Liegen om met verdriet om te gaan? ‘Herinneringen, zeker traumatische, zijn niet betrouwbaar’

Malou Holshuijsen schrijft liever dan dat ze praat. Op papier heeft ze controle over haar verhaal en kan ze haar personages precies laten doen wat ze wil. In het interview komt dat ook af en toe omhoog. Geregeld zegt ze na een vraag: „Ik weet niet of het artikel hierover moet gaan hoor.”

Die opmerking heeft ook te maken met haar eerste boek, Zachtop Lachen, over een Malou, opgegroeid in een Indisch-Nederlandse familie die door een heftige gebeurtenis een posttraumatische stress-stoornis (PTSS) oploopt en daar jarenlang over zwijgt. Het is een roman, geen autobiografie, maar in interviews moest schrijver Malou voornamelijk over haar eigen trauma praten, niet over de literaire keuzes die ze had gemaakt. Het boek, genomineerd voor de Hebban debuutprijs, verkocht 25.000 exemplaren en wordt nu verwerkt tot een theatervoorstelling voor Het Nationale Theater.

Want Holshuijsen kan schrijven. Ze weet hoe ze spanning moet opbouwen en zet haar personages ondanks een schild van grofgebekte onaantastbaarheid met humor neer. Ook haar tweede roman Alleen en duizend mensen bevat die elementen, net als haar eerste theatermonoloog, Ik vier het klein, waarmee ze 31 januari in première gaat. De monoloog gaat over een vrouw die hondenuitlater is en als leugentje om bestwil aan haar cliënten vertelt dat ze MS heeft (want dan hoeft ze in de winter niet te werken). Maar kun je zo’n heftige leugen nog terugnemen? Ze draait zich vast in een web van leugens. Tegelijkertijd probeert ze een heftige gebeurtenis te verwerken.

Je vertelde na afloop van een try-out in november dat mensen wel eens uit de zaal wegliepen.

„Mensen kennen mij soms enkel van Zachtop Lachen. Op de een of andere manier dachten sommigen dat dit verhaal ook autobiografische fictie was. Dat ik zelf laconiek doe alsof ik MS heb. Maar in november had het karakter ook nog geen naam, ze heet nu Emma. Dat maakt het duidelijker voor het publiek.”

Hoe ben je in het theater terechtgekomen?

„Kobra Theaterproducties zag iets in mijn podcast Tussen dertig en doodgaan met Tatjana Almuli en wilde die naar het theater brengen. Maar ik heb toen gezegd: ‘Als je mij op het toneel wilt zetten, moet je mij theater laten maken.’ Dat was een vroegere droom van mij. Daarna heb ik gebluft en gezegd: ‘Ik heb wel een ander verhaal liggen en volgens mij is dat erg geschikt voor theater’.”

Had je dat liggen?

„Ha, nee, dat had ik niet. Ik begon in eerste instantie met een verhaal over een vrouw die zegt een relatie te hebben met een man, maar van wie je er uiteindelijk achter komt dat ze een stalker is. Alleen kwam toen net Netflix met de serie Baby Reindeer en ik wilde niet een soortgelijk verhaal maken. Dat was niet erg, ik had al snel dit nieuwe idee, dat qua thematiek dichterbij mij ligt. Bij zo’n stalker weet je als publiek dat er iets mentaal niet goed is, maar liegen doet iedereen. Dat is spannender.”

Had je al geacteerd?

„Mijn mbo-opleiding was een voorbereiding voor de toneelschool, maar daarna speelde ik een rolletje in een serie waarin ik topless moest, terwijl ik dat niet wilde. Ook zag ik een afstudeervoorstelling van de Kleinkunstacademie waarin ook iedereen topless was. Ik heb mezelf toen wijsgemaakt dat ik geen actrice wilde worden, omdat ik me schaamde dat ik over mijn grenzen was gegaan. Ik ben een nietszeggende hbo-opleiding gaan doen en per ongeluk bij de radio terechtgekomen. Opeens werd ik daar gezien, omdat ik zo luid en bijdehand was en veel durfde te zeggen.”

Wat bedoel je met luid?

„Ik dacht lang dat mijn talent lag in de dingen te zeggen die andere mensen niet durfden te zeggen. Er was altijd conflict, brandjes, als ik ergens was. Later hoorde ik dat mensen een beetje bang voor mij waren.”

Foto Lars van den Brink

Wie was je als kind?

„Ik zat veel in mijn eigen hoofd verhalen te verzinnen, ook op school. Als ik nu terugkijk weet ik vaak niet of ik me iets herinner of dat ik het heb bedacht. Op die verhalen werden mijn ouders aangesproken. Ik heb op de basisschool in een strip-schrijfopdracht iemand iets met scheldwoorden tegen iemand anders laten zeggen. De leerkracht schreef toen: ‘Dit is helemaal niet leuk.’ Ik zei: ‘Maar ik zeg het niet, dat poppetje zegt het.’ Tegelijkertijd dachten leerkrachten dat ik lui was, omdat ik me niet tot dingen kon zetten die ik niet interessant vind. Maar als ik schrijf sta ik juist na uren pas op, omdat ik verhonger en bijna in mijn broek plas.

„Op de middelbare school verongelukte in de tweede klas iemand op wie ik dol was toen we met een groep op weg waren naar school. Ik kan alleen nog goed herinneren dat ik daarna in de Nederlandse les zat, dat ik klasgenoten zag huilen en dacht: stop met huilen, want huilen maakt het echt. Ik heb er nauwelijks over gesproken, ook niet met mijn ouders. Maar vanaf toen was ik denk ik altijd boos.”

Waarom heb je het niet verteld?

„Vertellen was geen optie, zo voelde het gewoon. Door therapie kwam ik erachter dat ik veel meer een ‘Indo’ ben dan ik dacht te zijn.”

Het ‘Indisch zwijgen’?

„Ik heb moeite met die benaming. Dat suggereert een keuze, maar deze mensen zijn naar Nederland gekomen en er was hier geen enkele bereidheid naar hen te luisteren. Het is een overlevingsmechanisme geweest om geaccepteerd te worden.

„Tegelijkertijd praatte mijn Indische oma juist veel, dus ik snapte dat verhaal van Indisch zwijgen niet. Maar het was compensatiegeluid voor wat ze niet zei. Ze heeft in een Japans interneringskamp gezeten met haar moeder en zus. Ze is daar snoeihard uitgekomen. Mijn oma was altijd veel conflict en mening, maar deelde niet wat er echt in haar omging. Mijn moeder en ik hebben dat dus ook. Met verdriet konden we niet goed omgaan.”

Wat is er eng aan verdriet?

„Dat is een hele moeilijke vraag voor mensen die niet weten hoe je veilig verdrietig kan zijn. Toen ik hoorde dat mijn overgrootmoeder was overleden, ben ik in de kast gekropen en daar gaan huilen. Ik weet dat mijn moeder hetzelfde heeft gedaan. Wij kunnen niet uitleggen waarom we dat doen. Ik denk dat zij zich groot wilde houden voor mij en ik voor haar. Dat zit dus in ons. Verdriet werd gelinkt aan verliezen, zwak zijn. Ik vind verdriet tonen nog steeds heel moeilijk. Daarom denk ik het fijn te vinden om verhalen te creëren waarin ik kan uitzoeken: wat is ruimte innemen, wat is ergens over praten? Ik doe dat ook naast het schrijven. Ik ben eigenlijk altijd gesprekken aan het voeren in mijn hoofd. Dat is veilig. Ik weet dan hoe iedereen gaat reageren. Dat deed ik ook vroeger al met mijn beste vriendinnetje. Toen haar moeder overleed, verzonnen we alternatieve levens met bijvoorbeeld een moeder, vaak een beroemde. Dat was onze manier om het gemis toch een plek te geven, want hierover praten, durfde ik niet.”

Me schofterig gedragen was mijn dekmantel. Voor andere mensen is jokken hun dekmantel

Je schild lijkt verdwenen. Wat is er gebeurd?

„Ik had na het ongeluk van de klasgenoot zo’n gigantische PTSS dat ik op een gegeven moment mensen zag verongelukken op straat. Daarna kreeg ik nachtmerries en werd ik bang om te slapen. Ik was drie nachten wakker en zag de raarste dingen. Ik heb de huisarts gebeld en kreeg direct hulp. Toen ik er in de kliniek achter kwam dat mijn manier van omgaan met verdriet een intergenerationele traumareactie was, dacht ik bijna: are you kidding me? Is dat waarom ik me zo gedraag? Hoe heb ik dit kunnen missen?”

Jouw personages in je romans en de voorstelling lijken te bestaan uit je schaduwkanten van vroeger.

„En de schaduwkant van mijn voorouders. Ergens wil ik hun zeggen: ik begrijp hoe het is gegaan. Je gedrag mag er zijn, je pijn mag er zijn, het is logisch dat je je zo opstelde. Maar ik praat natuurlijk ook tegen mezelf.”

Niet de waarheid vertellen is ook een thema in jouw verhalen.

„Ik vind eigenlijk alles wat Emma doet logisch, ze probeert haar hoofd boven water te houden na een heftige gebeurtenis. Kan je het iemand die zich zo onveilig voelt, kwalijk nemen dat ze zich zo gedraagt? Vroeger was ik verdrietig en onzeker en zocht ik aandacht door me schofterig te gedragen. Dat was mijn dekmantel. Voor andere mensen is jokken hun dekmantel. Ik wilde ten diepste gezien worden, maar was ook bang om gezien te worden. Omdat ik zelf veel aan het onderdrukken was.

„Ik ben wel opgevoed met dat liegen echt fout is. Maar we liegen, dus daarom is het ook interessant om dat gedrag uit te werken. Ik krijg na mijn voorstelling vaak van mensen te horen: ‘Ik ken iemand die verzint dat ze kanker of een andere ziekte heeft.’ Ik weet zelf dat ik op de mavo bij een meisje in de klas zat dat bijna iedere week beweerde suïcidepogingen te doen. Dat bleek later niet waar. Ik kende iemand die echt met depressie worstelde en vond daarom wat ze zei pijnlijk. Toen ze opnieuw vertelde dat ze een poging had gedaan, maar op tijd was gevonden, heb ik gezegd: ‘Ga de volgende keer in het bos zitten, dan heb je daar geen last van.’ Daarmee heb ik veel gezeik gekregen. Nu snap ik dat het heel bot was. Toch blijft het interessant dat het ongemak zit bij de mensen die weten dat de ander liegt. Het is moeilijk om die vermoedens bedachtzaam uit te spreken.”

Je bent ook bezig met of herinneringen waar zijn.

„Daarom durfde ik ook geen hulp te zoeken. Straks vertel ik in therapie iets wat niet waar is. Maar herinneringen, zeker traumatische, zijn niet betrouwbaar. Ik heb geleerd dat dit voor de verwerking niet uitmaakt. Ik weet dat sommige verhalen die oma vertelde over het kamp, niet waar waren. Dat ze brutaal was geweest tegen een Japanse soldaat, terwijl ze ook zei dat ze nooit in een interneringskamp heeft gezeten. Het was haar manier om te kunnen overleven.

In hoeverre zou je je personages een andere manier kunnen geven met stressvolle situaties om te gaan dan brutale onaantastbaarheid?

„Het sluipt er toch altijd in. Als schrijver vind ik het leuk onsympathieke personages te creëren van wie je gaat houden. En is een mens ooit vrij van zijn eigen afweersysteem? Ik denk dat ik me nog steeds wat onaantastbaarder voordoe dan ik ben. Maar ik heb geen kanon meer als verdediging.”

CV

2013 – 2015
redacteur/regisseur De Overnachting NPO Radio 1 BNNVARA
2015 – 2018
presentator en cohost NPO Radio 1
2019 – 2024
Podcasts: Ik zag iets moois, De Kleine Remedie vanuit De Kleine komedie, Dit komt nooit meer goed, Radio Pedis van Omroep Zwart
2021
Zachtop lachen (roman)
2022
Tussen dertig en doodgaan (podcast)
2023
Alleen en duizend mensen (roman)
2024
columnist NPO radio 1 Omroep Zwart
2024
Dit komt nooit meer goed (verhalenbundel)
2025
Presentator Let’s Go Mental, omroep Human
2025-2026
Ik vier het klein, Kobra Theaterproductie
September 2025
Zachtop lachen, Het Nationale Theater, Kobra Theaterproductie


Met radicale grappen wil deze jonge conservatieve comedian oproepen tot verandering: ‘Dit is niet de tijd voor polderen’

‘Hoe oud zijn jullie, 98? Wat doen jullie hier. Jullie zijn bijna dood.” Een ouder stel op de eerste rij moet het ontgelden. Bij de praatjes met het publiek tijdens een try-out van zijn debuutprogramma in Beverwijk gaat cabaretier Sezgin Güleç er met gestrekt been in. Seksueel expliciet, grofgebekt. Dit is weer een cabaretier bij wie je moet oppassen op de eerste rij.

Interacties met het publiek zijn maar uitstapjes, niet de echte show, relativeert hij een week later, bij een gesprek in een McDonald’s in Rotterdam-Noord, waar we een tafel bij het raam kunnen bemachtigen. „Ik ga ervan uit dat je goed in je vel zit. Als je doodongelukkig bent en je gaat vooraan zitten bij een comedyshow die Wild, Barbaars & Bloeddorstig heet, dan kan ik je niet helpen.” Hij lacht. Het publiek shockeren is niet zijn doel, zegt hij. „Dat zou supersuf zijn.”

De naam van de 26-jarige Sezgin Güleç zingt al een tijd rond, als één van de interessantste nieuwkomers in het cabaret. Hij kwam op als voorprogramma van Patrick Laureij, net als Güleç afkomstig uit Rotterdam-Zuid, en ook iemand die zichzelf beschouwt als outsider in de theaterwereld. Güleç is lid van de Comedytrain en heeft een hoofdrol in Fabula, de openingsfilm van het Internationaal Filmfestival Rotterdam (IFFR(.

Ongetwijfeld gaat Güleç stof doen opwaaien. Hij heeft een verhaal dat nieuw is in het Nederlandse cabaret. In zijn debuut praat hij over opgroeien als jongen van Turkse komaf in een achterstandswijk in een rijk land, over zijn woede vanwege het onrecht dat hem is aangedaan, zijn worsteling met de moderne tijd, en zijn bewondering voor inspirerende vrouwen als Simone de Beauvoir, terwijl hij zelf liever een dienstbare vrouw heeft. Hij maakt een scherp onderscheid tussen allochtonen en Nederlanders. Een van zijn grappen gaat erover dat de Ottomanen vroeger West-Europese slaven hadden, maar dat Nederlandse slaven hem ‘kut’ lijken. „Ik wil geen GroenLinks-slaaf. Zeg je: ‘Pluk katoen!’ Zegt hij: ‘Maar het is niet biologisch…’”

De try-out in Beverwijk mondde uit in een gespannen avond, omdat hij de zaal lauw vond reageren en hij zich afreageerde met veel gescheld. Bij de vraag hoe hij terugkijkt op het optreden, blijkt Güleç dat net met zijn psycholoog te hebben besproken. „Wat daar gebeurde, komt door mijn persoonlijke problemen, niet door professionele problemen. Hoe ik moet omgaan met mijn emoties, hoe ik mijn angst voor afwijzing kan omzeilen: dat ben ik nu aan het uitvogelen. Mijn regisseur, Daniël Arends, zei: ‘Je wijst het publiek af voordat het de kans krijgt om jou af te wijzen.’ Daar moet ik aan werken. Omdat ik altijd het gevoel heb dat niemand me wil zien of in hun leven wil hebben. Het zijn diepgewortelde gevoelens waar ik soms last van heb. Ook op het podium.”

Heb je een idee waar dat gevoel vandaan komt?

„Ik denk dat het te maken heeft met anders zijn. Altijd en overal. In de wijk waar ik vandaan kom, Hillesluis, maar ook in het contact met de normale wereld. Ik had niet het gevoel dat er ruimte was voor mijn denkbeelden. Die werden weggezet als haatvol of agressief.”

In je show hint je op je problemen als kind.

„De problemen van een Turks kind in Rotterdam-Zuid. Voor mij persoonlijk was het nog wat moeilijker. Ik wil niet in detail treden. Problemen en pijn zijn subjectief. Een ingrijpende gebeurtenis die extreem gewelddadig is, kan bij mij dezelfde pijn veroorzaken als bij een ander kind dat alleen een slecht cijfer krijgt. Dus ik probeer me niet met mijn pijn te identificeren. Iedereen heeft pijn, maar mij interesseert het hoe je met je pijn omgaat. Ik praat erover zodat ik kan evolueren en groeien.”

Wat was er mis met je denkbeelden?

„Ik zag dingen zwart-wit. Elke keer dat mij een soort mildheid of nuance aangepraat werd, haakte ik af. Nog steeds. Ik hou niet van polderen. Polderen is zieldodend. Het is er ook niet de tijd voor.”

Waarom niet?

„Polderen heeft voor veel irritatie en problemen gezorgd. Iedereen die doet alsof nuance zo belangrijk is, probeert ook ideeën door te drukken.

„Als je verandering wil teweegbrengen, heb je radicale stappen nodig. Of radicale grappen. De reden dat ik soms als moeilijk te verteren overkom bij mensen, is dat ik drastisch veel wil veranderen. Als comedian heb ik een positie daar veilig over te spreken. Het is opinie, geen beleid.”

Op het podium zeg ik eerlijk wat ik haat en ik hoop dat het jou activeert om te zeggen wat jij haat en vanuit die haat naar een plek van liefde te komen

Wat wil je veranderen?

„Mensen zijn meer bezig met overkomen als een goed persoon dan daadwerkelijk een goed persoon zijn. Daardoor maken ze veel morele denkfouten. Ik merk dat in trendy en hippe kringen, vooral in Amsterdam, en in wijken waarin ze die prachtige, open, vrije wereld propageren. Ze zijn tolerant, maar ik kan geen mening hebben die niet past bij mijn profiel, mijn hokje. Dan veranderen al die tolerante mensen opeens in… ja, ik wil niet Hitler zeggen, maar ze trekken een muur op. Want ze willen voorschrijven wat je moet accepteren en waarderen. Dat roept haat op.

„Op het podium zeg ik eerlijk wat ik haat en ik hoop dat het jou activeert om te zeggen wat jij haat en vanuit die haat naar een plek van liefde te komen. Ik probeer dat de boog te laten zijn in mijn show.”

Waarom die aanpak?

„Ik wil dat het publiek iemand hoort die zich niet bekommert om wat andere mensen denken. Iedereen die de moeite waard was in de geschiedenis en die ik interessant vind, was zo iemand: Fidel Castro, Malcolm X, Lenin, Gandhi. Als John Lennon nu had geleefd, zou hij conservatief zijn geweest.”

Hoe bedoel je dat?

„We zitten in een periode waarin de gevestigde orde doet alsof ze rebels is, maar zij zijn het systeem. John Lennon kwam op in een tijd dat mensen in pak het voor het zeggen hadden. Ik groeide op in een tijd dat mensen die dachten dat ze John Lennon waren het voor het zeggen hadden – op mijn school, op tv, in de politiek: vrijdenkende, vegetarische, zogenaamd lieve mensen. Maar ik heb ze nooit anders ervaren dan als mensen van de gevestigde orde. Ze willen ‘Lentekriebels’ doorvoeren op scholen met ouders van islamitische kinderen. Ze zeggen: ‘Dit is wat wij willen.’”

Comedian Sezgin Güleç: „We hebben sociale veiligheid nodig, een stabiele relatie, stabiele relaties met onze familie. Waarom ontkennen we dat?”
Foto Andreas Terlaak

Waar moet het heen?

„Ik doe geen voorstel om terug te gaan in de tijd. Maar de moderne tijd kan baat hebben bij het erkennen van onze primaire, menselijke behoeftes. We hebben sociale veiligheid nodig, een stabiele relatie, stabiele relaties met onze familie. Waarom ontkennen we dat? Niemand wil nog een familie stichten. Iedereen wil een gat in zijn neus boren, blauw haar of een tatoeage. Alsof dat geen vluchtgedrag is. Alsof dat geen zelfhaat is. We zijn dingen aan het glorifyen die mensen kapotmaken en dat snap ik niet.

„Een vriendin zei me dat ik mijn rughaar kon laten weglaseren. Dat wil ik niet. Mijn lichaam is een cadeau van mijn voorouders. Ik wil daar niet mee fokken. Waarom staat er op een pakje sigaretten dat het je leven kan verkankeren, maar niet op een piercing of tattoo shop?

„Vrijheid om te doen wat je wil is prima, maar als gemeenschap heb je ook de verantwoordelijkheid om te zorgen voor mensen met wie het niet goed gaat. Op festivals is iedereen onder de invloed van harddrugs. Iedereen is zijn ziel aan het kapot neuken en snuiven. Lowlands, gezellig! Dat kan toch niet? Gaat dat de westerse samenleving vooruit brengen?”

Hij wijst naar buiten. „Dit is een allochtonenwijk. Zie de orde die hier heerst. Hoe kan dat? Is dat wat het Westen wil: dat wij floreren en dat jullie kapot gaan? Want ik wil dat niet.”

In Beverwijk zei je tegen een bezoekster van Turkse afkomst, die verklaarde dat ze geboren en getogen in Nederland was, dat ze niet moest denken dat ze een Nederlandse is of zou worden.

„Een Turkse moet dat niet willen. Alles aan haar is Turks. Nederlandse mensen moeten het ook niet willen. Omdat het zelfhaat is. Wij zitten in een situatie waarin blanke meisjes, vooral in hoogopgeleide kringen, allochtoon en zwart willen zijn. Ze ontkennen alles wat wit is, want wit is slecht. Wit staat voor slaveneigenaren, voor heteroman, voor macht. Wit is vies. We hebben een grote allochtonengemeenschap die hetzelfde doet met hun cultuur: ‘Allochtoon zijn is barbaars, ik moet verwesteren.’ Waarom accepteert niemand zichzelf? Waarom begrijpt niemand dat geen enkel persoon inherent slecht is? Er is alleen iets mis met jou als jij iets evils doet.”

Misschien voelde die vrouw zich Nederlands? Bi-cultureel?

„Prima, maar ik geloof niet in die wereld en ik ga er niet aan bijdragen. Ik heb Turkse normen en waarden, ik ga mijn kinderen daarmee opvoeden. Het comfort dat dit idee brengt zorgt ervoor dat ik minder mezelf aan het kapot maken ben. Allochtonen moeten ophouden met anders te praten of zich anders te kleden om geaccepteerd te worden. Het is een strijd die ze nooit gaan winnen.”

In je programma heb je het over te ‘cleane allochtonen op tv’.

„Die zijn bezig met geaccepteerd worden en ik heb geen interesse in geaccepteerd worden – ook niet door de Turkse gemeenschap. Ik snap die chase niet. Ik ken Turken die als ik Turks met hen praat, reageren in het Nederlands. Wat voor psychose is dat? Dan ben je toch ver heen? Ik heb respect voor mensen die zichzelf zijn – ook als ze daardoor het risico lopen alleen te staan.”

Wil je niet door iemand geaccepteerd worden?

„Natuurlijk wel, maar niet door onbekenden, niet massaal. Door de mensen om wie ik geef. Niet vanwege een idee van wat normaal moet zijn.”

Güleç wil roken, dus we praten voor de deur van de McDonald’s verder. Het gesprek komt op relaties.

„Ik denk dat veel vrouwen en mannen ongelukkig zijn in relaties. Dat komt door meerdere dingen. Bijvoorbeeld doordat we mannelijk pijn niet bespreken. En doordat we neerkijken op vrouwen die thuis mama willen zijn. Dat wordt afgedaan als achterlijk. Terwijl: dat is hoe wij leven als allochtonen. Veel vrouwen willen niet de kost winnen. Wat is daar mis mee? Waarom zijn er zoveel miserabele, moderne wijven die doen alsof dat slecht is?”

Wat is de mannelijke pijn die wordt genegeerd?

„Moeten doen alsof alles oké is. Bij mannen die goed functioneren wordt er vanuit gegaan dat zij geen enkel probleem hebben: ‘O, die is sterk’. Dat is niet vanzelfsprekend.

„De manier waarop mannen zich laten behandelen in deze samenleving vind ik ook zorgwekkend. Je hebt mannen van wie hun vrouwen vreemdgaan en die het dan uitpraten. Dat snap ik niet. Ik zie weinig mannelijk zelfrespect. Mannen zijn meer bezig met hun lusten dan met wat hen waardig en menselijk maakt.

Als je moeite hebt met hoe ik klink, dan moet je je er bewust van zijn dat er iets moet veranderen

„Ik zou willen dat de generatie na mij minder van die problemen heeft. Dat ze meer in contact staan met wat het is om een mens te zijn en niet instant hun behoeftes willen bevredigen. Dat ze opgroeien op een manier waardoor ze niet zoals ik opvliegend en vol woede zijn. Daarom ben ik eerlijk over hoe ik me voel. Ik wil laten zien, kijk, dit is wat het met mij heeft gedaan. Als je moeite hebt met hoe ik klink, dan moet je je er bewust van zijn dat er iets moet veranderen. Dus mijn boodschap is juist voor de mensen die het eigenlijk niet willen horen.

„Atatürk zei: ‘Ik wil de dictator zijn door wie Turkije nooit meer een dictator nodig zal hebben.’ Zo sta ik er ook in. Ik geloof dat mijn beweegredenen en mijn gedachten uiteindelijk uit een plek van liefde komen.

„Ik probeer een liever en bedachtzamer persoon te worden. Maar ik wil eerst laten zien hoe ik nu ben, zodat je snapt hoe dat voelt. Er is een boog mogelijk voor mij, maar ik ben nu de persoon die ik moet zijn.”

Zijn sigaret is op en het is koud buiten. We gaan weer naar binnen, voor warme thee, en een vanille milkshake voor hem.


Het knuffeldier begon als speldenkussen

In een van Laura Ingalls Wilders Kleine huis-kinderboeken is Laura te arm om een pop te hebben. Ze moet het doen met een maïskolf met een zakdoek eromheen. Dat was in de jaren zeventig van de negentiende eeuw. Is er vooruitgang in de kunst en de cultuur? We weten het niet. We weten wel dat een maïskolf nu zelf een ding om te koesteren kan zijn. Een knuffel. Na de dieren zijn de groentes aan de beurt gekomen. En daar is het niet eens bij gebleven. Er zijn tegenwoordig knuffels van pizzapunten, penissen, regenbogen, ja zelfs de Japanse berg Fuji is als knuffel te koop. Vul een zachte stof met iets zachts, geef het ogen en een mond en het mag mee naar bed.

Tot ongeveer 1980, gok ik, was een knuffel meestal een dier. Maar wanneer begon het tijdperk van het knuffeldier? Knuffeldieren hebben nu eens geen wortels in de klassieke oudheid of andere oude beschavingen. Reeds de oude Perzen/Egyptenaren/Grieken/Romeinen/Chinezen/Inca’s: nee, ze hadden geen knuffels. Geen Flaffie.

Er is uit die culturen wel speelgoed overgeleverd, maar dat was altijd hard, gemaakt van hout, klei of metaal en vooral bedoeld om voort te trekken. Veel speelgoeddieren uit vroeger tijden hebben wieltjes. Het kan natuurlijk dat de knuffeldieren uit andere eeuwen allemaal zijn verdwenen. Stof vergaat nu eenmaal sneller dan keramiek en metaal. Of ligt er ergens in Pompeii nog een verkoold wollen geitje in de armen van een verbrand kind? Is er in de gewelven van de verboden stad in Beijing nog een zijden rupsje of een donzen nachtegaaltje op te graven?

Poppen zijn wel vaak gevonden, harde maar ook zachte. Het British Museum heeft er een uit Egypte, een linnen lappenpop uit Oxyrhynchus, gevuld met wol en papyrus, die gedateerd wordt tussen de eerste en vijfde eeuw GJ (gangbare jaartelling). Niet uit te sluiten valt dat ermee werd geknuffeld.

Het eerste knuffeldier waarvan het bestaan bewezen kan worden, is een olifant. De ontstaansgeschiedenis van dit dier is heel onverwacht: het begon, omstreeks 1880, als speldenkussen. Margarete Steiff maakte in de Zuid-Duitse stad Giengen een speldenkussen in de vorm van een olifant en zag dat kinderen er graag mee speelden. Met deze olifant begon het imperium van Steiff, nog steeds een grote knuffelleverancier.

Maar net als het alfabet is het knuffeldier op meerdere plekken uitgevonden. In de VS maakten snoepwinkeliers Rose en Morris Michtom een beer van pluche nadat er in The Washington Post in 1902 een cartoon was verschenen van president Theodore Roosevelt die een gewond, vastgebonden berenjong niet wilde doodschieten. Michtom vroeg aan Roosevelt of die de beren ‘Teddy’s beren’ mocht noemen. Roosevelts antwoord schijnt in een briefje bewaard te zijn gebleven: „I don’t think my name is likely to be worth much in the bear business, but you’re welcome to use it.”

Jongen en teddybeer poseren

Foto Bettmann / Getty

Hoe kon Roosevelt zich zo vergissen! De teddybeer veroverde de wereld en de literatuur, met personages als Winnie de Poeh en Aloysius, de teddybeer in de roman en tv-serie Brideshead Revisited. Na de olifant en de beer volgden al snel een heleboel andere dieren. Steiff had in 1892 ook al een ezel, een poedel en een aap in het arsenaal. Nu kan alles een knuffel zijn. Het lijkt alsof ook de knuffelmakers deelnemen aan het geheime plan, net zo oud als de mensheid, om van de wereld en alles wat daarop is zo veel mogelijk kopieën te maken. De aarde zelf is nu ook een knuffel.

Waarom zou het knuffeldier omstreeks 1900 zo zijn aangeslagen? Misschien is het niet toevallig dat in de negentiende eeuw kinderen voor het eerst alleen moesten slapen, zonder moeder, vader, zusjes of broertjes of nog meer familie om zich heen. In een bedstee met tien kinderen is een knuffel minder nodig. Alleen slapen werd in de negentiende eeuw gezond en beschaafd gevonden. Vooral voor jongens moet het knuffeldier toen een uitkomst zijn geweest. Nu slaapt volgens een recent onderzoek (van een knuffelfabrikant) ongeveer 35 procent van de volwassenen met een knuffel. Bij kinderen moet het bijna 100 procent zijn. Meer zelfs, want de meeste kinderen hebben wel meer dan één knuffel. Zal dat nu weer gaan afnemen? Is de verzadiging bereikt? Laten we hopen dat het knuffeldier niet dezelfde weg als de clown opgaat – die is van kindervriend nu vooral monster geworden. De eerste horrorfilm met Winnie de Poeh in de hoofdrol is al gemaakt. In de kunst was Paul McCarthy al begonnen met het vernederen van knuffeldieren in performances en installaties. Weinig is treuriger dan knuffels zonder eigenaren. Voorbij jeugd, voorbij leven.


Opinie | Polarisatie op de vierkante centimeter tast het draagvlak voor de kunstsector aan

In 2023 won Jonas Staal de Prix de Rome Beeldende Kunst. Hans den Hartog Jager schreef er twee weken geleden over in NRC. Hij schrijft in het artikel over de politieke positionering en het verzet tegen de heersende macht van Staal.

In zijn stuk reflecteert Den Hartog Jager op de ondersteuning die Staal menigmaal heeft ontvangen van de organisator van de Prix de Rome Beeldende Kunst; het Mondriaan Fonds. Hij schrijft: „zijn werken worden vrijwel altijd medegefinancierd door het, volledig door de overheid betaalde Mondriaan Fonds – waarmee Staals praktijk dus indirect in stand wordt gehouden door, laten we zeggen, Mona Keijzer en Dion Graus.”

Het is goed de vraag te stellen: hoe verhoudt de financiering van cultuur zich tot het vrije woord, de democratische gedachte, de individuele expressie, en de afwijkende mening? Het is fijn dat Den Hartog Jager die vraag stelt, zeker nu.

Als rijkscultuurfonds is het Mondriaan Fonds een uitvoerende instantie, verbonden aan het ministerie van OCW. En het ministerie dient het cultuurbeleid van onze democratisch gekozen regering. Misschien voelt een door het Mondriaan Fonds ondersteunde persoon of instelling de behoefte of noodzaak tot verzet tegen het systeem waarbinnen uiteindelijk de eigen praktijk gefinancierd wordt. Is dat dan niet problematisch?

Nee, dat is niet problematisch, dat is fantastisch!

Eelco van der Lingen, directeur Mondriaan Fonds.
Foto Aad Hoogendoorn

Vrijheid

We hebben musea, kunstpodia en andere kunstinstellingen heel hard nodig als plekken waar kunstenaars zich tegen de macht kunnen keren. Waar ze kritiek kunnen uiten en verzet kunnen plegen. Ten oosten van ons kan dat niet, ten westen lijkt dat steeds lastiger te worden. In Nederland hebben we gelukkig nog steeds instituten die die ruimte en vrijheid kunnen garanderen.

We voelen wel de toegenomen dreiging, ook in Nederland. We ervaren weinig tolerantie en veel harde woorden. Mensen zoeken naar oplossingen voor problemen, maar zijn vaak niet bereid zelf iets in te leveren. Het is dan makkelijker de problemen af te schuiven op een zondebok.

De geschiedenis vertelt ons dat de zondebok niet werkt; dat juist het maken van een groep tot probleem tot oorlog kan leiden. Dat weten we mede dankzij musea, want we hebben musea waar die geschiedenissen gedeeld en inzichtelijk gemaakt worden.

Het Mondriaan Fonds kan erfgoed-presentaties financieren die kritische vragen stellen bij het handelen van onze machthebbers uit het verleden. En we maken de praktijk mogelijk van kunstenaars die zich afzetten tegen de keuzes van de machthebbers van nu. Jonas Staal mag zich dus met de volste overtuiging uitspreken tegen het systeem waarbinnen zijn praktijk gefinancierd wordt.

Elke criticus mag daar vervolgens natuurlijk weer wat van vinden. Staal en Den Hartog Jager moeten dus vooral verder gaan met hun werk.

Polarisatie

Moet de sector dan vooral roepen wat hij wil? Daar valt toch iets over te zeggen. Polarisatie op de vierkante centimeter die kan ontstaan over het wel of niet maken van publieke statements of de inhoud van die statements. Het kan het draagvlak en daarmee de bescherming van de sector aantasten.

De verwijtende en normerende sfeer die soms ontstaat – wat wel getoond mag worden of juist niet, wat gezegd móet worden of wat juist niet gezegd mag worden – het schrikt mensen af.

Als het culturele veld veel energie stopt in het elkaar de maat nemen, als men elkaar continu publiekelijk de les leest over hoe het hoort en wat niet mag, dan wordt het lastig om de gemeenschappelijke kwaliteiten van de sector te verdedigen. Dat is zonde, want we hebben nogal wat vrijheden te verliezen, juist omdat we ze hebben.

Lees ook

Mag een kritische kunstenaar een belangrijke prijs aannemen? Ja, een andere (kunst)wereld is mogelijk

 Jonas Staal (links) en Micha Hamel bij hun werk ‘Earth Workers Requiem/Jubilate’ dat ze maakten in opdracht van Het Noordbrabants Museum en festival November Music.

Als we genieten van de diversiteit van onze sector, als we de deuren openzetten voor nieuwe ideeën, als we op een uitnodigende wijze ruimte bieden aan het goede gesprek, dan maakt dat de sector aantrekkelijker. Het draagvlak dat zo ontstaat is de beste verdediging tegen welke dreiging van welke onwelgevallige machthebber dan ook.


Roan Kasanmonadi dichtte bij een 17de-eeuws schilderij: ‘dit is een afscheidsbrief, lief thuisfront’

was getekend, eender wie

dit is een afscheidsbrief, lief thuisfront,jullie weten dat dit sterven mij is opgelegdmaar dat maakt het niet minder onherroepelijk

ik droomde vannacht over zachte zondagochtenden op een boerderijover het kijken van TikTok-filmpjes in bed, urenlangover paarden waar ik me niet in hoefde te verstoppen

all quiet on the western front

we waren als gasten bij een overzeese talkshow:jij krijgt een geweer! jij krijgt een geweer! jij krijgt een geweer! jullie krijgen allemaal een geweer!steek je borst vooruit als een trotse kip!

dan is het kerstmisgezamenlijk zingen we over heimwee en dennenbomenmorgen weer survivallen

all quiet in western africa

na een avondje Call of Duty vraagt iemand: zou jij je opdracht zwijgend aanvaarden?onversaagd ten strijde trekkenrebelleren wanneer je dat nodig acht

bluf

zou je een psychose veinzen?beschouw het als een multiverse met in elke tijdlijn eenspeelbal: Achilles, Paul Bäumer,

all quiet on the west bank

opstandelingen, kinderen in een openluchtgevangenisdie ooit zachtmoedig genoemd werdenniet in de Styx wilden worden gedoopt maar wilden knikkerennu hebben wij helm en zwaard in de hand

blufzegt het doelwit


Met Britse onderkoeldheid maakt stripmaker Posy Simmonds gehakt van poseurs

Tijdens de aanstaande editie van het stripfestival van Angoulême wordt het uitgesproken satirische en literaire werk van de Britse stripauteur Posy Simmonds (79) gevierd. Het is een uitvloeisel van de Grand Prix die Simmonds vorig jaar won: de winnaar cureert in het daaropvolgende jaar een aantal exposities en krijgt een grote overzichtstentoonstelling van eigen werk.

Het is de eerste keer in 52 jaar dat de Grand Prix van het belangrijkste en grootste Europese stripfestival is toegekend aan een Britse auteur. De op-en-top Britse Simmonds is cartoonist, (kinderboeken)illustrator en stripmaker met een enorme staat van dienst. Simmonds, stomverbaasd dat ze de prijs won, is pas de vierde vrouw die de Grand Prix wint. „Ik denk altijd dat in een perfecte wereld het geslacht van een prijswinnaar er niet toe doet”, zei Simmonds na de bekendmaking, om te vervolgen met een van haar stokpaardjes: „Maar de wereld is nu eenmaal onvolmaakt en die van de strip is altijd een jongensclub gebleven. En toch, beetje bij beetje zijn de vrouwen geïnfiltreerd. Daar ben ik er nu eentje van.” Deze reactie kenmerkt haar: mild, verfijnd en toch met een plagerige ondertoon. Ze straalt het uit.

Posy Simmonds, eerste Britse winnaar van de Grand Prix op het stripfestival van Angoulême
Foto Ben Stansall / AFP

Wat haar overwinning des te mooier maakt: de oeuvreprijs wordt niet door een jury toegekend, maar door honderden collega-stripmakers. Dat gaat in twee etappes. Iedereen stuurt een drietal namen in en na de eerste ronde blijven er drie gegadigden over. Simmonds nam het daarin op tegen de Amerikaan Daniel Clowes (Eightball, Ghost World, Monica) en de Franse stripmaker Catherine Meurisse (Les grands espaces, dat beslist vertaald moet worden). Deze stemming gebeurt altijd in aanloop naar het festival, waarbij de winnaar van de grote prijs het jaar erna in het middelpunt staat. Die cureert dan een gedeelte van het festival, doorgaans een of meerdere exposities, en wordt zelf geëerd met een grote overzichtstentoonstelling.

<figure aria-labelledby="figcaption-0" class="figure" data-captionposition="icon" data-description="Omslag van Gemma Bovery van Posy Simmonds” data-figure-id=”0″ data-variant=”row”><img alt data-description="Omslag van Gemma Bovery van Posy Simmonds” data-open-in-lightbox=”true” data-src=”http://nltoday.news/wp-content/uploads/2025/01/met-britse-onderkoeldheid-maakt-stripmaker-posy-simmonds-gehakt-van-poseurs-1.jpg” data-src-medium=”https://s3.eu-west-1.amazonaws.com/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2025/01/21104431/data126916671-041b83.jpg” decoding=”async” src=”http://nltoday.news/wp-content/uploads/2025/01/met-britse-onderkoeldheid-maakt-stripmaker-posy-simmonds-gehakt-van-poseurs-9.jpg” srcset=”http://nltoday.news/wp-content/uploads/2025/01/met-britse-onderkoeldheid-maakt-stripmaker-posy-simmonds-gehakt-van-poseurs-7.jpg 160w, http://nltoday.news/wp-content/uploads/2025/01/met-britse-onderkoeldheid-maakt-stripmaker-posy-simmonds-gehakt-van-poseurs-8.jpg 320w, http://nltoday.news/wp-content/uploads/2025/01/met-britse-onderkoeldheid-maakt-stripmaker-posy-simmonds-gehakt-van-poseurs-9.jpg 640w, http://nltoday.news/wp-content/uploads/2025/01/met-britse-onderkoeldheid-maakt-stripmaker-posy-simmonds-gehakt-van-poseurs-10.jpg 1280w, https://images.nrc.nl/enwOmNGaNq5znaNAgG9vKmTgTnk=/1920x/filters:no_upscale()/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2025/01/21104431/data126916671-041b83.jpg 1920w”>

<figure aria-labelledby="figcaption-1" class="figure" data-captionposition="icon" data-description="Omslag van de graphic novel Cassandra Darke van Posy Simmonds ” data-figure-id=”1″ data-variant=”row”><img alt data-description="Omslag van de graphic novel Cassandra Darke van Posy Simmonds ” data-open-in-lightbox=”true” data-src=”http://nltoday.news/wp-content/uploads/2025/01/met-britse-onderkoeldheid-maakt-stripmaker-posy-simmonds-gehakt-van-poseurs-2.jpg” data-src-medium=”https://s3.eu-west-1.amazonaws.com/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2025/01/21104433/data126915809-061514.jpg” decoding=”async” src=”http://nltoday.news/wp-content/uploads/2025/01/met-britse-onderkoeldheid-maakt-stripmaker-posy-simmonds-gehakt-van-poseurs-13.jpg” srcset=”http://nltoday.news/wp-content/uploads/2025/01/met-britse-onderkoeldheid-maakt-stripmaker-posy-simmonds-gehakt-van-poseurs-11.jpg 160w, http://nltoday.news/wp-content/uploads/2025/01/met-britse-onderkoeldheid-maakt-stripmaker-posy-simmonds-gehakt-van-poseurs-12.jpg 320w, http://nltoday.news/wp-content/uploads/2025/01/met-britse-onderkoeldheid-maakt-stripmaker-posy-simmonds-gehakt-van-poseurs-13.jpg 640w, http://nltoday.news/wp-content/uploads/2025/01/met-britse-onderkoeldheid-maakt-stripmaker-posy-simmonds-gehakt-van-poseurs-14.jpg 1280w, https://images.nrc.nl/lGQxI9eUnRr6PrsFbyQlR5ldUbU=/1920x/filters:no_upscale()/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2025/01/21104433/data126915809-061514.jpg 1920w”>

<figure aria-labelledby="figcaption-2" class="figure" data-captionposition="icon" data-description="Omslag van de graphic novel Tamara Drewe van Posy Simmonds ” data-figure-id=”2″ data-variant=”row”><img alt data-description="Omslag van de graphic novel Tamara Drewe van Posy Simmonds ” data-open-in-lightbox=”true” data-src=”http://nltoday.news/wp-content/uploads/2025/01/met-britse-onderkoeldheid-maakt-stripmaker-posy-simmonds-gehakt-van-poseurs-3.jpg” data-src-medium=”https://s3.eu-west-1.amazonaws.com/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2025/01/21104432/data126915815-2e983b.jpg” decoding=”async” src=”http://nltoday.news/wp-content/uploads/2025/01/met-britse-onderkoeldheid-maakt-stripmaker-posy-simmonds-gehakt-van-poseurs-17.jpg” srcset=”http://nltoday.news/wp-content/uploads/2025/01/met-britse-onderkoeldheid-maakt-stripmaker-posy-simmonds-gehakt-van-poseurs-15.jpg 160w, http://nltoday.news/wp-content/uploads/2025/01/met-britse-onderkoeldheid-maakt-stripmaker-posy-simmonds-gehakt-van-poseurs-16.jpg 320w, http://nltoday.news/wp-content/uploads/2025/01/met-britse-onderkoeldheid-maakt-stripmaker-posy-simmonds-gehakt-van-poseurs-17.jpg 640w, http://nltoday.news/wp-content/uploads/2025/01/met-britse-onderkoeldheid-maakt-stripmaker-posy-simmonds-gehakt-van-poseurs-18.jpg 1280w, https://images.nrc.nl/7H-GerUU7ewvPhhGRv_PAaXlgAs=/1920x/filters:no_upscale()/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2025/01/21104432/data126915815-2e983b.jpg 1920w”>

Gemma Bovery

Rosemary Elizabeth Simmonds (Berkshire, 1945) studeerde grafisch ontwerp en illustratie en werkt sinds 1972 onafgebroken voor The Guardian. Drie jaar eerder begon ze haar imposante krantenloopbaan bij The Sun, met een dagelijkse cartoon. In The Guardian vielen vooral haar satirische feuilletons Gemma Bovery (1999, naar de klassieker van Gustave Flaubert) en Tamara Drewe (2007, naar Thomas Hardy’s Far From the Madding Crowd) in de smaak. Het zijn twee naar het heden verplaatste verhalen die opvallen wegens de mengvorm van tekst en beeld, op een manier die niet gebruikelijk is in het medium. Simmonds wisselt constant tussen uitgetypte tekstdelen en klassieke strippagina’s met kaders en tekstballonnen.

Die mengvorm geeft Simmonds alle ruimte om te excelleren in wat haar werk zo aanstekelijk maakt: met Britse onderkoeldheid heerlijke satire bedrijven. Ze maakt gehakt van poseurs en fileert uitslovers, zoals te lezen is in haar helaas nog niet vertaalde boek Literary Life Revisited. Met die satirische observaties van het moderne Britse leven heeft Simmonds in haar eigen land, maar ook in Frankrijk en Nederland, een zekere cultstatus verworven. Simmonds werd na de bekendmaking van de prijs getooid met de titel ‘de koningin van de Britse graphic novel’. Zou een figuur in één van haar verhalen dit overkomen, dan zou die het hele idee subtiel maar volledig te gronde richten.

Pagina uit Tamara Drewe van Posy Simmonds

Uitgesproken vrouwen

Het aantal graphic novels dat Simmonds publiceerde is gering, maar toch zijn de titels onverminderd populair. Haar twee belangrijkste, vertaalde werken, Gemma Bovery en Tamara Drewe zijn verfilmd, beide met Gemma Arterton in de hoofdrol. Haar laatste graphic novel over een horkerige galeriehoudster, Cassandra Darke, verscheen in het Nederlands in 2019. Die bescheiden en weinig actuele stripproductie en het feit dat Simmonds op leeftijd is, maakt haar uitverkiezing moedig. Zelf is ze er eerlijk over, misschien komt er nog één graphic novel. In een interview zei ze: „Het is nog in een pril stadium. Het zit in schetsboeken en ik werk wat scènes uit. Het staat op het fornuis en het kookt, maar het kan nog even duren.”

Toch is de Franse prijs logisch, gezien de status van haar strips in het land dat de strip veel volwassener tegemoettreedt dan bijvoorbeeld Nederland of België. Met name haar bewerking van Flauberts klassieker kon op bijval rekenen. Ook het feit dat Simmonds’ hoofdpersonen steeds dominante, uitgesproken vrouwen zijn, met een tikje venijn zo nu en dan, slaat aan.

Tekening van Posy Simmonds


Rapper en producer Babs: ‘Een moeilijke, intense tekst komt beter over in een dansbaar liedje’

Ze is een letterlijk rijzende ster. Babs Schutte (25) hangt namelijk het liefst een paar meter boven de grond in de boulderhal. De rest van haar tijd zit ze daar aan haar laptop en werkt ze aan muziek. „Ik ben muziek, ik adem muziek, ik ben de hele dag met muziek bezig. Maar als ik aan de muur hang, ben ik alleen maar aan het bewegen, dat is het enige moment dat mijn hoofd helemaal leeg is.”

Schutte, die optreedt met alleen haar voornaam, heeft nogal wat om over na te denken. De in Leiden geboren half-Surinaamse muzikant, rapper en producer die muziekproductie studeerde in Engeland en Enschede en nu niet ver van haar vaste boulderhal in Amsterdam woont, zat tot haar eigen grote verrassing („Ik ben toch helemaal geen bekende Nederlander?”) begin 2024 in tv-programma Wie is de Mol?, en bracht meerdere ep’s uit met behoorlijk activistische toon: identiteit, etniciteit, seksualiteit en andere kwesties die haar aan het hart gaan, staan aan de basis van haar vrolijke electropop. Dit jaar komt haar debuutalbum uit, speelt ze in Paradiso en heeft ze een tour in de planning.

„Boulderen is zo leuk omdat het een combinatie is van denk- en krachtsport”, zegt ze op de bank tussen de klimmuren. „Je moet heel erg puzzelen wat je volgende beweging is, en daarbij vind ik het leuk om iets te doen waarin ik kan laten zien dat ik sterk ben. Als je me ziet rondlopen zou je kunnen denken: oh best wel een klein meisje.” Met grote glimlach: „Ik vind het leuk als ik dan een route haal die de grote, brede mannen die hier rondlopen niet halen.”

Tussen het klimmen door zit ze hier aan een tafel op haar laptop, te werken aan haar muziek. Af en toe een praatje met een van de andere vaste gasten, anders is ze maar alleen thuis aan het werk zegt ze, „en ik ben niet gemaakt om alleen te zijn”. Eén keer maakte ze een uitstapje naar een productie samen: met Willie Wartaal van De Jeugd van Tegenwoordig maakte ze ‘Altijd Tijd’ in 2023. Daar is ze nog steeds trots op, maar het schuurde wel want terwijl Babs zich in haar muziek zeer feministisch uitspreekt, staat Wartaal niet bekend om zijn vrouwvriendelijkheid. ‘Tijd is geld, is twee keer min plus?/ zijn wij allemaal rijk is er altijd tijd’, rapt Babs. Wartaal daarna: ‘Ik heb wel tijd maar niet voor jou/ ik laat jouw vinkjes liever blauw/ ik vind jou een vieze vrouw/ dus ik schud smoesjes uit m’n mouw’.

„Ik vond dat wel lastig ja. Ik kan hem niet vertellen wat hij moet doen of schrijven, en ik vind dat zijn kracht ook is dat je precies weet wat je met hem krijgt. Moest ik het dan zonder die feature doen omdat ik niet helemaal achter de tekst stond?” Ze besloot hem in zijn waarde te laten, en heeft het zo gelaten. En de reacties, ook in haar bubbel, waren juist heel positief. „Dat bewijst maar weer dat je heel lang kan inzitten over wat zoiets over je gaat zeggen en wat het gaat doen, maar uiteindelijk was iedereen alleen maar enthousiast.”

Haar muziek is niet alleen kritisch, het is juist ook heel energiek en vrolijk. Stilstaan wordt moeilijk bij songs als ‘Geen Ja in m’n Nee’, ‘Beetje Bi’ of de eerste single van haar aankomende plaat, ‘Obsessie(f)’. „Het is geen bewuste keuze om de muziek zo te maken, en het is ook geen bewuste keuze dat ik wil dat iedereen het gezellig heeft. Dat is gewoon wie ik ben. Ik ben optimistisch, je ziet me heel vaak lachen, en ik hou van dansbare muziek.”

Zangeres, producer en rapper Babs.
Foto Andreas Terlaak

Soms maakt dat het lastig om die moeilijke boodschappen over te brengen. In ‘Bennie Boos’ is ze juist wél boos, en niet alleen maar teleurgesteld over hoe vrouwen niet serieus worden genomen. In ‘Beetje Bi’ zit een diepgevoelde oproep tot naastenliefde, tegen uitsluiting – maar ook een aanstekelijke beat met glinsterende synths. ‘Ik ken mijn plek niet, geen witte tint, geen witte huid maar wel opgegroeid in een rijk wit huis’, rapt ze in ‘Ze Waait Weg’, over haar Surinaamse roots.

„Ik denk nog steeds dat een moeilijke, intense tekst beter overkomt in een dansbaar liedje. Maar ik heb live wel ervaren dat ik soms even moet stoppen met springen en dansen en stil moet staan, om de aandacht te vestigen op waar het eigenlijk over gaat.” En dat werkt, want ze hoort terug dat mensen nu ineens begrijpen waar bepaalde nummers over gaan. „Mensen moesten huilen, het deed echt iets. En het andere deel van de avond wordt er dan volop gedanst. Dat is zo mooi, dat het naast elkaar bestaat.”

Ik heb geleerd dat niet iedereen je leuk kan vinden

Babs

Sinds Wie is de Mol? is haar bereik flink vergroot. Ze kreeg veel reacties op de aflevering waarin de vrouwelijke deelnemers een traditionele jurk moesten aantrekken, en de mannen een pak. Maar Babs in een jurk? „Ik wilde gewoon een pak aan. Ik had daar verder niet zo over nagedacht, maar ik kreeg daar zó veel reacties op. Veel moeders die zeiden dat hun kind zich in mij herkende, omdat die ook nooit jurkjes aan wilden. En ik hoor dat vaker van kinderen en jongeren, blijkbaar spreek ik die veel aan en dat vind ik super bijzonder. Die representatie, dat is echt onderdeel van waarom ik artiest ben geworden.”

Tegelijk zag ze haar anonimiteit afbrokkelen. Daar was ze op voorbereid, maar ze vroeg zich daarna af of je je hier wel op kúnt voorbereiden. „Ik vond dat best wel pittig. Vrienden ook, omdat ik telkens werd gekaapt door anderen als we ergens waren. Even een praatje, of een foto. En gewoon het idee dat je niet meer buiten rond kunt lopen zonder het idee: mensen kennen mij.”

Dat wende, maar vervelender was het soms ook. Een beetje terughoudend verzucht ze: „Ik heb geleerd dat niet iedereen je leuk kan vinden. Uit comments online bleek dat sommige mensen mij echt niet konden uitstaan. En dat is wel moeilijk. Ik dacht: ik heb toch geen vlieg kwaad gedaan, waarom zeggen mensen zulke gemene dingen? Ik was blijkbaar irritant, en dom, en wat me ook opviel is dat er enorm veel gegoogeld werd naar mijn geslacht. Lekker boeien toch? Ik deed mee aan een spel, hoe relevant is het dan welk geslacht ik heb?” En ook daar leert ze mee omgaan. „Ik denk dat ik met de mensen die dat soort dingen online zeggen, ook geen klik had gehad als ik ze had ontmoet. Het is oké.”

Ze rapt én zingt het van zich af op haar debuutalbum, dat uitkomt in het voorjaar rond haar concert in Paradiso. „Ik vond het ’t belangrijkste om mezelf te ontwikkelen. Op het album rap ik veel, maar het moeilijke is dat rappen letterlijk eentonig is, gewoon één toon, en daarom ben ik meer gaan zingen.” Beetje twijfel: „Dat is echt een van mijn grootste onzekerheden, ik vind echt dat ik niet kan zingen. Maar toch… Ik wil laten zien wat ik wél kan.”

NRC presenteertDe rijzende sterren van 2025


Klassiek

Arjan Linker

10 januari

cabaret

David Linszen

11 januari

Jazz

Ella Zirina

12 januari

Literatuur

Manik Sarkar

13 januari

Film

Didier Konings

14 januari

theater

Romy Vreden

15 januari

Design

Femke Hoppenbrouwer

16 januari

Beeldende kunst

Faria van Creij-Callender

17 januari

Dans

Courtney May Robertson

17 januari

Fotografie

Hajar Benjida

18 januari


Zangeres S10: ‘Samenwerken met een producer van een metalband is een heel leuke nieuwe stap’

S10 – Stien den Hollander, 24 – is nog maar net klaar met haar theatertour Groeipijn, en bereidt zich nu voor op de release van haar nieuwe album, Mijn Haren Ruiken Naar Vuur, dat in maart uitkomt en wordt geproduceerd door een van haar jeugdhelden: Jordan Fish, voormalig bandlid van metalcoreband Bring Me The Horizon, Stiens favoriete band.

Maar nu eerst try-outs, kleding passen, gitaar leren spelen en de huiskamer omgooien. In voicememo’s houdt ze haar dagboek bij.

Dinsdag 31Huis opnieuw inrichten

„Ik ben erg moe. Ik heb de hele maand mijn theatervoorstelling Groeipijn gespeeld en dan ook nog Kerst. Dus ik ben een beetje overprikkeld. Oud en Nieuw komt mij eigenlijk niet zo heel goed uit.

Wat ik graag doe als ik moe ben, het echt een beetje overloopt en ik even zin heb in een verzetje, is mijn huis opnieuw inrichten. Dus ik heb mijn bed verschoven naar de andere kant van de kamer, alles even gezelliger neergezet, boekjes opgestapeld, leuke dingetjes neergezet in de buurt van mijn bed, de woonkamer opgeruimd en de bank op een nieuwe plek neergezet. Nou, dan voelt alles weer even nieuw aan, en kan ik weer rustig wennen aan dat er iets nieuws speelt.

Want ondertussen bereid ik me voor op de nieuwe show. Ik speel op 11 januari twee try-outs in de Melkweg en daarna op Noorderslag, met mijn nieuwe album Mijn Haren Ruiken Naar Vuur. Dus… ik ben de hele tijd de set aan het luisteren die we hebben gerepeteerd, en op 5 januari gaan we verder repeteren. Tegelijkertijd ben ik allemaal foto’s aan het maken van de kleren die ik aan het verzamelen ben voor de nieuwe outfits en styling. Ik wacht nog op een paar pakketjes, en dan kan ik alles gaan passen en foto’s maken, dat vind ik echt leuk.

Straks moeten Frok – dat is zangeres Froukje Veenstra – en ik draaien in een club, de Barracuda Bar, om precies twaalf uur.

Foto’s Andreas Terlaak

Woensdag 1 januariWhite Lotus

Dat draaien om twaalf uur was echt raar, want iedereen ging naar buiten dus er was echt niemand. Oud en Nieuw is daarom een beetje voorbij gevlogen, alsof er niks aan de hand was. Toch heb ik het lekker laat gemaakt, en vandaag was ik daardoor helemaal niks waard. Ik heb alleen maar op de bank gezeten, White Lotus gekeken. Dat was mijn 1 januari.

Donderdag 2 januariGitaar studeren

Vandaag ben ik best wel laat wakker geworden, om elf uur. Ik ben nog steeds moe, maar ik heb een kopje koffie gehaald in de Jordaan en omdat ik niet zo goed wist wat ik met mezelf aan moest, heb ik de hele middag thuis maar gewoon een beetje gerommeld. Ik heb wel nog een beetje gitaar gestudeerd, want ik ga gitaar spelen in de nieuwe show en daar ben ik niet zo goed in. Maar ik vind het eigenlijk wel erg leuk.

Daarna ben ik gaan eten met Milolaathetlukken (een rapper) en zijn vriendin, samen met mijn manager Froukje Bouma. Daarna zijn we ook nog even naar de kroeg gegaan en zo was ik alsnog om half twee thuis. Eigenlijk een prima dag om een soort verlengde van de kater van Oud en Nieuw te hebben.

Lees ook

Froukje en S10: ‘Het regende pieken dit jaar. Een beetje te veel, eigenlijk’

S10 en Froukje

Vrijdag 3 januariBeetje stofzuigen

Weer laat wakker geworden. Ben nu even aan het wandelen met koffie en de zon schijnt, net regende het nog. Ondertussen luister ik nog eens naar de set zoals we die op Noorderslag gaan spelen, en ik ga zo gitaar oefenen. Eerst een beetje stofzuigen en dweilen, of ik ga eindelijk alle kleding doorpassen die ik tot nu toe heb verzameld, want ik heb nu alles binnen… Maar misschien doe ik dat morgen wel. Ik heb verder toch geen plannen.

Foto’s Andreas Terlaak

Zaterdagochtend 4 januariOutfits fotograferen

Ik heb vandaag eerst alle kleren die ik de afgelopen maanden heb verzameld voor de nieuwe show op een stapel gelegd. Het kostte een paar uur om alles uit te zoeken en overal foto’s van te maken. Ik heb heel veel verschillende outfits gemaakt door veel dingen te combineren. Nu heb ik een beetje een idee en als ik ga optreden hoef ik alleen maar even door mijn fotogalerij te kijken, en kan ik iets uitkiezen. Dat geeft mij rust.

Morgen de laatste repetities voor de try-outs.

Zondagochtend 5 januariEng en spannend

Ik heb zin om te gaan repeteren vandaag, want alles moet nog wel even gaan samenvallen. We willen wel dat het echt overkomt zoals we het bedacht hebben, en dat is best een puzzel. Dat moet vandaag gebeuren, en dat vind ik superleuk.

Ik vind het ook best wel eng en spannend, omdat ik het nieuwe album heb gemaakt met mijn lievelingsproducer in de hele wereld, Jordan Fish. Dat is een Engelsman die elf jaar lang in metalband Bring Me The Horizon heeft gespeeld en geproduceerd. Met hem samenwerken is een heel leuke, nieuwe stap voor mij. De band en ik vinden het leuk om die muziek te spelen, want we voelen dat er iets in zit wat we zelf nog niet helemaal kunnen invullen hoe dat gaat worden, live, maar wel dat we extra ons best moeten doen om het goed over te laten komen. Dit album is anders dan mijn muziek tot nu toe was, en we willen natuurlijk wel dat de mensen dat straks helemaal geweldig gaan vinden.

Foto Andreas Terlaak

Zondagmiddag 5 januariVijf keer de hele show

Het repeteren is goed gegaan. We hebben vijf keer de hele show doorgespeeld, en volgens mij is het echt aan het komen waar we willen. Iedereen is erg trots en we hebben veel zin om de nieuwe plaat live te gaan spelen. Ik ben echt hartstikke blij.

Het is wel laat geworden, morgen moet ik weer om kwart over acht in de Watergraafsmeer zijn voor een clip-opname.

Maandagochtend 6 januariBig hair blowout

Lekker vroeg op, half zeven. Ik moest om kwart over 8 in de studio zijn voor de clipshoot van mijn nieuwe single ‘Have Fun’. En nu zit ik in de haarstoel, want ik krijg een, hoe zou je dit noemen? Een soort big hair – ohja een blowout. Dat heb ik nog nooit gehad, dus dat vind ik erg leuk. Ik ben benieuwd hoe het eruitziet. De scènes zijn heel weird, maar het wordt denk ik echt vet.”


Een koninklijke handdruk voor de systeemcriticus. Mogen kunstenaars inconsequent zijn?

Gaat kunst in 2025 de wereld echt veranderen? Op dit moment is er in Frankfurt, heel actueel, een groot overzicht te zien van Hans Haacke, een van de allereerste engagement-kunstenaars. Maar na zeker anderhalf uur over die tentoonstelling te hebben gelopen, dacht ik alsmaar aan koningin Máxima. Of beter, aan een foto, genomen tijdens de uitreiking van de Prix de Rome 2023, waarop onze koningin Jonas Staal met zijn overwinning feliciteert.

Die ontmoeting had me geraakt door de curieuze botsing van krachten: Máxima, het perfecte symbool van macht en establishment in Nederland, hand in hand met Staal, de kunstenaar die zichzelf structureel positioneert als systeemcriticus annex machtsdenker annex luis in de pels. Een handdruk tussen die twee had iets van een ideologisch-chemische ontploffing met onbekende uitkomst, zwavel en azijnzuur, olie en water, royalty en proletariaat. Tegelijk was kritiek erop bijna té simpel: Staal snapte ook wel dat zo’n foto hem zou corrumperen, alsof hij, ondanks al z’n machtskritiek, voor een lousy prijs best bereid was even tegen het establishment aan te schurken.

Ook Hans Haacke, zo zag je in Frankfurt, had met dat dilemma geworsteld. Haacke werd begin jaren zeventig bekend als een van de eerste kunstenaars die de macht uitdaagde. Zijn doorbraak kwam in 1971 met Shapolsky et al., een grote installatie waarvoor hij de onroerend goed-portefeuille van de dubieuze New Yorkse vastgoedhandelaar Harry Shapolsky uitploos én Shapolsky’s banden met mensen uit de kunstwereld toonde. Toen Haacke dit werk op een overzicht in het Guggenheim Museum wilde exposeren, laste de directie terstond de tentoonstelling af.

Hans Haacke: Gras groeit. 1969
Foto Hans Haacke / VG Bild-Kunst

Maar Haacke ging door, en maakte onder andere werken over de dubieuze verkoopgeschiedenis van een Manet-schilderij, en de manier waarop de Duitse chocolademagnaat Peter Ludwig de markt voor Pop Art had gemanipuleerd. Haacke bekritiseerde alles en iedereen die naar macht rook, inclusief de kunstwereld, maar bleef ondertussen óók deel van die wereld uitmaken – tentoonstellingen, galeries, en af en toe een prijs, zoals in 1993 de Gouden Leeuw op de Biënnale van Venetië.

Systeemdenker

Kan een kunstenaar het systeem bekritiseren waarvan hij of zij deel uitmaakt? Profiteert?

Daar kwam Staal weer in beeld. Het had me al verbaasd dat hij aan de Prix de Rome meedeed (hiërarchie, geldprijzen, oude macht!), maar misschien nog wel meer dat hij won: schrijf je in deze tijd van emancipatie een kunstprijs uit, geef je ‘m aan een bijna-middelbare witte man die nog maar eens uitlegt hoe de wereld in elkaar zit.

Staals oeuvre draait naar eigen zeggen weliswaar altijd om het onderwerp ‘propaganda’, in de praktijk is hij vooral een systeemdenker, die louter kunst maakt over Grote Maatschappelijke Onderwerpen. Zijn Exo-Ecologies (2023) gaat bijvoorbeeld over de mogelijkheid dat de mens kolonies buiten de aarde gaat stichten en Court for Intergenerational Climate Crimes (2022) is een door Staal en Radha D’Souza opgericht tribunaal(!) waarop bedrijven als ING, Airbus en de Nederlandse Staat worden aangeklaagd voor hun klimaatmisdaden.

Staal omkleedt zijn werk altijd met grote woorden en grote theorieën, vaak ontleend aan denkers als Marx. Mede daarom ben ik, in alle eerlijkheid, ook een beetje bang voor hem. Staal hoort namelijk óók tot de categorie van onverzoenbaren: mensen die, net als Donald Trump, Willem Engel of Geert Wilders, hun morele, politieke, sociale gelijk dragen als een ondoordringbaar masker.

Als je iets tegen ze inbrengt, negeren ze je, of overschreeuwen je, of maken je belachelijk – hun koers is heilig, afwijken is geen optie, en lijk je maar even anders te denken dan zij, dan wordt je hele bestaan uit hun universum verbannen. Staal lijkt in dat opzicht veel meer op een politicus of een activist dan op een kunstenaar – maar juist die onverzoenlijkheid, het idee dat er een waarheid achter zijn denken schuilt, maakt zijn werk voor sommige mensen overduidelijk heel aantrekkelijk.

Daarom was ik benieuwd naar de Máxima-foto. Als ie bestond, was ie het bewijs van Jonas Staals menselijkheid.

Terug uit Frankfurt vroeg ik NRC-fotoredacteur Arjan de Jongh om de foto op te zoeken. Arjan kon ‘m niet vinden. Ik drong aan, Arjan zocht verder en kwam toen, tamelijk pijnlijk, tot de conclusie dat ik twee beelden door elkaar had gehaald. Er bestaat wél een foto waarop Staal in het Stedelijk door de toenmalige staatssecretaris voor Cultuur Gunay Uslu wordt gefeliciteerd met zijn Prix-overwinning. Ook is er (jawel) een filmpje waarop Staal Máxima ontvangt bij zijn werk in de tentoonstelling – en ze elkaar daarbij, inderdaad, de hand schudden.

Ik had dus gelijk én ongelijk – sorry Jonas.

https://youtu.be/pjHuhGANpv0?si=b9mO-gckevlyuM1-&t=112

Mail

Maar het bleef knagen. Was een koninklijke handdruk in een expositie zo anders dan een hand op een podium? Vertegenwoordigde Uslu geen macht? Moest een maatschappijkritische kunstenaar als Staal zich sowieso niet verre van staatsprijzen hou… Pling! Arjan weer: we hadden mail, van Staal. Hij had van het Mondriaanfonds vernomen dat we een stuk over de Máxima-foto overwogen en verschafte met plezier uitsluitsel. „Die foto bestaat niet”, schrijft Staal, „maar dat is ook niet toevallig: toen mij bekend werd gemaakt door het Mondriaan Fonds dat Zorreguieta aanwezig zou zijn bij de prijsuitreiking heb ik duidelijk gemaakt dat ik dit politiek onwenselijk acht, en dat ik niet deel zou nemen aan een geplande foto waarop alle genomineerde kunstenaars met de koningin poseren.” Hij vervolgt: „Het podium van de uitreiking heb ik eind oktober 2023 primair gebruikt in solidariteit met de zelfbeschikking en cultuur van het Palestijnse volk waartegen sinds 8 oktober dat jaar genocide wordt gepleegd.” En even verder: „Ik reageer wat uitgebreid, omdat ik mij kan voorstellen dat het stuk in kwestie de tegenstellingen in politieke praktijken van kunstenaars als mijzelf inzichtelijk wil maken. Indien dit het geval is, is dat volstrekt legitiem, want die tegenstellingen zijn er wanneer kunstenaars die geloven in de emancipatorische rol van kunst, opereren in een kapitalistisch en steeds verregaander neo-fascistische regime.”

Zo kende ik Staal weer: solidariteit, neo-fascistische regimes, en en passant de goedkeuring uitsprekend over een stuk dat nog geschreven moest worden. Maar we waren het óók eens, want: hoe zit het eigenlijk met de relatie tussen maatschappijkritische kunst en ‘kapitalistisch en steeds verregaander neo-fascistische regimes’ die, bijvoorbeeld, prijzen geven aan kritische kunstenaars?

Het antwoord daarop lijkt simpel: het is lastig. Wat kunstenaars ook proberen, hoe kritisch ze ook zijn, ze slagen er zelden in zich volledig van het systeem los te maken – en degene die dat wel lukt, zijn vooral heel onzichtbaar. Kunst maken buiten het kunstsysteem is heden ten dage bijna een perfecte paradox waar niemand een goede oplossing voor weet – alles is verweven. Dat zie je aan Staal: zijn werken worden vrijwel altijd medegefinancierd door het, volledig door de overheid betaalde, Mondriaan Fonds – waarmee Staals praktijk dus indirect in stand wordt gehouden door, laten we zeggen, Mona Keijzer en Dion Graus. Daar komt regelmatig geld van de Europese Unie bij en ook werkt Staal vaak samen met instellingen die zich niet bepaald aan het kapitalisme onttrekken: het Stedelijk bijvoorbeeld, wordt gesponsord door ABN AMRO, en de Shanghai Biennale, waar Staal zijn Exo-Ecologies liet zien, werd onder andere betaald door Google en Turkish Airlines – Staal draait dus vrolijk mee in de kapitalistische propaganda-carrousel die hij in zijn werk bekritiseert. Dat zulke relaties een mijnenveld zijn, bleek toen Outset, een stichting die in 2021-‘22 een project van Staal en D’Souza mede financierde, dit jaar zwaar onder vuur kwam te liggen vanwege banden met de Israëlische wapenindustrie. Staal gooide er nog wel een Instagrampost uit, waarin hij eiste dat Outset zijn project van hun website haalde, wat een beetje een holle geste was, gezien het feit dat het project was afgerond, het geld binnen, en Staal het project wel gewoon op zijn eigen website laat staan, inclusief Outset-financiering (wat qua transparantie overigens zeer te prijzen is). Die halve Máxima-hand is dus typisch Staal: keihard in zijn theorieën, laverend in de praktijk.

Hans Haacke: Retrospectief. 1982. Schilderij: Hommage aan Marcel Broodthaers, 1982.
Foto Norbert Miguletz, Schirn Kunsthalle

Halfslachtigheid

Alleen: is dat erg? Is halfslachtigheid misschien wel het maximale dat je kunt bereiken, en zijn kunstenaars als Staal, die geld onttrekken aan het systeem om daar kritische kunst mee te maken, niet eerder een Paard van Troje?

Ik dacht aan Hans Haacke, en aan andere kritische kunstenaars als Andrea Fraser of Renzo Martens. Kritiek-inhoudelijk gaat hun werk alle kanten op, van vastgoed en Unilever tot emancipatie in musea, maar een belangrijke constante is bij hen dat ze hun maatschappijkritiek altijd verweven met een kritische houding ten opzichte van de kunstwereld – omdat ze heel goed weten dat de kunstwereld volkomen verweven is met het kapitalisme. Tegelijk maakt zulke zelfkritiek de impact van het werk vrijwel altijd groter – en trouwens: als we met z’n allen accepteren dat maximale vrijheid een kernwaarde is van hedendaagse kunst, dan moet een kunstenaar ook het eigen systeem kunnen bekritiseren. Kan dat niet, dan zeg je eigenlijk dat het domein van de inconsequentie niet tot de kunst hoort – terwijl kunstenaars als Haacke, Fraser en Martens ook hebben laten zien dat (deels) inconsequent zijn, indringende kunst kan opleveren.

Alleen: daar komt bij Staal die onverzoenbaarheid bij. Staal neemt in zijn werk voortdurend andere mensen en systemen de maat, maar laat daarbij het systeem waarin hij zelf werkt grotendeels buiten schot – en zichzelf al helemaal. Daar komt bij dat zijn dogmatiek hard botst met de openheid die voor kunst zo cruciaal is. Kunst is bij uitstek dé plaats voor twijfel, voor discussie, voor een open wereldbeeld – in die wereld is zelfs plaats voor de autoritaire ideeën van Staal, zolang hij andere mensen maar wel de ruimte geeft om inhoudelijk te reageren, zonder ze in post-marxistische retoriek te verzuipen. Staals probleem is niet dat hij inconsequent is, maar dat zijn werkwijze de wortels aantast van het kunstsy-steem waarvan hij zelf deel uitmaakt – Jonas Staals werkwijze in de kunst lijkt, kortom, verdacht veel op die van Geert Wilders in de politiek.

Juist gezien die structurele zwakte is het zo wonderlijk dat Staal voor zijn installatie over het eiland Ascension de Prix de Rome kreeg. Niet alleen omdat dit werk een nogal veilige ver-van-mijn-bedshow was, maar vooral omdat een van de andere Prix-deelnemers, Ghita Skali, wél deed wat Staal naliet. Skali’s inzending, een kopie van de deur waarachter Prix de Rome-nominees tot het midden van de twintigste eeuw werden opgesloten (!) om nieuw werk voor de prijs te maken, was kaal, weerbarstig en confronterend inconsequent, maar zo stelde ze wel de geschiedenis van de Prix aan de kaak én de verhouding van de prijs tot de macht. Het geven van zulke kritiek is misschien niet automatisch de reden om de prijs te krijgen, maar Skali had moeten winnen, simpelweg omdat haar werk het meest actuele en onrustbarende in de tentoonstelling was – én een perfect Paard van Troje. Niet Staal.

Van hem kunnen we alleen maar hopen dat hij eindelijk zijn eigen twijfels en inconsequenties eens gaat omarmen – meningendictators hebben we al wel even genoeg in de wereld.


Vijftienjarige zoekt en vindt een plek in wereld in grandioze young adult strip van Jen Wang

Dit dagboek is van Ash, zo begint het verhaal. Ash vertelt dat er veel is veranderd sinds de laatste keer dat ze in haar dagboek schreef. Ze heeft een nieuwe naam: eentje die meer bij haar past.

Zo laat de Amerikaanse stripmaker Jen Wang, auteur van de prachtige young adult graphic novel De Prins en de naaister uit 2021, in eerste instantie meer onbesproken in Ash’s Cabin. Niet omdat het niet wezenlijk zou zijn, maar omdat ze in het verhaal nergens veel nadruk op legt. De oorspronkelijke naam van Ash, als die valt, wordt eenvoudig voorzien van een zwart balkje.

Ash is een rustig type, weliswaar met bevlogen puberale trekjes als het gaat om het klimaat bijvoorbeeld, maar haar stem klinkt bedaard. Haar oogopslag is zacht en onderzoekend. Ze is een binnenvetter die zich meer op haar gemak voelt bij haar hond Chase dan tussen haar apathische leeftijdsgenoten, die met andere zaken bezig zijn. In haar dagboek trekt Ash niet van leer, toch ziet de lezer dat ze moeite heeft met de wereld om haar heen.

Wang maakt af en toe sprongetjes terug in de tijd en laat dan zien hoe Ash opgroeide. Haar fijnste herinneringen zijn aan de vakanties in de bossen van Noord-Californië, met haar opa die haar veel leerde over de natuur. Ash zegt ergens terloops dat alleen opa haar begreep: „Hij was zoals ik, hij wist hoe het was om alleen te zijn.”

Opa had ergens een afgelegen boshut, waarin hij zich terugtrok als het hem te veel werd. Waar die hut was, heeft niemand ooit geweten. Met een berusting die bijzonder is voor een vijftienjarige, schrijft Ash: „Ik zie er niets in om hier te blijven, tussen al deze mensen met hun lege levens. Ik trek me liever terug uit deze maatschappij. Als ik de boshut van opa vindt, dan blijf ik daar. Voor altijd.” Ze is op zoek naar de ultieme vrijheid.

Voor haar paginaopmaak kiest Wang ook voor vrijheid. Het zijn losse waterverfillustraties zonder kaders, tekstblokken die vrij staan en tekstballonnen die zijn uitgespaard in de achtergrondkleur. Er zijn lijstjes, overzichten en notities, die het geheel iets authentieks geven. Het lijkt soms op een gids. De meer dan 300 pagina’s lezen vlot, alles is goed gedoseerd en Wang koos voor veel licht en lucht. Ze neemt de lezer mee in de voorbereidingen van de expeditie, de zoektocht en (het is geen geheim) de vondst van de hut.

Ash’s Cabin van Jen Wang.

Kampeerder

Net op het moment dat de lezer begint te denken dat het verhaal ons niet verder brengt dan natuurobservaties en de dagelijkse gang van Ash, kiest Wang voor een andere benadering: Ash ontmoet een kampeerder met wie ze kan praten. Zo ontwikkelt zich een coming of age-vertelling, waarin identiteit, vastberadenheid en het zoeken van een plek in de wereld – even letterlijk als figuurlijk – naar voren komt. Later kantelt het verhaalidee nog eens, wat weer meer gelaagdheid toevoegt. Het is fascinerend te zien hoe Wang in alle rust en bijna in fluisterstand de lezer betovert.

Toen De prins en de naaister verscheen, waren de reacties unaniem lovend. Het verhaal, een sprookje met een queer twist, maakte van Wang meteen een grote naam in de young adult strip. Ook in dat boek pakte Wang de lezer in met een fantastisch en lang nagloeiend sluitstuk. Ash’s Cabin, dat hopelijk snel in het Nederlands verschijnt, is geen sprookje, maar heeft genoeg overeenkomsten: Ash heeft net als de prins heel gewone wensen. Ze wil een fijn leven, waarin ze kan zijn wie ze is. Ze neemt een dapper besluit en bereidt dat grondig voor, de lezer voelt absoluut met Ash mee. Het is een gevoelslaag die Wang zo vederlicht brengt dat het lijkt alsof het eigenlijk over onszelf gaat. En dat resoneert nog heel lang na. Ronduit grandioos.

Meer strips


Mondriaan. Een betere wereld

Stijlvolle biografie over de laatste elf jaar van het leven van Mondriaan (1872-1944). De Graaf zet de kunstenaar neer als een levenslustige man die begaan is met de politieke situatie in de wereld. Op de vlucht voor het oorlogsgeweld werkt hij onverdroten verder aan harmonieuze kunst die een tegenwicht moet bieden.


Een oceaan vol liefde

Tekstloze, heel charmante strip over een koddig Bretons vissertje dat per ongeluk met zijn boot op sleeptouw wordt genomen door een gigantische zeestomer. Zijn vrouw gaat naar hem op zoek en reist de hele wereld over. Knap “verteld” door uitvergroting, subtiele nuances en vooral door sprekende karakterkoppen.


Monk!

Nog maar weer een muzikantenbiografie, een stripgenre dat het helaas niet per se van hoogtepunten moet hebben. Gelukkig is Monk! Van Daoudi anders ingestoken: geen wikiverstripping maar een verhaal met muzikale en sociale omtrek, waarin de lezer veel over het gevoel van jazz leert. Belangrijker nog: de zwart-wit tekeningen met een enkele steunkleur swingen fantastisch.