Vandaag vijf jaar geleden werd de eerste officiële coronabesmetting vastgesteld in Nederland. Audioredacteur Ilse Eshuis sprak met verschillende mensen over hun ervaringen. Hoe kijken ze terug naar die periode van mondkapjes, lockdowns en isolatie? En hoe werkt het nu nog door? Dit zijn hun verhalen.
Heb je vragen, suggesties of ideeën over onze journalistiek? Mail dan naar onze redactie via [email protected].
De Brakwatergrondel (Pomatoschistus microps) en de Gewone steurgarnaal (Palaemon elegans) die zich flexibel aanpassen aan nieuwe omstandigheden zullen niet zo gauw verdwijnen uit de Oosterschelde. Ook over de Weduweroos (Sagartia undata), een algemeen voorkomende anemoon in de Oosterschelde, en de Fluwelen zwemkrab (Necora puber) hoeven biologen zich niet meteen zorgen te maken. Maar diverse andere soorten in het gebied hebben te maken met een flinke achteruitgang, bleek onlangs uit een rapport van het Centraal Bureau voor de Statistiek.
De Deltawerken van Nederland vormen een kunstmatig rif waarop een rijk dierenleven is ontstaan. De Oosterschelde vormt daarbinnen een uniek natuurgebied dat dankzij de open stormvloedkering een zoutwaterdelta is gebleven. De basaltblokken die de voet van de dijken versterken bieden een rotsachtige ondergrond met talloze spleten en gaten, daar bevindt zich de grootste biodiversiteit van het onderwaterleven.
Op volgorde : deBrakwatergrondel (Pomatoschistus microps), het Kortsnuitzeepaardje (Hippocampus hippocampus), deOosterscheldekreeft (Homarus gammarus) en deWeduweroos (Sagartia undata).
Foto’s Robert Riewald
Het maakt de Oosterschelde een plek waar zeker voor Nederlandse begrippen uitzonderlijk veel te zien is onder water. Volgens opgave van de Stichting Anemoon worden er jaarlijks wel een half miljoen duiken gemaakt. Duikers met biologische kennis inventariseren al decennialang welke soorten waar precies voorkomen.
Het CBS maakte een trendanalyse van de jarenlange waarnemingen aan 37 kenmerkende soorten vissen en bodemdieren in de Oosterschelde om verschuivingen in de soortsamenstelling in kaart te brengen. De conclusie was dat de populaties van deze soorten sinds 1994 met 28 procent zijn achteruitgegaan. Maar het beeld is gemengd: vijftien soorten namen in die periode af, acht andere soorten namen juist toe. Het gaat om vaste bewoners van de Oosterschelde waarvan de toestand bij elkaar een sterke indicatie geeft van de toestand van het ecosysteem.
Fluwelen zwemkrab (Necora puber) Foto Robert Riewald
Het is lastig de oorzaak van de verschuivingen precies te duiden. Het komt neer op een optelsom van klimaatverandering, veranderingen in waterkwaliteit en dijkverzwaringen met staalslakken uit de hoogovens. Ook de komst van vele tientallen soorten exoten brengt de oorspronkelijke fauna verder in het gedrang.
De Oosterschelde kent dus verliezers en winnaars. Kwetsbaar is Oosterscheldekreeft (Homarus gammarus), waarvan Wageningen University aantoonde dat die een unieke populatie vormt die genetisch te onderscheiden is van populaties van de Europese zeekreeft elders in de Noordzee. Het Kortsnuitzeepaardje (Hippocampus hippocampus) daarentegen is een soort die zich juist steeds meer thuis voelt in de Zeeuwse wateren, geholpen door een warmer klimaat.
Lees ook
De zeenaaktslak, de wilde mossel, de broodspons – veel soorten in de Oosterschelde zijn er slecht aan toe
Operaties moesten worden uitgesteld doordat intensivecare-afdelingen overvol waren. Teststraten hadden lange wachttijden en gebrek aan testmateriaal. Personeel van ziekenhuizen, verpleeghuizen en thuiszorginstanties had veel te weinig beschermingsmiddelen, zoals mondneusmaskers. Er waren onvoldoende mensen voor bron- en contactonderzoek.
Nederland werd in 2020 overvallen door de Covid-19-pandemie. Een crisis van die omvang had zich in de westerse wereld niet meer voorgedaan sinds de Tweede Wereldoorlog, en infectieziektebestrijding had politiek vaak weinig prioriteit gekregen. De betrokken partijen – zoals het ministerie van VWS, het RIVM en de GGD’s – hielden alleen rekening met kleine uitbraken, concludeerde de Onderzoeksraad voor Veiligheid (OVV) in een evaluatie van de coronacrisis.
Hoe is dat nu, vijf jaar later? Is Nederland nu wel klaar voor een pandemie?
De GGD’s in elk geval niet. Ruim 120 nieuw aangenomen verpleegkundigen, artsen en andere medewerkers, zoals data-analisten, dreigen alweer te worden ontslagen. Het aantrekken van ruim 75 coördinatoren gaat voorlopig niet door. En de aanbesteding voor een ict-systeem voor gegevensuitwisseling tussen GGD’s onderling en met het RIVM is stilgelegd.
De reden: het kabinet besloot 300 miljoen te bezuinigen op het plan Pandemische Paraatheid – in 2022 juist gepresenteerd als voorbereiding op een nieuwe pandemie.
Ruim de helft van die bezuiniging komt terecht bij de GGD’s en het RIVM. Voorzitter André Rouvoet van GGD GHOR Nederland noemt die bezuiniging „ondenkbaar” en „onbestaanbaar”. Hij zegt: „Als dit doorgaat, moeten we stoppen met alles wat we aan het doen zijn. Dan kunnen we de volgende pandemie niet aan en zijn we terug op het niveau van voor corona.” Dan verdwijnen niet alleen medewerkers, maar stopt bijvoorbeeld ook de vaccinatiecampagne-software (CoronIT).
Ook het RIVM voelt de kabinetsbezuinigingen. Zowel bij het RIVM zelf als bij het daaronder vallende Landelijke Functie Opschaling Infectieziektebestrijding (LFI) zijn de afgelopen tijd ruim honderd extra mensen aangetrokken. Hun toekomst is nu onzeker. Het LFI moet ervoor zorgen dat de test- en vaccinatiecapaciteit en het bron- en contactonderzoek sneller kunnen worden opgeschaald.
Deltawerken breek je ook niete af omdat het al een tijdje niet meer heeft gestormd
Daarnaast werkt het RIVM aan ict-systemen voor data-uitwisseling met bijvoorbeeld GGD’s, (dieren)laboratoria en universiteiten. „De meeste lessons learned hebben we wel op een rijtje, we zijn er nu volop mee aan de slag”, zegt Corien Swaan, coördinator pandemische paraatheid bij het RIVM. „Het is enorm frustrerend als er dan vanuit de politiek wordt gezegd: ‘nou, doe toch maar niet, zet er maar een streep doorheen’. Doodzonde. De investeringen die we tot nu toe deden, worden zo ook teniet gedaan.”
Zo nooit meer
Na de Covid-19-pandemie kwamen alle evaluaties en rapporten tot dezelfde conclusie: Nederland was niet voorbereid geweest op een langdurige, landelijke gezondheidscrisis. Toen de pandemie zich aandiende, onderschatten kabinet en de medische adviseurs de ernst daarvan. Het kabinet concentreerde zich vervolgens vooral op virusbestrijding en het voldoende beschikbaar hebben van intensivecarebedden. Het hield onvoldoende rekening met de maatschappelijke gevolgen van het beleid, stelde de OVV. Met verhalen over ellende in verpleeghuizen, mentale problemen van jongeren, leerachterstanden en vereenzaming werd nauwelijks iets gedaan. Het effect van belangrijke coronamaatregelen als de mondkapjesplicht, scholensluiting en avondklok werd „niet of nauwelijks gemonitord”. Het RIVM onderschatte „de omvang en complexiteit van het vaccinatieprogramma”.
Zo nooit meer, oordeelde het kabinet-Rutte IV. En dus werd afgesproken dat jaarlijks 300 miljoen zou worden uitgetrokken voor pandemische paraatheid. Niet alleen meer mensen erbij, maar bijvoorbeeld ook de oprichting van de LFI, geld voor onderzoek naar het beter modelleren van uitbraken, uitbreiding van het aantal IC-bedden en het beter en sneller kunnen voorzien in medische hulpmiddelen en vaccins.
Oud-minister Kuipers (Zorg, D66) schreef bij de presentatie van het plan in 2022 in een brief aan de Tweede Kamer: „We leven samen met ziekteverwekkers in een complexe omgeving. Die omgeving en ziekteverwekkers veranderen continu en dat maakt ons kwetsbaar.” Volgens Kuipers en deskundigen is het niet de vraag óf, maar wánneer een volgende pandemie optreedt. Het gevaar van zoönosen, infectieziekten die van dier op mens overspringen, is immers onverminderd groot.
Verstopte bezuiniging
Maar tot verbazing van betrokkenen werd het geld voor pandemische paraatheid in de financiële bijlage van het Hoofdlijnenakkoord wegbezuinigd: 50 miljoen dit jaar, oplopend tot 300 miljoen structureel vanaf 2029. De bezuiniging was verstopt onder het kopje ‘Verlagen intensivering publieke gezondheid’.
Aanvankelijk kon niemand André Rouvoet vertellen waar precies op zou worden bezuinigd, ook de ambtenaren van VWS niet, vertelt hij. „Het bedrag herkenden we, maar we dachten: ‘Dat kan toch niet waar zijn?’” Toch wel, al werd dat Rouvoet pas weken later duidelijk, tijdens het afscheid van de oud-bewindslieden: „Een ontzettende klap. Wij zitten met de brokken.” Hij vergelijkt het pandemische paraatheid-plan graag met de Deltawerken: „Die ga je ook niet halverwege de bouw afbreken omdat het al een tijdje niet meer heeft gestormd.”
Je moet je nu voorbereiden op een crisis waarvan je geen idee hebt hoe die eruit komt te zien
Chantal Rovers, hoogleraar Uitbraken van infectieziekten aan het Nijmeegse Radboudumc, zegt dat „er een heleboel mooie plannen zijn gemaakt die nu mogelijk de ijskast ingaan, en het is de vraag of ze daar weer uitkomen.” Ze noemt het „echt doodzonde” als de bezuinigingen niet worden teruggedraaid. „Tijdens corona waren Nederlanders het lang niet over alles eens, maar een betere pandemische paraatheid komt iedereen ten goede. Dan heb je ook minder snel maatregelen nodig.” Ze noemt het „een plan waar niemand het mee oneens kan zijn”.
De OVV, die drie dikke rapporten over de aanpak van de coronacrisis schreef, concludeerde december vorig jaar dat „het gevolg is dat Nederland nu én in de komende jaren niet adequaat is voorbereid op een landelijke, langdurige crisis met grote maatschappelijke impact”.
Weerbaarheid
Maar volgens minister Fleur Agema (Zorg, PVV) is dat onnodige paniekzaaierij. In Kamerdebatten en media-optredens verwijst ze telkens naar het ‘weerbaarheidsbeleid’ dat het kabinet medio 2025 wil presenteren, maar waarover ze inhoudelijk nog niets wil zeggen. Meerdere ministeries werken daarin samen om Nederland weerbaarder te maken tegen onder meer pandemieën, terreurdreiging, natuurrampen en oorlogen. Pandemische paraatheid moet daar deel van gaan uitmaken. „Er zal bijna 1 op 1 overlap zijn”, beloofde Agema op radio 1 in het programma Dit is de dag. „We bezuinigen het niet weg. Dat is een verkeerd beeld.”
Kamerlid Judith Tielen van coalitiegenoot VVD kijkt uit naar waar Agema mee komt, zegt ze. Ze noemt het wegbezuinigde Pandemische Paraatheid-plan „ongericht en niet heel erg concreet. Het is ook een ingewikkelde vraag: wanneer ben je pandemisch paraat?” Ze vindt vooral belangrijk dat de data-uitwisseling en informatie-systemen op orde zijn, „zodat je zicht en grip hebt op wat er gebeurt. Die basis heb je bij elk soort crisis nodig”. Dat geldt volgens haar minder voor de extra aangenomen mensen: „Dat is minder belangrijk als je kijkt naar wat we nodig hebben de komende jaren. We krijgen niet weer covid, het wordt iets anders. Je moet je nu voorbereiden op een crisis waarvan je geen idee hebt hoe die eruit komt te zien.”
Oppositiepartijen zijn er niet gerust op. „Ik ben altijd voorstander van samenwerken, maar dat weerbaarheidsplan is er nog helemaal niet. En dus is er nu sprake van stilstand”, zegt Kamerlid Wieke Paulusma (D66). Ze noemt het „een ondoordachte bezuiniging. Dit kabinet is doof voor alle experts”. Haar GroenLinks-PvdA-collega Julian Bushoff concludeert dat „we blijkbaar weer heel snel vergeten zijn dat corona geweest is. Maar dat gaat alleen maar goed zolang er niks aan de hand is. Onverantwoordelijk.”
Kabinetsval
André Rouvoet zegt ervan overtuigd te zijn dat Agema de bezuinigingen alsnog wil terugdraaien. Dat geld moet dan bij de Voorjaarsnota worden gereserveerd. Maar juist bij die Voorjaarsnota – de herziening van de begroting over 2025 en een eerste voorzet voor de begroting van 2026 – liggen al veel financiële claims: zowel tegenvallers (zoals de vermogensbelasting) als noodzakelijke extra uitgaven (aanvullende maatregelen voor klimaat, extra geld voor jeugdzorg, het terugdraaien van de voorgenomen btw-verhoging op media, cultuur, sport en boeken).
Rouvoet is er al met al niet gerust op. „In het huidige labiele politieke klimaat kan alles gebeuren. Als het kabinet valt, staat deze bezuiniging gewoon in de boeken.”
Lees ook
Hans Brug (RIVM) is bezorgd over bezuinigingen: ‘De doelen voor preventie halen we niet’
Gene Hackman was een man van zijn woord. De acteur gaf zelden interviews („Ik ben opgeleid om te acteren, niet om een beroemde ster te zijn”), maar in juli 2004 was hij te gast bij Larry King. Daar kondigde Hackman – toen 74 jaar oud – aan dat hij met pensioen ging. Deze belofte hield stand tot aan zijn dood. Hij leek het werk en de roem niet te missen. In 2011 vroeg het blad GQ hem of hij niet overwoog toch nog één film te doen. „Alleen als ik het in mijn eigen huis kan doen, met slechts één of twee andere mensen erbij”, antwoordde hij resoluut. Wel schreef hij in zijn latere jaren een aantal historische romans en sprak soms documentaires in.
De 95-jarige acteur werd woensdag met zijn echtgenote, pianist Betsy Arakawa (64) en hond ontzield aangetroffen in zijn landhuis bij Santa Fe, New Mexico. Tot zijn zelfgekozen pensioen was Hackman een zeer productieve acteur; in een tijdsbestek van veertig jaar was hij te zien in een kleine honderd filmproducties. Met name in de jaren negentig leken er nauwelijks filmhits te zijn waarin de acteur met zijn allemansgezicht niet meespeelde. Zocht je een norse patriarch of getroebleerd vaderfiguur dan belde je hem.
Norse patriarchen
Gene Hackman was geen mooie jongen, met zijn kreukelige gezicht, licht toegeknepen ogen en aardappelneus. Zijn specialiteit waren louche gezagsfiguren, zoals de vasthoudende narcotica-rechercheur Popeye Doyle in The French Connection (1971), de introverte, zweterige afluisterexpert in The Conversation (1974), de cartooneske superschurk Lex Luthor in drie Superman-films (1978-1987), een doortastende, maar weinig regelvaste FBI-agent in racisme-drama Mississippi Burning (1988) of de meedogenloze sheriff in Unforgiven (1992). Vijfmaal werd de acteur genomineerd voor een Oscar: hij won het beeldje voor The French Connection en Unforgiven.
Toen Hackman de vijftig was gepasseerd, stond hij bovenaan alle castinglijstjes als er een norse patriarch of een getroebleerd vaderfiguur werd gezocht. De jaren negentig waren een uitermate productief en artistiek bevredigend decennium. Na zijn Oscarzege als sheriff Little Bill in Unforgiven – een sadist én realpolitiker – stond hij in drie westerns op rij. Hij diende Denzel Washington fraai van weerwerk als (te) gezagsgetrouwe kapitein van een nucleaire onderzeeër in Crimson Tide (1993), speelde een kruiperige filmproducent in Get Shorty (1995), een foute president in Clint Eastwoods Absolute Power (1997). Na die reeks successen kwam zijn pensionering best abrupt.
Acteur Gene Hackman als Captain Ramsey in de film ‘Crimson Tide’ (1995).Foto Reuters
Slechte marinier
Hackman werd oud geboren; zijn halve leven leek hij weggelopen uit een John Grisham-boek over met zichzelf worstelende mannen van post-middelbare leeftijd – niet voor niets was hij te zien in drie verfilmingen van de auteur (The Firm, The Chamber en Runaway Jury).
Als tiener dacht Eugene Allen Hackman (geboren in San Bernardino, Californië in 1930) aan een carrière in het leger. Op zijn zestiende verliet hij het huis van zijn grootmoeder, bij wie hij na de scheiding van zijn ouders opgroeide. In eerste instantie meldde de jonge Hackman zich bij de mariniers. Maar hoewel hij als radio-operator alle hoeken van de wereld zag (hij belandde onder meer in Japan, China en Hawaï), besloot hij toch in New York op zoek te gaan naar vastigheid. „Ik was een slechte soldaat, ik kan niet goed tegen autoriteit”, zei hij later.
Komisch talent
Als twintiger studeerde hij even journalistiek en televisie voordat hij besloot naar California terug te keren om lessen te volgen bij acteeropleiding The Pasadena Playhouse, waar hij kamergenoot en vriend werd van Dustin Hoffman. Zij waren de riseetjes van de klas, onder meer omdat ze bepaald niet voldeden aan het schoonheidsideaal dat toen in Hollywood gold – klasgenoten brandmerkten de twee als ‘least likely to succeed’, Hackman vertrok met de laagste cijfers ooit.
De dertig gepasseerd, leefde Hackman in de jaren zestig met zijn vrienden Hoffman en Robert Duvall als worstelend acteurs in New York, waar veel tv-en toneelwerk was. Ze onderhielden zichzelf met talloze bijrolletjes en baantjes in de horeca. Het geluk wilde dat ook Hollywood eind jaren zestig in toenemende mate ‘karakter’ boven schoonheid ging verkiezen – films moesten ‘echt’ zijn. Daarna ging het snel: zowel Hackman als Hoffman kregen al voor hun tweede grote filmrol een Oscarnominatie – Warren Beatty vroeg Hackman hoogstpersoonlijk om zijn oudere broer te spelen in misdaadklassieker Bonnie and Clyde (1967).
Ook op Broadway viel Hackman snel in de prijzen voor zijn rollen in Children at Their Games van Irwin Shaw en de komedie Any Wednesday. Het curieuze is dat Hackman in het theater zelden voor serieus drama werd gevraagd, maar het witte doek juist verzuimde zijn onmiskenbare komische talent aan te spreken. Uitzonderingen waren een bekrompen senator in queer-musical The Birdcage (1996) en de ziekte veinzende pater familias in The Royal Tenenbaums (2001) van Wes Anderson.
Wielrennen en schilderen
Zijn aanpak werd door regisseurs omschreven als ‘no-nonsense’; een acteur komt op de set om een rol te spelen, niet meer en niet minder. Hackman kon ook weinig met de roem die zijn succes met zich meebracht: „Zodra ik mijzelf als een ster ga zien, kan ik geen gewone mensen meer spelen”, stelde hij. In interviews weigerde Hackman steevast op persoonlijke vragen in te gaan.
Zijn eerste huwelijk, met secretaresse Faye Maltese, hield drie decennia stand; het koppel kreeg drie kinderen. Na hun scheiding in 1986 hertrouwde Hackman met pianiste in 1991 Betsy Arakawa. Sinds zijn afscheid van het vak trad de acteur nog maar zelden in de openbaarheid, al is wel bekend dat hij tot op hoge leeftijd veel tijd besteedde aan wielrennen en schilderen. Op zijn eigen films terugkijken deed de acteur nooit, bekende hij in 2004 aan Larry King: „Daar word ik alleen maar heel nerveus van.”