Tijdens de voetbalwedstrijd tussen Israël en Mali, woensdagavond op de Olympische Spelen in Parijs, zullen zeker duizend politieagenten op de been zijn. De Franse autoriteiten verwachten verschillende protestacties rondom de wedstrijd, mogelijk ook in de buurt van het stadion of zelfs op de tribune.
De Franse autoriteiten zien de wedstrijd van Israël daarom als een hoog veiligheidsrisico. Volgens Franse media is het veiligheidsprotocol ook voor de andere Israëlische atleten, die maandagavond arriveerden, aangescherpt.
Ook de beveiliging rond het duel tussen Oekraïne en Irak, waarvan de aftrap op woensdagavond (19.00 uur) in Lyon wordt gegeven, is flink aangescherpt. Net als bij Israël het geval is, gaat het bij de Oekraïners om een wedstrijd met hoog veiligheidsrisico.
Te midden van de politieke gevoeligheden en daaruit voortvloeiende veiligheidsrisico’s beklemtoont het Internationaal Olympisch Comité (IOC) een neutrale houding aan te nemen bij dit sportevenement. Dat naar aanleiding van een Palestijnse oproep tot uitsluiting van Israël vanwege de oorlog op de Gazastrook.
IOC-voorzitter Thomas Bach gaf geen gehoor aan de oproep. ,,We bedrijven hier geen politiek, we zijn hier om onze missie te voltooien om alle atleten samen te brengen”, aldus Bach.
De discussie over geweld in videogames blijft fascinerend voor een gamedeskundige. Het idee alleen al dat je geweld in de werkelijkheid – echt geweld, bruut en snel en lelijk – kan vergelijken met het soms ronduit sierlijke ballet in een spel? Simplistisch. Zeker als we het hebben over de invloedrijke cultgames van Devil May Cry, waarin geweld meer weg heeft van ijsdansen op stampende metalmuziek. De fraaie, dodelijke bewegingen van de dansers worden op scorebordjes beoordeeld.
Zelfs in de gamewereld is Devil May Cry (DMC) uniek, een samenkomen van potsierlijke fantasy-pulp, meeslepend familiedrama en stijlvolle gevechten. Hoe vertaal je dat in godsnaam tot een animatieserie? Producent Adi Shankar, de maker van de goed besproken game-animatieserie Castlevania, brak zijn hoofd er officieel zeven jaar over. Onofficieel zal het langer zijn: Shankar is zo’n superfan van de spellen dat hij zich naar eigen zeggen tot in de dertig „kleedde als DMC-personages”, in zwart leer en rood.
Met animatieserie Devil May Cry voor Netflix brengt hij veel jeugdbaggage mee: het is een hommage aan de games die hem vormden, maar ook aan het tijdperk waarin die games geboren werden. De tijd van 11 september, de Irak-oorlog, surveillance – en de tijd van nu-metalbands als Limp Bizkit, Evanescence en Papa Roach, die hun muziek leenden aan de serie. Voor millennials – zeker die DMC ooit zelf speelden – is de serie een feest van herkenning.
In de Netflixserie jaagt een geheim leger in opdracht van de Amerikaanse vicepresident op demonen. Daarbij is alles geoorloofd. Wanneer een demon met konijnenkop een museum overvalt en ervandoor gaat met een geheimzinnig amulet, gaan alle alarmbellen rinkelen. Elitesoldaat Mary Arkham (geen onbekende voor fans, al zal haar verhaalboog hier vermoedelijk controverse oproepen) moet met haar team op jacht naar de andere helft van het amulet, om te voorkomen dat de barrière tussen hel en aarde geopend wordt.
Voor de liefhebber die een en ander bekend in de oren klinkt: deze serie is geen trouwe vertolking van de games, maar een soort remix van prequel-game Devil May Cry 3 specifiek en de rest van de games in het algemeen. En ja, dat betekent ook dat we gameheld Dante hier in zijn jonge jaren zien, als puberale, flamboyante freelance demonenjager met rode jas en witte haren. Dante is de eigenaar van de andere helft van het amulet, maar hij heeft geen flauw idee dat het sieraad iets meer is dan een herinnering aan zijn overleden moeder en broer. Hij wordt een speelbal die stuitert tussen grotere machten.
Beeld Netflix
Elegante danser
In eerste instantie ontvouwt de serie zich als jaren-90 actie-thriller. Zowel Shankars ervaring met Castlevania als animatiestudio Studio Mirs ervaring met The Legend of Korra uit zich in spectaculair vloeiende actiescènes (op wat knullige 3D-animatiestukjes na), waarin zeker Dante als een elegante danser door de actie heen glijdt. Een lust voor het oog. Ondertussen steken en bijten Dante en Mary elkaar met soms scherpe, soms opzettelijk sullige grappen. De klassieke dynamiek tussen deze twee tegenpolen – de competente, starre Mary en de nonchalante, slordige Dante – werkt misschien nog wel lekkerder dan in het bronmateriaal.
Totdat de echte bedoelingen van Shankar duidelijk worden. Onder de flitsende buitenkant is Devil May Cry een serie over hoe trauma kan leiden tot radicalisering, en dat weer tot de ontmenselijking van hele bevolkingsgroepen. Over hoe zelfs ‘de helden’ in die val kunnen trappen, en hoe moeilijk het is om een beweging tot stilstand te brengen als het eenmaal opgefokt genoeg is tegen de Vijand. Het sierlijke ballet van Dante wordt verzwolgen door het lelijke geweld van twee geradicaliseerde groepen – uiteraard op de gitaarriffs van anti-oorlogssong ‘American Idiot’ van Green Day.
Als het gesprek in de hotellobby ten einde is, stapt een oudere Vlaming op Adrie van der Poel af. Of hij „de vader van Mathieu” is? Jazeker, antwoordt Adrie. Ah, kijk aan. Ze gaan samen op de foto. De vrouw van de Vlaming is erbij, diens moeder ook. Ze zijn in hun nopjes.
„Mathieu gaat zeker winnen zondag”, zegt de Vlaming. „Het is een plezier om dat jong te zien koersen.”
„En z’n vader”, zegt de echtgenote, terwijl ze naar Adrie kijkt, „was ook een heel goede.”
Die knikt. „Ja, maar niet zó rap.”
Vijfenzestig jaar oud is Van der Poel, al een kwart eeuw gestopt met wielrennen. Een van de succesvolste Nederlandse coureurs van zijn generatie: winnaar van de Amstel Gold-race, Luik-Bastenaken-Luik en – in 1986 – de Ronde van Vlaanderen. Twee Touretappes, de gele trui gedragen, wereldkampioen veldrijden.
Toch is hij vandaag de dag vooral ‘de vader van’. Dankzij zijn zoon Mathieu (30) – de beste klassiekerrenner van dit moment – is Adrie een jaar of tien geleden begonnen aan een tweede leven in het wielrennen. Hij wordt dagelijks aangesproken. Ook deze maandag in een hotel in Oudenaarde, epicentrum van de Ronde van Vlaanderen, waar hij is aangeschoven om te vertellen over de relatie met zijn zoon.
Van der Poel, boerenzoon uit West-Brabant, is er de man niet naar om zichzelf op de borst te kloppen. Maar als je wil begrijpen hoe zijn zoon zo’n grote kampioen kon worden, zie je al snel dat de vader een beslissende rol speelde.
Schoongespoten fietsen
Hij bracht Mathieu en diens oudere broer David (32), tot vorig jaar ook wielerprof, groot met de liefde voor de koers. Hij ging van jongs af aan met z’n zoons mee naar wedstrijden – als chauffeur, coach, mecanicien en verzorger ineen. Diende ze van advies, soms tevergeefs, en dokterde een verantwoord carrièrepad voor hen uit. Toen ze als veldrijder onderdak vonden bij een kleine ploeg, was Adrie nog steeds van de partij, iedere koers, in de materiaalpost met schoongespoten fietsen.
Komende zondag is hij er ook weer bij, in de Vlaamse Ardennen. Dan is Mathieu – ‘Matje’, zoals hij thuis heet – kandidaat voor een historische vierde zege in de Ronde van Vlaanderen. Adrie rijdt die dag rond in een „busje met vips”, sponsorrelaties van Mathieus ploeg. „Een of twee keer” zal hij plaatsnemen langs het parcours, met reservewielen en bidons. En daarna hoopt hij zijn zoon te zien zegevieren op de finishlijn in Oudenaarde.
Zes was Mathieu toen Adrie hem meenam naar zijn eerste wedstrijd. De jongste zoon was vanaf zijn vroegste jaren gek geweest van fietsen – de middagen na school werden doorgebracht in het bos achter hun huis in Kapellen, vlak over de grens in België. Rondcrossend op zijn BMX, over zelfgemaakte parcourtjes. Toen Van der Poel senior stopte met wielrennen, in 2000, kwam de bekende wielerjournalist Jean Nelissen bij hem op de koffie. „Wat willen jullie later worden?” vroeg hij aan Adries zoons.
„Voetballer”, antwoordde David (7).
„Wielrenner”, zei Mathieu (5).
Adrie: „Eigenlijk is dat nooit meer veranderd.”
Het is niet zo, zegt Van der Poel, dat hij zijn zoon gepusht heeft – Mathieu heeft „altijd een vrije keuze gehad” en is sowieso „iemand die goed weet wat hij zelf wil”. Naast het fietsen beoefende hij als jongetje tal van andere sporten: tennis, turnen, atletiek, voetbal. Voor dat laatste had hij aanleg: op zijn achtste werd hij gescout door profclub Willem II. Twee keer per week reed Adrie met zijn zoon naar Tilburg, voor trainingen – een uur heen, een uur terug.
„Na een jaar zat Matje bij de vier jongens die door mochten in het scoutingsprogramma”, zegt Van der Poel. „Maar pap, zei hij, ik wil helemaal geen voetballer worden. Toen zei ik: dan zeg je nu netjes dankjewel tegen de coach en vertel je hem dat je wielrenner wil worden. Dat heeft-ie gedaan. Nou, die vent vond het helemaal geweldig.”
In de speeltuin
Vanaf toen was het: fietsen, fietsen, fietsen. Iedere zondag ging Adrie met zijn twee zoons naar veldritkoersen in België en elders. Hun moeder Corinne, dochter van de bekende Franse wielrenner Raymond Poulidor (1936-2019), ging altijd mee. Adrie poetste de fietsen, Corinne verzorgde de ravitaillering. „We maakten er altijd een gezellige dag van. Overdag naar de koers en dan op de weg terug langs een restaurantje. Konden die jongens nog even in de speeltuin.”
Van de twee broers had Mathieu het meeste talent – dat zag Adrie al vroeg. „Matje was van jongs af aan soepeler en handiger. Hij was gedreven, wilde altijd het maximale eruit halen, had de wil om te winnen. Dat herkende ik van mezelf.”
Vanaf zijn tweede seizoen bij de nieuwelingen, hij was vijftien, won Mathieu vrijwel iedere cross waaraan hij deelnam. Dat ging zo door bij de junioren en de beloften. Op zijn negentiende vond Mathieu onderdak bij het wielerploegje BKCP-Powerplus van de gebroeders Christoph en Philip Roodhooft, het team dat hij (en David) altijd trouw zijn gebleven – en tegenwoordig Alpecin-Deceuninck heet.
Lees ook
Zo werd Mathieu van der Poel voor de zevende keer wereldkampioen veldrijden
Adrie waakte in die jaren nauwgezet over de ontwikkeling van zijn zoons. Het moest stapje voor stapje gaan, niet te snel. Dus: alleen op woensdag op de racefiets naar het lyceum in Essen, 15 kilometer verderop – en de rest van de week op de gewone stadsfiets. „Dat was al 30 kilometer per dag, 150 per week. Plus op woensdagmiddag een veldrittraining. Dat vond ik meer dan genoeg.”
Hou rust
Pas op zijn 24ste, het jaar dat hij doorbrak als prof op de weg, kreeg Mathieu een eigen trainer bij de ploeg. Tot die tijd was zijn vader zijn coach, en die zei: doe maximaal zestig wedstrijddagen per jaar, en ga niet vóór je vijfentwintigste naar de Tour de France. „Dan blijf je fris en gemotiveerd. Rust en training zijn net zo belangrijk als koersen.”
Die les had Adrie geleerd uit zijn eigen carrière, toen het gebruikelijk was om zeker 140 dagen per jaar in koers te zijn (en je eigen stuurlint en bandjes mee te nemen). „Ik heb ook altijd gezegd: zorg dat je één dag per week helemaal niet op de fiets zit. Dan heb je al 52 rustdagen per jaar.”
Die adviezen, zo constateert Van der Poel tevreden, heeft zijn eigenzinnige zoon allemaal netjes opgevolgd. „Ik heb het laatst eens opgezocht. In zijn hele carrière heeft Matje niet één jaar boven de zestig wedstrijden gereden, op de weg én in het veldrijden.”
Doet Mathieu ook wel eens dingen waarvan u zegt: niet verstandig?
„Een paar jaar geleden reed hij wel eens met de crossmotor, hij had meerdere motoren. Dat vind ik helemaal niets. Zijn beste vriend komt uit de motorsport en die heeft een dwarslaesie, door een ongeluk. Ik heb wel eens tegen hem gezegd: doe dat nou niet, er is nog zoveel tijd om van dat soort dingen te genieten als je gestopt bent met wielrennen.”
„Ik weet ook dat ik het geen tien keer moet zeggen, want dan gaat-ie het alleen maar meer doen. Maar ik hoor hem er niet meer over, volgens mij heeft-ie geen motoren meer. Hij heeft een andere passie gevonden: golfen. Daar gaat-ie helemaal in op, terwijl ik denk: nou, ik sta ervan te kijken dat je dat leuk vindt.”
Op zoek naar een baan
Zoals de meeste coureurs van zijn generatie werd Adrie van der Poel niet rijk van het fietsen: de miljoenen die Mathieu nu verdient, hadden de wielersport nog niet bereikt. Na een carrière van twintig jaar moest Adrie op zoek naar een baan. Hij werkte als gastheer bij koersen voor zijn oude ploeg, Rabobank, en later bij de ploeg van Mathieu.
Klagen daarover hoor je hem nooit. Sterker nog, hij heeft het altijd „best wel leuk” gevonden, met bankiers en wielerfans rondfietsen of langsgaan bij de koers. Zoals hij nog steeds veel genoegen haalt uit het perfect schoonspuiten, drogen en afstellen van een fiets – of het nou voor hemzelf is of voor zijn zoon bij de cross.
Dat arbeidsethos gaat terug tot zijn jeugd op de boerderij bij Hoogerheide. Van jongs af aan werd hij door zijn ouders aan het werk gezet: ’s morgens vroeg het melkgetuig schoonmaken, elke zaterdag de werf oppoetsen. Zijn eerste koersfiets verdiende hij zelf, op zijn tiende, met bonen rapen en aardbeien plukken. Ook als beginnend renner was zijn motto: hard werken en spaarzaam zijn. „Ik zocht koersen uit waar voor die tijd veel premies te verdienen waren. Als ik won, legde ik die opzij voor m’n fiets.”
Voor Mathieu was dat heel anders, die kreeg van jongs af aan al zijn materiaal, alles werd voor hem geregeld.
„Ja, daar ben ik dan ook fout aan als vader. Als die jongens thuiskwamen van een trainingsrit in de kou en regen, poetste ik hun fietsen en helmen. Mijn vrouw waste meteen de kleren en een uur later was alles weer schoon. Dat is nog steeds zo. Als Mathieu in de winter een veldritkoers in de buurt komt rijden, zeg ik: kom bij ons douchen, als je weggaat is je fiets gepoetst.”
Mathieu houdt van mooie spullen. Hij komt aan bij de koers in een oranje sportwagen, pronkt op sociale media met dure horloges en exclusieve skivakanties. Is hij daarin anders dan u?
„Ik vind het ook schitterend – maar dan bij een ander.” Lachje. „Maar ja, als bedrijven zich met Matje willen associëren, waarom zou hij dat niet doen? Hij is ook gewoon heel zuinig op z’n spullen. Ik zie hem zelden in een vuile auto, zijn huis is ook altijd superschoon.”
Vroeger ging het bij jullie aan tafel niet de hele tijd over wielrennen, heeft u wel eens gezegd. Dat kan ik me nauwelijks voorstellen bij een gezin dat bestaat uit een ex-prof, de dochter van een oud-coureur en twee jonge renners.
„Natuurlijk hadden we het wel eens over de wielersport. Maar niet van ’s ochtends acht tot ’s avonds elf uur.”
Waar ging het dan over?
„Och, zo lang zitten wij ook niet te tafelen ’s avonds. En zoveel wordt er dan ook niet gezegd.”
Jullie zijn niet zulke praters?
„Nee. Dat herken ik ook wel bij de Belgen. We vinden het als gezin gewoon leuk om eens per week bij elkaar te komen. En dan kun je ook gewoon even niets zeggen. Dat zit in de familie, mijn broer en zus zijn ook geen spraakwatervallen.”
Adrie en Mathieu van der Poel in 2015
Foto Vincent Jannink/ANP
De banden in de familie Van der Poel zijn nog altijd sterk. Hoewel Mathieu sinds vier jaar met zijn vriendin in Spanje woont, aan de Costa Blanca, zien vader en zoon elkaar nog vaak – zeker in het voorjaar met de Vlaamse klassiekers. Als het meezit, fietst Adrie één keer per week een rondje met zijn zoon en diens ploeggenoten. „Op het vlakke kan ik nog in het wiel blijven. Gaat het bergop, dan zeg ik: ik zie jullie bij de koffie. Van de cardioloog mag mijn hartslag niet boven de 150 per minuut.”
Het klinkt misschien gek, zegt Van der Poel, maar Mathieu en hij praten überhaupt niet zo veel over „het fietsen”. Over wat er goed is gegaan in de wedstrijd en wat fout. „Dat zijn toch dingen die je niet meer kunt veranderen. En Matje is intelligent genoeg om te weten hoe je moet koersen, hij zit echt niet op de raad van zijn vader te wachten.”
Typerend voor zijn zoon, zegt Adrie, is dat hij fouten en mislukkingen heel snel kan vergeten. Een bijzonder nuttige karaktereigenschap als je bedenkt dat Mathieus carrière naast vele hoogtepunten (wereldkampioen, zeven monumenten, geel in de Tour) ook een aantal spectaculaire fiasco’s heeft gekend, van een hongerklop op de WK in Harrogate via ‘het plankje’ bij de Olympische Spelen in Tokio tot het hotelincident in Sydney. „Als iets niet lukt”, zegt Adrie, „kan hij het heel snel achter zich laten. Zo, dat is weg, doei!”
Of hij door de carrière van zijn zoon anders is gaan kijken naar zijn eigen wielerloopbaan? Nou, zegt Adrie van der Poel, dat kantelpunt kwam eigenlijk al eerder, in 1998, toen Johan Museeuw voor de derde keer de Ronde van Vlaanderen won. „Ik lag bij mijn masseur Toontje en zei: goddomme, wat is die Museeuw toch een goede renner. Toen zei Toontje: jij had niet zo veel talent, hè, maar je hebt toch best veel grote koersen gewonnen. Toen dacht ik, kut, eigenlijk is dat waar. Ik heb er behoorlijk veel uitgehaald.”
En als je dat vergelijkt met de carrière van Mathieu?
„Dan denk ik: tja, eigenlijk kon ik niet zo veel.” Hij grinnikt. „Wat hij wint, is van een andere orde. En het is ook de manier waaróp. Ik moest het hebben van mijn slimmigheid, solo’s van 80 kilometer waren voor mij niet weggelegd. Tactisch moest alles een beetje meezitten.”
Na afloop van het gesprek – en de foto’s met de Vlaming – wandelen we naar buiten. In de namiddagzon van Oudenaarde vertelt Van der Poel dat hij die ochtend drie uur heeft gefietst. Een rondje over de bekende kasseienhellingen uit de Ronde van Vlaanderen: Oude Kwaremont, Paterberg, Taaienberg. „Toen ik thuis kwam”, zegt hij, „had ik toch mooi 28 kilometer per uur gemiddeld op de teller.”
Hij maakt nog altijd een indrukwekkend aantal trainingsuren, vertelt Van der Poel. Met een ondeugend lachje: „Twaalfenhalf tot vijftienduizend kilometer per jaar”. Gewoon, omdat hij het leuk vindt. „Mijn vader is jong gestorven, vlak na z’n pensionering. Hij was zestig. Ze hadden de boerderij net verkocht, het nieuwe huis was nog in aanbouw. Ik heb tegen mezelf gezegd: dat gaat mij niet overkomen. Ik ga zoveel mogelijk leuke dingen doen.”
Vier leraren op dezelfde middelbare school, hebben elk op hun eigen manier last van een midlifecrisis. Ze zijn een beetje uitgeblust en mentaal absent, zowel in hun privéleven als in hun werk. Sleur, afstomping en verveling liggen op de loer. Om daar iets tegen te doen, besluiten ze de theorie van de Noorse psycholoog Finn Skårderud te testen. Skårderud stelt dat de mens van nature een alcoholtekort in zijn bloed heeft van 0.05 promille. Dus wie tijdens werkuren een paar glazen achterover slaat, functioneert simpelweg beter: met minder remmingen en minder sociale angsten. Maar hoe dun is de grens tussen een prettige roes en alcoholisme? Over die scheidslijn gaat de pakkende tragikomedie Druk, winnaar van vele prijzen, waaronder de Oscar voor beste buitenlandse film. Regisseur Thomas Vinterberg (van de recente serie Families Like Ours) weet uiterst knap de balans te bewaren tussen ernst en humor.
Geslaagde Hollywoodsatire
De nieuwe serie The Studio is een geslaagde Hollywoodsatire met een scherp oog voor slapstick. Acteur-schrijver-producent Seth Rogen speelt Matt Remick, de baas van een filmstudio. Hij wil graag hoogstaande films maken, maar dat is hem niet gegund. Remick is een ‘pleaser’ die oprecht treurt over de rotzooi die hij maakt, waardeloos is in slechtnieuwsgesprekken en zijn paniek dempt met zelfbedrog. Hij waant zich een ‘mensenmens’ en vergeet steeds dat ze niet hem willen, maar iets ván hem willen. Qua gastoptredens van sterren kan deze serie zich meten met Ricky Gervais’ serie Extras. En door zo geestig en overtuigend aan te tonen dat het huidige Hollywood niet in staat is iets van blijvende waarde te produceren, bewijst The Studio tegelijk het tegendeel.
Brouw je eigen trappistenbier
Droom je wel eens van je eigen brouwerij? Of van de rust van een abdij? Dan is de game Ale Abbey misschien iets voor jou. In deze managementgame, die sinds kort in vroege versie speelbaar is, moet je leiding geven aan een abdij vol bierbrouwende monniken en nonnen. Het begint bij het aanleggen van slaapvertrekken en een eetzaal, maar binnen korte tijd zit je met beleid je eigen bierrecepten samen te stellen. Moet er meer of minder hop in? Eenmaal bedacht moet er gebrouwd worden, wat de monniken liever alleen doen als ze in een schone abdij kunnen wonen – en af en toe zelf een volle pint achterover kunnen gooien. Het spel loodst je kundig door de basis van het brouwerijleven. Heel veel afwisseling is er nog niet, maar goed: de makers sleutelen dan ook nog dagelijks aan dit rustgevende spel.
Terugkeer van Noordzee
Op 1 april lanceerde Talpa een nieuw station voor fans van Nederlandstalige muziek: Radio Noordzee. Er wordt een mix uitgezonden van de nieuwe en oude hits. Het gaat van Snelle en Suzan & Freek tot Guus Meeuwis en André Hazes. Maar je kunt ook stuiten op André van Duin, The Amazing Stroopwafels, Rob de Nijs, De Dijk of Miss Montreal. De naam Noordzee grijpt terug op de legendarische zeezender die in de jaren zeventig uitzond vanaf een zendschip voor de kust van Scheveningen. John de Mol sr. was daar destijds directeur. Zijn zoon begon er als technicus. Nu heeft de Talpa-baas dus zijn eigen Noordzee. In het weekend wordt er op de zender non-stop muziek uitgezonden. Doordeweeks zijn er programma’s gepresenteerd door Silvan Stoet, Marlayne Sahupala en Jan-Paul Grootentraast .