And I wondered if a memory is something you have or something you’ve lost.
Toen ik de laatste had dichtgevouwen, stonden er 119 dozen in de kale huiskamer. Erin lagen de boeken die ik uit mijn vaders verzameling wilde bewaren. Hij was jaren daarvoor gestorven. Mijn moeder was net naar een kleinere woning verhuisd. Het grote huis was leeg, op wat meubelen na. En de kasten. En de boeken.
Wij, de kinderen, zouden als eerste een keuze maken uit de boeken, daarna de kleinkinderen en ten slotte zouden we een bevriende boekhandelaar laten kijken of hij iets wilde kopen. Dat laatste vond ik eerlijk gezegd pijnlijk; mijn vader had altijd gezegd dat na zijn dood de eigenaar van het antiquariaat om de hoek zou langskomen, een blik op de boeken zou werpen en zeggen: „Voor 200 euro neem ik ze nog zelf mee ook.” Was dat sarcasme geweest of een bezwering?
Mijn broer en zusters en mijn (stief)kinderen namen een paar dozen mee. Verstandig, hun huizen waren al vol genoeg. Ik wilde zelf eigenlijk ook niet meer dan enkele dozen inpakken. Maar ik bleef langs de boekenplanken dralen. De romans van Simon Vestdijk – mijn vader vertelde dat hij naar de winkel holde zodra die weer een nieuw boek had geschreven. De stukgelezen Mandarijnen op Zwavelzuur van Hermans. Kousbroeks beeldschone De Aaibaarheidsfactor. De verzamelde toneelwerken van Henrik Ibsen, in een gotisch-Duitse editie (waarom?!). Boven zijn bureau: de diepgroene banden van Keesings Historisch Archief – het internet van wereldnieuws vóór het internet was uitgevonden. Langs de lange wand de geschiedenisboeken. De The New York Times-editie van The Pentagon Papers. Dat gekke boek over Hitler waarin een ‘psychogram’ van zijn karakter stond. Het complete werk van Johan Huizinga. Amsterdamse pamfletjes uit de revolutionaire jaren zestig. Het merkwaardige Groot Gedenkboek van de Jaren Vijftig. De antikapitalistische beschouwingen van Ariel Dorfman in Hoe lees ik Donald Duck. De Mythologieën van Roland Barthes. De fantastische flauwekul van Oedipus en Akhnaton. Planken vol filmboeken, van het Duitse expressionisme via John Wayne tot de Franse nouvelle vague.
Ik liet mijn vingers over de ruggen gaan, voelde, zag, rook het leven van mijn vader. Door zijn boeken ben ik altijd het innigst met hem verbonden geweest. Dat is niet zo koel als het klinkt. Zijn boeken waren de diepste uitdrukking van zijn wezen. Ze waren het voedsel van zijn gedachten en de uitgroei van zijn hersens.
Ik kan me niet herinneren dat ik mijn vader ooit naar de melkboer heb zien gaan, naar een klerenwinkel of een supermarkt. Maar hij kon geen boekwinkel passeren of hij liep er binnen. In plaatsen waar hij vaak kwam, wist hij precies naar welke boekhandel hij wilde. Heel veel van die zaken bestaan niet meer: Allert de Lange in Amsterdam, Wout Vuyk in Hilversum. Vanuit ons vakantiehuisje in Friesland gingen we vaak naar de rommelmarkt op het Zaailand in Leeuwarden, omdat hij daar ooit een complete Chambers’ encyclopedie van 1888 had gevonden. Hij liep tussen de kasten van Shakespeare in Parijs en Foyles in Londen, sloeg af en toe een boek open en stak eerst zijn neus in de bladzijden om zeker te weten dat het goed rook. Dan bleef hij staan lezen. En hij kocht altijd wat.

Hij kocht geen eerste drukken of bijzondere uitgaven. Hij deed geen witte handschoentjes aan voor hij een boek uit de kast haalde. Zijn boeken waren geen verzameling, ze waren gebruiksvoorwerpen voor de columnist, scenarist en schrijver die hij was. Ze waren, eens gelezen, referentiepunten voor zijn geheugen. Als hij een stukje schreef, stond hij vaak op en liep naar de kast, waar hij een boek opsloeg om de precieze formulering te kunnen citeren. Hij zei dat hij zelfs wist of het zinnetje op een linker- dan wel een rechterbladzijde stond, maar volgens mij was dat grootspraak.
Hij las. Hij was een lezer. Mijn lievelingsfoto: mijn vader op een ordinaire plastic stoel diep in de tuin, in de brandende zon, lezend. Ik kan de vakanties uit mijn kinderjaren terugrekenen naar de boeken die hij in die zomers las. Le cinéma selon Hitchcock van François Truffaut, ik denk in 1971, toen ik acht was. De briefwisseling tussen Ter Braak en Du Perron, volgens mij toen we naar Leningrad reden in 1972. Het verslag van de schaakmatch tussen Bobby Fischer en Boris Spasski: 1973. All the President’s Men van Woodward en Bernstein, vast meteen in 1974.
Omdat het gebruiksvoorwerpen waren, ging hij even ontspannen met zijn boeken om als een klusjesman met zijn gereedschap. Ze dienden tot nut van het algemeen. Hij gaf ze mee aan mensen met wie hij werkte: verslaggevers van de Volkskrant, filmers van het buitenlandmagazine Diogenes van de VPRO. Kinderen en kleinkinderen putten voor spreekbeurten, werkstukken en leeslijst uit de boekenkast. Of je nu iets wilde weten over Egypte (Het boek der doden), terrorisme (De Baader-Meinhof groep van Ton Crijnen) of over Willem Elsschot (alle romans plus het speciale Bzzlltin-nummer uit 1977) – je vond het op de planken.
Tomado-rekje
Mijn moeder vertelde dat hij in de vroege jaren vijftig op een kamertje in de Amsterdamse binnenstad woonde zonder wc, met een wastafel, een bed, een tafel en één ijzeren Tomado-rekje met drie planken. Ik vond het na haar dood terug; er zullen misschien zestig, zeventig boeken op hebben gepast.
Manhattan Transfer van John Dos Passos moet ertussen hebben gestaan. Op het schutblad zie ik dat hij het op 17 februari 1949 kocht, bij Lankamp en Brinkman, ook allang verdwenen. Steinbecks The Grapes of Wrath, gekocht in maart 1950. In de Nederlandse vertaling van The Bridge of San Luis Rey (Thornton Wilder) staat een passage met potlood aangestreept: „Hij had dat voorrecht van eenvoudige naturen verloren, de scheiding van liefde en genot. Genot was niet langer even eenvoudig als eten, het werd gecompliceerd door liefde.” Dat zal hij in 1951 hebben gelezen, het jaar dat de vertaling uitkwam en mijn vader zelf aan een roman en een novelle werkte – inspiratie.
‘Heb je wel eens aan een e-reader gedacht’, zeiden de verhuizers. Even later zag ik ze toch lezen in een fotoboek over de nazi’s
Na de oorlog, zei hij altijd, had hij een schreeuwende honger gehad naar literatuur en films. Hij ging zo’n beetje elke dag naar de film en kocht zoveel boeken als zijn beurs toeliet.
Hij gooide nooit een boek weg. Met het grootste gemak kon hij spullen weggooien. Boeken niet. Hij redeneerde als de timmerman die een roestig spijkertje bewaart: je weet nooit wanneer je het nodig hebt.
Zo groeiden de zestig, zeventig boeken van zijn kamer bij een hospita op de Oude Hoogstraat uit tot duizenden op de Oudezijds Voorburgwal. Altijd was het ‘oh’ en ‘ah’ als mensen zijn werkkamer binnenkwamen. Vriendjes vroegen: heeft-ie dat allemaal gelezen? Als mijn vader werd geïnterviewd, zette de fotograaf hem steevast tegen die achtergrond. Er zijn tientallen van die foto’s voor de kast. De mooiste: met zijn armen over elkaar, naast een bibliotheektrapje waar de witte poes parmantig op geklommen is. Samen kijken ze in de lens. Achter hen meen ik de rug van het hartverscheurende Bury my Heart at Wounded Knee te herkennen.
In dat laatste huis woekerden de kasten als klimop. Eerst langs alle muren van zijn werkkamer. Twee kasten op de slaapkamer. Toen kasten op zolder. Toen werd de werkkamer uitgebroken en kwamen er nieuwe planken tegen de maagdelijke muren. Toen op de overloop. Toen in het halletje. Mijn moeder heeft zich jaren verzet tegen boeken in de woonkamer. Daar vond hij iets op: dan zouden ze háár boeken langs één muur in de woonkamer plaatsen. Uiteindelijk kwamen er toch nog twee kasten met zíjn boeken tegenover te staan.
Per land
Eens in de zoveel tijd belde hij of ik kon helpen de boeken die hij in arren moede op de grond had gestapeld, een plek in een kast te geven. We boorden ijzeren strips aan de muur, legden gebeitste planken op de dragers en dan redeneerden we vanuit deze nieuwe ruimte terug in zijn systeem.
Dat functioneerde zo. Aan de ene kant stond de literatuur. Geordend per land, binnen het land geordend naar debuutjaar van de schrijver. Op de Nederlandse planken eerst de zwarte klassiekers die hij uit zijn ouderlijk huis had meegenomen, Vondel, Bilderdijk. Daarachter de grijze deeltjes van ‘De bibliotheek van Nederlandsche schrijvers’ van uitgeverij Sijthoff: Van Maurik, Van Lennep, Beets. Dan via de jongensboeken van J.F. Oltmans (Slot Loevestein) langs de Tachtigers en Couperus naar Vestdijk.
Na Reve, Hermans, Mulisch, Campert zag je de belangstelling voor literatuur verflauwen. Komrij nog wel, maar verder was het een pad van toevallig neergelegde tegels. Iets van Jeroen Brouwers, iets van ’t Hart, iets van Van der Heijden. Milan Kundera, in de laatste fictie-kast met de Scandinavische en Oost-Europese literatuur was een uitzondering: van hém las hij in de jaren tachtig ineens weer alle romans. De aangroei van mijn vaders kasten geschiedde vrijwel exclusief aan de overkant, bij de non-fictie. Mijn vader was een veelvraat op het terrein waar hij zich op dat moment mee bezighield: literatuur in de jaren vijftig, film in de jaren zestig, daarna journalistiek en geschiedenis.
Aan de overkant ging het per land, en daarbinnen chronologisch: Verenigde Staten, Duitsland, Groot-Brittannië, Frankrijk, overige landen. De Nederlandse geschiedenis had eerst in het tussendeel tussen de werkkamers van mijn vader en mijn moeder gepast. Maar de boeken lieten zich niet inperken, de werkkamer van mijn moeder wel. Nu begon de Nederlandse geschiedenis dáár, en liep ze de hoek om de tussenkamer in.
Zo liepen we samen met stapeltjes of enkele exemplaren van plank naar plank en intussen praatten we over wat we in onze handen hadden. Ik herinner me dat hij een keer zijn bril kwijt was – hij was áltijd zijn bril kwijt – en dat ik ’m, staande op het biblio-theektrapje op de boeken op een hogere plank zag liggen. Ik wilde hem vragen hoe oud hij was toen hij voor het eerst een bril kreeg, bedacht me dat ik zulke vragen eigenlijk nooit aan mijn vader had gesteld en besloot, stom, stom, het ook nu niet te vragen. Dus spraken we over Sebas-tian Haffner en vooroorlogs Duitsland.
Mijn vader stierf op een dinsdagmorgen op een ziekenhuisledikant dat in het smalle deel van zijn werkkamer stond, tussen Haffner en de Duitse geschiedenis aan de ene kant, en Drees en de naoorlogse Nederlandse geschiedenis aan de andere.
In het lege huis dwaalde ik avond aan avond om boeken uit te sorteren. Ook de oninteressante titels sloeg ik toch even open; mijn moeder had de gewoonte bankbiljetten tussen de bladzijden te bewaren. In het stof dat uit de linnen banden dwarrelde en mijn keel schroeide, verbeeldde ik me nog de geur van mijn vaders sigaretten te ruiken.
Wat was het roerend om op een avond mijn stiefdochters te zien, geknield voor de planken, lezend in Vestdijk, Reve of Haffner, blij met elk boek en ieder vertrekkend met één enkele doos.
Ik zag de bewijzen van zijn leeshonger. De boeken vielen open bij pagina’s met een omgeslagen oor: daar was dus iets wat hij wilde onthouden. Er stonden uitroeptekens in de kantlijn, met blauwe balpeninkt getrokken. Ik zag dat hij in zijn eerste Franse boeken met potlood de betekenis van woorden had bijgeschreven. Ik zag dat hij zijn handschrift had veranderd. De generieke cursieve letters van zijn handtekening zou ergens in de jaren zestig plaatsmaken voor een karakteristieker schrift, met een buikige a, als van een tikmachine, en kloekere letters. In de boeken zag ik hem leren, groeien.
Met het grootste gemak kon hij spullen weggooien. Boeken niet
Na weken had ik de 119 dozen vol, duizenden boeken waar ik niet van kon scheiden.
De verhuizing was een militaire operatie. Er moesten meubels naar het huis van mijn moeder, er moesten boeken naar een loods waar ik ze voorlopig zou opslaan, en de rest kon weg. De verhuismannen die binnenkwamen waren verbijsterd „Boeken, boeken, boeken. Ik krijg al hoofdpijn als ik ernaar kijk”, zei eentje. „Heb je wel eens aan een e-reader gedacht”, zei een ander. Maar even later zag ik ze toch zitten lezen in een fotoboek over de nazi’s.
Onder het raam stond een container waarin het afval ging. Aanvankelijk takelde ik daar boeken in netten in, maar met het verstrijken van de uren begon ik stapels over de vensterbank te gooien. Een bevriende buurman stond op straat te kijken en zei hoofdschuddend: „Jan zou zich in zijn graf omdraaien.”
Ja, dat zou hij.
Ontdaan
De laatste keer dat ik de boeken bij elkaar zag voordat ik in de zomer van 2018 voor NRC naar Washington zou verhuizen, was toen ik op een warme junidag de Engelstalige boeken, fictie en geschiedenis, bij elkaar wilde zoeken om mee te nemen – gebruiksvoorwerpen. In de gigantische loods zag mijn stapel dozen, gerold in pakplastic, er ineens klein en kwetsbaar uit.
Ik moet eerlijk zeggen dat ik in de jaren erna zelden aan de boeken dacht. Pas in de zomer van 2021 informeerde ik vanuit Washington eens naar de Amsterdamse opslag. Kon ik langskomen als ik weer in Nederland was? Ik werd van kastjes naar muren gestuurd tot ik uitkwam bij een heel ander bedrijf, dat het oorspronkelijke had overgenomen. De senior sales manager stuurde me dit bericht: „De loods is opgeheven. Deze opslag zegt ons ook helemaal niets. Er staat ook geen opslag meer.”
Het verhuisbedrijf met de enthousiaste lezers was failliet gegaan en omdat ik de goederen niet had opgevraagd, waren die vernietigd.

Ik had weleens in een attractie gezeten waarbij je in een soort lift naar boven werd getakeld, om vandaar zomaar te worden losgelaten zodat je tientallen meters omlaag viel. Zo voelde dit ook. Met op de bodem een raar mengsel van schulden en verdrieten.
Had ik maar eerder geïnformeerd. Had ik maar meer wantrouwen gekoesterd toen er geen facturen meer kwamen. De hele kamer van mijn vader verscheen ’s nachts in mijn dromen. In een interview had mijn vader ooit gezegd: „Ik hoop en verwacht dat mijn kinderen en kleinkinderen niet alleen mijn boeken – verder valt er niets te erven – maar ook mijn ideeën, mijn herinneringen, mijn grappen en mijn pestbuien zullen overnemen.”
Ik hád zijn boeken zullen overnemen, ik had ze willen redden en bewaren, en ik had ze uit mijn vingers laten glippen.
Mijn broer en zusters waren lief voor me, ze vonden het niet erg maar sneu. Ik was zelf het meest ontdaan. Maar waarom precies? Miste ik de boeken? De meeste had ik nog niet eens gelezen. De waarde? „Voor 200 euro neem ik ze nog voor u mee ook” – dat was door de jaren heen alleen maar méér waar geworden.
Ik probeerde mezelf te troosten door te zeggen dat we nooit van plan waren geweest ze allemaal te bewaren. Dat ze nooit in mijn eigen huis zouden hebben gepast. Die boeken waren de nagedachtenis van de innigste uren die ik met mijn vader had doorgebracht. Dat was het belangrijkste. Maar die herinneringen zaten toch niet vast aan de banden van Huizinga, Haffner en Hermans? Die zaten in mijn hoofd.
Maar het hielp niet. Hij had verwacht dat ik ze zou overnemen en ik was ze kwijtgeraakt.
Op Sinterklaasavond 2023 lag tussen de pakjes een grote doos met mijn naam erop. Mijn stiefdochters hadden in overleg met hun moeder het mooiste uit hun Jan Blokker-collectie gehaald en aan mij ‘terug’ gegeven. Bovenop lag De dokter en het lichte meisje van Vestdijk.
Ik hoefde niet naar de boekenkast om te weten hoe Elsschot zijn Kaas afsloot. „Brave, beste kinderen. Lieve, lieve vrouw.”
