N.B. Het kan zijn dat elementen ontbreken aan deze printversie.
Ode aan Wayne Shorter
Jazzfanaat Wilfried de Jong blikt terug op het leven en de muziek van saxofonist Wayne Shorter, die donderdag overleed. „Hij maakte muziek om bij te gissen.”
Wayne Shorter in 2015 op het North Sea Jazz festival in Rotterdam.
Foto Andreas Terlaak
Mijn eerste serieuze verkering hield van vocale pop. Ik was negentien jaar en zat het liefst tot diep in nacht naar gierende saxofoonsolo’s te luisteren. Het kon niet free genoeg zijn.
Muzikaal lagen we mijlenver uit elkaar.
Tot ze een plaat van Steely Dan op haar eenvoudige pick-up legde. Bij het titelnummer ‘Aja’ (1977) veerde ik na een minuut of vier op. Wat was dit? Een saxofonist boorde een gat in de muur, stak zijn instrument erdoorheen en walste me plat.
„Geef de hoes eens”, zei ik. Op de binnenzijde stond zijn naam: Wayne Shorter.
Natuurlijk kende ik hem al. Ik had de Amerikaanse saxofonist al eens beluisterd als hij meespeelde bij Miles Davis of Art Blakey and The Jazz Messengers. Het was goed en toch liet ik Shorter aan me voorbijgaan. Kwam het door het afwijkende saxgeluid, de grillige opbouw van zijn solo’s?
‘Mr Weird’
Soms moet je kunst de tijd geven. De smaak van je allereerste biertje doet ook niet meteen denken aan nectar.
Wayne Shorter had op een van zijn saxofoonkoffers ‘Mr Weird’ staan. Hoe ‘vreemd’ was hij? In de vijf jaar bij Art Blakey stond hij naast trompettist Lee Morgan in de blazerssectie. Morgan was kraakhelder; tijdens een solo ging hij van a naar b en in uitzonderlijke gevallen besloot hij met c. Het was open, direct en het swingde. Als Shorter zijn mondstuk tussen zijn lippen duwde en begon te blazen, werd je deelgenoot van een zoektocht. Zijn spel was slim en doorwrocht, toch hield hij een paar kaarten tegen de borst. Zijn composities noemde hij het liefst „mistige landschappen”.
Shorter maakte muziek om bij te gissen.
Wayne Shorter in 1984 op het Jazz Festival in Juan-les-Pins. Foto Eric Gaillard / AFP
Veel saxofonisten zetten aan het einde van een solo graag een dikke punt, Wayne Shorter plaatste liever een vraagteken.
Bij hetzelfde meisje stonden ook elpees van zangeres Joni Mitchell in de kast. Ik hanteerde in die tijd het dogma van Jules Deelder – „Niks te tralala, blazen, saxofóón!” – en toch kon ik het zingzeggen van Mitchell wel waarderen. Ze noemde het „schilderen met woorden”. Dat was de link met Shorter, die vaak op zijn sopraansax met haar meespeelde. De sax als kwast. Hij smeerde tientallen kleuren op zijn palet en was onophoudelijk aan het mengen. Knalrood met een mespuntje lila, een paar onbestemde zwarte vegen, afgewisseld met oker. Zijn bandleden kregen soms uitleg via kleur. Meer blauw in je akkoorden, graag. Ze moesten mee in Shorters universum.
Na het horen van zijn solo’s op popplaten ben ik Wayne Shorter gaan herijken. Zoals je een ondoorgrondelijk schilderij in een museum bij ieder bezoek een nieuwe kans geeft.
Toen Shorters tweede vrouw Ana Maria Patricio in 1996 omkwam bij een vliegtuigcrash, zocht de saxofonist wanhopig naar steun. Over die periode zei hij later: „Ik had geen houvast, totdat de stem van mijn vrouw leek te zeggen: blijf er niet in hangen, doe iets nieuws. Zet de poort maar open.”
‘Niet repeteren’
Die gedachte gaf Shorter de lucht om door te gaan met wat hij sinds zijn doorbraak in 1958 al deed; veranderen, vernieuwen, ‘in het moment’ blijven tijdens een optreden.
Hij vond een evenknie in Miles Davis, met wie hij van 1964 tot 1968 in het Second Great Quintet speelde. „Het is als een vloek, maar ik móét veranderen”, zei Davis. Niet stilstaan bij succes, niet vasthouden aan een formule, aan een modegril.
In het kwintet van Miles Davis werd de muziek als zachte klei uit elkaar getrokken en vervolgens steeds weer tot iets nieuws gekneed. Ballads kregen onverwacht een dubbeltempo dat ook zomaar weer kon wegvallen. Shorter en pianist Herbie Hancock voelden zich als een vis in het water bij zoveel vrijheid.
Tegenover Japanse studenten in Osaka zei Shorter in 2014: „Je moet muziek spelen die niet als muziek klinkt. En niet repeteren. Hoe kun je anders het onverwachte, het onbekende spelen?”
In de coronaperiode was Hancock live te zien in een onlinegesprek met zijn vriend Wayne. Twee tachtigers – aanhangers van het boeddhisme – spraken met wijsheid en rust over de bizarre tijd. Ze konden al maanden niet spelen maar gebroken waren ze allerminst. Er was iets goeds te halen uit de stille periode, vonden ze: tijd om na te denken.
Hagelwit haar
Shorter zat dicht op de camera van zijn laptop. Zijn haar was hagelwit geworden. Achter hem hingen gouden platen en Grammy Awards aan de muur. Aan het einde van het gesprek wilde hij nog iets kwijt: „One, two, three… infinity!”
Hij kreeg een bulderlach van Hancock retour.
Met de dood van Shorter (‘There’s no beginning, no end’) blijft zijn muziek in de lucht hangen. Er is nog van alles in te ontdekken. Hoe Miles en hij elkaar achternazitten op het album Nefertiti. De manier waarop hij met Weather Report jazzrock op de kaart zette. Zijn gouden pen als componist op de plaat Speak no Evil. En vooruit, ik moet ‘Aja’ nog maar eens gaan draaien bij mijn ex.
Ze zaten tegenover elkaar in een Amerikaanse diner, maar dan wel eentje in Italië. Een Italiaanse diner die een Amerikaanse probeerde te zijn. Dat lukte heel aardig: zwart-met-witbetegelde vloer, bankjes met glanzend rode bekleding. Midden in de zaak stond een autootje met een grote hamburger op z’n dak. „Kom”, zei Yvonne (60). „We gaan dansen.” „Moet dat”, zei Gerard (73). Hij roerde in zijn vanillemilkshake. Yvonne had er één voor hen samen willen bestellen, maar Gerard had slechte ervaringen met delen. Het waren er dus twee geworden. Nu liet hij zich door haar van het bankje trekken om in de blauwige gloed van het tl-licht te dansen op muziek uit Grease. Af en toe ving de camera een andere gast, maar dat leken er niet veel. De Italiaanse Amerikaanse diner oogde grotendeels verlaten.
Het had ook best een scène uit een horrorfilm kunnen zijn, vond ik zelf, maar voor liefdeszoekers Yvonne en Gerard was het een droomdate. Kort van tevoren was Gerard nog met een andere dame op droomdate geweest: Karin (62). Met haar was hij opgestegen in een luchtballon, hij had zelfs even zijn arm om haar heen geslagen. Gerard leek een tevreden man. Hij had de zeventien vrouwen met wij hij aan dit avontuur was begonnen (meedoen aan een datingprogramma heet altijd een „avontuur”) teruggebracht tot twee blondines, zoals die dingen wel vaker gaan. Nu hoefde hij alleen nog te kiezen tussen, in zijn woorden, Kaatje en Yvonnetje. In De Golden Bachelor (Videoland) kan er maar één iemand vandoor gaan met die felbegeerde gouden roos. Gerard verwoordde dat zelf nog wat mooier: „Ik heb maar één gouden roos, maar ik heb ook maar één hart.”
Donderdag was het alweer tijd voor de finale en nog altijd begreep ik in alle eerlijkheid niet hoe Gerard die zeventien vrouwen zo wild had gekregen. Het kostte me al veel moeite om niet af te haken op het punt dat hij de ’tjes achter namen introduceerde (sinds ik „Ambertje” ben genoemd door een aardrijkskundeleraar maakt dit veel agressie in me los), en daarna werd het niet beter. Zelfs over long time favorite Yvonne bleef hij dingen zeggen als: „Ze is een ruwe bolster met een hele blanke pit.” In de diner had hij gezien „dat ze wel op het ritme kan bewegen en dat vind ik ook wel gezellig”. Alleen in de sauna ging de temperatuur even omhoog. „Ik zweet nooit in de sauna”, zei Yvonne. Waarop Gerard antwoordde: „Zal ik jou eens laten zweten?” Daar moesten ze beiden hartelijk om lachen.
Geen zwart gat
Nu Gerard zijn roos en hart aan Yvonnetje heeft uitgereikt, rest alleen nog de reünieaflevering, die volgende week donderdag op Videoland wordt gezet. Maar kijkers die op donderdagen behoefte blijven houden aan een verse dosis datingongemak, hoeven niet in een zwart gat te vallen: die kunnen (ook op Videoland) wekelijks rekenen op een nieuwe aflevering I Kissed a Girl. Daarin wordt het gebrek aan seksuele spanning dat De Golden Bachelor kenmerkte ruimschoots gecompenseerd.
Overgecompenseerd, zou je ook wel kunnen zeggen. Het eerste dat de deelnemende vrouwen dienen te doen wanneer ze elkaar ontmoeten in een villa in Zuid-Afrika, is zoenen. Eerst zoenen, dan praten. Vervolgens vormen ze koppels die bij iedere afvalronde moeten besluiten of ze samen door willen of niet. Willen ze dat wel, dan maken ze dat wederom kenbaar met een zoen. En waar de kusjes van Gerard wel erg droog leken, zie je in I Kissed a Girl wel héél veel tong. Ook zijn de makers niet zuinig met close-ups van billen in bikinibroekjes.
Gelukkig lijken de deelnemers het in ieder geval naar hun zin te hebben in de villa. „Mijn love language is physical touch”, zei de ene bovengemiddeld mooie vrouw tegen de andere. Die knikte – ze waren het helemaal met elkaar eens. Ik moest denken aan Karin; hoe die zich in de finale had voorgenomen „om Gerard ietsje meer fysiek te benaderen”. Ze had drie zoenen van hem gekregen, mwah-mwah-mwah, en ik stelde me zo voor dat ze op méér had gehoopt. Misschien geldt dat wel voor meer van Gerards dames. I Kissed a Golden Girl – is dat nog een idee?
Dokter Jan Galesloot (grijs piekhaar, 77) gaat zo min mogelijk naar de Afrikaandermarkt. Want dan komt hij er niet meer weg. ‘Goeiemorgen dokter! Hoe gaat het met u?’ De markt ligt vlakbij de praktijk waar hij 42 jaar huisarts was. Hij krijgt er kaas, of een appel, soms een bloemkool of een visje. In Bloemhof, Hillesluis en de Afrikaanderwijk is de huisarts een fenomeen. Afgelopen week ging hij met pensioen.
42 jaar geleden kwam hij als activistische, jonge dokter met lang haar, baard en snor in Rotterdam-Zuid terecht, met vrouw en drie kinderen. Hij zat daarvoor drie jaar in Afrika en kortstondig in Limburg. Het was even wennen. Het Rotterdam ten zuiden van de Nieuwe Maas was altijd al ruig en arm. Ooit werd het de boerenzij genoemd, toen mannen van het Nederlandse platteland erheen trokken om de havens uit te diepen. Daarna migranten uit Spanje, Marokko en Turkije om zwaar werk te doen.
Dokter Galesloot zag in de jaren tachtig en negentig veel patiënten die moe en versleten waren. Kapotte rug. Kapotte knieën. Mensen die Nederland opbouwden na de oorlog, witte Rotterdammers én eerste generatie migranten.
Toen was zwaarlijvigheid nog geen groot probleem. Drie maaltijden per dag, het Hollands prakkie van aardappelen, groente, vlees was nog normaal. Dat eet niemand meer. Hij begon daarna wel steeds meer ‘leefstijlziekten’ te zien. Door ongezond vet en zoet eten, weinig bewegen. En veel stress door weinig geld en schulden. Slecht betaalde baantjes, soms twee naast elkaar. Meer dan medicijnen voorschrijven werd zijn werk uitleggen, uitleggen, uitleggen. Stop met fris en energydrank maak dagelijks een wandeling, dan bent u al een énorme stap verder. Hij denkt aan de Surinaamse vrouw die geen diabetesmedicijnen meer nodig had, nadat ze gezond ging leven.
Iedereen kwam bij dokter Galesloot. Hij ging op huisbezoek. Marokkaanse, Turkse, Nederlandse, Hindoestaanse, Kaapverdische, Eritrese, Poolse, Hongaarse gezinnen. Lege kamers zonder meubels. Of juist lange, fluwelen banken met plek voor dertig gasten. Thee, koekjes, dankbaarheid. Agressie, verdriet en boosheid. God wat is hij gaan houden van de bewoners van zuid, de vele kleine zaakjes, die eindeloze mix van culturen. Overlevers. Iedereen is er anders maar met dezelfde allergie voor minachting. „Voel je je beter dan zij, dan ben je weg.”
Galesloot is geen vechtersbaas maar vocht wel een keer met een junk die zware pijnstillers eiste, in de tijd van heroïneverslaafden. Galesloot zette hem eigenhandig de praktijk uit. „Dat voorval sterkte me, ik durfde vaker ‘nee’ te zeggen. Het maakte me een betere dokter.”
Eén keer was hij bijna weg gegaan. Nachtdiensten, lange dagen en lage tarieven braken huisartsen in armere wijken op. Hij kon een plattelandspraktijk overnemen in Nieuwpoort, aan de Lek. Makkelijke patiënten, beter betaald. Hij zag zichzelf al op een brommertje over de dijk tuffen, dokterstas achterop. Op het laatste moment zegde hij af. Hij bleef waar hij thuis was.
Sheila Kamerman doet wekelijks ergens vanuit Nederland verslag.
Zeventien jaar was Marie Scott, minderjarig nog, toen ze zich in maart 1944 aanmeldde bij de vrouwenafdeling van de Britse marine. Ze wilde iets doen voor haar land en bij de marine namen ze haar graag aan, want Scott kon het schakelbord van een telefooncentrale bedienen. Al gauw kreeg ze training voor een VHF-set, dat was radiocommunicatie via very high frequency. „Het was een simpel apparaat, een soort draadloze ontvanger met hendels. En het was een éénrichtingssysteem, dus maar één iemand kon tegelijk praten.”
Ze ging aan de slag in het ondergrondse communicatiehoofdkwartier van de geallieerden in Portsmouth, aan de Engelse zuidkust. De Amerikaanse generaal Eisenhower was haar opperbevelhebber en D-Day, de invasie van de Franse kust, was toen al volop in voorbereiding. „Ik ben er onlangs nog geweest, het complex begint uit elkaar te vallen. Maar toen was het een wonderbaarlijke gewaarwording en een knappe technische prestatie, dat netwerk van al die tunnels. Een wereld op zich, meters onder de grond.” Ze bleven 48 uur ondergronds en draaiden in die tijd diensten van zes of zeven uur.
Marie Scott weet nog steeds niet precies wie ze aan de lijn kreeg, in die dagen rond D-Day in juni 1944. Maar toen ze haar bericht had verstuurd – „geen idee wat de boodschap was, alles was in code” – en het de beurt van de ontvanger was om zijn antwoord te versturen, schrok ze enorm. „Ik hoorde onophoudelijk geweervuur. Kanonnen. Vallende bommen. Mannen die bevelen schreeuwden. Ineens realiseerde ik me dat die arme man… Dat hij bij het leger hoorde dat de stranden van Normandië bestormde.”
Marie Scott (niet op deze foto) kon het schakelbord van een telefooncentrale bedienen, dat kwam goed van pas bij de marine.Foto privéarchief
Nu is Scott bijna 99 jaar. Begin mei komt ze naar Wageningen om te vieren dat Nederland tachtig jaar geleden werd bevrijd van de Duitse bezetting. En ze reist in stijl. Taxichauffeur David Hemstead brengt Scott in zijn typisch Britse black cab vanaf haar huis in het zuidwesten van Londen naar Wageningen en terug. Ze gaan met de veerboot van Harwich naar Hoek van Holland. Scotts kleindochter Briony Samuel gaat mee als haar compagnon en zo reizen drie generaties straks in één taxi naar Wageningen.
<figure aria-labelledby="figcaption-0" class="figure" data-captionposition="icon" data-description="Marie Scott (99) werkte als tiener voor de Britse marine.
Foto Justin Griffiths-Williams
” data-figure-id=”0″ data-variant=”row”><img alt data-description="Marie Scott (99) werkte als tiener voor de Britse marine.
<figure aria-labelledby="figcaption-1" class="figure" data-captionposition="icon" data-description="De Londense taxichauffeur David Hemstead (64) is vrijwilliger voor Taxi Charity For Military Veterans, die veteranen naar herdenkingen in Europa brengt.
Foto Justin Griffiths-Williams
” data-figure-id=”1″ data-variant=”row”><img alt data-description="De Londense taxichauffeur David Hemstead (64) is vrijwilliger voor Taxi Charity For Military Veterans, die veteranen naar herdenkingen in Europa brengt.
David Hemstead (64) is vrijwilliger bij de Taxi Charity for Military Veterans. Het is een kleine Londense liefdadigheidsorganisatie die in 1948 is ontstaan, naar een idee van drie taxichauffeurs die graag hun in de Tweede Wereldoorlog gewond geraakte vrienden wilden helpen. Ze boden gratis taxivervoer aan van en naar het ziekenhuis en namen de veteranen mee op dagtripjes naar de kust. Nog steeds is dat de basis, al zijn de reisjes nu vooral herdenkingen geworden. Het is mooi dat ze meehelpen de geschiedenis levend te houden, zegt Hemstead: „We proberen de veteranen zo veel mogelijk het land in te krijgen. Hoe meer ze nu nog gezien en gehoord worden, hoe meer mensen hun verhalen zullen onthouden.”
Hoe meer de veteranen nu nog gezien en gehoord worden, hoe meer mensen hun verhalen zullen onthouden
Want de veteranen zijn met steeds minder, daar doet Marie Scott niet sentimenteel over. „We zijn een zeldzaam verschijnsel geworden. Allemaal gaan we het hoekje om.” Jarenlang speelden de Tweede Wereldoorlog en haar tijd bij de marine maar een beperkte rol in haar leven. „Ik was druk met de kinderen, met werken, met léven.” Maar in 2017, jaren na haar pensionering, ging Scott voor het eerst mee naar een herdenking. Via de Taxi Charity: „Ze hebben me overal naar toe gebracht. Naar de herdenking in Normandië, al een paar keer naar Nederland… Ik vind het geweldig.”
Marie Scott ging via Taxi Charity al eerder mee naar herdenkingen van de Tweede Wereldoorlog. Foto Justin Griffiths-Williams
Ook de Britse media ontdekten haar sindsdien. De BBC, Sky News, ITV, dagblad The Times, allemaal stuurden ze journalisten langs. Scott heeft al zo vaak over haar ervaringen in Portsmouth verteld, ook al herinnert ze zich lang niet alle details meer uit die jaren. Gelukkig is ze nog compos mentis, zoals ze zelf zegt. „Ik heb maar één verhaal te vertellen, maar daar zijn allerlei anekdotes uit af te leiden.”
En dus vertelt ze hoe koning George VI bij het hoofdkwartier langskwam en de tunnels en hun kamers ondergronds inspecteerde. Dat ze in de dagen vóór D-Day het water van de haven van Portsmouth niet meer kon zien door de vele oorlogsschepen, en dat die allemaal verdwenen waren toen ze na haar dienst naar boven kwam. En dat ze zich „best een beetje trots voelt” dat ze deel heeft uitgemaakt van Operatie Overlord, de codenaam voor de landing van de geallieerde troepen in Normandië. „Heel weinig oorlogen wereldwijd worden terecht gevoerd. Heel weinig. Maar de Tweede Wereldoorlog was gerechtvaardigd. We moesten een kwaadaardige vijand stoppen.”
Niet verplicht op school
Ondanks al die interviews ziet Scott het niet als persoonlijke missie om ervoor te zorgen dat haar getuigenissen bewaard blijven voor latere generaties. „Die verantwoordelijkheid ligt niet bij ons als individuen, maar bij scholen. Er zou meer aandacht in het onderwijs moeten zijn voor die cruciale periode.” Al krijgt Scott nooit verzoeken van scholen of ze wil langskomen. Langsgaan zou inmiddels ook te veel voor haar zijn, zegt ze. Ze kan niet zo ver meer lopen en ook niet lang meer staan.
De Tweede Wereldoorlog is in het VK geen verplicht onderdeel van het officiële landelijke onderwijsprogramma, maar de meeste scholen behandelen het onderwerp wel. Al krijgt de Eerste Wereldoorlog – ook geen verplichte kost – vaak minstens zoveel aandacht. In aanloop naar de herdenking van het einde van die oorlog, op 11 november, duiken overal in het Britse straatbeeld rode poppies op, een verwijzing naar de klaprozen die bloeiden op de slagvelden van het westelijk front. Het VK herdenkt ook de slachtoffers van andere gewapende conflicten op 11 november, in Nederland gebeurt dat in mei.
Er zou meer aandacht in het onderwijs moeten zijn voor die cruciale periode
De herdenkingen van de afgelopen jaren, de optredens waarbij Marie Scott vanaf een podium een groot publiek mocht toespreken en alle interviews hebben haar gran, „nieuwe zingeving en zelfs nieuwe levenslust gegeven”, zegt Scotts kleindochter Briony Samuel (32). „Daarvoor vertelde ze eigenlijk nooit veel over de oorlog en het is mooi om over haar ervaringen te horen.” Particuliere ervaringen en verhalen van individuele veteranen brengen de oorlog dichterbij voor jongeren, denkt ze ook. „Je kunt je dan beter inleven. Ik moet bij oma’s verhaal denken aan hoe ik zelf was toen ik zeventien jaar was. Ik maakte me alleen druk over wat ik ’s avonds aan moest naar de club.”
Het ondergrondse communicatiehoofdkwartier van de geallieerden in Portsmouth en het defilé tijdens het bezoek van de Britse koning George VI.
Foto’s privéarchief
Marie Scott giechelt een beetje als Samuel dit vertelt. Haar tienerjaren waren compleet anders. Scotts ouders hadden besloten om in Londen te blijven tijdens de oorlog, maar de meeste scholen hadden hun lessen naar buiten de stad verplaatst uit angst voor bombardementen. Dus Scotts onderwijs stopte abrupt toen ze dertien jaar was. Op haar zestiende begon ze met een training om telefoons te kunnen bedienen. Dat kwam later bij de marine goed van pas. Briony Samuel: „Jij leefde in een totaal andere wereld met andere verantwoordelijkheden, die niemand op die leeftijd zou moeten hebben.”
Minder vrijwilligers
De vrijwilligers van de Taxi Charity zien het aantal veteranen dat ze mee op pad kunnen nemen elk jaar verder dalen. David Hemstead rijdt nu zo’n achttien jaar mee en de eerste keer dat hij mee ging naar de jaarlijkse herdenking in Normandië, stonden ze met honderd black cabs op de veerboot. „Wat een sfeer gaf dat.” Dit jaar rijden ze met twintig taxi’s naar Nederland. Er gaat ook altijd een medisch team mee, dat zijn vrijwilligers van de Londense ambulance.
Lees ook
De veteranen van D-Day worden in het zonnetje gezet, nu het nog kan
Natuurlijk willen de chauffeurs graag zoveel mogelijk trips faciliteren voor de veteranen. Maar eerlijk is eerlijk, zegt Hemstead, het wordt moeilijker om vrijwilligers te vinden. De kosten van het dagelijks leven zijn in het VK de afgelopen jaren flink gestegen, harder dan in de meeste andere Europese landen. „Taxichauffeurs moeten steeds langere dagen maken.” Een nieuwe taxi kost 73.000 pond (ruim 88.000 euro) of ongeveer 330 pond (bijna 400 euro) aan huur per maand, zegt hij. „Dat moet je dus verdienen voor je aan alle andere vaste lasten kunt denken, je hypotheek, je energierekening. En een paar dagen met veteranen op stap betekent nul inkomsten voor de chauffeurs.” Ze hebben wel een paar grote donoren en krijgen ook geld van Britse veteranenstichtingen.
Begin mei komt Marie Scott (99) samen met haar kleindochter Briony Samuel (32) en taxichauffeur David Hemstead (64) naar Wageningen om te vieren dat Nederland tachtig jaar geleden werd bevrijd van de Duitse bezetting.Foto Justin Griffiths-Williams
De afgelopen jaren vervoerde de Taxi Charity ook veteranen van andere conflicten dan alleen de Tweede Wereldoorlog en David Hemstead denkt dat hun aandeel de komende jaren langzaam groter zal worden. De club van vrijwilligers blijft bestaan, zegt Hemstead: „Als de veteranen van de Tweede Wereldoorlog er niet meer zijn, stappen we over op de Korea-oorlog, al hadden de Britten daar geen erg grote rol. Dan gaan we naar Noord-Ierland, de Falklandeilanden, de Golfoorlogen, Irak, Afghanistan…”
Maar voorlopig kijken de drie vooral uit naar hun reis naar Wageningen. Marie Scott: „Nederlanders zijn altijd zo dankbaar geweest voor de bevrijding. Ze zijn vriendelijk en gastvrij. Anders dan de Fransen, die zijn formeler en beleefder.” En voor de lange rit neemt Scott een stevig kussentje mee, dat zit net wat fijner voor haar oude botten.
Margraten
In Limburg probeert een docent de verhalen levend te houden