Enge mannen? Hij komt ze niet tegen, zegt Ted. Als tiener fietst hij ’s nachts door het bos, soms extra langzaam, nieuwsgierig naar wat daar gebeurt, wat de mannen daar doen. Ze zoeken liefde, denkt hij, hebben weinig kwaads in de zin. Dus stapt hij soms bij ze in de auto.
Ted is de hoofdpersoon van theatervoorstelling Schuldig kind over een jongen die een man ontmoet, die seksuele interesse in hem toont. Hij is op dat moment een knul van een jaar of elf die gepest wordt, zoekt naar vriendschap en graag bijzonder gevonden wil worden. Hij wil later schrijver, tekenaar of architect worden; de vriendelijke man zegt hem te willen helpen om zijn dromen waar te maken. Dat is het begin van een reeks ontmoetingen, waarin hij steeds verder gaat in de zoektocht naar intimiteit met de jongen. Er is genegenheid, misschien zelfs iets dat op liefde lijkt, maar je ziet vooral ook een volwassen man die een veel te jonge jongen er – stapje voor stapje – inluist.
Nachtelijke tochten
Schuldig kind is gebaseerd op de gelijknamige roman en op het – eveneens autobiografische – Mijn meneer van de bekroonde auteur Ted van Lieshout. Regisseur Belle van Heerikhuizen vulde deze verhalen aan met andere teksten van de schrijver, zoals gedichten of citaten uit interviews. De hoofdpersoon laat ze spelen door drie acteurs, die bepaalde kanten van Teds karakter uitvergroten.
In rake dialogen springen de Teds door de tijd: van puber – terug naar kindertijd, naar flarden van een volwassen leven. De ontmoetingen met de eerste man krijgen een vervolg wanneer Ted als tiener experimenteert met zijn homoseksualiteit tijdens nachtelijke tochten door een bos, waar mannen ‘cruisen’. Hij laat zich betalen voor seksuele handelingen, komt gewelddadige kerels tegen, maar blijft uitgesproken mild. Toch kun je je niet aan de indruk onttrekken dat deze roekeloze avonturen voortkomen uit zijn ervaringen als elfjarige.
Tederheid
Het decor, een rode bank tussen een paar berken, ademt intimiteit. Het is een plek waar je je kan verschuilen, maar waar ook duistere geheimen sluimeren; een plaats tussen onbezorgd verstoppen en een angst voor wat zich in het donker ophoudt. Dat is een tegenstrijdigheid die uit de hele tekst spreekt: Ted is vrolijk, wil ontdekken en liefhebben, maar loopt al snel tegen de grenzen van zijn vrijheid aan.
Opvallend genoeg is Schuldig kind geen loodzware voorstelling. De thematiek is indringend, roept vragen op en zet aan tot verder nadenken over (on)schuld en slachtofferschap, maar de voorstelling kan ook onverwacht licht zijn in momenten waarop Ted tederheid ervaart. Tegelijkertijd maakt dat de situatie des te schrijnender. Doordat zijn ervaringen niet alleen negatief zijn, voelt Ted zich schuldig. Hij kan zijn gevoelens niet rijmen met de maatschappelijke walging over pedoseksualiteit, maar is duidelijk ook beschadigd door wat er is gebeurd.
Onwrikbaar
Al die verwarrende en door elkaar lopende gevoelens worden prachtig gespeeld door de drie acteurs. Sander Plukaard stuitert over het toneel als een jonge hond, kwetsbaar en onbezonnen tegelijk. Florian Myjer is bedachtzamer. Hij wikt en weegt, probeert verstandige beslissingen te nemen in onalledaagse situaties. Bram Coopmans focust, veelal woedend, op de schade die het misbruik heeft aangericht. Emoties wisselen, perspectieven schuiven, maar de verhaallijn blijft onwrikbaar overeind.
Lees ook
In theaterstuk over pedofilie maakt Belle van Heerikhuizen loodzwaar thema licht. ‘Als iets topzwaar is, gaan de deuren dicht’
Schuldig kind is duidelijk: seks tussen volwassenen en kinderen kan niet. De volwassene zadelt het kind op met verwarrende gevoelens, een geheim waar het geen raadt mee weet, iets dat uit kan groeien tot een trauma van formaat. Maar doordat het personage Ted met een zekere vriendelijkheid terugkijkt op zijn jeugd wordt zwart/wit-denken getart. Het maakt Schuldig kind tot een huiveringwekkende en gelaagde voorstelling, die nog lang bij zal blijven.
De opening van Nina Speelt, het derde programma van Nina de La Parra is er een in klassieke clownsstijl: het publiek vorsend aankijken, tijd rekken om de verwachtingen te laten oplopen, geheimzinnig een tas tonen en daar dan een roos uit tevoorschijn toveren. De rode clownsneus hangt aan een draadje om haar nek en zal daar tot het einde toe blijven bungelen.
Waarom ze haar clownsneus niet op heeft, blijkt uit de rest van het programma. In het eerste lied zingt de 38-jarige theatermaker, te midden van een decor van oude koffers, over haar gebroken hart en haar onmetelijke rouw. Wat ze wil, is „beter leren falen” en daarom gaat ze „een experiment” aan dat oncomfortabel zal zijn, „vooral voor jullie”.
Wat volgt is een uur lang verkleedpartijen en scènes met publieksparticipatie: een huwelijk, een ontsnapping van een gevangene en euthanasie. De tot deelnemen verleide theaterbezoekers doen hun best, maar het is toch alsof je in de reality-tv-hel terecht komt – terwijl je daar in het theater juist aan probeert te ontsnappen. Veel gehannes, veel ongemak, melig op zijn best.
Terwijl je, zodra De la Parra zelf een act doet, meteen flitsen van haar charismatische talent ziet. Zoals wanneer ze een uitdagende versie van de musicalsong ‘My heart belongs to daddy’ zingt, inclusief de bijbehorende, provocerende striptease. Of wanneer ze een gedragen versie van ‘Je, ne regrette rien’ ten beste geeft.
In het laatste half uur vertelt De la Parra, plots bloedserieus, over het ziekbed van haar vader in Paramaribo
Vader Pim
In het laatste half uur slaat de stemming om. De la Parra vertelt, plots bloedserieus, over het ziekbed van haar vader in Paramaribo. Ze noemt zijn naam niet, maar het betreft de afgelopen september overleden Surinaams-Nederlandse filmer Pim de la Parra. Ook klaagt ze dat haar manager haar tournee niet geboekt krijgt, omdat ze „nergens te plaatsen” is, dat ze sowieso niet plaatsen is als „witte, Nederlandse Surinamer” en dat ze „bijna gecanceld” is omdat ze met Surinaams accent praat op het podium. Ze vraagt zich getergd af waarom verschillen tussen mensen constant benoemd moeten worden.
In het verhaal over het sterfbed van haar vader komen de lijntjes bij elkaar. De prachtige, geestige kostuums van de verkleedpartijen verwijzen naar de gespannen verhouding met haar vader. De pruik met staartjes en geruit rokje, de kruising tussen piraat met ooglapje en Engelse lord met stok, en de verpleegster in rode lakjas: elke creatie symboliseert liefde, trauma, pijn en vreugde. Bij haar vader lag echt een gevangene op de zaal en die evil nurse is de zijne.
De rouw om haar vader slaat haar lam, verklaart ze: haar hart is gebroken, ze kan niks meer. Maar er zijn ook vreugdetranen. Met haar vader zat ze gevangen in een „pijnlichaam”, maar het trauma waait nu weg. Zo zet ze de volgende stap, naar een oproep om samen te spelen. „Liefde is het vieren van onze verschillen”, predikt ze.
De la Parra maakt in theorie een keurig afgeronde constructie van haar programma, over een rouwende vrouw die haar daddy-issues moet verwerken en zich dan bevrijd voelt. Maar aan de inzet van publiek en de uitleggerige aanpak merk je dat ze nog onvoldoende afstand heeft kunnen nemen om het particuliere tot dramatisch materiaal te kunnen omsmeden. Te hopen valt dat ze de clown in zichzelf, waar ze aan het einde trouw aan zweert, een volgende keer weer heeft teruggevonden.
‘Het woord toevluchtsoord is nog nooit zo belangrijk geweest als nu. Dat voelde ik ook toen ik de film The Brutalist zag [over de architect László Toths die de Holocaust overleeft en dan in de VS terechtkomt], en dat voel ik ook als ik werk”, vertelt de Oost-Vlaamse kunstenaar Berlinde de Bruyckere (1964) wanneer we elkaar spreken in het Brusselse kunstcentrum Bozar. Met haar werken vol wezens zonder hoofd en een zoektocht naar compassie is De Bruyckere een superster in de beeldende kunst geworden. Op de laatste Biënnale in Venetië kreeg ze voor haar City of Refuge III (een verwijzing naar een nummer van Nick Cave) zelfs de volledige kerk met abdij van San Giorgio Maggiore tot haar beschikking.
In het Bozar is nu de overzichtstentoonstelling Khorós te zien met oud en nieuwe werk dat ze koppelt aan kunstenaars die haar inspireren. En ze maakt deel uit van de expositie Compassion in het Antwerpse museum MAS, waar een piëta uit 2008 van haar te zien is. In Bozar gaat ze een dialoog aan met onder meer de Italiaanse filmer Paolo Pasolini, de Amerikaanse zangeres Patti Smith en de 16de eeuwse schilder Lucas Cranach de Oude. Van Cranach koos ze Salome met het hoofd van Johannes de Doper (ca. 1530) en dat is interessant omdat De Bruyckere zelf menig beeld heeft onthoofd.
Uw Jezus heeft geen hoofd in de Piëta, en sowieso zijn uw beelden doorgaans onthoofd. Waarom is dat?
„Omdat een gezicht voor mij te direct de conversatie bepaalt. In een gezicht zit herkenning, maar ook reactie. Een glimlach, traan, de kleur van ons haar, het type bril, et cetera. Het naakte lichaam daarentegen is van iedereen. Ik probeer dat lichaam in mijn beelden expressief tot uitdrukking te brengen en dan is een hoofd niet nodig. Hoewel hier wel een paar sculpturen met paardenlichamen zijn, waar het hoofd nog wel op zit, maar dan gaat het ook niet echt om het hoofd.”
Heeft u ooit overwogen met maskers te werken?
„Nee. Ik denk dat dit nep zou zijn.”
De hoofden op uw beelden waren aanvankelijk met kleden bedekt, toen door haren die voor het gezicht hingen. De dekens stonden enerzijds voor het keurslijf, maar ook voor bescherming tegen de buitenwereld. Toen ging het hoofd eraf, en nu bieden dekens noch haren bescherming meer. Was dat een moeilijke beslissing?
„Sommige beslissingen – of de meeste eigenlijk – neem ik niet bewust in mijn werk. Die maak ik vanuit het hart en dan ben ik heel zeker, om me pas daarna af te vragen: waarom heb ik dat nu gedaan? Dus ik denk dat het gebruik van de deken door de jaren heen… altijd is verminderd en verminderd. Die dekenvrouwen maakte ik in het begin, die iconische beelden zijn er nu. Uiteindelijk zijn het er niet zoveel, maar ze blijven me achtervolgen. Die beelden kan je niet blijven maken, daarom ben ik ermee gestopt.”
In de catalogus staat dat u vreest voor het gevaar van het verdwijnen van compassie door de vele beeldschermen. Wat is compassie volgens u?
„Mededogen en medeleven. Dat we naar alle beelden kijken die op ons afkomen, maar dat er ook een remming is. Ik ken mensen die niet meer naar het journaal kijken of de krant niet meer lezen om zich zo af te schermen tegen al het leed. Ik denk juist, en in mijn werk gaat het heel vaak daarover, dat kwetsbaarheid veel toelaat. Met mededogen, medeleven en kwetsbaarheid wordt heel veel creativiteit en vrijheid toegelaten.”
Foto Wouter Van Vooren
De kunstenaars die u koos voor deze expositie om mee in dialoog te gaan, onderzoeken allemaal het geloof op een individuele manier. Is dat bewust?
„Nee, wat mij betreft gaat het vooral om spiritualiteit, om ruimte zoeken. Ze zoeken in hun werk naar mogelijkheden om op grote vragen die we hebben in ons leven antwoorden te vinden, en om die een plek te geven. En het gaat om rituelen.”
Bent u nog gelovig?
Na een korte aarzeling: „Ik ga vooral naar begrafenissen, in de kerk, maar ik ben niet meer praktiserend. Het geloof is wel bepalend voor hoe ik in het leven sta, en als het gaat om het toepassen van normen. Dat komt allemaal voort uit mijn katholieke opvoeding, in de zin van compassie, medeleven, mededogen en proberen een goed mens te zijn. En op die plekken, in zo’n kerk, krijg je een gevoel van monumentaliteit, van samen zijn. Daar geloof ik heel sterk in.
„Als ik denk aan… plekken om afscheid te nemen, van rouwende mensen in crematoria, gruwel ik daarvan. Dat zijn geen goede plekken, ook om wat er getoond wordt: een fotoreportage, een kleinkind dat in tranen uitbarst terwijl er iets wordt verteld over opa en oma. Ik vind dat niet de juiste manier om afscheid te nemen van iemand. Het kan erbij, maar de ideale begrafenis voor mij heeft oog voor het ritueel. Dat je in een kerk zit, de dienst in het Latijn houdt en niemand er een woord van begrijpt, maar dat je wel samen bent op zo’n plek. Veel mensen zijn daar naar op zoek.”
En verandert de betekenis van uw werk als het bijvoorbeeld in de kerk en abdij in Venetië hangt of bij de triënnale in de kerk bij het klooster van de Heilige Driehoek?
„Als ik kijk naar een van de engelen, waarvan er hier ook één staat, stond in Venetië in een totaal andere opstelling. We hebben een nieuwe sokkel moeten maken, die veel lager is dan in Venetië. En van één beeld uit de serie die we tijdens de Heilige Driehoek getoond hebben, is de impact hier in het museum toch kleiner. Hier houd je rekening met de zalen, de verhouding tot de zalen is belangrijk en daarvoor kies ik het juiste werk.”
Dan gaat het om vorm, maar verandert ook de betekenis? Was het bijvoorbeeld anders om ‘City of Refugee III’ te maken in de Venetiaanse abdij omdat in Italië er meer vluchtelingen zijn dan hier?
„De Biënnale van Venetië is iets groots voor de kunstwereld, maar klein als het gaat om het hele verhaal van Italië. Mensen die naar Venetië komen, de San Giorgio Maggiore bezoeken, zijn er dus gewoon om daar naar kunst te kijken. Het grote migratieverhaal van Italië komt daar niet aan de orde. Het gaat mij er vooral om wat City of Refugee betekent: toevluchtsoord. De migratietoeloop kunnen we niet stoppen. We hebben te veel beloofd en kunnen onze beloftes niet waarmaken. De boodschap van [de Duitse oud-kanselier] Angela Merkel met ‘Wir schaffen dass’ is niet meer realiseerbaar. Daar zijn we niet op voorbereid geweest, maar het is nu de realiteit.”
Kunst heeft daar natuurlijk geen oplossing voor. Wat kan kunst dan wel?
„Met kunst kan je op de meeste vragen geen antwoord geven, misschien zelfs vooral meer vragen oproepen. Maar je kan ook herkenning oproepen, een andere dan die in de huiskamer binnenkomt. Mijn werk vertraagt, er zitten veel lagen in. En dat is ook wat je in Khorós terugziet: samenzang en verschillende stemmen. Zo is het ook in onze maatschappij, we zijn allemaal op zoek naar andere dingen, maar uiteindelijk worden we allemaal geconfronteerd met het moment van afscheid moeten nemen.”
Foto Wouter Van Vooren
Nog even terug naar de compassie en uw dialoog met schrijver J.M. Coetzee die u jaren geleden op de Biënnale in 2013 maakte. Ziet u zijn roman ‘Wachten op de barbaren’, over decreten om mensen te vervolgen, als een boek over compassie of het vernietigen van compassie?
„Bij hem is dat heel dubbel. De ene keer lees ik het als compassie, de andere keer als de vernietiging ervan. Dat is eigen aan Coetzee: hij toont de mens op zijn eerlijkst, en die mens is in staat om gruwelijkheden te verrichten, maar ook om dat toe te geven. Hij toont dat de mens niet volmaakt is, dat we allemaal dat inslechte in ons hebben.”
De personages van Coetzee hebben in zijn romans steeds meer moeite met het vinden van enige compassie, ze hebben ook steeds minder woorden tot hun beschikking om nog liefde of compassie te kunnen uiten. Bent u ook bang dat compassie op een gegeven moment ook voor niet meer te tonen is?
„Dat denk ik niet. Ik vind dat we moeten vasthouden aan dat fragile moment om compassie te tonen, dan zijn we op ons mooist. Meestal tonen we dan ons verdriet of laten we ons gaan. Die kwetsbaarheid is heel sterk, omdat je dan een ander toelaat. Doe je dat niet, dan is het zinloos.”
Wat weegt er zwaarder in uw werk? Compassie of machteloosheid?
„Machteloosheid is wat mij bezig houdt, zoals zo velen. Zeker in de situatie waarin we nu leven. Dat je wel kunt proberen met je werk iets te verleggen, terwijl je weet dat dit allemaal druppels zijn op een hele hete plaat. Het gevoel van machteloosheid ervaar je dan sterk, maar je mag daar niet te lang mee bezig zijn, machteloosheid houd je tegen om iets te doen. Compassie doet dat niet, die vormt een constante om verder te gaan. Mijn werk gaat over die compassie en dat mededogen, zonder sentimenteel te worden. Sentiment is immers tijdgebonden.”
Berlinde De Bruyckere: Khorós is t/m 31 augustus te zien in Bozar, Brussel. Info: bozar.be
Zijn transformatie tot entertainer zal wellicht even wennen zijn voor sommigen, aldus Tim Fransen (36). Aanvankelijk trakteert hij het publiek in Onbekommerd hoofdzakelijk op goochelwerk, variétévermaak en een hertaling van ‘Make ‘Em Laugh’ uit de musicalfilm Singin’ in the Rain (1952). Ogenschijnlijk best indrukwekkend hoe hij een Rubiks kubus oplost op gehoor, maar waar zijn Fransens „hoogdravende en filosofische praatjes” gebleven?
Fransen maakte naam met drie cabaretvoorstellingen waarbij hij leven en werk van filosofen zoals Nietzsche, Camus en Kant verbond aan eigentijdse vragen over menselijke beschaving. Het leverde interessante voorstellingen op, maar Fransens kennis en bewondering van verlichtingsdenkers zorgde er ook voor dat zijn geliefde filosofen soms tussen hem en het publiek in kwamen te staan. Kijken naar iemand wiens belezenheid te zichtbaar is, wordt in het ergste geval op momenten oninteressant. In Onbekommerd, zijn beste voorstelling tot nu toe, weet Fransen het academische gehalte precies goed te doseren.
Fransen kondigt aan het over een andere boeg te gooien. Spottend stelt hij dat zijn engagement „niet bepaald zoden aan de dijk heeft gezet”, gekeken naar de staat van de wereld. Wat is nog het nut van geëngageerde kunst als de ontvanger ervan altijd denkt dat de maatschappijkritiek niet over hem gaat? Scherp en komisch bespreekt Fransen de kern van het probleem: je kan als publiek alleen wijzer worden wanneer je niet bij voorbaat al denkt de good guy te zijn. In feite zijn we allemaal potentieel kwaadaardige wezens, maar ja, bereik je als cabaretier met zo’n boodschap niet al gauw een punt waarop je het publiek het lachen laat vergaan?
De wereld brandt af, maar gelukkig hebben we zestien streamingdiensten om de ervaring wat aangenamer te maken
Rookgordijn
Snel wuift Fransen na zo’n ernstige noot de opdoemende zweem van moralisme weg en gaat hij over tot het banale entertainment waar mensen tegenwoordig behoefte aan zouden hebben. Waar is bijvoorbeeld in hemelsnaam die zojuist weggegoochelde Rubiks kubus gebleven? Fransen stipt een aantal ogenschijnlijk triviale kwesties aan. Een troostrijk feitje over bananen en een suggestie voor een minder eendimensionale benadering van de geslachtsdelen aan de hand van nieuwe toepassingen van de Wet van Archimedes en een spaghettimeter komen voorbij.
Slim maakt Fransen gaandeweg duidelijk wat er schuilgaat achter het opgeworpen rookgordijn van onbekommerd entertainment en de mooi vormgegeven verwijzingen naar de magische wereld van Singin’ in the Rain. Een leven zonder illusies en fantasiewerelden is volgens hem onleefbaar. Maar hoeveel banaliteiten en ontsnappingen uit de realiteit kunnen we ons eigenlijk veroorloven? Doeltreffend is dat Fransen je dit laat érvaren, door net te lang door te gaan met zijn grote entertainmentshow. Kijken naar goocheltrucs is leuk, maar wanneer bereiken we het moment dat we vooral iets aan het wégkijken zijn? Of, anders gezegd: „De wereld brandt af, maar gelukkig hebben we zestien streamingdiensten om de ervaring wat aangenamer te maken.”
Richting het einde vertelt Fransen een schitterend verhaal over een trip naar een beladen historische plek waar het onderscheid tussen goed en kwaad volstrekt helder lijkt te zijn. Hij ziet er echter niet alleen het kwaad in de ander, maar ook het mogelijke kwaad in hemzelf, in iedereen. Dat hoeft de pret echter niet te drukken, zo toont hij in een lied waarin zowel de lessen van de geëngageerde Fransen als van Fransen de entertainer mooi samenkomen.
De tafelschikking is een chaos. Het muzikale entertainment zegt vlak van tevoren af. De chefkok is hysterisch omdat zij geen steaks mag flamberen in de eetzaal. De toetjeskok is razend omdat de kleine kangoeroes waarmee hij zijn desserts heeft gedecoreerd worden afgekeurd: te beledigend. Een indringer met snor belandt tot zijn eigen verbazing tussen de eregasten. Een van de butlers zit gezellig te beppen met een voormalige First Lady.
Toch loopt het ogenschijnlijk op rolletjes, dit staatsdiner voor de Australische premier in het Witte Huis, bedoeld om de recent verzuurde verhouding tussen de VS en Australië weer in goede banen te leiden. De spanningen achter de schermen dringen niet tot de genodigden door: de staf vangt alles op, zoals dat hoort. Twee minder presentabele familieleden van de president, zijn alcoholverslaafde schoonmoeder en zijn klaplopende broer, zitten boven op hun kamers, buiten zicht en in kamerjas.
The Residence Netflix
Relativering
The Residence gaat over een moord in het Witte Huis – maar niet op de manier waarop we dat gewend zijngeraakt. Vergeet de bombast waarmee in traditionele series en films elke bedreiging van de orde in de presidentiële ambtswoning als een ramp van wereldformaat wordt gepresenteerd; in deze nieuwe, door Shonda Rhimes mede-geproduceerde krimi is het gewoon een groot, ingewikkeld huis, met 132 kamers, een enorm personeelsbestand en een uitgebreid veiligheidsprotocol. De president is een nogal fletse figuur: Perry Morgan en zijn echtgenoot (inderdaad, een gay echtpaar; een van de vele inclusieve speldenprikjes die de serie rijk is) zijn niet erg populair in Washington, horen we, en de regering presteert al een jaar slecht. De echte sterren hier zijn de stafleden, trouwer aan hun werkplek dan aan de tijdelijke bewoners, meer bezig met elkaar dan met de politiek. Die relativering alleen al komt als geroepen; The Residence werd vóór de herverkiezing van Donald Trump bedacht en gefilmd, maar biedt een welkome pauze van de stress die momenteel uit het echte Witte Huis klotst.
Scenarist Paul William Davies liet zich voor het script van de serie inspireren door het gelijknamige non-fictie boek van Kate Andersen Brower uit 2015, waarin ze middels interviews en archiefmateriaal een beeld schetste van de wereld achter die witte muren. In de serie zitten grappige weetjes verwerkt over de soms innige band tussen presidentiële families en hun bedienden: George Bush Sr. en zijn Barbara waren veel geliefder dan de Clintons, bijvoorbeeld. Maar The Residence is geen geschiedenisles: Davies schreef vooral een geestige, fantasierijke whodunnit, met soms bizarre uitweidingen en cameos. Kylie Minogue (de echte) treedt op als een soort levende jukebox, die haar geduld pas verliest als ze zeven keer haar grootste hit heeft moeten zingen en dan per se wil uitrusten in de ‘Lincoln Bedroom’; ‘Hugh Jackman’ (het achterhoofd van een acteur die een beetje op hem lijkt) blijft onvermoeibaar tapdansen om het gezelschap in een goed humeur te houden.
De gasten mogen namelijk niet meer weg. De president besluit onwillig tot een lockdown als blijkt dat er tijdens het diner een dode is gevallen. In de speelkamer boven, naast het biljart, wordt het lijk aangetroffen van A.B. Wynter, de onkreukbare, alom gerespecteerde personeelschef. Tot grote opluchting van het kringetje machtige mannen rond de president (Ken Marino als Harry Hollinger is een soort Elon Musk-light, een onuitstaanbare bemoeial zonder duidelijke kwalificaties) lijkt het een zelfmoord: dat geeft het minste geroddel. Maar dat is buiten Cordelia Cupp gerekend, ,,’s werelds beste detective”. Vanaf het moment dat zij op verzoek van de politie het huis en de tuin begint te onderzoeken staat niemand meer buiten verdenking.
Fanatiek vogelaar
Cupp is een glansrol van Ozu Aduba, die naam maakte als de labiele, ontroerende Suzanne ‘Crazy Eyes’ Warren in het vrouwengevangenisdrama Orange Is the New Black. Hier is ze allesbehalve ‘crazy’; Cordelia Cupp heeft een permanente poker face en blinkt uit in zwijgen, afwachten, luisteren. Ze is een fanatiek vogelaar (een liefhebberij die wel érg breed wordt uitgemeten) en loopt ook tijdens haar speurwerk rond met een dikke vogel – encyclopedie en een verrekijker – een typetje dus, dat dankzij Aduba reliëf krijgt. Dat geldt voor vrijwel alle rollen, hoe klein ook: de acteurs geven het hun alles, of ze nou een getergde kalligraaf, een beledigde bloemist of een verliefde technicus spelen.
Edwina Findley is geweldig als Sheila, een verdachte butler die in beschonken toestand de ene na de andere versie van haar avond opdist, met ogen en handen die een heel ander verhaal vertellen. Bronson Pinchot als geïmplodeerde Zwitserse patissier houdt de lippen stijf opeen, tot hij opeens losbarst met een intensiteit die doet terugdenken aan zijn briljante bijrol als galeriehouder Serge in de Beverly Hills Cop-films. Wat een leuke, vreemde acteur.
The Residence leent openlijk van z’n concurrenten in het lichtere crime-genre: één aflevering heet zelfs ‘Knives Out’ (ook Netflix) en de animaties en zoete piano-soundtrack roepen de gezellige sfeer op van het appartementencomplex uit ‘Only Murders in the Building’ (Disney+). Maar is dat erg? Het is goed toeven in dit chaotische Witte Huis, ondanks die steeds ingewikkelder lijkende moordzaak. De finale kregen recensenten nog niet te zien: ik kan u geen enkele hint geven.
<dmt-util-bar article="4886582" data-paywall-belowarticle headline="Het is goed toeven in het chaotische Witte Huis van The Residence. Het is hier niet de politiek, maar juist het personeel dat centraal staat.” url=”https://www.nrc.nl/nieuws/2025/03/17/het-is-goed-toeven-in-het-chaotische-witte-huis-van-the-residence-het-is-hier-niet-de-politiek-maar-juist-het-personeel-dat-centraal-staat-a4886582″>
Het jazzduo. Een even kwetsbare, tedere als uitdagende concertcombinatie. Elkaar dragen en optillen, versieren en plagen. Dwars je eigen weg gaan om vervolgens weer in de armen gesloten te worden door de ander, die je heus wel in het oog hield.
Muzikale gesprekken in duovorm, ze liepen als inspirerend thema centraal op het jaarlijkse Transition jazzfestival in TivoliVredenburg, Utrecht. Een metafoor voor het met elkaar in gesprek blijven in een woelige, polariserende tijd. Zoals de snarenliefde die sprak uit het duo dat de Cubaanse pianist Gonzalo Rubalcaba vormt met de Braziliaan Hamilton de Holanda, uitblinker op zijn tiensnarige bandolim. In de Grote zaal kwam het tot avontuurlijke en uitdagende latindans, waarin zelfs popklassieker ‘Don’t You Worry ’bout a Thing’ van Stevie Wonder een andere draai kreeg.
Als artiesten zich met grote gretigheid geven, ben je snel verkocht. De interactie, de vrijheid durven vinden voor publiek; het lijken inkoppers in het uitverkochte huis van Transition (een lange dag vol moderne veerkrachtige jazz tot middernacht, met op zondagochtend nog een plukje kidsjazz). Maar in jazz is het altijd maar afwachten.
Schakelend van concert naar concert in zes zalen moet je steeds weer de oren afstemmen op een ander soort jazz, lees: andere prikkels en verrassingen. Het strijdlustige spel van trompettist Marquis Hill vol mooie droge noten. Gevoelvol intens: pianist Tord Gustavsen, die haast zelf in de toetsen kruipt om ze nog extra te masseren. Haaks daar weer op: de smerige gitaargrooves vol motorolie van Marc Ribot met zijn kwartet.
Naast de jazzdialogen kon in het programma een dromerige jazzsound die een soort mellow positivisme uitdroeg gevonden worden. Wijntje op de vleugel, tuinbroekie; toetsenist Kiefer Shackelford uit Los Angeles dwong met zijn trio knap stilte af met een rit richting een zonsondergang in pastelkleuren. Zo ook de Britse pianist Sultan Stevenson die zich bewees als grote belofte: soepele jazz onder een kleurrijk vissershoedje. Wat een lekker spel.
En natuurlijk zanger Michael Mayo met zijn waanzinnige stempalet. Terug op Transition stak hij met nog meer zelfvertrouwen de ‘overthinkers’ een hart onder de riem.
Maar dat de opbouw van een festival echt speciale aandacht vraagt, werd merkbaar bij Tom Skinner. Het caleidoscopische sfeertje dat de drummer met zijn Voices of Bishara (met bas, cello, sax en fluit) optuigde, eist concentratie. Dat die aan het einde van de avond voor velen niet meer op te brengen was, bewees de halflege zaal.
Ook de nieuwe koers van het Britse multi-talent Emma-Jean Thackray, die persoonlijk leed knap ombuigt naar een nieuwe plaat, was als dragende act in de grote Vredenburg-zaal verkeerd ingeschat. Haar nu meer rockkant vol donkere lyrics – ze waarschuwde er al voor – joeg jazzfanaten weer de roltrappen op.
En ook serieuze rustige jazz kan laat op de avond het onderspit delven. Het beheerste, met precisie gebrachte spel van Greg Osby kreeg niet alleen bar weinig voeding van zijn kwartet, het publiek koos liever voor een late night dansje bij afrobeat-formatie Kokoroko.
Vernieuwende jazz van eigen bodem viel goed in de smaak. Al vroeg op de dag was het dringen voor de compositorische slimmigheden van het door Tijn Wybenga aangevoerde Brainteaser Orchestra. Opvallend: de enorm lange ovatie voor de betovering van het Kika Sprangers Large Ensemble. En moeilijk om niet vrolijk te worden van de veelkleurige stemmenbundel van de groep Cantorias.
De jazzduo’s in Club Cloud Nine, bovenin het gebouw trokken veel aandacht. Niet lullen maar spelen voelde je sterk bij avantgarde drummer Han Bennink en saxofonist Hans Dulfer. Met hun onderlinge gemopper hadden de tachtigers – uitersten natuurlijk – de lachers op hun hand. Maar in hun bluesjes en calypso’s voelde je weinig uitwisseling.
Hoe anders dat kon bewezen jazzbroeders Reinier Baas en Ben van Gelder. Met de Amerikaanse drummer Jeff Ballard (eerder ook steady in duo met Lionel Loueke ter vervanging van de zieke Dave Holland) en bassist Clemens van der Feen kwam in de moderne, ruimtelijke stukken afkomstig van This Is Water, hun sterkste plaat tot nu toe, diepte en focus. Dat leverde dit festival een droomvlucht op van verbeelding en vrijheid.
Musici die rondlopen in uniform, een zilverkleurige trompet onder de arm, een enkeling behangen met militaire decoraties. De voormalige Vliegbasis Soesterberg was zaterdagavond het decor voor de elfde editie van de Nacht van de Militaire Muziek. Alle krijgsmachtorkesten van het land zijn van de partij en de setting is imposant. Acht verschillende podia zijn opgesteld tussen het groot materieel van het Nationaal Militair Museum. Tweedekkers en gevechtsvliegtuigen hangen aan de plafonds. Bij het eetplein naast de bigbandtent haal je de befaamde ‘blauwe hap’, de Indische maaltijd die traditiegetrouw op woensdag in de kazernes wordt geserveerd.
In een hoek van het glazen museumgebouw presenteert acteur Frank Lammers het oudste militaire orkest van ons land. De Tamboers en Pijpers van het Korps Mariniers kennen een geschiedenis die teruggaat tot de zeventiende eeuw. De leden zijn volwaardige mariniers, maar bespelen daarnaast trommels (tamboers) en piccolofluiten (pijpers).
Marsmuziek in zijn helderste essentie dus, al klinkt er ook een muzikaal uitstapje naar de Caraïben. In 1968 schonk de Arubaanse bevolking het korps een steeldrum-set, die sindsdien een vast onderdeel vormt van het repertoire. Een swingend showtje volgt onder de staart van een Dornier-24 – een type vliegtuigboot dat in de koloniën werd ingezet.
Slechte naam
De Tamboers en Pijpers nemen binnen de acht orkesten van Defensie een bijzondere plek in, omdat de leden in eerste plaats inzetbare militairen zijn. Bij de andere ensembles ligt dat anders. Die vallen weliswaar onder het Ministerie van Defensie, maar zien zichzelf voornamelijk als musici.
Dat bezorgde de militaire beroepsorkesten vroeger nog wel eens een slechte naam: af en toe een deuntje spelen, en verder was het bierdrinken op de kazerne. Andere tijden, want tegenwoordig kennen we zeer professionele militaire orkesten. Musici hebben een conservatoriumdiploma op zak en zijn fulltime in dienst. In de eerste plaats als musicus dus, maar mét een militaire rang als onderofficier. Iedereen heeft een korte militaire basistraining afgelegd.
Om die te volgen moet je minimaal vijf jaar in bezit zijn van een Nederlands paspoort. Defensie-orkesten bieden daarmee een goede werkplek voor conservatoriumalumni van eigen bodem – een wereld van verschil met ‘gewone’ symfonieorkesten, die voor een groot deel internationale musici aantrekken.
Worden militaire orkestleden ook naar het front gestuurd, als we in oorlog raken? Nee, in principe is de rol van de orkesten en fanfares vooral ceremonieel en diplomatiek. Op Prinsjesdag bijvoorbeeld en bij de Nationale Dodenherdenking, of bij koninklijke ontvangsten en staatsbegrafenissen.
Van oudsher hadden legerorkesten als taak om op een lange veldtocht de moed en de pas erin te houden. Dat verklaart de talrijke koperblazers: je moet kunnen marcheren met je instrument, en de klank ervan moet dragen in de buitenlucht. Met een cello of viool gaat dat lastig, maar met een bugel of een trompet uitstekend.
Met scherp koper kun je trouwens ook prima je tegenstander imponeren, en die laatste functie hebben de korpsen nog steeds wel een beetje. Een staatshoofd dat wordt ontvangen met een goed militair orkest krijgt een signaal: dit is een land dat er internationaal toe doet.
Voor de musici betekent dat een onregelmatige werkdruk. „Soms sta je twee uur in de regen te wachten om alleen even het volkslied van Jordanië te spelen”, vertelt een lid van de Koninklijke Militaire Kapel ‘Johan Willem Friso’ (KMKJWF). Dan weer is er een zesdaagse werkweek vol repetities, beëdigingen en commando-overdrachten.
Natuurtonen
Als er tijd over is, dan geven ze concerten zoals hier, bij de Nacht van de Militaire Muziek. Onder leiding van chef-dirigent (én majoor) Frans-Aert Burghgraef speelt het koperensemble van de KMKJWF klassieke werken van Johannes Brahms en Richard Strauss. Later vanavond staat de ‘Serenade voor blazers in c klein’ van Mozart op het programma.
Onder de noemer van het festivalthema ‘noaberschap’ – een goede buur zijn – is ook het Gebirgsmusikkorps van de Duitse Bundeswehr uitgenodigd. Wir dienen Deutschland staat er op de vrachtwagen uit Garmisch-Partenkirchen voor het museum: een flink voertuig, want voor militaire bergmuziek heb je naast het vaste koper nog een paar andere instrumenten nodig.
Geschiedenis tamboers en pijpers met Frank Lammers Foto Simon Lenskens
Bij het horen van accordeon en de meterslange alpenhoorns waan je je meteen op het terras van een kleine Bierstube. „Je hoeft je ogen maar dicht te doen en je ziet de bergen”, zegt de voorman van het ensemble in een stevig Beiers accent. Bij die sonore samenklank van de alpenhoorns begrijp je ook meteen waar componisten als Bruckner en Mahler de inspiratie haalden voor hun hemelse blazerskoralen.
En met je ogen dicht – zonder te zien dat het orkest staat opgesteld bij de laadklep van een Chinook – zou je haast de militaire connotatie van de muziek vergeten. Maar de alpenhoorn is van oorsprong een signaalinstrument, vergelijkbaar met onze militaire trompet.
Allebei brengen ze maar een beperkt aantal tonen voort, die de bespeler maakt door de lipspanning op het mondstuk te variëren. Een moderne trompet heeft dan wel ventielen waarmee je een hele toonladder kunt spelen, van oorsprong kon het instrument slechts vijf natuurtonen produceren.
Muziek die uit die natuurtonen is opgebouwd, doet meteen militair aan. Het bekendste voorbeeld is het taptoesignaal dat je traditiegetrouw hoort op 4 mei. Let er maar eens op: de trompettist op de Dam gebruikt zijn ventielen niet, want alle natuurtonen maakt-ie met de lippen.
Berenmutsen
Aandacht voor de oorlogskant van het verhaal is er zaterdagavond volop. De Regimentsfanfare ‘Garde Grenadiers en Jagers’ speelt marsmuziek bij het indrukwekkende levensverhaal van generaal Stanislaw Maczek, die met zijn Poolse ballingenleger de stad Breda bevrijdde. Dat een militair ensemble zich net zo makkelijk plooit naar het Franse cul Marechaussee. Samen met zangeres Katell Chevalier klinkt onder meer ‘Voilà’ van Barbara Pravi en Edith Piafs ‘Hymne à l’amour’.
Foto Simon Lenskens
Na een concertje in de Foyer du Trésor staan twee jonge musici van de Koninklijke Militaire Kapel ‘Johan Willem Friso’ na te praten. „Hebben we nou volgende week weer een erewacht?” vraagt Sander Borst terwijl hij zijn fagot uit elkaar haalt. Hoboïst Gijs Roosen knikt instemmend. „Kijk, vanavond spelen we hier dus Mozart in het museum, en volgende week staan we weer met berenmutsen op voor Paleis Noordeinde.”
‘We’re lucky that we’re still together. Happy! We have enough health and money. And you can’t say that for everyone.” Acht operazangers in cocktailkleding lopen al zingend en met de armen zwaaiend in een rijtje walsend over het podium. Uit de orkestbak klinkt gezwollen walsmuziek. Feest! Ze hebben immers niets te klagen, als babyboomers met hun zakenreisjes en vakantiehuizen, de generatie die het beter kreeg dan hun ouders.
Maar de muziek spreekt boekdelen: deze wals is er een van het soort waarbij je meteen voelt dat er iets niet in de haak is. Zoals Ravels La valse, waarin het orkest ontspoort in een kakofonische chaos, heeft ook deze wals iets onheilspellends en destructiefs. Het Residentieorkest onder leiding van Bassem Akiki en het geluksmantra van de acht topsolisten (onder meer Claron McFadden, Nina van Essen en Helena Rasker) klinken samen haast als een shepardtoon, die met wrange stapjes tot in het oneindige lijkt door te stijgen. Hebben ze de wereld wel beter gemaakt? ”I’m pessimistic. Not pessimistic for me though, I won’t be here,” klinkt het even daarvoor.
Het is een van de sterke momenten uit de nieuwe opera We Are The Lucky Ones, die vrijdag in première ging tijdens het Opera Forward Festival. Het is de vierde samenwerking van componist Philip Venables (46) en regisseur Ted Huffman (48), die samen met Nina Segal (37) het libretto schreef. Daarvoor werden zo’n tachtig West-Europeanen uit de jaren veertig geïnterviewd over hun levensloop. Zo vonden zo’n 6.400 jaren aan herinneringen hun weg naar het podium in een collageachtig levensverhaal van dik anderhalf uur, dat meevoert van geboorte tot overlijden.
Lees ook
‘We are the lucky ones’: een collage-opera die je laat voelen wat het leven is
Familiefoto’s
Het libretto vlecht niet de grootse momenten aaneen, maar juist de al te herkenbare: van iets alledaags als voor het eerst een sinaasappel proeven tot een puppy in huis nemen, leren voor een proefwerk, lege-nest-syndroom, en je meubilair de deur uit doen. „I have three children but none of them want this furniture. They prefer the Scandinavian look,” zingt Rasker met veelbetekenende blik. Met de AI-gegenereerde familiefoto’s die op het verdere nagenoeg lege toneel worden geprojecteerd, voelt het alsof je door de diacollectie van je (groot)ouders klikt.
De acht naamloze zangers doen in 64 miniscènes hun verhaal aan het publiek – soms solo, soms samen – en springen van het ene levensverhaal naar het andere. Je als luisteraar inleven in een vastomlijnd personage dat obstakels overwint of juist ten onder gaat is er dus niet bij, maar dat deert geenszins. Door de geloofwaardige vertelkunst van iedere solist en de betekenisvolle bewegingsregie grijpt deze voorstelling je bij de kladden en wil je weten hoe het verder gaat.
Venables lijmt de levensflarden aan elkaar met contrastrijke en vaak glijdende orkestmuziek, met koper en percussie als basis en kleurrijke shots van piano, accordeon en saxofoon. De sfeer is duidelijk het Hollywood, de jazz en de ballroomscene van halverwege de twintigste eeuw, maar nergens wordt die sleets nageaapt. Het ritmische getik van woodblocks waarschuwt ondertussen dat de tijd onherroepelijk voortschrijdt. Zo flitst er een heel mensenleven aan je voorbij in deze overrompelende festivalopener die diep doordringt in hart én geest.
De componist is een lezer. Op de keukentafel liggen, naast de partituur van zijn nieuwe orkestwerk Cada instante twee opengeslagen boeken met de poëzie en het proza van de Argentijn Jorge Luis Borges. „Het zal zijn bij het schallen van de bazuin”, luidt de beginregel van diens gedicht Doomsday, dat Klaas de Vries (80) toevallig las drie jaar geleden, op een vroege ochtend, toen Rusland Oekraïne binnenviel. „Er is geen moment dat niet geladen is als een wapen”, schrijft Borges.
Het lezen ervan inspireerde De Vries tot zijn monumentale Cada instante, een grillig stuk voor een enorm orkest, dat de wereldpremière krijgt bij het Haagse festival Dag in de Branding. Zijn werk vormt er het middelpunt van. Achter de keukentafel in zijn flat lonkt de Rotterdamse skyline, maar De Vries richt zijn ogen op de partituur, vooralsnog enkel papier en inkt. En anders dan een schrijver heeft de componist daar niet genoeg aan. Meer dan honderd musici van het Residentie Orkest en het Koninklijk Conservatorium zijn nodig om zijn verbeelding tot leven te brengen.
Sommige bladzijden ademen rust en leegte, op andere lijken de noten uit hun voegen te barsten – tegenstellingen die ook het gedicht van Borges beheersen. Hij werpt er een zijdelingse blik op. „Er is geen moment dat niet de krater van de Hel kan zijn”, leest hij voor. „Er is geen moment dat niet het water van het Paradijs kan zijn.” De Vries wijst, glimlachend, op een woeste passage in de partituur. Hij schreef er voor de orkestmusici in het Engels een bemoedigende aanwijzing boven: „Probeer zo lang mogelijk samen te blijven. De grote trom geeft de inzetten aan. En mocht het fout gaan, verlies dan niet de energie in je spel. Faal met overtuiging.”
Mysterie
Naast Doomsday ligt een boek met Borges’ verzamelde proza. Het is opengeslagen op de slotpagina van diens essay De Muur en de Boeken uit 1950. Om de laatste zeven regels heeft De Vries met zwarte pen een lijn getrokken. De woorden van de Argentijnse denker weerspiegelen wat de componist nastreeft in zijn eigen werk. „Muziek”, citeert hij, „staten van geluk, mythologie, gezichten gevormd door de tijd, bepaalde schemeringen en bepaalde plekken willen ons iets zeggen, of hebben iets gezegd dat ons niet had mogen ontgaan, of staan op het punt ons iets te zeggen; die op handen zijnde onthulling, die zich niet voltrekt is, misschien, de esthetische werkelijkheid.”
Deze zoektocht, het mysterieuze aura dat kunst omringt, heeft De Vries altijd aangetrokken. Tekenen ervan zijn overal in zijn muziek te vinden, hoewel veel recensenten zijn werk het stempel Nederlandse nuchterheid geven. Het zit hem dwars. „Al heb ik dat misschien over mezelf afgeroepen door te zeggen dat een componist in de eerste plaats een vakman moet zijn. Maar verbeeldingskracht is altijd mijn drijfveer geweest.”
In dat opzicht vormen literatuur en muziek twee belangrijke pijlers onder zijn bestaan. Zijn vader – een rusteloze ingenieur die zijn nieuwsgierigheid achterna reisde van Terneuzen naar Groningen – las hem in zijn kindertijd de mythen uit de Finse Kalevala voor. Zijn moeder groeide op als boerendochter in Zeeuws-Vlaanderen. „Ze speelde piano”, vertelt De Vries. „Alle Beethoven-sonates, behalve de Hammerklavier.”
Op zijn veertiende vond hij in Groningen zijn muzikale roeping. „Een vriend van de middelbare school bezat een bandrecorder, plus een grote verzameling muziek. Bij hem ontdekte ik onder meer Bartóks Concert voor Orkest. Het slot daarvan greep me waanzinnig aan. En op een goede dag stond dat stuk op de lessenaars van de Groninger Orkestvereniging. Ik moest daar uiteraard naartoe. Aan het begin van de finale holde ik de zaal uit, omdat ik bang was dat het me teveel zou worden. Eenmaal buiten dacht ik: als muziek dit bij mij teweeg kan brengen dan moet ik musicus worden. De volgende dag leende ik de partituur van het Concert voor Orkest bij de bibliotheek. Ik kon noten lezen, want mijn moeder gaf me de eerste pianolessen op mijn negende. Daarna nam juffrouw Van Velzen het over. Zij schreef op mijn beoordeling: ‘Wil teveel en floddert daardoor.’ Ik heb na die concert-openbaring nooit meer omgekeken.”
IJkpunt Beethoven
De Vries studeerde eerst piano in Rotterdam en daarna compositie bij Otto Ketting in Den Haag. Hij bewonderde tijdgenoten als Louis Andriessen en Peter Schat. „Ik wist niet zo goed wat ik daaraan kon toevoegen”, herinnert hij zich. „Ik noem mezelf als componist vaak een betere of mindere imitator van mijn muzikale helden. Maar het besef drong al vroeg tot me door dat het zinloos was om de kunst bij levende vakgenoten af te kijken. Daarom zocht ik mijn inspiratie verder weg: bij de oude meesters en in literatuur. Mijn ijkpunt werd Beethoven. Ik denk altijd stiekem: het moet net zo goed zijn als Beethoven. Al blijft dat ideaal natuurlijk onbereikbaar. Sommige componisten worden nooit opgeslokt door het verleden, zij blijven tijdgenoten, in welke eeuw de mens ook leeft. Wat Beethoven doet met de simpelste thema’s grenst aan het ongelooflijke. Zijn muziek doet me denken aan de oerknal: vanuit een kleine kern schept hij een immens heelal, waarin we op eindeloze ontdekkingsreizen gaan. Bach zit ook vol van schoonheid en betekenis. Maar goed, Bach is een god, Beethoven een mens.”
Behalve componeren waagt De Vries zich de laatste jaren soms aan de literatuur. Zo stelde hij een monoloog samen uit fragmenten van zijn favoriete schrijver, de Portugese kameleon Fernando Pessoa. „Hij bedacht wel honderd pseudoniemen, want hij wilde een wereld van schrijvers zijn. Dat gevoel is me niet vreemd: ik kan er ook naar verlangen allemaal verschillende componisten te zijn.”
Behalve de Pessoa-monoloog schreef De Vries ‘heimelijk’ essays over muziek. „Één ervan gaat over een merel, die jaren geleden woonde in een boom achter ons huis in Antwerpen. Elke avond zat hij op een tak te componeren. Hij begon steeds met dezelfde openingstriller. En dan kwam een lijntje met een blue note. De volgende avond deed hij hetzelfde en ging – op het punt waar hij de vorige dag gebleven was – verder met een ander lijntje en een nieuwe blue note. Dat vond ik ongelooflijk. Mijn opstel begint met: ‘De vogel was geniaal.’ Een variant van de openingszin uit de roman Nooit meer slapen van Willem Frederik Hermans: ‘De portier is een invalide.’”
Festival Dag in de Branding rondom Klaas de Vries en György Kurtág is van 21 tot en met 23 maart in Den Haag. Info: dagindebranding.nl
Het Muziekgebouw in Amsterdam komt dit weekend weer even helemaal bij zijn kern: moderne klassieke muziek programmeren die wat verdieping vraagt van de luisteraar, maar die daardoor enorm kan raken. Vier dagen krijgen bezoekers muziek van de Finse componist Kaija Saariaho (1952-2023) geserveerd. Op de openingsavond, donderdag, krijgt de lekker volle zaal zowel Saariaho’s eerste soloconcert, vioolconcert Graal théâtre (1994), als haar allerlaatste voltooide werk, trompetconcert HUSH (2023).
Het eerste deel van Graal Théâtre heet dan wel ‘Delicato’, soloviolist Joseph Puglia zet in op een uit onvastheid geboren schizofrene paniek: paniek vanwege zijn vluchtig zoekende streek, alsof hij een tooncentrum maar niet kan vinden, en schizofreen omdat door streekjes op een naastgelegen snaar bijstemmetjes lijken te klinken. Orkest Asko|Schönberg speelt ondertussen een spooktheater, waar voortdurende dreiging uiteindelijk enger blijkt dan daadwerkelijk gevaar.
Puglia is niet alleen technisch geweldig, hij blijkt ook een sterk verhalenverteller: langzaam wint zijn betoog aan kracht. Dirigent Ernest Martínez Izquierdo laat A|S meegroeien en weerwoord bieden, tot aan het einde van ‘Delicato’ de twee, solist en orkest, samen lijken te zijn gegroeid. In het andere deel, ‘Impetuoso’, krijgt Puglia iets minder verhalenverteltijd: daarvoor heeft hij – met stille tussenpozen – te veel over het hele spectrum verspreide snelle noten. Maar als de rust aan het einde terugkeert, is het alsof Puglia voor het eerst de rust vindt om met afschuw terug te kijken.
Violist Puglia is niet alleen technisch geweldig, hij blijkt ook een sterk verhalenverteller
Leuk en imposant detail: voor de rest van het programma schuift Puglia gewoon aan in het ensemble. Dat is ongebruikelijk – een solist richt zich eigenlijk altijd louter op diens soloconcert, want dat is al moeilijk genoeg. Maar Puglia draait zijn hand niet om voor nog twee ingewikkelde partijen. Vóór HUSH klinkt nog een klein orkestwerkje, Solar, dat zich duidelijk in hetzelfde klankuniversum afspeelt als Graal théâtre, al is het nu wat massiever. Er schijnt ook elektronica mee gemoeid te zijn, en inderdaad staan er een laptop en een keyboard naast een van de piano’s. Af en toe wisselt de pianist even van klavier, maar het verschil is niet te horen. Steeds als je denkt: dit zal wel elektronisch zijn, is het toch weer een akoestisch instrument in een gek register of met een opvallend contrasterend solootje.
Lees ook
‘Vijf luistertips: Sciencefictionmadrigalen en de akoestiek van een besneeuwd landschap: in Amsterdam hoor je dit weekend het klankuniversum van componist Kaija Saariaho’
Trompet als muilkorf
HUSH schreef Saariaho toen ze wist dat ze stervende was. Onder andere het geluid van de MRI-scans waren inspiratie. Ze schreef het voor jazztrompettist Verneri Pohjola, die ook donderdag de solist is. Hij lijkt gespannen, of op zijn minst diep geconcentreerd. Als hij even niet speelt, grijpt hij zijn trompet vast als iemand die houvast probeert te vinden aan een reling. Hij fronst, schudt nee, zucht; het beeld matcht op geen enkele manier met zijn topprestatie.
Weer is er dat omineuze landschap, maar nu klinkt er eerder een lege vlakte, ondanks dat A|S flink is uitgebreid (met veelal jonge musici, leuk). Pohjola speelt noten en zelfs trillers die meer lucht dan toon zijn. Het klinkt verdwaald, verloren, als een jazztrompetist met amnesie. Af en toe speelt hij een oorverdovende uitroep, die eindigt in rochelen, wiebelen en zuchten. Weer zijn er die schizofrene bijgeluiden.
En dan is er in het derde deel ‘What ails you?’ een moment dat nu al linea recta het lijstje meest memorabele momenten van 2025 in gaat. De paniek die Saariaho in Graal théâtre al had is terug, maar nu op een claustrofobische manier – Pohjola’s trompet krijst als een kleine dinosaurus. Zijn speler en trompet eigenlijk wel één, begin je je af te vragen. Nee, blijkt, als Pohjola het ineens uitschreeuwt, alsof zijn trompet hem tot dan toe de mond snoerde en hij zich één seconde los weet te wurmen. Het is een bloedstollend moment, zeker omdat hij zelf zijn trompet weer terug op zijn mond forceert, terwijl hij door blijft gillen, zodat zijn doodsangst door een trompettoon heen klinkt.
In het slotapplaus houdt dirigent Izquierdo nog even de partituur van HUSH omhoog: het laatste applaus is voor Saariaho.
In de Saariaho-luistergids van NRC staan andere hoogtepunten uit het programma van het Saariaho Festival.
Lees ook
Lees ook een interview met Kaija Saariaho: ‘Een ouder geeft zichzelf overal de schuld van’