Op zondagavond stuurt Francine Houben een „compact programma” dat ze voor ons heeft bedacht. Met een architect zoals zij – die vindt dat architectuur „menselijk” moet zijn – kun je wel praten, maar het leek haar beter om me te laten zien, voelen, horen, kortom ervaren wat ze met haar werk bedoelt te zeggen.
Al bijna een halve eeuw bouwt en verbouwt Houben (69) huizen, scholen, theaters en bibliotheken, en ontwerpt ze pleinen, landschappen en stadsdelen, op vijf continenten. Ze is mede-oprichter en creatief directeur van Mecanoo, een van de grootste Nederlandse architectenbureaus, waarmee ze de belangrijkste internationale prijzen won. Ze werd de eerste vrouwelijke hoogleraar architectuur aan de TU Delft, gaf les aan Yale en Harvard en bekleedt Honorary Fellowships in Engeland, de Verenigde Staten en Canada. Ze is een van de bekendste architecten ter wereld.
Even terug naar haar plannetje. Ze stelt voor om 10.00 uur te beginnen in Delft, de stad waar ze architect werd, dan door naar Amsterdam voor een recent project, de renovatie van De Nederlandsche Bank, en daarna naar Herpt in Noord-Brabant om haar meest persoonlijke werk te laten zien, De Nieuwe Schuur. Tegen vijven zal ze me afzetten op station Den Bosch – dan ben ik mooi op tijd weer thuis. Zij chauffeert, aan koffie, lunch en thee is gedacht. Idee?
Opgeleverd: 2017Station Delft Centraal en stadhuis
Donkerblauwe schoenen, broek, jas en Prada-tasje, oortjes in. Bovenaan de roltrap die uitkomt in de stationshal van Delft staat Francine Houben me op te wachten. We beginnen meteen, zij met net een stap sneller lopen, praten, aanwijzen, uitleggen en associëren, ik er met pen en papier achteraan. Ze vertelt hoe blij ze was dat ze, in 2006, de opdracht won om het station van Delft te ontwerpen, met daarbovenop het stadhuis. „Dit is mijn stad.” Hier studeerde ze bouwkunde, ze richtte er met medestudenten Mecanoo op – „een start-up” – ze kreeg er haar eerste kind (van drie).
Ze wijst met twee armen de kanten op waar ik heen moet kijken. Architectuur, zegt ze, is als een film. „Je beweegt je door een ontwerp.” En onderweg, vindt zij, moet er wat te beleven vallen. „Wat gebeurt er in een station? Mensen komen en gaan, mensen zitten te wachten, reizigers, studenten, toeristen ontmoeten elkaar. Het is een social space, net als een bibliotheek, een museum of een theater. Zie je de verlichting?” Witte, kegelvormige zuilen zijn steunpilaar en lichtbron tegelijk. „Zo krijgt het de allure van een theater, ’s avonds is het al helemaal prachtig.” Overdag valt er op alle uren zonlicht binnen door ramen aan weerszijden. „Johannes Vermeer-achtig licht. Delft was ook zijn stad hè.”
We hangen over een glazen balustrade en kijken de diepte in, naar waar de treinen rijden. Het spoor ligt ondergronds. Benthem Crouwel ontwierp de tunnels en perrons. „Kijk, alles is clean en vlak met zwarte wanden. Strak en doelmatig.” Niet om lelijk te doen over andere architecten, maar vaak denken ze als ingenieurs. „De functie van een gebouw is begin- en eindpunt, zo wordt het je op de universiteit geleerd. Dat is niet verkeerd, maar het is anders dan hoe ik het doe. Ik ga uit van het gebruik van een gebouw. Hoe ervaren mensen een omgeving? People, place, purpose, poetry, in die volgorde, dat is mijn motto.”


Waar denk je aan als je aan Delft denkt, vraagt ze al lopend naar de pilaren waarop het stationsgebouw rust. „Delfts blauw”, antwoordt ze zelf. „Duizenden tegeltjes hebben we in stukken gebroken en zo verlijmd dat ze een bocht kunnen maken.” Ze omarmt de pilaar, want het gaat, zegt ze, ook om de „tactiele ervaring”. Op het koepelvormige plafond boven de stationshal konden geen tegels wegens opwaartse luchtverplaatsing door de treinen. Ze heeft toen een oude kaart van Delft grafisch ‘opgeblazen’ en af laten drukken op lamellen. Kleine stukjes van de kaart zijn leesbaar. Je ziet waar de spoorlijn liep, waar de glasblazerij zat en de nauwe steegjes van de binnenstad.
De trap af naar het stadskantoor, op een draf langs mensen die op hun beurt wachten voor het gemeenteloket. „Delft is een arme gemeente”, zegt ze. Voor de inrichting is veel meubilair uit het oude stadhuis hergebruikt. „In ons oorspronkelijke ontwerp was het stadskantoor hoger, we moesten er een verdieping af halen om de kosten te drukken. En ik dacht meteen: ja, lekker, beter zo. Het hele gebouw was anders te groot geworden voor de stad.” Eenmaal buiten lopen we achterwaarts over het fietspad en worden nét niet geschept door een e-bike. Ze analyseert: „Tweezijdig fietspad”, „onduidelijke afbakening” en „fietsverkeer is erg dominant hier”. Conclusie: „Dat moet anders.” Ze wijst nog even op de alzijdigheid van het stadskantoor, er is geen officiële voor- of achterkant, iedereen, waar ook uit Delft, gaat door een voordeur naar binnen. Dan steken we de Spoorsingel over, op weg naar haar kantoor in de binnenstad.
Aan de overkant draait ze zich nog even om en wijst ze naar een blauw huis op de hoek van de Spoorsingel. „Daar heb ik vijftien jaar gewoond.” Twee van haar drie broers studeerden in Delft en toen zij door hen was overgehaald om bouwkunde te studeren, kocht haar vader dit huis. Daar, achter die ramen, was haar kamer waar ze altijd werkten, de vier jongens en zij die in 1984 Mecanoo oprichtten. Eén van hen, Erick van Egeraat, zou de vader worden van haar kinderen. De eerste, een meisje, werd in het huis geboren, dat was in 1989.
We lopen verder, over de Binnenwatersloot, en ze is net aan het zeggen dat ze het blauwe huis nooit hadden moeten verkopen als een vrouw passeert die „hé Francine” zegt. „Dat is de burgemeester.” Marja van Bijsterveldt van Delft.
We slaan af bij de Oude Delft, ze weifelt voor de deur van het Hoogheemraadschap – het gebouw staat er sinds 1505. „Dit hebben we helemaal gerenoveerd en opgeknapt, de tuin ook, dat ben ik er jaren geleden al bij gaan doen, tuinen, landschappen, ik ben heel erg van de openbare ruimte. Zullen we even kijken, of is dat overdreven?” Steeg door, achterom de tuin in, ze wijst „daar woonde Willem van Oranje” en daar zit de sociëteit van het Delfts Studenten Corps, „daar keek ik vanuit mijn studentenkamer op uit”. Zij kon goed hockeyen, zegt ze, en sloot zich vooral daarom aan bij wat toen de Delftse Vrouwen Studentenvereniging heette. Jammer van het grijze weer van vandaag, zegt ze, maar ben ik met haar eens dat de tuin „een paradijsje” is?
Lopen we nog op schema, vraagt ze als ze aanbelt bij Oude Delft 203, voorheen een nonnenklooster, een ziekenhuis en nu haar kantoor. De deur van het grachtenpand zwiept open, daarachter een lange marmeren gang. „Impressive hè? Vind ik zelf ook.” Toen veertig jaar geleden Mecanoo begon te groeien, huurden ze hier de goedkoopste kamer. Nu heeft het kantoor drie panden op rij in gebruik en werken er 130 mensen verspreid over drie verdiepingen. De komende anderhalf uur zal ze het me allemaal laten zien. Eerst thee. Ze snijdt plakjes verse gember en met het glas in de hand en haar jas over de arm leidt ze me langs de kamer waar het Azië-team werkt aan een station in Taiwan – in april gaat het open. In de aanpalende ruimte wordt gewerkt aan een nog geheim project in Abu Dhabi. Via de landschapsafdeling gaan we naar het team dat werkt aan de renovatie van museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam en door naar de visualizers – die in 3D toveren wat de architecten bedenken.
De trap op – krakend hout. „Het geluid van geschiedenis, daar hou ik van.” In de voormalige kapel staan maquettes van afgeronde projecten wereldwijd. Twee ervan zijn handig om te onthouden, voor straks, als we naar De Nederlandsche Bank gaan in Amsterdam. Begrijp je ook meteen waarom zij de „library whisperer” wordt genoemd.
De New York Library is een beaux arts-gebouw uit 1905 aan Fifth Avenue. De herinrichting ervan deed zij, de campus eromheen ook. Maar let even op Rose Main Reading Room. Zo’n geweldige zaal met lange tafels en leeslampen, heeft ze „meegenomen” naar De Nederlandsche Bank.


Martin Luther King Jr. Memorial Library in Washington is ontworpen door Ludwig Mies van der Rohe en geopend in 1972. Typisch mid-century modern, noemt ze het. „Gebouwd to impress. De entree leek wel de lobby van een advocatenkantoor. Groot, strak, minimalistisch, muren van baksteen. Daar moet je dan met je kind heen om een boek te lenen.” Dan de zalen. „De boeken vol in het licht, de mensen in het donker.” Nee, schudt ze, het was in Washington geen geliefd gebouw. Zoals De Nederlandsche Bank (1968) ook niet mooi werd gevonden door Amsterdammers. De architect, Marius Duintjer, had zich laten inspireren door Mies van der Rohe.
We zijn het pand rond en staan bij de receptie bij de voordeur, klaar voor vertrek.
En waar was uw kamer eigenlijk?
Ze pakt een zwarte rugzak van tafel. „Dit is mijn mobiele kantoor.” Alles zit erin, zegt ze. Laptop, iPad, kabeltjes, paspoort, lippens
In haar elektrische auto naar Amsterdam
Francine Houben werd in 2000 hoogleraar architectuur in Delft. Ze koos als onderzoeksgebied ‘mobiliteitsesthetiek’.
Waarom?
„Mensen verplaatsen zich dagelijks tussen stad, dorp, huis en kantoor. Wat ervaren zij onderweg? Ik begon met vier camera’s op het dak van een auto te zetten – Google Maps bestond nog niet. Onze snelwegen zijn een soort riolen, waar auto’s doorheen worden geperst, het landschap eromheen laten we verrommelen. Ik wilde daar iets tegen doen.”
Is Nederland lelijk?
„Nederland is mooi en groen. Alleen je ziet het niet. Overal staan geluidsschermen en distributiecentra, maar daartussen heb je de meest weidse vergezichten. Ik wilde destijds dat die panorama’s beschermd zouden worden. Járen mee bezig geweest om het voor elkaar te krijgen, was het eindelijk gelukt, schafte de eerstvolgende minister het beschermde uitzicht af. Een VVD’er geloof ik. Waarom dóé je dat, ik snap dat niet.”
U voorspelde in 2002 dat de fiets de toekomst zou zijn.
„En ik heb gelijk gekregen. Kijk naar New York, Londen, Parijs. Bij ons is inmiddels de balans tussen automobilist, fietser en voetganger weg, het is gevaarlijk aan het worden. Nederland was altijd sterk in ruimtelijke ordening, we hadden één ministerie van VROM, we hadden één visie op volkshuisvesting en ruimtelijke ordening en natuur en milieu. Maar het ministerie is afgeschaft en je ziet nu op al die terreinen problemen.”
Jongste dochter Luca belt. Ze pingpongen via de speaker. Ja. Oké. Goed. Joe. Dag!
„Ze heeft net een baby gekregen.” Een jongetje. „Tegenwoordig heb je apps die precies bijhouden wanneer je moet voeden.” Ze lacht. Zij is de vierde van vijf kinderen. Haar vader was jurist bij de Staatsmijnen in Heerlen en daarna bij de Gasunie, eerst in Den Haag en toen in Groningen. Ze verhuisden twaalf keer, haar moeder was chef verhuizingen en verbouwingen. „En wij werden gewoon met z’n vijven ingeschreven op dezelfde katholieke school. Op je vierde bracht je moeder je naar school, één keer, en daarna ging je zelf.”
Zij stond ook niet op het schoolplein van haar kinderen – in haar tijd was dat uniek, zegt ze. „Ik tekende wel het ontwerp als er een nieuw schoolplein moest komen.” Na de geboorte van haar tweeling vertrok haar man, toen had ze een architectenbureau en drie baby’s van twee en nul die ze alleen moest opvoeden. Of alleen, „we hadden een extended family”. De buren, een studerende neef, haar broer en zijn echtgenote die zelf geen kinderen hadden, haar ouders toen die nog leefden. „Deze zomer word ik zeventig”, zegt ze. „Ik neem zeventig dagen vrij en dan ga ik met al deze mensen en mijn kinderen op vakantie. Net als vroeger.” Met z’n veertienen naar de nationale parken in de VS. Ze knikt naar zichzelf in de achteruitkijkspiegel. „Dat ga ik doen.”
We naderen intussen Amsterdam. Wat vindt ze nou leuker, zelf een nieuw gebouw ontwerpen, of een bestaand gebouw verbouwen? „Het is allebei leuk. Als restauratie-architect moet je de architect die het bouwde snappen. Niet om een gebouw terug te brengen naar hoe het was, maar om het geschikt te maken voor hedendaags gebruik. Gebouwen blijven, de functie ervan verandert. Het scheelde dat ik al wist hoe ik een Mies van der Rohe-achtig gebouw een vrouwelijke, of nee, een menselijke touch kon geven.” Want net als de bibliotheek in Washington was De Nederlandsche Bank een „macho-gebouw bedacht in een macho-tijd”.
Opgeleverd: 2025De Nederlandsche Bank, Amsterdam
Ze parkeert de auto bij een laadpaal en we slalommen langs de stratenmakers naar de ingang. Zij verplaatste de entree, en boorde daartoe dwars door de metersdikke, gepantserde betonnen muren van de kluis van drie verdiepingen. De 10,4 miljard aan goudbaren en munten zijn verhuisd naar het Cashcentrum in Zeist. Ze stond erop de muren van de oude kluis goud te laten schilderen.
Het plan voor DNB bedacht ze – met haar team – zonder dat ze ooit het gebouw vanbinnen had gezien. Zonder Amsterdam echt te kennen. „Ik heb vaker gewerkt in steden die ik niet kende. New York, Kaohsiung, Toronto. Je moet je de plek eigen maken. Praten met mensen, ze uitnodigen bij je thuis, je verdiepen in de omgeving, zo deed mijn moeder dat ook. Van Den Haag naar Groningen verhuizen, dat was in die tijd alsof je naar Siberië ging.” Hoe ze de bank heeft leren kennen? Door er vaak en veel omheen te lopen, bij daglicht en bij nacht. Ze heeft een bootje gehuurd en is erlangs gevaren om te zien hoe je het vanaf het water „ervaart”.


Op de universiteit, zegt ze, leer je dat je moet vechten voor je plan. „Het cliché van de drammerige architect.” Daar is ze niet van. „Ik ga uit van voortschrijdend inzicht. Je ontwerp moet natuurlijk mooi en visionair zijn, maar ook dienstverlenend.” Toevallig is haar plan voor de DNB-verbouwing „nagenoeg” uitgevoerd zoals ze het had bedacht. Ze wilde dat het biodivers was – op het dak, de terrassen, in de binnentuinen en rond het hele gebouw staan bomen, planten, en zijn moestuinen aangelegd. Zij wilde dat het ooit zwaarbeveiligde gebouw een plek voor de hele stad werd. De begane grond is toegankelijk voor bezoekers. De ‘straat’ noemt zij het, naar de hal van het bouwkundegebouw uit haar studietijd in Delft. „Dat is waar we afspraken, waar we studeerden en iedereen kwam aanschuiven.” Ze wijst door de ramen naar de binnenplaats – voorheen stond daar een enorme toren en gewapende marechaussee. Dwars over het pas ingezaaide gras ligt een dode boom – „een zieke, Amsterdamse iep, die hoort hier ook”. Er staan bankjes voor bezoekers, en onder de overkapping zijn kluisjes gemaakt waarin daklozen hun spullen kunnen bewaren. De bibliotheek in Washington werd bevolkt door homeless, zegt ze. „Ze kwamen aan met de eerste bus en vertrokken weer als de nachtopvang openging.” Tijdens de renovatie moest de bibliotheek drie jaar dicht en kwam er alternatieve opvang voor de vaste bezoekers. En toen het gebouw klaar was, kwam een deel weer terug. „Ik vind, iedereen is welkom, maar de ene groep mag de andere niet verjagen.” Maar is ze niet bang dat…. Nee, zegt ze. „De Amerikanen noemen me fearless, en ik geloof dat dat zo is.”
„Klaas wilde dat het een walkable building werd”, zegt ze. Klaas Knot, directeur van De Nederlandsche Bank. Dus kwamen er overal ook trappen om de vijf etages te verbinden, we gaan ze allemaal op en af. Al lopend aait ze de muren – bekleed met zacht, geluiddempend board gemaakt van gerecycelde PET-flessen. Waarom zouden muren wit moeten zijn, en niet dieprood of okergeel? De kunstcollectie van de bank komt er schitterend op uit, vindt ze. In de voormalige kashal op de eerste verdieping, waar kassiers voorheen het geld telden, is nu een leeszaal à la de Rose Main Reading Room in de bibliotheek in New York. Honderd meter lang rijen tafels met speciaal ontworpen houten tafels en ingebouwde schemerlampen, uitzicht op de nog kale kronen van de bomen buiten. Geschikt als werkplek voor medewerkers, maar net zo goed kan de bank er een galadiner geven.
Lunchtijd. Mecanoo heeft het bedrijfsrestaurant ontworpen, maar zelf heeft ze er nog niet gegeten. Ze passeert de twee kookeilanden, loopt rechtstreeks naar de gevel en opent de deuren om te controleren, zo blijkt, of het zonnedek aan de Singelgracht al af is. Langs de volledige zuidgevel van de bank is een terras gemaakt aan het water. Ze lacht: „Daar ligt de hele stad van de zomer.” Krukken om hoog te zitten, stoelen voor wie liever laag wil zitten. Ze zoekt en vindt een dienblad. Om een beetje in vorm te blijven eet ze, zegt ze, doorgaans tot het middaguur niets. Ze neemt tempeh met rijst en groente, ze heeft zelf een fles gefilterd water bij zich.
Na de lunch de tweede en derde verdieping over, waar de directie zit, dan naar de drie verdiepingen in de kluis waar openbare expositieruimtes zijn. Nog even naar de wc en dan gaan we weer.
Foto Shawn Liu

In de auto naar Herpt
Uitparkeren en bellen kan ze min of meer tegelijk. Weer de jongste en daarna de oudste dochter, Coco, op de speaker. Zelfde staccato gesprekjes. Als ze opgehangen heeft, zegt ze: „Zij heeft ook bij me op kantoor gewerkt.” Alle drie trouwens. Eentje, haar zoon Kenzo, werkt er nu. „Vroeger dacht ik altijd: als mijn kinderen maar niet gaan doen wat ik doe.”
Hoezo?
„Architect is een zwaar beroep. It never stops. ’s Avonds, in het weekend, je bent altijd aan het werk. En veel tegenslagen.”
Ze heeft het nog niet gezegd, of een kantoorgenoot belt. Uit het gesprek valt op te maken dat er ergens iets niet doorgaat. „Een opdracht voor een school in Amsterdam.”
Balen?
„Leuke school, ik had het graag gedaan. Maar dat is de ellende met tenders.” Een tender is een competitie die opdrachtgevers bij grote opdrachten moeten uitschrijven onder Europese architectenbureaus. Wie het beste (of goedkoopste) ontwerp maakt, wint. „Zoveel onnodig veel werk, zoveel bureaucratie, zoveel onbetaalde mensuren gaan erin zitten. Verspilde energie.”
Nog geen minuut later wordt ze door een andere kantoorgenoot gebeld over een tender in New York, een plan voor zeshonderd affordable huizen. Hoogbouw. Ze zijn nog in de race. „Dat is waar ik vandaan kom hè. Sociale woningbouw.” De eerste opdracht die ze won, in 1980: jongerenhuisvesting aan het Kruisplein in Rotterdam.
Het huis in Kralingen, Rotterdam, ontwierp ze met Erick van Egeraat. Ze woont er sinds 1991. De boerderij in Herpt waar we naartoe rijden is een familiehuis. „Ik wilde altijd al een tweede plek, liefst buiten, binnen een uur rijden vanaf Rotterdam, en in een dorp met buren.” In Herpt vond ze een oude boerderij met opstallen. „Het was het eerste huis van Hans en mij samen.” Hans Andersson (78), de man met wie ze dertig jaar samen is. „Mijn kinderen waren 4 en 2 toen hij bij ons kwam wonen, zijn kinderen waren al groot.” De boerderij, de varkensstal, het bakhuisje knapten ze één voor één op. En het was Hans’ grote droom om op de plek van de vervallen schuur tegenover de boerderij een theater te bouwen. Dat werd De Nieuwe Schuur. Te huur tegen kostprijs voor kunstenaars, voor bedrijven geldt een commerciële prijs. „De schuur is een culturele stichting, Hans de onbezoldigde directeur.”
„Zal ik de oude boerenweg maar nemen?”, vraagt ze terwijl ze al afslaat. Ze wijst weer links – daar haalt ze tomaten, en rechts – daar zit de aardbeienteler. Een moestuin bijhouden én de helft van de tijd op reis – dat werkte niet. Nu heeft ze alleen nog haar bessenveld en fruitbomen – stoofperen, appels, mirabellen, pruimen, kruisbessen. De wilgen heeft Hans afgelopen weekend geknot, de hortensia’s moeten dringend gesnoeid. „Het houdt me bij de aarde.” Mensen moeten wortelen, vindt ze, net als gebouwen.
Opgeleverd: 2021De Nieuwe Schuur, Herpt
Ze parkeert op een parkeerveldje naast de boerderij. Even snel naar binnen voor thee, een brokje pure chocola en een korte begroeting. „Dit is Hans, mijn man.” Daarna lopen we naar De Nieuwe Schuur, aan de overkant van de weg. „Zoals een kind een huis tekent, zo wilde ik dat het eruit zag.” Vierkant met een puntdak. Het moest comfortabel en duurzaam zijn, niet luxe. Praktisch, niet poenerig en van hout. In de theaterzaal schakelt ze licht en geluid aan, laat projectieschermen uit het plafond dalen. Geschikt voor koren, orkesten, theatermakers die er kunnen repeteren, koken en slapen. „Mensen zeiden: moeten jullie zoiets nog op je nek nemen? Ik vind, je hoort iets voor de samenleving te betekenen, zo ben ik grootgebracht. Je geeft terug aan je omgeving. Of klinkt dat oubollig?”


Jazzkelder, keuken, panoramazolder. Een memory lane dwars door haar carrière: banken gestoffeerd met blauwe stof die ze gebruikte voor een theater in Taiwan, tegels ontworpen voor een villa in Schoorl, bedstedes zoals ze die van vroeger kent, vloerbedekking uit de New York Library, linnenruimtes zoals ze die ook voor hotels ontwierp.
Ze sluit de buitendeur af. Hoeveel officiële openingen van gebouwen, met koningen en koninginnen, ministers en presidenten erbij zal ze hebben meegemaakt? Tientallen. Maar voor de opening van hun schuur was ze zenuwachtig, zegt ze. „Het moet wel goed zijn, ik ben toch een bekend iemand…”
Francine Houben herken je in al haar ontwerpen, in dit huis hoor je haar stem.
CV
Francine Houben
- 1955
- Geboren in Sittard
- 1974
- Studie bouwkunde Delft
- 1980
- Jongerenhuisvesting Rotterdam
- 1984
- Afgestudeerd en Mecanoo opgericht
- 1997
- Bibliotheek TU Delft
- 2000
- Hoogleraar mobiliteit– esthetiek TU Delft
- 2002
- Curator Architectuur-Biënnale Rotterdam
- 2005
- Montevideo Rotterdam
- 2013
- Library of Birmingham
- 2014
- Woman Architect of the Year (door Architects’ Journal)
- 2015
- Prins Bernhard Cultuurfonds Prijs
- 2016
- Eredoctoraat Universiteit Utrecht
- 2017
- Station-stadskantoor Delft
- 2018
- Kaohsiung National Center for the Arts, Taiwan
- 2019
- International Prix des Femmes Architectes
- 2020
- Martin Luther King Jr. Memorial Library, Washington DC
- 2021
- New York Public Library
- 2024
- Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw
- 2025
- De Nederlandsche Bank
- Francine Houben woont met Hans Andersson in Rotterdam.
