De helende kracht van het wiegelied

De Nederlandse Reisopera gaat de komende maand langs theaters met een van de mooiste wiegeliederen uit de klassieke muziek: een kleine parel ‘verscholen’ in L’incoronazione di Poppea, de opera van Claudio Monteverdi over de strijd om liefde en macht aan het hof van de Romeinse heerser Nero. De beeldschone Poppea palmt de getrouwde keizer in en diens vrouw stuurt een moordenaar op haar dak door de stegen van de nachtelijke stad.

Maar Poppea is zich van geen naderend onheil bewust en strekt zich uit op het bed, slaperig en loom, terwijl haar oude voedster Arnalta voor haar ‘Oblivion soave’ zingt: „Zoete vergetelheid wiegt je tedere mijmeringen, mijn kind. Dus rust, schalkse ogen, waarom open blijven indien jullie ook gesloten alle harten stelen.”

Mijn eigen kinderen dommelden in met het getingel van Brahms’ bekende wiegelied uit een trekpop. Maar de verstilde en rustgevende – doorgaans in driekwartsmaat – klanken die we nu kennen, begonnen hun bestaan ruim vier millennia geleden op een heel andere toon. Het oudst overgeleverde wiegelied kraste iemand in Babylonische klei zo’n tweeduizend jaar voor Christus. Geen vredig landschap met een daarbuiten lopend schaap „op witte voetjes, die drinkt zijn melk zo zoetjes”. Integendeel: een moeder vermaant haar zuigeling dat lawaai een baby-etende duivel zal laten ontwaken. Zo is er ook een tegenwoordig nog steeds geliefd Keniaans slaaplied dat huilende kinderen waarschuwt dat hyena’s hen komen verslinden. Ongetwijfeld was dat eens een realistisch gevaar.

Dat is dan weer het voordeel van opgroeien in betrekkelijke veiligheid: de wiegeliedjes worden meteen vriendelijker en opvoedkundig verantwoorder. Bovendien hoeft de geseculariseerde Europeaan niet meer de demonen van voorouders buiten de deur te houden. Met het voortschrijden van de jaren verdween het geloof in bovenmenselijke kwaadaardige wezens. En dus ontwikkelden wiegeliederen zich tot brengers van troost en rust.

Hoewel veel ervan nog altijd een melancholisch karakter hebben. De Spaanse dichter Federico García Lorca was een verzamelaar, al sinds hij op een dag – wandelend in de straten van Granada – een jonge vrouw haar kind in slaap hoorde zingen met een verdrietig lied, hoewel ze zelf leek te stralen van kalm geluk. Hij hield er een lezing over, Las nanas infantiles, in 1928 in Madrid. „Het enige doel van Europese wiegeliederen”, zei hij, „is de baby in slaap sussen. Het ritme en de eentonigheid wekken de indruk van melancholie, maar onbedoeld. Het hart van Europa hangt grijze sluiers voor hun kinderen, zodat ze vredig kunnen sluimeren.” In zijn eigen land Spanje daarentegen boren de wiegeliederen een gat in de gevoeligheid van kinderen: het licht is er harder, en een dode is er doder dan elders, betoogde García Lorca. „Onze wiegeliederen zijn uitgevonden door arme vrouwen die gebukt gingen onder het te zware kruis van het moederschap. Een kind bracht geen vreugde, maar verdriet en dus bezongen ze hun liefde én hun vermoeidheid.”

Wiegeliederen zeggen iets over de volksaard waarin kinderen opgroeien, en hoe eng of weemoedig ze ook zijn, de kern ervan is gedrenkt in liefde, tederheid en bescherming. In bijna alle culturen gebruiken ouders zachte, troostende klanken en herinnert de schommelende melodie de baby aan de veilige baarmoeder. En bovendien leren ze het kind taal en ritme. Andersom helpen de liederen de ouders hun zorgen te verwoorden en verwerken. En het blijkt baby’s te helpen. Canadees onderzoek wees uit dat oorlogsveteranen voor wie de ouders vroeger zongen, beter konden omgaan met posttraumatische stress-stoornissen. Wiegeliederen bezitten een helende kracht.

https://www.youtube.com/watch?v=q1DE1dTdCNE”>https://www.youtube.com/watch?v=q1DE1dTdCNE