Snel werkt Isabelle van Elst (26) een omelet naar binnen, voordat ze aan het interview kan beginnen. Minder dan een uur geleden trainde ze nog op het ijs van Thialf, nu zit ze in het restaurant van het Van der Valk-hotel in het nabijgelegen Wolvega. Over een uurtje moet ze alweer terug naar het ijsstadion, voor een bezoek aan de masseur.
De dagen die de voor België rijdende schaatsster in Nederland verblijft, heeft ze strak gepland. Zo strak, dat ze nu even in de knoei komt met de tijd. „Oeps”, lacht ze. Dit weekend rijdt ze het EK Sprint in Heerenveen, om vervolgens na een kort familiebezoek naar Canada te vliegen voor de volgende wereldbekerwedstrijden in Calgary en de Amerikaanse stad Milwaukee. En dat terwijl de toekomst van haar schaatscarrière een paar maanden geleden door financiële zorgen nog onzeker was.
Van Elst leerde op zesjarige leeftijd schaatsen in Haarlem. Ze bleek talent te hebben, kon eerder pootje-over dan haar drie jaar oudere zus. In de jeugd werd ze meerdere malen Nederlands kampioen. Via het regionale trainingscentrum en het Gewest Friesland kwam ze in 2021 terecht bij Team Worldstream, de door Jutta Leerdam en haar toenmalige vriend Koen Verweij opgezette ploeg.
Toen Leerdam begin 2022 besloot over te stappen naar Jumbo en de hoofdsponsor wegviel, stond Van Elst voor een grote keuze. Al vaker had de Belgische schaatsbond gepolst of ze wilde uitkomen voor het geboorteland van haar moeder, nu hapte ze toe.
Wat was je afweging bij die beslissing?
„Van commerciële ploegen was geen interesse. Uiteindelijk reed ik ook maar een beetje mee in de subtop, ik plaatste me alleen af en toe als reserve voor de wereldbeker. Ik heb ook het idee dat er nog steeds minder plek is voor vrouwen dan mannen bij commerciële ploegen. Teruggaan naar het [regionale] team van het Gewest was een optie, maar ik kon ook de stap naar België maken. De boel voor mezelf helemaal op z’n kop zetten en kijken wat mogelijk was.
Ik was toe aan even totaal iets anders. Uitkomend voor België zou ik veel meer mijn eigen plan kunnen trekken. Bij een commercieel team had ik het idee dat je soms een ander soort training doet dan goed is voor jou, omdat een andere schaatser daar beter van wordt, die zich bijvoorbeeld wel heeft geplaatst voor de wereldbeker of de Spelen.”
Het besluit kwam kort nadat de Nederlandse bondscoach Jan Coopmans je vlak voor het WK uit teamsprintselectie had gezet en Femke Kok had opgesteld. Speelde dat mee?
„Uiteindelijk moest er gewoon wat veranderen, maar die gebeurtenis maakte de keus wel makkelijker. Het was al een enorme verrassing dat ik mee mocht naar dat WK. Ik was supergemotiveerd. Ik was al de hele week in Hamar aan het toewerken naar de teamsprint, ik reed geen andere afstanden. Toen ik de dag ervoor hoorde dat ik niet mee mocht doen, dacht ik: ‘hoe kan iemand die keuze uberhaupt maken?’”
Is dat ooit uitgesproken?
„Ik heb er nog met de KNSB over gesproken en toen gezegd wat ik ervan vond. Ze grapten: ‘Wat als wij het net zo hadden gedaan als de bondscoach?’ Daarop zei ik dat ik de keus dan nog net zo debiel vond. Zeg gewoon van tevoren dat je een aantal mensen hebt die potentieel de teamsprint kunnen gaan rijden. De communicatie had veel beter gemoeten.”
Toen Van Elst de keus voor België had gemaakt, wist ze dat ze veel moest gaan regelen. België is immers een veel kleiner schaatsland dan Nederland. Er zijn geen commerciële ploegen die voorzien in trainers, verzorging en materiaal, en bovendien een salaris uitbetalen. Dat moest Van Elst nu allemaal zelf uitzoeken.
Een trainer en materiaal waren al snel geregeld. Van Elst mocht meetrainen met de Noorse ploeg, geleid door Bjarne Rykkje, terwijl haar oud-trainer Sjoerd Geraets van het regionaal trainingscentrum in Haarlem hielp met de juiste ronding en kromming van haar schaatsen. Maar de sponsoring? „Ik had niet gedacht dat het zoveel energie zou gaan kosten en zo lang zou duren”.
Twee jaar lang legden haar ouders geld bij zodat Van Elst haar trainingen bij de Noorse ploeg kon betalen, maar die geldkraan ging na vorig seizoen dicht. „Ik had de sponsoring niet rond, gaf geld uit dat ik eigenlijk niet had”, zegt Van Elst. „Bovendien werd de Noorse ploeg ook zenuwachtiger met buitenlanders in de ploeg richting de Spelen.”
Ze besloot niet meer vast bij de ploeg te rijden, waarmee ze 7.500 euro en aanvullende kosten voor trainingskampen bespaarde. Wel geeft Rykkje haar nog advies over trainingsschema’s en sluit ze zo nu en dan aan bij trainingen.
Ook bezuinigde ze door vrijwel de hele zomer in Nederland te trainen. Ze combineerde het met werken in een wielerkledingzaak in Amsterdam. Met het geld dat ze verdiende kon ze één trainingskamp betalen naar het Duitse Inzell, waar ook in de zomer geschaatst kan worden. Maar het seizoen naderde, en nog altijd was er geen sponsor.

Kon de Belgische bond niet bijspringen?
„Die doen wel een bijdrage, maar hebben niet genoeg geld om alles te bekostigen. Voor een wereldbekerseizoen heb je al gauw een budget nodig van rond de 45.000 euro. Dat is ziek veel geld. Als ik geen sponsor had gevonden, was het toch wel einde schaatscarrière geweest. Gelukkig kwam in oktober de sponsoring toch nog rond.”
Hoe ging je om met die onzekerheid?
„Pas toen het financiële plaatje zeker was, besefte ik hoeveel stress het de afgelopen jaren heeft gegeven. De trainingen gingen hartstikke goed, maar ik zat toch altijd net een beetje op het randje. Omdat ergens in je achterhoofd het gevoel zat van ‘ja, hoe ga ik die volgende wereldbekerwedstrijd weer betalen. Dat is gewoon kut. Ik heb nu eindelijk rust in m’n koppie.”
Toen Van Elst in 2022 bij Rykkje begon te trainen, was haar basisconditie niet goed genoeg. Twee jaar lang investeerde ze vooral in haar duurvermogen. De overstap naar België zorgde er ook voor dat haar focus niet meer ligt op de sprintcombinatie van 500 meter en 1.000 meter die ze dit weekend zal schaatsen, maar meer op de 1.000 en 1.500 meter. Op die laatste afstand zette ze in november in het Japanse Nagano met een twaalfde plaats haar beste wereldbekerprestatie tot nu toe neer. Na de tweede wereldbeker in Beijing ging ze op trainingskamp naar het Italiaanse Collalbo, waar ze enkel nog een 500 en 3.000 meter reed als training.
Je vertrek naar België betekent ook dat je veel minder officiële wedstrijden hebt dan Nederlanders. Mis je die prikkels?
„Ik vind het vooral heel relaxed. Die World Cups zijn al veel, en dan heb je nog het EK en het WK. Vaak zitten die NK’s alleen maar in de weg. Veel Nederlanders willen die niet eens rijden, ze kunnen dan een periode niet hard doortrainen omdat ze fris aan de start moeten staan. Een schaatser die voor Nederland uitkomt moet op zoveel momenten in het seizoen goed zijn, een olympisch kwalificatietoernooi is soms zelfs belangrijker dan de Spelen. Eigenlijk is dat raar.”
Daar heb jij dus geen last van. Wat moet je wel laten zien om je te plaatsen?
„Ik moet bepaalde tijden rijden, maar dat zal het probleem niet zijn. Ook moet ik standaard in de A-groep rijden bij de World Cups. Op de 1.500 meter doe ik dat nu, op de 1.000 meter zit ik nog in de B-groep. Daar promoveren de eerste drie naar de A-groep, ik ben nu een keer vierde en een keer vijfde geworden. Dus ik hoop snel de stap te maken. En stiekem hoop ik voor de Belgische ploegenachtervolging uit te kunnen komen met Sandrine Tas en Fran Vanhoutte. Vanochtend hebben we voor het eerst getraind, in Milwaukee maken we ons debuut.”
Als je nu terugkijkt naar de afgelopen jaren, is de overstap naar België wat je ervan verwacht had?
„Ik had eigenlijk niets anders gewild, als ik bedenk hoe ik er nu in sta. Ja, de financiële kant was lastig. Maar ik ben veel zelfstandiger geworden. Ik weet wat ik nodig heb om hard te schaatsen, of weet dat in elk geval veel beter. Alleen een ploeg vormen eenzaam? Ik denk dat het me niet zoveel boeit. Ook omdat ik weet dat ik bij veel mensen terecht kan.”
