ouder geeft zichzelf overal de schuld van’

In de opera Innocence wordt gezongen in negen talen.


In Rouvali’s nevelige Sibelius wil het zonnetje maar niet doorbreken

Als de Finse dirigent Santtu-Matias Rouvali te gast is weet je één ding zeker: saai wordt het in elk geval niet. Alleen zijn balletachtige armzwaaien zijn al fascinerend om te zien. De baton houdt hij vast als een lichaamsvreemd object, ver voor zich uit gestrekt, soms priemend in het orkest gestoken alsof er elk moment een toverspreuk uit kan vliegen. Het Koninklijk Concertgebouworkest laat zich er deze week flink door oppoken, maar van betovering komt weinig terecht. Het grootste deel van de avond zit je vooral te hopen op wat reinheid, rust en regelmaat.

Er klinkt geliefd repertoire: de Vijfde symfonie van Rouvali’s landgenoot Jean Sibelius, voorafgegaan door solist Kirill Gerstein in Sergej Rachmaninoffs Derde pianoconcert. Het kleinbezette Fractured time van componist Anna Clyne (1980) fungeert als jachtige opmaat.

Kennelijk hebben dirigent en pianist uiteenlopende opvattingen van hoe Rachmaninoff moet klinken. Je vraagt je af wat er in de repetities is besproken, want waar Gerstein het eerste deel benadert als een Arabische volbloed, met frases die elegant opwellen en weer in de ruimte verdwijnen, dendert Rouvali als een boerenknol door de orkestpartijen. Climaxen worden haastig platgetreden. De pianist is virtuoos genoeg om de boel bij te benen, maar ruimte voor adem of articulatie krijgt hij niet. Soms wordt zijn aandeel zelfs volledig overspeeld.

Poëtische verbeelding

Pas in de lange solo-cadens (en in Gersteins toegift, de lyrische ‘Mélodie’ uit Rachmaninoffs Morceaux de fantaisie) hoor je wat je eerder hebt gemist. Poëtische verbeelding, een dosis melancholie – aan de Russisch-Amerikaanse meesterpianist zal het niet gelegen hebben. Hij kan de vleugel heerlijk laten zingen, zolang-ie de gelegenheid maar krijgt.

In de ‘Finale’ van het pianoconcert, eindelijk, synchroniseren alle musici hun galop. Droog knetterende trompetten kondigen het naderende einde aan, en hoor, daar flitsen Gerstein en het orkest gezamenlijk over de finish.

Dan die Vijfde symfonie: een taaie puzzel voor Sibelius. Hij reviseerde het werk grondig, en tevreden was hij pas jaren later met een derde versie. Daarin smeedde hij de eerste twee delen op briljante wijze aan elkaar, maar gaf hij de hele symfonie ook een volkomen nieuw karakter. Is de oerversie nog schimmig en nevelachtig – een voortvloeisel uit zijn raadselachtige Vierde – in de revisie breekt de Finse boslucht open. Mist klaart op, zwanen trekken monter over. De orkestratie is wat opgeschoond, een aantal houtblazersmotiefjes zijn doorgeschoven naar de trompet, en de symfonie maakt een meer heroïsche en opgeruimde indruk.

Lees ook

Rouvali geeft KCO een hermetische klank

Santu Mathias Rouvali

Ongedifferentieerd geluid

Bij Rouvali wil het zonnetje niet doorkomen. Hij slaagt er maar beperkt in klaarheid te scheppen tussen orkestgroepen, die Sibelius in laagjes op elkaar heeft gestapeld. Als je elk laagje hetzelfde gewicht meegeeft, krijg je een dik en ongedifferentieerd geluid. Vooral de strijkers missen vanavond scherpte.

Het slot van het openingsdeel wordt zo’n kloeke massa, dat haast geen enkele partij meer te onderscheiden is – een prestatie op zichzelf in de topakoestiek van Het Concertgebouw. Gelukkig is de trompetsectie van het KCO sterk genoeg om haar melodie nog boven het maaiveld uit te krijgen.

Is er dan niks moois? Natuurlijk wel. Wat Rouvali verliest aan scherpte en precisie, wint hij aan klankkleur en onstuimige kracht. De houtblazers grommen, het koper is lekker smeuïg. Maar Rouvali heeft de neiging contrasten in de partituur uit te melken, met vreemde tempowisselingen en zelfverzonnen climaxen. Van de twee bliksemende paukenvoorslagjes in de slotmaten maakt hij logge kwartnoten. Dat past misschien wel bij zo’n gecondenseerde verklanking van de Vijfde, maar niet bij het heldere karakter waarop Sibelius zo lang heeft geploeterd.


In ‘tiendesprongen’ van planten naar planeten in de Leidse Hortus

Als je in de Hortus Botanicus aan het Rapenburg in Leiden – waar eind zestiende eeuw de eerste tulp in Nederland werd gekweekt – doorloopt naar het gebouw van de Oude Sterrewacht, helemaal links achterin, dan ga je een tentoonstelling binnen die wat je daarvoor gezien hebt, de planten en wie weet, een wit stukje maan aan een blauwe hemel, zoals op deze donderdag in maart, toont zoals je ze met het blote oog niet kunt waarnemen, soms omdat het zo klein is dat je een microscoop nodig hebt om het te zien, soms omdat je er de aarde voor moet verlaten. De tentoonstelling begint bijvoorbeeld met een foto van de aarde als ‘pale blue dot’, gemaakt door ruimteschip Voyager. Hij lijkt kleiner dan het kleinste zaad, dat van een orchidee, dat je op de tentoonstelling echt onder een microscoop kunt bekijken. Ernaast ligt het grootste zaad, een coco de mer.

Was ik nog maar acht! Planten & Planeten is gemaakt voor mensen vanaf een jaar of acht, en hoort bij de viering van het 450-jarig bestaan van de Universiteit Leiden. Het lijkt me geweldig om hier voor het eerst orchideezaad en een zeekokosnoot te zien en een heleboel andere dingen, want in slechts een paar donkere kamertjes onder in de Sterrewacht lukt het inderdaad om een inspirerende reis door tijd en ruimte te maken. Maar voor oudere bezoekers is er ook genoeg nieuws, bijvoorbeeld de tekeningen die Jean-Marc Coté in 1900 over het jaar 2000 maakte. Vergeet vooral niet in alle laatjes te kijken.

Een stuk meteoriet, ouder dan de aarde.
Foto Hortus botanicus Leiden

Tiendesprongen

De expositie, die vijf jaar te zien zal zijn, is opgehangen aan het concept tiendesprongen, waarbij iets telkens met een factor tien wordt verkleind of vergroot. Het idee werd bedacht door de Nederlandse pedagoog Kees Boeke en door hem onder meer uitgelegd in het boek Wij in het heelal, een heelal in ons (1959). Beroemder is de korte film die de Amerikaanse ontwerpers Charles en Ray Eames in 1977 naar Boekes idee maakten, Powers of Ten, waarin je een man op een picknickkleed aan het meer van Chicago ziet liggen en er eerst steeds wordt uitgezoomd en we het heelal in gaan, en vervolgens wordt ingezoomd, eerst terug naar de man op het picknickkleed en vervolgens hup! door de huid op de hand van de man heen tot we de kern van een atoom induiken. De film is op de tentoonstelling te zien; dat is al genoeg reden om erheen te gaan; hij maakt hier nog meer indruk dan op YouTube.

De reis door tijd en ruimte wordt in de Sterrewacht verrijkt door kunstwerken. Dat werkt hier goed, waarschijnlijk door de slimme keuze van kunst en kunstenaars door curator Meta Knol, voormalig directeur van Leids museum De Lakenhal, die samen met astronoom Frans Snik de expositie samenstelde. Er zijn bijvoorbeeld foto’s van bladeren van de fotografe Elspeth Diederix, een soort fotocollages gemaakt in de Hortus, die meteen uitnodigen om daar zelf weer te gaan kijken. Van visueel kunstenaar Oscar Santillán is er een serie gymschoenen te zien die hij in tiendesprongen liet verouderen.

Jos Agasi, Lens, 2025.
Foto Naor Scheinowitz

Van kunstenaar Jos Agasi is er een installatie waarin licht schijnt door tientallen oude paslenzen van opticiens, die nu eens vergroten en dan weer verkleinen. Het mooiste is dat het onderscheid tussen kunst en wetenschap of tussen kunst en natuur hier prettig vervaagt. Alles vraagt om verwondering. Er komt geen einde aan!

Uit die weelde dan hier nog maar een tekst van Christiaan Huygens uit zijn Cosmotheoros, een verhandeling uit 1695, oorspronkelijk in het Latijn geschreven, over de mogelijkheid van buitenaards leven, voor het eerst sinds 1699 weer in het Nederlands vertaald (door Daphne Stam): „Het is bijvoorbeeld leerzaam om onszelf in gedachten ver van de Aarde te plaatsen, haar vanaf daar te bekijken, en ons af te vragen of het de enige planeet is met natuurschoon. Op die manier kunnen we beter begrijpen wat de Aarde nu precies is en hoe we haar op waarde moeten schatten: net zoals mensen die verre reizen maken vaak een scherper oordeel hebben over de toestand van hun eigen land dan zij die er nooit een voet buiten hebben gezet. Degene die zich, mede dankzij onze redeneringen, kan voorstellen dat er meer werelden zoals de Aarde zijn, met hun eigen bewoners, zal bovendien minder onder de indruk zijn van waar men zich hier op Aarde zo druk over maakt. Dat bolletje waarop mensen zoveel werk verrichten, zoveel rondreizen, en zoveel oorlogen voeren.”

Tentoonstelling: Planten & Planeten. Hortus Botanicus, Leiden. T/m 2030. Info: hortusleiden.nl


Fenomenale Daniël Kolf laat ‘De dood van Benny Simons’ vliegen

„Twee had ik aangekund. Maar ik zag die derde niet.” Bij aanvang van De dood van Benny Simons is meteen duidelijk hoe Benny zich in een gevecht op straat liet lokken en om het leven kwam. Daniël Kolf is Benny, de knokgrage jongeman, en hij eist meteen de aandacht op met zijn energieke boksbewegingen en grote mond. In de negentig minuten dat Benny’s leven wordt geschetst, tekent Kolf met zijn aanstekelijke, overrompelende spel een gelaagd portret van een vrolijke branie die ook een bedremmeld jochie is.

In zijn eerste theaterregie vond filmregisseur Shady El-Hamus (De libi) een knappe vorm om dat leven te tonen. Kolf is deels verteller, deels commentator, deels deelnemer in scènes met zijn vader, moeder, broertje en vriendin.

Cruciaal, want symbolisch voor de invloed van ouders, is het moment dat Benny als tienjarige niet in het zwembad durft te springen. Ondanks de hevige, vloekende aanmoedigingen van zijn vader, van wie in twee zinnen een turbulente achtergrond wordt geschetst. Kolf belichaamt moeiteloos dat bange kind, bevroren op de waterrand. Zoals hij ook het trillende, dan boze, dan trotse kind is dat van zijn vader terug moet vechten op het schoolplein. Zijn vechtlust is hem aangepraat.

Liefdevol portret

Met zijn soepele tred in zijn royale zwarte pak straalt Kolf zelfvertrouwen uit als puber. Prachtig en hilarisch is hoe hij solo zijn eerste vrijpartij als veertienjarige met een meisje uitbeeldt, van onhandig naar genietend. Maar dan laat hij zich ook kennen als onsympathiek rotjoch. Die charmante blik behoort opeens toe aan een jongen die zijn valse gedrag goedpraat.

De dood van Benny Simons is geen heiligverklaring van het slachtoffer van zinloos geweld. In de kern is het een liefdevol portret van een kwetsbare jongen, opgevoed door een zorgzame moeder en een gevoelsarme vader. De band met die ouders is sterk. Als hij zijn vader onverwacht een keer ziet huilen, vraagt Kolf hem heel klein: „Gaat het, pa?” Dat zinnetje, en dat zachte geluid barsten van de genegenheid.

De tekst van Shady en zus Ashgan El-Hamus is een schoolvoorbeeld van effectiviteit, die de acteurs alle ruimte geeft emoties te kleuren. Dat doen ze: Kolf, en naast hem Sidar Toksöz en Sophie Höppener als vader en moeder, dubbelend als broertje en vriendin. Een belangrijke schakel is de soundtrack van een ijzersterk live-trio. Hun muziek jubelt en swingt in dansscènes en schuurt op pijnlijke momenten.

Dit komt samen in een verhaal dat niet gaat over spijt of schuld, maar over hoe een kind wordt gevormd, en hoe het worstelt om volwassen te worden. Hij wordt iemand die gemist gaat worden. Dat ontroert. In al zijn ogenschijnlijke eenvoud is De dood van Benny Simons theater op zijn best: emotioneel, puur, intiem.


Grieks ultra-orthodox parlementslid vernielt vier kunstwerken in een nationaal museum in Athene

Het Griekse parlementslid Nikolaos Papadopoulos wordt ervan verdacht een aantal kunstwerken uit het nationaal museum Alexandros Soutsos in Athene te hebben vernield. Maandag zouden Papadopoulos en een onbekende tweede persoon vier schilderijen van de muur hebben gehaald en op de grond hebben gegooid, waarbij het glas in de lijsten brak. Dit meldt persbureau AP.

Deze werken van kunstenaar Christoforos Katsadiotis maken deel uit van de tentoonstelling The Allure of the Bizarre. In de expositie toont Katsadiotis een aantal religieuze figuren en thema’s op ironische wijze in een modern jasje.

Eerder bekritiseerde Papadopoulos, lid van de rechtse ultra-orthodoxe Niki-partij, in het parlement al een van de schilderijen. Hij beweerde dat het kunstwerk godslasterlijk is naar het orthodoxe christendom, de grootste religie in Griekenland.

Volgens The Art Newspaper schreef Papadopoulos een week voor de vernieling een brief aan de directeur van het museum. Hierin beweerde hij dat de bewerkingen van religieuze figuren zoals Maria en Sint-Joris niet tot kunst zouden behoren, maar een directe aanval zouden vormen op „het geloof, de culturele identiteit en wortels van de natie.”

‘Vrijheid van meningsuiting’

In een reactie zegt kunstenaar Katsadiotis dat zijn schilderijen vallen onder de vrijheid van meningsuiting. Volgens hem hebben kunstenaars het recht om hun persoonlijke standpunt te uiten en daarmee de vragen te stellen die ze willen stellen.

De raad van bestuur van het museum sluit zich hierbij aan. In een statement stellen de bestuurders het verzamelen, bewaren, promoten en documenteren van artistieke creaties voorop, en veroordelen vandalisme, geweld en pogingen tot censuur.

Papadopoulos werd na enkele uren arrest vrijgelaten, meldt AP. Het is nog onduidelijk of het parlementslid wordt aangeklaagd.