Het chanson: muziek voor wie met zijn ziel onder de arm loopt

Op de Parijse begraafplaats Père-Lachaise staat een vrouw bij het graf van Édith Piaf. Met een Spaans accent zingt de vrouw zachtjes Non, je ne regrette rien. De bloemen op het graf zijn vers. Een paar mussen hupsen wat rond over de zerken. Afgezaagd? Misschien, al is het een waargebeurde scène. Dat is nu eenmaal waar het chanson ons toe aanzet: heerlijk zwijmelen, zoals alleen de Fransen dat goed kunnen. Alhoewel, alleen de Fransen?

Het chanson is het levenslied, het lied van de troubadours. Geen genre dat zó bij een natie hoort en zo Frans voelt.

En toch wordt het genre in belangrijke mate gedragen door migranten en kinderen van migranten. Piaf had een Marokkaanse grootmoeder, de ouders van Charles Aznavour waren Armeense vluchtelingen, Jacques Brel was een Belg en Georges Moustaki een Griek. Serge Gainsbourg was de zoon van Joodse Oekraïners en Yves Montand, Serge Reggiani en Georges Brassens waren zonen van Italianen. Enrico Macias schreef ‘Adieu Mon Pays’ op de boot waarmee hij Algerije moest verlaten, en Dalida komt uit Egypte. Volgens mij is dat allemaal geen toeval: het chanson is een artistiek toevluchtsoord voor wie tussen werelden leeft, voor wie een barst in de stem heeft, en in de ziel. Voor mensen met verhalen die ze wel móéten vertellen.

Hoe klinkt het? En waar komt het vandaan?

De wortels van het chanson liggen in het Parijs aan het eind van de 19de eeuw. Meer specifiek in Le Chat Noir, het eerste cabaret ter de wereld. Beïnvloed door het opkomende realisme in de literatuur ontstond het chanson réaliste: openhartige teksten op eenvoudige composities over het rauwe stadsleven. In het interbellum groeide het chanson uit tot een persoonlijker, kwetsbaarder genre (Joséphine Bakers ‘J’ai Deux Amours’ (1930)). Tijdens de oorlog vond het patriottisme haar weg naar het chanson, gevangen in klassieker ‘Douce France’ (1943) van Charles Trenet.

Poëzie is altijd de kern van het genre geweest en gebleven, zoals de grootste dichter van allemaal Charles Aznavour het in een documentaire voor de BBC stelt: „Het Engelse lied is goede muziek en, indien mogelijk, goede tekst. Het Franse lied is goede tekst en, indien mogelijk, goede muziek.”

Na de oorlog groeide La Rive Gauche van Parijs uit tot toevluchtsoord voor getroebleerde zielen, kunstenaars en vrijdenkers. Édith Piaf vierde in rokerige cafés het bevrijde leven, door een roze bril bekeken en zonder spijt geleefd – ‘La vie en rose’ (1946), waarna Brel zijn wanhopige verdriet om minnares Suzanne Gabriello in de Franse ziel kerfde met ‘Ne me quitte pas’ (1959). Serge Gainsbourg maakte het genre meer dansbaar en provocerend (Je t’aime… moi non plus hijgt Jane Birkin in 1969) en Alain Souchon, zoon van Zwitserse ouders, voorzag het chanson van een dosis pop. Dat deed ook Étienne Daho, geboren in Algerije, die een meer synth-georiënteerde sound bracht. In andere woorden werd het chanson minder plechtig, en (zelf)kritischer.

Naar wie moet ik (nu) luisteren?

Wanneer je Aznavours definitie hanteert zijn de erfgenamen van het chanson overal. Dan past ook de Franse spoken word van bijvoorbeeld Abd Al Malik in de traditie, of de enorm populaire electrobeats van Stromae.

Recent lijkt het klassieke chanson overigens weer op te leven. Zie de muziek van de piepjonge Zaho de Sagazan, maar ook die van Clara Luciani en Barbara Pravi. Het chanson zal leven zolang er mensen in Frankrijk rondlopen voor wie verhalen vertellen de enige manier is om de ziel onder de arm vandaan te halen. Verhalen op straat, in een café of op een kerkhof in Parijs, waar iemand meer dan zestig jaar na haar dood, zachtjes zingt voor Piaf.