Als een Amerikaanse Caesar koerst Trump af op een constitutionele crisis

Donald Trump wil veel. Maar kan het ook allemaal? In de eerste bijna vier weken van zijn tweede presidentschap ondertekende hij decreet na decreet, maar zag ook direct tientallen rechtszaken van maatschappelijke organisaties, Democratische staten en burgerrechtenbewegingen op zijn regering afkomen.

Rechters blokkeerden onder meer (tijdelijk) decreten om drieduizend miljard dollar aan federale subsidies en uitkeringen te bevriezen, en een vertrekaanbod aan miljoenen federale ambtenaren. Ook zetten ze een (voorlopige) streep door het overplaatsen van gedetineerde transgendervrouwen naar mannengevangenissen, het openbaren van de namen van FBI-agenten die meewerkten aan onderzoek naar de Capitoolbestorming, en zo nog wat maatregelen waarmee Trump vanaf dag één het bestuur van de Verenigde Staten op z’n kop heeft gezet.

Maar wat als Trump zich van die uitspraken niets aantrekt?

In de zaak van de federale subsidies constateerde de rechter afgelopen week dat de regering de uitspraak negeert. De miljarden aan subsidies en uitkeringen waren niet vrijgegeven maar nog steeds bevroren. De Verenigde Staten koersen daarmee af op een confrontatie tussen de drie machten – uitvoerend, wetgevend en rechterlijk. Die botsing kan een voorbode zijn van een jarenlange constitutionele crisis, die het hart raakt van de Amerikaanse republiek.

Is het Amerikaanse systeem bestand tegen een president die zich als een Caesar gedraagt, of is het daar juist voor gemaakt?

Ook trumpisten voorzien zo’n crisis, maar om omgekeerde redenen. Rechters, twitterde vicepresident J.D. Vance afgelopen week, „mogen geen controle uitoefenen op de legitieme uitvoerende macht”. Het zou, schreef hij, ook „illegaal” zijn als een rechter een generaal zou vertellen „hoe hij een militaire operatie moet uitvoeren”. Trumpistische senatoren noemden rechters onder meer „juridische opstandelingen” en één rechter een „bandiet”.

Het is bovendien niet aan de rechter om zich te bemoeien met de besluiten van een „energiek bestuurder”, zei John Yoo op Fox News. Hij is een conservatieve jurist die begin deze eeuw berucht werd om een memo voor de Bush-regering waarin hij het martelen van terrorismeverdachten rechtvaardigde. Want zó’n bestuurder, zei hij, verwijzend naar een tekst van Alexander Hamilton, was precies wat de Founding Fathers van de Verenigde Staten wilden, het was het type president waar „het Amerikaanse volk in november voor gestemd heeft”.

Yoo raakt daarmee aan een kernvraag die in 239 jaar constitutionele geschiedenis vaak gesteld is, maar nooit afdoende werd beantwoord: hoeveel macht heeft de Amerikaanse president en in hoeverre mag die macht beperkt worden? Anders gezegd: is het Amerikaanse systeem bestand tegen een president die zich als een Caesar gedraagt, of is het daar juist voor gemaakt?

Ongekroonde koning

In het klassieke, populaire verhaal van de Amerikaanse geschiedenis bevrijdde een groep revolutionairen zich van een tirannieke Britse koning, om daarna een republiek te vormen gebaseerd op volkssoevereiniteit. Maar in zijn boek The Royalist Revolution toont Harvard-historicus Eric Nelson dat de revolutionairen juist ook geïnspireerd waren door de Britse monarchie. Sommigen van hen streefden naar een bestel waarin een president als een soort ongekroonde koning kon regeren, juist omdat een verdeelde volksvertegenwoordiging daarin zou falen. Enkelen pleitten zelfs letterlijk voor een Amerikaanse koning. Allen deelden het idee dat de uitvoerende macht in één, krachtig persoon samengebracht moest worden: de president.

Bij het schrijven van de grondwet werden wel wat beperkingen aan diens macht gesteld, bijvoorbeeld dat de Senaat sommige besluiten van de president moest goedkeuren, of dat het Congres de wetgevende macht kreeg. Maar echte duidelijkheid over de grenzen van presidentiële macht kwam er niet – omdat de stichters het daar niet over eens waren. Ze lieten veel vrijheid aan de eerste president, George Washington, om het ambt vorm te geven, en ze rekenden erop dat de zelfbeheersing, deugdzaamheid en het karakter van de president een nieuwe tirannie zouden voorkomen.

De macht van de president wordt daarom vooral beperkt door normen, zei Nelson tien jaar geleden tegen The Atlantic. Dat maakt het systeem fragiel, waarschuwde hij. Normen kunnen immers veranderen. Weliswaar oordeelde het Hooggerechtshof in 1803 voor het eerst dat rechters bevoegd waren om besluiten van de president te toetsen aan wetten, maar elke president gaf sindsdien een eigen invulling aan het ambt. En velen rekten hun eigen macht op ten koste van het Congres of van rechters.

Zo zette Andrew Jackson (1829-1837) – wiens portret een prominente plaats kreeg in het Oval Office tijdens Trumps eerste termijn – als eerste president om politieke redenen zijn vetorecht in tegen besluiten van het Congres. En hij negeerde een uitspraak van het Hooggerechtshof toen hij inheemse stammen gedwongen liet verplaatsen. De hoogste rechter mocht dan gesproken hebben, zei Jackson, „now let him enforce it”.

Ruim een halve eeuw later regeerde Theodore Roosevelt volgens het adagium dat hij alles mocht doen wat het land nodig had, tenzij de grondwet het expliciet verboden had – en dat deed die nu eenmaal amper. Zijn achterneef Franklin D. Roosevelt regeerde in de jaren dertig grotendeels per bevel; toen rechters sommige hervormingen afwezen, dreigde hij extra progressieve rechters toe te voegen aan het Hooggerechtshof (‘court packing’) om zo alsnog zijn zin door te kunnen drukken.

Ook in de recentere geschiedenis rekten presidenten hun macht op. Met name in het buitenlandbeleid trokken George W. Bush en Barack Obama meer macht naar zich toe, ten koste van het Congres. En in 2014 daagde Obama het Congres uit toen hij per decreet het immigratiestelsel wilde hervormen, omdat de logge volksvertegenwoordiging daar volgens hem niet in geslaagd was. Destijds spraken Republikeinen van een „constitutionele crisis”.

Trump negeerde in zijn eerste termijn al een uitspraak van het Hooggerechtshof, toen hij een programma voor jonge migranten wilde schrappen. En nadat een rechter vorig jaar toelating van abortuspillen opschortte, riepen sommige Democraten Joe Biden op om dát te negeren. Kort daarop versterkte het Hooggerechtshof de positie van de president verder: ook na zijn zittingstermijn kan hij niet vervolgd worden voor daden begaan vanuit zijn functie.

Buste van president Trump.
Foto Cristobal Herrera-Ulaskevich/EPA

Revolutie

Toch volgt de trumpistische wens van een vrijwel ongelimiteerde presidentiële macht niet alleen uit de gestage uitbreiding van die macht door de eeuwen heen. Ze is ook het resultaat van een revolutie in het conservatieve denken.

In september 2016, twee maanden voordat Trump voor het eerst verkozen werd, schreef de conservatieve essayist Michael Anton dat als conservatieven écht geloofden wat ze zeiden over moraliteit, religie, een paternalistische overheid en deugdzaamheid, dat ze dan toch moesten erkennen dat de VS van een klif aan het vallen waren. De VS waren in handen gevallen van liberale elites wier ideeën de samenleving „ondermijnden” en die „onverenigbaar zijn met de menselijke natuur”.

Conservatieven, schreef Anton, stonden voor een existentiële keuze. De verkiezingen waren volgens hem als Flight 93, het toestel waarin passagiers op 9/11 de terroristische kapers overmeesterden. Conservatieven konden er óf voor kiezen om te blijven zitten, met een zekere dood tot gevolg, of om terug te vechten en de cockpit te bestormen – mogelijk zou je dan alsnog sterven, maar dan had je er in ieder geval alles aan gedaan. Ze konden niet langer meebuigen of, uit afkeer van Trump, voor Hillary Clinton stemmen. Ze moesten Trump omarmen.

Zijn invloedrijke essay markeerde een breuk met de gematigde conservatieven die de Republikeinen sinds de jaren zeventig domineerden, en gaf intellectuele rugdekking aan de trumpistische opstand, die toen nog niet de ziel van de partij had overgenomen. Het essay maakte ook deel uit van een bredere, radicaal-conservatieve stroming die sinds die jaren in opkomst is: het post-liberalisme.

Het individuele najagen van geluk heeft mensen ongelukkig gemaakt, omdat het gemeenschappen en kerken ondermijnt

Denkers als Adrian Vermeule en Patrick Deneen beschrijven hoe het liberalisme aan zijn eigen tegenstrijdigheden ten onder gaat. Liberalisme belooft gelijkheid maar creëert ongelijkheid; waar volkssoevereiniteit lonkt, regeren juist grote bedrijven en een onderdrukkende staat; het individuele najagen van geluk heeft mensen ongelukkig gemaakt, omdat het gemeenschappen en kerken ondermijnt.

Ze bepleiten daarom een breuk met het conservatieve geloof in een beperkte overheid; er is juist een sterke staat nodig om het (culturele) liberalisme te verslaan, om deugdzaamheid en moraliteit te herstellen en die waarden vast te leggen in de wet. In vicepresident Vance vinden zij een uitgesproken bondgenoot.

Het is een conservatisme dat meer inspiratie vindt in de progressieve New Deal van Franklin Roosevelt in de jaren dertig, dan in het op vrijhandel en deregulering gerichte neoliberalisme van Ronald Reagan. Het ene zorgde voor sterkere gemeenschappen, meer welvaart en zekerheid voor arbeiders en versterkte de grip van de staat, schrijven post-liberale denkers; het tweede leidde tot gesloten fabrieken, vervallen stadjes en de wanhoop in gemeenschappen die uitmondde in de opiatencrisis.

Om terug te keren naar een ‘natuurrecht’, naar traditionele waarden en manieren van samenleven, moet het culturele, economische en politieke liberalisme volledig verworpen en vernietigd worden. Deneen bepleitte in een gelijknamig boek in 2020 voor ‘regime change’ – niet gewelddadig, maar wel fundamenteel.

Ultraconservatief

Mede onder invloed van Antons boek The Stakes raakte in sommige conservatieve kringen de afgelopen jaren bovendien het idee in zwang van een ‘Amerikaanse Caesar’. Als een land niet langer functioneert en de heersende klasse is gecorrumpeerd, dan kan alleen een sterke leider het beschermen tegen interne en externe vijanden. Zo’n Caesar zou volgens Anton, die recent een hoge beleidsfunctie kreeg in de Trump-regering, in de VS steeds onvermijdelijker worden.

Dit ultraconservatisme vermengt zich in de dreigende constitutionele crisis met de toch al gegroeide presidentiële macht. Kijkend naar de recente uitbreiding daarvan onder Bush en Obama, voorspelde Vermeule in 2010 dat tien jaar later de Amerikaanse president een soort alleenheerser zou zijn. Alleen zo’n sterke president zou, tegenover een „disfunctioneel” Congres en „gemarginaliseerde” rechters, in staat zijn om macht uit te oefenen. De scheiding der machten zou dan grotendeels verdwijnen.

Dat gevaar constateerde ook opperrechter John Roberts in december in zijn jaarverslag. „Juridische onafhankelijkheid”, schreef hij, „wordt ondermijnd tenzij andere delen van de overheid vastbesloten zijn om gerechtelijke uitspraken te volgen”. Maar de afgelopen jaren wordt dat principe „door beide kanten van het politieke spectrum” steeds meer geminacht.

Democraten (met een kleine en een grote ‘d’) hopen dat het Hof een laatste dam is tegen ongebreidelde macht van Trump

Het Hooggerechtshof zal de komende jaren moeten vaststellen tot waar de macht van een president reikt. Democraten, met een kleine en grote ‘d’, hopen dat het Hof een laatste rechtsstatelijke dam is tegen ongebreidelde macht van Trump. Maar het is onzeker in hoeverre Roberts’ opvatting door zijn collega’s gedeeld wordt.

Drie van de zes conservatieve rechters werden door Trump voorgedragen. Allen onderschreven vorig jaar dat zittende presidenten immuun zijn voor rechtsvervolging. Een oudere conservatieve rechter, Samuel Alito, liet zich in een heimelijk opgenomen gesprek ontvallen dat er „geen compromis mogelijk is”. In de VS, zei hij, „zal de ene of de andere kant gaan winnen”. En mocht het Hof Trumps macht al willen inperken, dan halen de daarvoor beschikbare middelen – dagvaardingen, dwangbevelen, celstraffen – weinig uit tegen een Caesar die ze naast zich neerlegt.

In een podcast zei vicepresident Vance vier jaar geleden al dat Trump direct na zijn aantreden in een tweede termijn ambtenaren moest vervangen door „onze mensen”. Mochten de rechters Trump daarvan weerhouden, „dan moet hij doen wat Jackson deed. Ga voor het land staan en zeg: de hoogste rechter heeft zijn uitspraak gedaan. Laat hij het nu maar afdwingen.”