Column | De rouw wordt niet kleiner, maar groeit. Dat is wat oorlog met mensen doet

‘Tussen hemel en oorlog’ noemt het Utrechtse Catharijneconvent hun benauwend actuele expositie over (min of meer) religieuze kunst in het interbellum, tussen beide Wereldoorlogen. Je moet wel totaal versuft zijn als je, bijgelicht door de kunst, hier niet begint te bedenken dat we nu ook wel eens in een interbellum zouden kunnen zitten. Een klein beeldje overweldigt me met acuut verdriet: een moeder met haar dode zoon tussen haar benen, alsof ze hem opnieuw het leven wil schenken. Käthe Kollwitz maakte het in 1937, bij de 40ste niet-verjaardag van haar in 1914 gesneuvelde zoon. Het heet Piëta, maar ik zie geen Maria of Jezus. Ik zie alleen maar dat haar rouw niet kleiner werd, maar groeide. Dat is wat oorlog met mensen doet.

De expositie besluit met een doek van Tinus van Doorn uit 1932: Apocalyptische ruiters. Langs de onderrand van het schilderij staan huisjes en een kerktorentje – de plekken waar de mensen zich veilig wanen. Hemelruiters noch paarden kijken ernaar om. Die bestaan voor zichzelf, oorlog bestaat voor de oorlog.

Käthe Kollwitz: Piëta (1937).
Collectie Van Gemert, foto Ruben de Heer

Speelgoedbeer als hond

Op een betoverende tentoonstelling met foto’s van 1900-1907 in Huis Marseille in Amsterdam zie ik een rijtje kindermeisjes in een Parijs’ park met peuters op hun schoten. Wat bewoog tijdens de belichting van de glasplaat in de camera, werd een vlek, een van de kinderen heeft een gezichtje alsof iemand het uit wilde gummen. Op een foto van een donkere straat houdt een meisje een rare hond aan de lijn.

Hond? Het ís een speelgoedbeer die dienst doet als hond. Een echte hond beweegt zijn kop, en dat moesten de fotografen, de gebroeders Séeberger, niet hebben. Zij zullen ter plekke mensen hebben overgehaald om even voor hun camera stil te vallen. Ik stel me kramp in een kuit voor, of een opkriebelende slappe lach. Maar hoe lang duurde dat even? Een minuut? Langer? Dat wil ik weten, daarom bel ik Sake Elzinga op, fotograaf en vriend. „Toeval bestaat niet”, zegt hij. Hoezo dat? Nou, hij wandelt net bij Huis Marseille naar buiten waar hij precies zo betoverd is door de Séeberger-foto’s als ik. Sluitertijden? Hij gaat even terug en kijkt opnieuw.

Op foto’s zoals het sneeuwballengevecht en de tenniswedstrijd ziet hij stilgevallen mensen. Op foto’s met veel volk (hoe krijg je die allemaal stil, vroeg ik hem) keek hij naar de blaadjes aan de bomen en zag dat ze op windstille dagen gemaakt zijn, bij het overvloedige licht van de ochtendzon. „Zo kun je toe met een relatief korte sluitertijd”, zegt hij, „misschien een dertigste seconde.” Verstarren hoefde niet.

Zo’n tien jaar later verstarde het leven, toen woedde de Eerste Wereldoorlog. Wij weten wat er stond te gebeuren. In de loopgraven sneuvelden vele mensen die de Séebergers in de ochtendzon vastlegden, en hun vaders, broers en zonen. Dankzij deze foto’s mogen we even meeliften op hun gelukzalige nog-niet-weten.